Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:5898

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-11-2014
Datum publicatie
19-11-2014
Zaaknummer
3305024 UE VERZ 14-489
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werkgever verzoekt (voorwaardelijke) ontbinding van de arbeidsovereenkomst met haar bureaudirecteur. Geen reflexwerking van het opzegverbod tijdens ziekte. Verstoorde verhouding tussen directeur en de meerderheid van de bureaumedewerkers staat aan reïntegratie in de weg. De aangevoerde (schijn van) belangenverstrengeling (directeur had geen melding gemaakt van een privé relatie met degene met wie zij ook zaken deed) wordt vanwege de persoonlijke omstandigheden van werkneemster niet aangemerkt als een dringende reden voor ontbinding, maar wel als een verandering in de omstandigheden waarvan werkneemster een ernstig verwijt treft. Vergoeding volgens kantonrechtersformule met correctiefactor c=0,5.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0974
GZR-Updates.nl 2014-0471
AR 2014/873

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 3305024 UE VERZ 14-489 LH/1040

Beschikking van 17 november 2014

inzake

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

Nederlandse Vereniging van ZiekenhuisApothekers (NVZA),

gevestigd te 's-Gravenhage,

verder ook te noemen NVZA,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. G. de Gelder,

tegen:

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [verweerder],

verwerende partij,

gemachtigde: mr. A.M. Wuisman.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

NVZA heeft op 4 augustus 2014 een verzoekschrift ingediend, strekkende tot (voorwaardelijke) ontbinding van de arbeidsovereenkomst van partijen.

1.2.

[verweerder] heeft een verweerschrift ingediend.

1.3.

Op de ter behandeling van het verzoek bepaalde zitting van 6 oktober 2014 is [verweerder] wegens ziekte niet verschenen. In overleg met partijen is de behandeling uitgesteld tot 3 november 2014.

1.4.

Voorafgaand aan de behandeling heeft NVZA aan de kantonrechter en aan de gemachtigde van [verweerder] nadere stukken (producties 22 tot en met 32) toegezonden. Deze stukken zijn aan het dossier toegevoegd.

1.5.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 november 2014, tegelijk met de behandeling van het door [verweerder] tegen NVZA aanhangig gemaakte kort geding, bij deze rechtbank bekend onder zaaknummer 3460268 UV EXPL 14-424. Partijen worden geacht hun processtukken en producties te hebben ingebracht in beide gedingen.

1.6.

Ook op de zitting van 3 november 2014 is [verweerder] is wegens ziekte niet verschenen. De gemachtigden van partijen hebben de standpunten nader toegelicht, onder meer aan de hand van de door hen overgelegde pleitaantekeningen. De gemachtigde van [verweerder] heeft daarbij twee verklaringen van haar huisarts overgelegd. De aan haar pleitnota gehechte brief van [verweerder] van 30 oktober 2014 heeft haar gemachtigde ter zitting integraal voorgelezen. Partijen hebben geantwoord op de hen door de kantonrechter gestelde vragen en hebben op elkaars uitlatingen kunnen reageren. Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden.

1.7.

Daarna is uitspraak bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1.

[verweerder], geboren op 17 november 1963, is op 1 september 2012 als bureaudirecteur voor de duur van een jaar in dienst getreden van NVZA, de belangenvereniging voor ziekenhuisapothekers. Op 1 september 2013 is de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voortgezet. Het laatstgenoten loon bedroeg € 8.700,-- bruto per maand (exclusief vakantiebijslag en overige emolumenten).

2.2.

De functie van bureaudirecteur was bij indiensttreding van [verweerder] nieuw bij NVZA. Voordien ressorteerden de bureaumedewerkers rechtsreeks onder het bestuur. Tot de taken van [verweerder] behoorde het hiërarchisch en operationeel leiding geven aan het bureau. [verweerder] kreeg onder meer de opdracht tot professionalisering van het bureau, het verder uitbouwen van het werkgeverschap en de verhuizing van het bureau. Deze veranderingen stuitten bij de bureaumedewerkers op weerstand.

2.3.

[verweerder] rapporteerde aan het bestuur. Tot eind september 2013 was de heer [A] voorzitter van het bestuur. [A]werd opgevolgd door de heer [B]. Tot eind mei 2014 was de heer [C] de secretaris-penningmeester van het bestuur. Blijkens hun verklaring van 22 september 2014 hebben de heren [A]en [C] plezierig met [verweerder] samengewerkt. De verhouding tussen [verweerder] en de heer [B] was gespannen. [verweerder] voelde zich door hem buitenspel gezet.

