Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:6055

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25-11-2014
Datum publicatie
25-11-2014
Zaaknummer
UTR 13/4654 en UTR 13/6271
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geld- en waardetransporteur Brinks mag bij een overval op opslagpanden geen vuurwapens gebruiken ter zelfverdediging. Brinks kan in een dergelijk geval terugvallen op de politie. De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft het verlof voor het wettelijke verbod op vuurwapenbezit terecht geweigerd. Dat heeft de bestuursrechter van de rechtbank Midden-Nederland vandaag beslist.

De afgelopen jaren zijn opslagpanden van Brinks meerdere keren op gewelddadige wijze overvallen, waarbij automatische vuurwapens en zware explosieven werden gebruikt. Brinks wil ter zelfverdediging de mogelijkheid hebben om zelf vuurwapens te hanteren. Hiervoor moet de staatssecretaris verlof geven. De staatssecretaris heeft dit geweigerd. De staatssecretaris geeft alleen verlof als sprake is van zelfverdediging onder zeer uitzonderlijke omstandigheden.

In maart 2014 bepaalde de rechtbank dat de staatssecretaris nader moest motiveren waarom er geen sprake is van zelfverdediging onder zeer uitzonderlijke omstandigheden. De rechtbank vindt dat de staatssecretaris zijn standpunt met de nadere motivering voldoende heeft onderbouwd.

Brinks heeft zelf preventiemaatregelen getroffen die het gevaar voor medewerkers minimaliseren en de overval vertragen zodat de politie kan ingrijpen. Verder heeft de staatssecretaris inzicht gegeven in de aanpak van de strijd tegen gewapende overvallen. Op basis van deze aanpak kan worden aangenomen dat Brinks tijdens een overval kan rekenen op ingrijpen door de politie. Dit alles maakt dat er volgens de rechtbank geen sprake is van zelfverdediging onder zeer uitzonderlijke omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 13/4654 en UTR 13/6271

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 november 2014 in de zaak tussen

[naam]’s Nederland B.V., gevestigd te Houten, eiseres,
R.H. Koster, te Rotterdam, eiser,

(gemachtigde: mr. A.M.F. de Rooij)

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: R. Verhagen).

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 31 maart 2014 (tussenuitspraak 1) heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen, het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

Bij tussenuitspraak van 14 mei 2014 (tussenuitspraak 2) heeft de rechtbank op verzoek van verweerder de termijn om het gebrek te herstellen verlengd en daarbij verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in de eerste tussenuitspraak.

Bij tussenuitspraak van 30 juli 2014 (tussenuitspraak 3) heeft de rechtbank op verzoek van verweerder de termijn om het gebrek te herstellen verlengd en daarbij verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in de tweede tussenuitspraak.

Verweerder heeft bij brief van 21 augustus 2014 gereageerd op tussenuitspraak 1.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kennis genomen van de informatie in de bijlage bij verweerders brief van 21 augustus 2014. Eisers hebben toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.

Eisers hebben bij brief van 16 september 2014 gereageerd.



De rechtbank heeft vervolgens partijen toestemming gevraagd om uitspraak te doen zonder nader onderzoek ter zitting. Nadat partijen de gevraagde toestemming hebben verleend, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en uitspraak bepaald op heden.
Overwegingen

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraken. De rechtbank blijft bij al wat zij daarin heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).

2. De rechtbank heeft verweerder bij tussenuitspraak 1 - kort gezegd - in de gelegenheid gesteld nader te motiveren waarom in het geval van eisers geen sprake is van zelfverdediging onder zeer uitzonderlijke omstandigheden, zoals bedoeld in artikel 6.1. van onderdeel B6 van de Circulaire Wapens en Munitie 2013 (de Circulaire).

3. Verweerder heeft in zijn aanvullende motivering nader toegelicht dat van zelfverdediging onder zeer uitzonderlijke omstandigheden geen sprake is, omdat de beveiligingsmedewerkers van eiseres bij een (gewelddadige) overval op een opslagpand

- anders dan bijvoorbeeld in het geval van een poolreiziger of de bemanning van een reder op zee - wel degelijk kunnen terugvallen op het bevoegde gezag en er aldus geen noodzaak bestaat om ter zelfverdediging over te gaan tot het gebruik van vuurwapens. Volgens verweerder zorgen de preventiemaatregelen die eiseres (mede naar aanleiding van de eerdere overvallen) zelf heeft getroffen, zoals het realiseren van een braak- en explosievenbestendige ruimte voor de beveiligingsmedewerkers en de te beveiligen goederen, het gebruik van duidelijke veiligheidsprocedures en adequate training en instructie van het personeel, mits correct opgevolgd, voor minimalisering van gevaar voor beveiligingsmedewerkers en voor voldoende vertraging van de overval, zodat de politie in staat is om volgens algemeen protocol op te schalen, op te treden en, zo nodig, te interveniëren. Ten tijde van de eerdere overvallen waren de fysieke beveiligingsmaatregelen, de procedures en/of de training en instructies van de medewerkers nog onvoldoende en hierdoor hebben de medewerkers niet in alle situaties aan de procedures voldaan of kunnen voldoen. Inmiddels zijn echter aanvullen-de beveiligingsmaatregelen genomen, zodat dit soort situaties zich niet meer kan voordoen.

