Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:5928

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
26-11-2014
Datum publicatie
02-12-2014
Zaaknummer
C-16-357376 - HA ZA 13-890
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vermogensrecht. Verkrijgende (artikel 3:99 BW) / extinctieve (artikel 3:105 BW) verjaring met betrekking tot strook gemeentegrond, inbezitneming / bezitspretentie?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2015/37
Belastingblad 2015/193

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/357376 / HA ZA 13-890

Vonnis van 26 november 2014

in de zaak van

1 [eiser],

2. [eiseres],

beiden wonende te [woonplaats] (gemeente [plaats]),

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. J. Groot Koerkamp,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE [plaats],

zetelende te [plaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. C.E.A.J. Kuipers.

Partijen zullen hierna [eisers] en Gemeente [plaats] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 16 april 2014

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 10 oktober 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eisers] is sinds 2006 eigenaar van het perceel gelegen aan de [adres] te [woonplaats], kadastraal bekend als Gemeente [woonplaats], sectie C, nummer 4478 (hierna: het perceel). De rechtsvoorgangers van [eisers], de heer en mevrouw [A] (hierna: [A]), hebben het perceel in 1971 gekocht en daarop in 1974 een woning laten bouwen.

2.2.

Tussen het perceel en de openbare weg ligt een strook grond (hierna: de strook) van circa 49 m2, kadastraal bekend als deel van Gemeente [woonplaats], sectie C, nummer 1565. Dit betreft de strook met nummer 365 op de kadastrale kaart die de Gemeente [plaats] heeft bijgevoegd bij haar brief van 21 december 2011 aan [eisers], welke brief door [eisers] is overgelegd als productie 2 bij inleidende dagvaarding. De Gemeente [plaats] staat te boek als de eigenaar van de strook.

2.3.

In 1974 heeft [A] de strook ingericht als tuin. Ter plaatse van de openbare weg is de strook toen afgeschermd met een laag hekwerk.

2.4.

Begin jaren ’80 en begin jaren ’90 hebben renovatiewerkzaamheden aan de [adres] plaatsgevonden. Daarbij is de feitelijke situatie gerespecteerd, in die zin dat de als tuin ingerichte strook ongemoeid is gelaten.

2.5.

Bij brief van 21 december 2011 heeft Gemeente [plaats] [eisers] verzocht aan te tonen dat hij rechtmatig gebruik maakt van de strook.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eisers] vordert, na eiswijziging ter comparitie, bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- te verklaren voor recht dat [eisers] een deel van het perceel, bij de gemeente bekend als [woonplaats] C 1565, zoals dit deel is weergegeven op de bij de dagvaarding als productie 2 bijgevoegde kadastrale kaart als het rode vlak met ‘365’ naast het perceel van [eisers], kadastraal bekend als [woonplaats] C 4468, met een oppervlakte van ongeveer 49 m2, door verjaring in eigendom heeft verkregen;

- de gemeente te veroordelen om uiterlijk binnen vier weken na betekening van het in deze te wijzen vonnis haar medewerking te verlenen aan het opmaken en inschrijven in de openbare registers van een notariële akte van de hiervoor bedoelde verjaring, een en ander op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of dagdeel dat de gemeente na betekening van het vonnis nalaat/verzuimt hieraan te voldoen;

- de gemeente te veroordelen in de kosten van deze procedure, daaronder begrepen het salaris van de advocaat en de deurwaarderskosten, alsmede de nakosten.

3.2.

[eisers] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de strook sinds 1974 onafgebroken in gebruik is als tuin. De rechtsvoorgangers van [eisers] hebben de tuin afgeschermd met een hek en de Gemeente [plaats] heeft de situatie ten tijde van de renovatiewerkzaamheden die aan de [adres] hebben plaatsgevonden gerespecteerd. Daarbij was de (rechtsvoorganger van de) Gemeente [plaats] al decennialang op de hoogte van de situatie. Het bezit van de Gemeente [plaats] is daardoor reeds in 1974 teniet gegaan en (de rechtsvoorgangers van) [eisers] gelden sindsdien als bezitter.