2.4.

Al snel na de indiensttreding van [verweerder] bleek dat de samenwerking en communicatie tussen haar en de bureaumedewerkers moeizaam verliepen. Waar er al weerstand was geweest tegen de komst van een bureaudirecteur, voelden de bureaumedewerkers zich als ervaren professionals niet gehoord en gewaardeerd door [verweerder], die zich nog moest inwerken in het werkveld. Vooral [D], de bureaumedewerkster die vóór de invoering van de directeursfunctie met de coördinatie van het bureau belast was, heeft te kennen gegeven een gebrek aan respect en vertrouwen van de zijde van [verweerder] te ervaren.

2.5.

In 2013 heeft [verweerder], in verband met de voorgenomen verhuizing van het NVZA-bureau van Den Haag naar de regio Utrecht, KOW Concepts Design & Development (hierna: KOW) ingeschakeld. [verweerder] kende de eigenaar-directeur van KOW, de heer [E], uit een eerdere werkkring. Voor haar begeleiding heeft KOW een offerte uitgebracht (met daarin een uurtarief van € 100,--/€ 135,-- en een geschat aantal van 88 uren). Mede omdat in de loop van de opdracht meer ‘werkzaamheden herhuisvesting’ aan KOW zijn opgedragen, heeft NVZA uiteindelijk ongeveer € 17.500,-- (in plaats van de aanvankelijk verwachte € 11.000,--) aan KOW betaald. Voor aanvullende werkzaamheden (van een projectmanager) in het kader van de inrichting van het nieuwe kantoor voor het NVZA-bureau heeft KOW een vervolgofferte uitgebracht. Voor dit extra werk, dat mede in overleg met de achtereenvolgende penningmeesters, de heren [C] en[F], is uitgevoerd, heeft NVZA nog eens ongeveer € 22.000,-- aan KOW betaald.

2.6.

In januari, maart, augustus, september, oktober en november 2013 heeft [verweerder], woonachtig te [woonplaats], een aantal keren overnacht in het Carlton hotel te Den Haag. De kosten van deze hotelovernachtingen, totaal ongeveer € 2.000,--, heeft zij betaald met de creditcard die NVZA haar heeft verstrekt om de redelijkerwijs met haar directeurswerkzaamheden verband houdende onkosten te kunnen voldoen.

2.7.

Begin oktober 2013 heeft [verweerder] aan het bestuur van NVZA gemeld dat haar echtgenoot al geruime tijd lijdende was aan een ongeneeslijke spierziekte (ALS). In verband hiermee is het haar vanaf begin 2014 toegestaan om minder op kantoor, en meer vanuit huis, te werken.

2.8.

In november 2013 is onder leiding van Mercuri Urval een eerste trainingsdag gehouden, teneinde een begin te maken met de invoering van een nieuwe werkcultuur op het NVZA-bureau. Daarbij bleek dat er bij de bureaumedewerkers veel onvrede heerste over de wijze waarop [verweerder] als bureaudirecteur opereerde.

2.9.

Op 1 januari 2014 is het bureau van NVZA van Den Haag naar De Meern overgeplaatst.

2.10.

Op 16 maart 2014 hebben vier (van de vijf) bureaumedewerkers ([G], [D], [H] en [I]) zich in een brief aan de heer [C], secretaris/ penningmeester van het bestuur, beklaagd over de (volgens hen respectloze en intimiderende) wijze waarop [verweerder] aan het bureau leiding gaf. Ze ervoeren een ‘gevoel van onveiligheid’ en ‘gebrek aan vertrouwen’ en drongen aan op (een) gesprek(ken) met [verweerder] en een afgevaardigde van het bestuur onder leiding van een onafhankelijke mediator. In reactie hierop heeft NVZA de heer [J] als bemiddelaar ingeschakeld. Op 7 april 2014 hebben de genoemde bureaumedewerkers de urgentie benadrukt van verbetering van hun werkverhouding met [verweerder]. Blijkens hun e-mail van 13 april 2014 aan de heren [J] en [C] waren de vier bureaumedewerkers er teleurgesteld en ontstemd over dat de interventie van [J] gericht was op andere onderwerpen dan de verhouding van [verweerder] met het bureau. In mei 2014 hebben deze bureaumedewerkers gedreigd zich collectief ziek te melden, indien niet werd ingegrepen in de volgens hen onwerkbare en ziekmakende situatie.