4. Verweerder stelt verder over het optreden van de politie dat deze niet alleen bij alarmering, maar ook bij signalering een open verbinding (beeld en geluid) tot stand brengt met het gelddepot voor een goede informatiepositie. Verweerder betwist dat bij een overval niet direct wordt ingegrepen en dat het vertrek van de overvallers wordt afgewacht, teneinde gijzelingen te voorkomen. Een interventie zal volgens verweerder worden uitgevoerd door plaatselijke eenheden en de zogenoemde Dienst Speciale Interventies, eventueel met ondersteuning van arrestatie- en observatieteams en met inachtneming van het interventie-plan. Uitgangspunt daarbij is dat als de beveiligingsmedewerkers van eiseres en de daders zich nog in het opslagpand bevinden, een interventie zo spoedig mogelijk zal worden uitgevoerd. Daarbij zal het pand worden betreden, waarna de overvallers worden aangehouden en de beveiligingsmedewerkers veilig naar buiten worden geleid. Verweerder heeft er daarbij nog op gewezen dat de beveiligingsmedewerkers zich bij een overval kunnen (en dienen) terug (te) trekken in de extra beveiligde ruimte en dat zij daar weliswaar niet weg kunnen totdat de politie hen ontzet, maar dat zij daar wel veilig zijn en niet ‘zijn overgeleverd aan zwaar bewapende overvallers’ of ‘volledig op zichzelf zijn aangewezen’. Verweerder stelt daarnaast dat er regulier overleg met de branche van eiseres plaatsvindt over veiligheid en dat er dagelijks informatie met de politie wordt gedeeld. Verder wijst verweerder erop dat hij voornemens is specifiekere eisen te gaan stellen aan de beveiliging van opslagpanden, waarbij hij een basisniveau voor de beveiliging van opslagpanden wil bepalen en de politie concretere aanknopingspunten wil geven om, indien nodig, handhavend op te treden.



Eisers handhaven hun betoog dat wel sprake is van zelfverdediging onder zeer uitzonderlijke omstandigheden. Volgens eisers zijn de door verweerder genoemde maatregelen door haar genomen en zijn alle instructies opgevolgd, maar heeft dit desondanks niet geleid tot een veiligere situatie. De maatregelen hebben volgens eisers onvoldoende afschrikkende werking vanwege de toename en professionalisering van het geweldgebruik, terwijl zij ook hoge kosten met zich brengen en er zelfs dan nog steeds niet kan worden teruggevallen op het bevoegde gezag. Eisers wijzen op de eerdere overvallen en stellen dat de met de genoemde maatregelen beoogde vertraging van de overvallen niet heeft verhinderd dat er levensgevaarlijke explosieven werden gebruikt en dat de overvallers - zonder tijdig interveniëren door de politie - met de buit vertrokken. Verder stellen eisers dat directe interventie door politie simpelweg niet mogelijk is, omdat de overvallers zeer snel te werk gaan. Daarnaast stellen eisers dat uit de praktijk is gebleken dat de politie zich afwachtend opstelt, tenzij sprake is van een gijzeling die niet door middel van de inzet van een onderhandelaar kan worden beëindigd. Ook stellen eisers dat een directe interventie te gevaarlijk zou zijn, omdat de politie dan een directe confrontatie aan moet gaan met de zwaar bewapende overvallers, hetgeen voor de politie en de beveiligingsmedewerkers van eiseres risico’s met zich brengt. Dat de medewerkers ondertussen veilig zouden zijn in de extra beveiligde ruimte wordt door eisers betwist, omdat het ontploffen van explosieven op zichzelf al teveel risico oplevert en de medewerkers niet kunnen vluchten. Eisers achten voorts van belang dat de Staat tekort komt als het gaat om de opsporing en vervolging van de daders van de overvallen, nu daarin vooralsnog geen successen zijn geboekt. Concluderend stellen eisers dat de panden niet voldoende braak- en explosieven-werend zijn en dat de beveiligingsmedewerkers wel degelijk op zichzelf zijn aangewezen bij dodelijke aanvallen van criminelen, net als de poolreiziger en de bemanning van een reder op zee, en dat er dus wel een noodzaak bestaat om ter zelfverdediging over te gaan tot het gebruik van vuurwapens.