3.3.

Gemeente [plaats] voert verweer. Gemeente [plaats] concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eisers] in de kosten, uitvoerbaar bij voorraad.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

Gemeente [plaats] vordert, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    te verklaren voor recht dat de Gemeente [plaats] eigenaar is van het perceel kadastraal bekend als gemeente [woonplaats], sectie C, nummer 1565;

  • -

    te verklaren voor recht dat [eisers] het perceel thans onrechtmatig in gebruik hebben;

  • -

    [eisers] te veroordelen in de kosten van het geding.

3.6.

Gemeente [plaats] legt aan haar vordering ten grondslag dat (de rechtsvoorgangers van) [eisers] nooit bezitter van de strook is geworden en de strook zonder grond in gebruik heeft.

3.7.

[eisers] voert verweer.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1.

Gelet op de samenhang tussen de vordering in conventie en de vordering in reconventie worden beide vorderingen hierna gezamenlijk besproken.

4.2.

Kern van het geschil tussen partijen betreft de vraag of [eisers] door verjaring eigenaar is geworden van de strook en meer in het bijzonder de vraag of sprake is van inbezitneming van de strook door (de rechtsvoorgangers van) [eisers]

4.3.

De vraag of sprake is van bezit dient te worden beantwoord aan de hand van de maatstaven als neergelegd in artikel 3:107 e.v. BW. Artikel 3:107 BW omschrijft bezit als het houden van een goed voor zichzelf, dat wil zeggen het uitoefenen van de feitelijke macht over een goed met de pretentie rechthebbende te zijn. Artikel 3:108 BW bepaalt dat de vraag of iemand een goed voor zichzelf houdt, wordt beoordeeld naar verkeersopvatting, met inachtneming van de regels die in de op artikel 3:108 BW volgende wetsartikelen worden gegeven en overigens op grond van uiterlijke feiten. De (niet naar buiten blijkende) interne wil om als rechthebbende op te treden, is derhalve voor het zijn van bezitter van geen betekenis. Het komt aan op uiterlijke omstandigheden waaruit naar verkeersopvattingen een wilsuiting kan worden afgeleid om als rechthebbende op te treden. Artikel 3:112 BW bepaalt dat bezit wordt verkregen door inbezitneming, door overdracht of door opvolging onder algemene titel. Artikel 3:113 BW bepaalt dat een goed in bezit wordt genomen door zich daarover de feitelijke macht te verschaffen. Wanneer daarvan sprake is wordt door de verkeersopvatting bepaald (artikel 3:108 BW). Wanneer een goed in het bezit van een ander is, zijn enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen voor een inbezitneming onvoldoende, aldus het tweede lid van artikel 3:113 lid 2. Daarmee wordt tot uitdrukking gebracht dat de inbezitneming van een goed waarvan een ander reeds bezitter is, slechts kan bestaan in een zodanige machtsuitoefening dat naar verkeersopvatting de oorspronkelijke bezitter niet meer als zodanig kan gelden.

Er is geen sprake van bezit indien de machtsuitoefening met betrekking tot het goed evenzeer kan duiden op een gebruik als eigenaar als op een gebruik in een andere hoedanigheid, zoals die van gebruiker krachtens een persoonlijk recht of een beperkt recht. Voor bezit is noodzakelijk dat de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn. Aldus is verzekerd dat van verjaring pas sprake kan zijn als de werkelijk rechthebbende tegen wie de verjaring is gericht, uit de gedragingen van degene die zich op verjaring beroept, duidelijk heeft kunnen opmaken dat deze pretendeerde rechthebbende te zijn, maar hij niet tijdig maatregelen heeft genomen om de inbreuk op zijn recht te beëindigen.

4.4.