2.11.

Op 5 juni 2014 heeft [verweerder] zich, vanwege de door de ziekte van haar man belaste thuissituatie, mede op advies van de bedrijfsarts voor 50% arbeidsongeschikt gemeld. In haar brief van die dag aan het NVZA-bestuur maakte zij melding van ‘de laatste fase van de ziekte’ van haar echtgenoot. Over de werkverhouding met het bureau schreef zij dat sprake was van ‘een ramkoers gepleegd vanuit enkele bureaumedewerkers op de positie van directeur en op mijn persoon.’ [verweerder] liet weten ‘(a)l anderhalve jaar lang (-) de samenwerking met sommige bureaumedewerkers als een positiestrijd’ te ervaren ‘met de vernoemde escalatie als resultaat.’ Zij meende zich in het ingezette proces tot normalisering van de verhoudingen constructief te hebben opgesteld door zich ‘op de zijlijn’ te houden ‘om het proces een eerlijke kans te geven.’ Ze voelde zich ‘stelselmatig vleuggellam’ gemaakt door de volgens haar ondermijnende acties van bedoelde bureaumedewerkers, maar ook door de bemoeienis van de nieuwe voorzitter van het bestuur, de heer [B].

2.12.

In de bestuursvergadering van 6 juni 2014, die ook door [verweerder] is bijgewoond, is de ‘crisissituatie’ in het bureau en het functioneren van [verweerder] als directeur besproken. Het bestuur verzocht [verweerder] om na te denken over mediation. De heer [B] kreeg opdracht om met de bureaumedewerkers te spreken en ook aan hen mediation voor te stellen.

Op 10, 12 en 13 juni 2014 heeft de heer [B] achtereenvolgend gesproken met vier bureaumedewerkers ([D], [H], [I] en [K]). Zij voelden zich door [verweerder] niet gewaardeerd en niet serieus genomen en betitelden de ontstane situatie als een ‘machtsstrijd’ en een ‘afrekencultuur.’ De vier door [B] gehoorde bureaumedewerkers waren van mening dat mediation een gepasseerd station was, dat er daarvoor inmiddels teveel was voorgevallen. [verweerder] sprak zich uit voor mediation.

2.13.

Op 23 juni 2014 heeft [verweerder] zich (volledig) ziek gemeld. Bij e-mail van diezelfde dag heeft de heer[F] namens het bestuur aan [verweerder] bericht dat er inmiddels niet alleen sprake was van een onwerkbare situatie op het bureau, maar ook tussen [verweerder] en het bestuur. Op 30 juni 2014 heeft het NVZA-bestuur aan twee oud-bestuursleden, de heren [L] en [M], opdracht gegeven onderzoek te doen naar de samenwerkingsproblemen. Op basis van de hen ter beschikking gestelde stukken concludeerden [L] en [M] dat ‘de verhoudingen bestuur-directeur-bureau volstrekt onwerkbaar zijn geworden en niet meer gerepareerd kunnen worden.’ Geadviseerd werd om [verweerder] een vaststellingsovereenkomst aan te bieden, hetgeen op 10 juli 2014 is gebeurd. In de conceptovereenkomst is de beëindigingsvergoeding gesteld op drie maandsalarissen. Op 11 juli 2014 hebben [L] en [M] met [verweerder] gesproken. [verweerder] heeft daarin te kennen gegeven het voorstel tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst niet te kunnen beoordelen, omdat haar man naar verwachting binnen enkele weken zou overlijden. Op 14 juli 2014 adviseerden de onderzoekers aan het bestuur om de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te beëindigen. Daarop heeft NVZA haar gemachtigde opdracht gegeven een ontbindingsprocedure te starten.

2.14.

Op 22 juli 2014 heeft de bedrijfsarts van NVZA [verweerder] vanwege haar thuissituatie volledig arbeidsongeschikt bevonden. De huisarts van [verweerder] zou later ‘een burn-out met depressieve en angstkenmerken’ vaststellen.

2.15.

In de tweede helft van juli 2014 is NVZA tussen spullen van [verweerder] op haar werkkamer gestuit op (uitgeprinte en overgeschreven) WhatsApp-, email- en sms-correspondentie tussen [verweerder] en de heer [E], daterend uit 2013 en 2014. Deze berichten hebben een uitgesproken seksuele inhoud en suggereren ontmoetingen tussen beiden.

2.16.