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de door hem gegeven nadere toelichting voldoende gemotiveerd waarom geen sprake is van zelfverdediging onder zeer uitzonderlijke omstandigheden. In de aanvullende motivering en de daarbij behorende geheime stukken heeft verweerder uiteengezet waaruit de huidige aanpak en maatregelen in de strijd tegen gewapende overvallen op opslagpanden van eiseres bestaan en in hoeverre daarmee thans een oplossing wordt geboden voor de door eisers geschetste problematiek. Verweerder is hierbij uitvoerig ingegaan op de in dit verband door eiseres zelf te nemen preventiemaatregelen, de werkwijze van politie, de samenwerking tussen deze partijen en verweerders beleid om deze vorm van criminaliteit in te perken. Verweerder heeft ook gewezen op hetgeen bij de eerdere overvallen niet goed is gegaan en op de maatregelen die sindsdien zijn getroffen, teneinde er voor te zorgen dat deze problematiek zich niet meer kan voordoen. Het door verweerder genoemde interventieplan is naar het oordeel van de rechtbank inzichtelijk en biedt bovendien voldoende grond voor de aanname dat - anders dan bijvoorbeeld bij een poolreiziger of de bemanning van een reder op zee - het bevoegde gezag thans tijdens een overval op een opslagpand wel beschikbaar is om op terug te vallen. Verweerder heeft zich daarom naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de noodzaak tot zelfverdediging door middel van een vuurwapen in het geval van eisers niet aan de orde is.

7. Het betoog van eisers dat aan de beschikbaarheid van het bevoegde gezag moet worden getwijfeld, nu tijdig optreden door de politie bij eerdere overvallen niet zou hebben plaatsgevonden en dit ook onmogelijk moet worden geacht vanwege de toename en professionalisering van het geweldgebruik, alsook de snelheid waarmee wordt geopereerd, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft gemotiveerd toegelicht dat de fysieke beveiligingsmaatregelen en de procedures ten tijde van de voorgaande overvallen nog onvoldoende waren en dat niet steeds aan alle procedures is, of kon, worden voldaan. Inmiddels zijn echter aanvullende maatregelen genomen. In wat eisers hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de juistheid van deze mededeling te twijfelen. Dat er in het verleden mogelijk omissies zijn geweest aan de kant van eiseres, danwel de politie, acht de rechtbank dan ook niet doorslaggevend bij de beantwoording van de vraag of er thans sprake is van zelfverdediging onder uitzonderlijke omstandigheden. Verweerder heeft voldoende inzichtelijk gemaakt dat en op welke wijze thans rekening wordt gehouden met de door eisers genoemde toename en professionalisering van het geweldgebruik en de snelheid van handelen bij de betreffende overvallen. Het betoog van eisers over de gebrekkige opsporing en vervolging van de daders van de overvallen, maakt - wat daar ook van zij - het voorgaande niet anders, omdat dit niet van belang is bij de beantwoording van de vraag of sprake is van zelfverdediging onder zeer uitzonderlijke omstandigheden.

8. Voorts heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank afdoende gemotiveerd dat er voor de medewerkers van eiseres geen directe noodzaak bestaat voor zelfverdediging door middel van een vuurwapen, omdat zij zich in geval van een overval onmiddellijk kunnen (en dienen) terug (te) trekken in de extra beveiligde, explosieven-werende, ruimte, waar zij veilig zijn in afwachting van de komst van de politie. De rechtbank onderkent dat de medewerkers deze beveiligde ruimte niet zelfstandig kunnen ontvluchten en dat dit (sterke) gevoelens van onveiligheid met zich kan brengen, maar dit is op zichzelf onvoldoende om te kunnen concluderen dat sprake is van zelfverdediging onder zeer uitzonderlijke omstandig-heden. De rechtbank verwijst hierbij naar rechtsoverweging 7 van tussenuitspraak 1. Ook de - niet nader onderbouwde - stelling van eisers dat de medewerkers in deze extra beveiligde (explosieven-werende) ruimte alsnog een risico lopen vanwege het ontploffen van explosieven is hiervoor onvoldoende.

9. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat het betoog van eisers dat sprake is van een situatie die gelijk is aan die van de particuliere beveiligingsmedewerkers van De Nederlandsche Bank (DNB), aan wie wel verlof is verleend, evenmin slaagt. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van gelijke gevallen, vanwege de beduidend andere maatschappelijke en vitale functie van DNB en aldus het maatschappelijk belang dat hierbij met bewapende beveiliging wordt gediend. Dat eiseres in de loop der jaren een aantal taken van de DNB heeft overgenomen maakt dat niet anders.

10. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich met zijn nadere motivering en de daarbij behorende geheime stukken in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van zelfverdediging onder zeer uitzonderlijke omstandigheden, zoals bedoeld in artikel 6.1. van onderdeel B6 van de Circulaire. Verweerder heeft daarom terecht geweigerd eisers verlof te verlenen voor het wettelijke verbod op het voorhanden hebben, dragen en vervoeren van een vuurwapen van

categorie III van de Wwm.

11. Gelet op het in tussenuitspraak 1 geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Nu verweerder in zijn reactie op tussenuitspraak 1 dit gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.

12. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar, mede namens eiser, betaalde griffierecht vergoedt.

13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.217,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1).



Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 318,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.217,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Verra, voorzitter, en mr. R.J. Praamstra en
mr. G.C. van Gelein Vitringa-Boudewijnse, leden, in aanwezigheid van mr. I. Ahmadali, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 november 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraken kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.