[eisers] heeft drie omstandigheden aangevoerd die zouden moeten wijzen op inbezitneming. In de eerste plaats betreft dat de omstandigheid dat de familie [A] de strook reeds in de jaren zeventig van de vorige eeuw heeft afgezet met een hek. De rechtbank is echter van oordeel dat de (rechtsvoorganger van de) Gemeente [plaats] daaruit niet zonder meer een wilsuiting om als bezitter op te treden, heeft hoeven af te leiden. Immers, ook een gebruiker krachtens persoonlijk of beperkt recht, zoals een huurder, kan een dergelijk hek plaatsen. De Gemeente [plaats] heeft daaruit aldus niet behoeven af te leiden dat (de rechtsvoorgangers van) [eisers] pretendeerde eigenaar van de strook te zijn. De andere twee omstandigheden waarop [eisers] heeft gewezen betreffen het – op zichzelf door de Gemeente [plaats] niet betwiste feit – dat de Gemeente [plaats] bij de herinrichting van de [adres] de bestaande toestand heeft gerespecteerd en de omstandigheid dat de (rechtsvoorgangers van de) Gemeente [plaats] reeds decennialang op de hoogte waren van het gebruik van de strook door de familie [A] en [eisers]. Hoewel aan [eisers] kan worden toegegeven dat de Gemeente [plaats] de toestand lang op zijn beloop heeft gelaten, kunnen ook die omstandigheden [eisers] niet baten. Beide omstandigheden leveren immers geen wilsuitingen van (de rechtsvoorgangers van) [eisers] op waaruit de Gemeente [plaats] heeft moeten afleiden dat zij pretendeerden eigenaar te zijn.

4.5.

Hetgeen [eisers] heeft aangevoerd kan aldus niet leiden tot de conclusie dat (de rechtsvoorgangers van) [eisers] de strook in bezit hebben gekregen. Nu aldus van bezit geen sprake is, is nooit een termijn aangevangen die had kunnen leiden tot verkrijgende verjaring als bedoeld in artikel 3:99 BW dan wel bevrijdende verjaring als bedoeld in artikel 3:105 in verbinding met artikel 3:306 BW. [eisers] is dus niet door verjaring eigenaar geworden van de strook. De vorderingen van [eisers] worden daarom afgewezen.

4.6.

Het voorgaande brengt met zich dat de Gemeente [plaats] steeds eigenaar van de strook is gebleven. De Gemeente [plaats] stelt zich op het standpunt dat zij noch haar rechtsvoorgangers aan (de rechtsvoorgangers van) [eisers] toestemming hebben gegeven om de strook te gebruiken, zodat de strook reeds sinds 1974 onrechtmatig in gebruik is. [eisers] heeft niet betwist dat hij nooit toestemming voor gebruik van de strook heeft gekregen. Aldus handelt [eisers] onrechtmatig jegens de Gemeente [plaats]. Dat betekent dat de vorderingen van de Gemeente [plaats] voor toewijzing gereed liggen.

4.7.

[eisers] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, zowel in conventie als in reconventie.

in conventie

De kosten aan de zijde van Gemeente [plaats] worden begroot op:

- griffierecht € 589,00

- salaris advocaat € 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.493,00

in reconventie

De kosten aan de zijde van Gemeente [plaats] worden begroot op:

- salaris advocaat € 226,00 (1,0 punt × factor 0,5 × tarief € 452,00)

Totaal € 226,00

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van Gemeente [plaats] tot op heden begroot op € 1.493,00,

5.3.

verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5.4.

verklaart voor recht dat de Gemeente [plaats] eigenaar is van het perceel kadastraal bekend als gemeente [woonplaats], sectie C, nummer 1565;

5.5.

verklaart voor recht dat [eisers] het perceel thans onrechtmatig in gebruik heeft;

5.6.

veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van Gemeente [plaats] tot op heden begroot op € 226,00,

5.7.

verklaart dit vonnis in reconventie uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. V.M.A. Sinnige, mr. R.A. Steenbergen en mr. A.M. Loots en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2014.1

1 type: VMAS/4611 coll: RS/4234