Bij brief van 29 juli 2014 van haar gemachtigde heeft NVZA [verweerder] op staande voet ontslagen. Over de dringende redenen voor dit ontslag heeft mr. De Gelder in de ontslagbrief het volgende meegedeeld:

‘Het geheel overziend, is cliënte van mening dat in casu sprake is van dringende redenen zoals bedoeld in artikel 7:678 lid 2 sub d en sub k van het Burgerlijk Wetboek.

Nu u zonder toestemming van cliënte gelden hebt aangewend voor privédoeleinden, dient dit te worden aangemerkt als verduistering. Uit het creditcardoverzicht blijkt dat u veel meer uitgaven heeft gedaan die, zo op het eerste gezicht, niets van doen hebben met uw werkzaamheden als bureaudirecteur bij de NVZA. Naast de vele overnachtingen in het Carlton Hotel noem ik daarbij het volgen van cursussen, zonder dat duidelijk is wie daarvoor toestemming heeft gegeven en allerlei niet herleidbare uitgaven.

In het licht van artikel 7:678 lid 2 sub k van het Burgerlijk Wetboek merk ik op dat u op grove wijze uw plichten als bureaudirecteur hebt veronachtzaamd. U bent een relatie aangegaan met de heer [E]waarmee de NVZA - door uw toedoen - een zakelijke relatie had. U heeft uw financiële bevoegdheid daarbij in zeer ernstige mate overschreden. Ook na het uitbrengen van offertes blijkt dat de heer [E] veel hogere bedragen in rekening heeft gebracht dan het bedrag van de offerte vermeld(t). In het licht van uw affectieve relatie met de heer [E] is dit onbegrijpelijk, onverklaarbaar en onacceptabel (-).

2.17.

Op 4 augustus 2014 heeft NVZA haar verzoek tot (voorwaardelijke) ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] ingediend. Op 6 augustus 2014 heeft [verweerder] zich op de vernietigbaarheid van het ontslag op staande voet beroepen en zich bereid verklaard de bedongen arbeid te verrichten. [verweerder] heeft geen werkzaamheden meer voor NVZA verricht.

2.18.

Op 18 augustus 2014 is de echtgenoot van [verweerder] aan de gevolgen van ALS overleden. Zij is met vier opgroeiende kinderen achtergebleven.

2.19.

Op 30 september 2014 heeft [verweerder] NVZA in kort geding doen dagvaarden en de veroordeling van NVZA tot - kort gezegd - loonbetaling en wedertewerkstelling gevorderd.

3 Het verzoek

3.1.

NVZA verzoekt de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst met [verweerder] voorwaardelijk - voor het geval in een bodemprocedure mocht komen vast te staan dat de arbeidsovereenkomst op 29 juli 2014 niet rechtsgeldig is geëindigd - te ontbinden wegens gewichtige redenen, bestaande in dringende redenen althans in veranderingen in de omstandigheden.

3.2.

NVZA legt primair aan haar verzoek ten grondslag dat [verweerder] haar de dringende redenen, zoals omschreven in de ontslagbrief van 29 juli 2014, heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst op staande voet te beëindigen, te weten - kort gezegd - i) verduistering (door het aanwenden van NVZA-gelden voor privédoeleinden) en ii) belangenverstrengeling (door het aangaan van een affectieve en seksuele relatie met een zakenpartner en door in dat verband haar financiële bevoegdheden te overschrijden). Deze dringende redenen vormen ook gewichtige redenen voor (voorwaardelijke) ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Daarnaast voert NVZA de volgende dringende redenen tot ontbinding aan:

iii) Zonder overleg met het bestuur heeft [verweerder] de administratie van NVZA opdracht gegeven haar verplichting tot betaling van pensioenpremies om te zetten in een geldlening met afbetalingsverplichting.

iv) Ondanks het besluit van het bestuur om voorlopig geen communicatiemedewerker aan te trekken, heeft [verweerder] op 19 juni 2014 aan Taigle International gevraagd een offerte uit te brengen voor de ondersteuning van de werving voor deze functie. NVZA heeft deze offerte onderschept en heeft geen opdracht verstrekt.

v) Met overschrijding van haar bevoegdheid heeft [verweerder] aan Booming Experience opdracht gegeven voor een communicatiecampagne.

vi) Zonder toestemming van het bestuur heeft [verweerder] twee zzp-ers (mevrouw [N] en de heer [O]) aangetrokken.

vii) Zonder overleg met het bestuur heeft [verweerder] met de creditcard van NVZA in 2013 onnodige kosten gemaakt en privé uitgaven gedaan (voor hotelovernachtingen met de heer [E], een buitenlandse reis naar en een huurauto tijdens een congres in Orlando en voor de SIR Pharma cursus).

3.3.

Aan haar verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst legt NVZA subsidiair ten grondslag dat [verweerder] tekort is geschoten in de uitoefening van haar functie van bureaudirecteur en dat zij niet in staat is gebleken het NVZA-bureau te leiden. Dit heeft geleid tot een niet te repareren onwerkbare situatie die aan een terugkeer van [verweerder] in de weg staat. Voorts is door de handelwijze van [verweerder], zoals blijkend uit de gedragingen die NVZA als dringende redenen tot ontbinding heeft aangevoerd, het vertrouwen dat NVZA in haar als bureaudirecteur moet kunnen stellen ernstig en onherstelbaar is geschonden.

4 Het verweer

4.1.

[verweerder] verzet zich tegen toewijzing van het ontbindingsverzoek van NVZA. Zij beroept zich op de reflexwerking van het opzegverbod tijdens de eerste twee ziektejaren en betwist de door NVZA aan het ontbindingsverzoek ten grondslag gelegde gewichtige redenen.

4.2.

Van een dringende reden voor ontbinding is volgens [verweerder] geen sprake. Zij betwist dat zij met de heer [E] van KOW een affectieve of seksuele relatie heeft gehad, alsook dat zij in de zakelijke contacten met KOW haar financiële bevoegdheden als bureaudirecteur heeft overschreden (ad ii). Tot een maximum van € 25.000,-- was zij zelfstandig bevoegd met derden overeenkomsten aan te gaan die passen binnen het bestuursbeleid. De heer [C] is begin december 2013 akkoord gegaan met een aantal investeringsvoorstellen (onder andere betreffende ict-voorzieningen). De verhuizing van het bureau is naar tevredenheid van het bestuur volbracht.

[verweerder] ontkent dat zij privé uitgaven met de creditcard van NVZA heeft betaald (ad i en vii). Zij was gerechtigd hotelovernachtingen met de NVZA-creditcard te betalen, indien dat in verband met late werkzaamheden in Den Haag nodig was. Dat was bij de door haar met de creditcard van NVZA betaalde overnachtingen in 2013 het geval. Zij heeft niet met de heer [E] in het Carlton hotel overnacht. De andere onkosten die [verweerder] als bureaudirecteur heeft gemaakt (in verband met een congres en een cursus) zijn steeds via de financieel medewerker door de heren [A]of [C] goedgekeurd. Verwezen wordt naar de schriftelijke verklaring die laatstgenoemden hierover, op verzoek van de gemachtigde van [verweerder], op 22 september 2014 hebben afgelegd.

[verweerder] betwist in haar contacten met Booming Experience (ad v.) het budget voor de campagne te hebben overschreden.

Tot de inschakeling van de twee zzp-ers, mevrouw [N] en de heer [O] (ad vi.), is in overleg met de heer [A]besloten. Het aantrekken van deze zzp-ers valt, gelet op de daarmee gemoeide bedragen, binnen de tekenbevoegdheid van [verweerder] als bureaudirecteur.

4.3.

Er zijn geen gewichtige redenen in de zin van veranderingen in de omstandigheden die nopen tot de door NVZA verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Dat de werkverhouding met de bureaumedewerksters is geëscaleerd, had te maken met de weerstand die de bureaumedewerkers tegen de komst van een directeur en tegen de noodzakelijke veranderingen hadden, alsmede met het gebrek aan ruggensteun die [verweerder] na het vertrek van de heer [A]van het bestuur heeft gekregen. Zoals de heer [J]het verwoordt, heeft het bestuur ermee volstaan [verweerder] ‘simpelweg (te) parachuteren (als) directeur’ van het bureau, hebben de bureaumedewerkers hun ongenoegen over de verhuizing en de op stapel staande veranderingen ‘geprojecteerd op de directeur’ en zijn de ‘fricties tussen nieuwe voorzitter en directeur’ het gevolg geweest van het feit dat de heer [B] zijn rol als voorzitter geheel anders invulde dan de heer [A]. Dat [verweerder] als directeur naar behoren heeft gefunctioneerd, blijkt ook uit de verklaring die mevrouw [K], bureausecretaris, heeft afgelegd.

5 De beoordeling

5.1.

Bij de mondelinge behandeling van het verzoek van NVZA, tegelijk met de zitting in het door [verweerder] tegen NVZA aangespannen kort geding, is [verweerder], ook nadat de aanvankelijk bepaalde zitting van 6 oktober 2014 was aangehouden, wegens ziekte niet zelf aanwezig geweest. Met instemming van [verweerder] heeft de zitting van 3 november 2014 buiten haar aanwezigheid, maar in bijzijn van haar gemachtigde, wèl doorgang gevonden. Nu de gemachtigde van [verweerder] een uitgebreid verweerschrift heeft ingediend, ter zitting een verklaring van [verweerder] heeft voorgedragen en tijdens een schorsing nog telefonisch contact met haar cliënte heeft gehad, is aan het vereiste van hoor en wederhoor genoegzaam voldaan. De kantonrechter zal dan ook op het verzoek van NVZA, net als op de vordering van [verweerder] in het kort geding, beslissen.

Het opzegverbod tijdens ziekte

5.2.

[verweerder] heeft als preliminair verweer gevoerd dat zij sinds juni 2014 ziek is. Omdat haar hiermee verband houdende arbeidsongeschiktheid nog geen twee jaar heeft geduurd, beroept [verweerder] zich op de reflexwerking van het opzegverbod tijdens ziekte. Zij wil de kans krijgen te reïntegreren, zodra zij daartoe weer in staat is. De kantonrechter overweegt daaromtrent het volgende. Op grond van artikel 7:685 BW dient onderzocht te worden of het ontbindingsverzoek verband houdt met een opzegverbod. In de Kamerstukken is hieromtrent opgenomen dat de kantonrechter moet beoordelen of de verzochte ontbinding verband houdt met de aanwezigheid van een opzegverbod. Wanneer dit het geval is dient de kantonrechter in beginsel de verzochte ontbinding af te wijzen, tenzij zich andere omstandigheden voordoen die een gewichtige reden voor ontbinding vormen.

Enerzijds is niet juist de zienswijze dat slechts ruimte is voor reflexwerking van het opzegverbod, indien de ontbinding wordt verzocht wegens ziekte. Het opzegverbod van artikel 7:670 lid 1 BW is een zogenoemd ‘tijdens’-verbod, dat ook geldt voor opzeggingen die geen verband houden met de ziekte. Anderzijds bestaat geen of minder reden voor toekenning van reflexwerking aan het opzegverbod tijdens ziekte als ontbinding wordt verzocht op zodanige gronden dat op voorhand uitgesloten is dat de werknemer na herstel herplaatst kan worden. De kantonrechter wijst in dit verband op artikel 7:670b lid 2 BW, waarin is bepaald dat het opzegverbod niet geldt in geval van een algehele bedrijfssluiting of sluiting van het onderdeel van de onderneming waar de werknemer werkzaam is. Het opzegverbod behelst een zekere ‘reserveringsgedachte’, maar als op voorhand duidelijk is dat er vanwege de ontstane situatie geen baan te reserveren valt, mist het opzegverbod in zoverre betekenis dat daaraan in de ontbindingsprocedure geen reflexwerking toekomt. De situatie dat geen baan te reserveren valt, kan zich ook voordoen in de situatie dat terugkeer om een andere dan bedrijfseconomische reden uitgesloten is, dan wel dat voortzetting niet langer in het belang van de werknemer is. Hierbij gaat het in het bijzonder om ernstige verstoring van de werkrelatie of situatieve arbeidsongeschiktheid.

Nu NVZA onder meer heeft aangevoerd dat de verstoring van de werkrelatie tussen [verweerder] en de bureaumedewerkers zich tegen haar terugkeer als bureaudirecteur verzet, hangt de uitkomst van dit geding (mede) af van het antwoord op de vraag of er een gerede kans bestaat dat deze werkrelatie nog kan worden gerepareerd (verwezen wordt hetgeen hierover, hierna onder 5.13, wordt overwogen). Daarom komt geen reflexwerking toe aan het opzegverbod tijdens ziekte en staat het opzegverbod van artikel 7:670 lid 1 BW niet aan de inhoudelijke beoordeling van het ontbindingsverzoek in de weg.

De aangevoerde dringende redenen tot ontbinding

5.3.

NVZA heeft ter onderbouwing van haar verzoek allereerst dringende redenen aangevoerd, te weten die welke zij ook aan het ontslag op staande voet van 29 juli 2014 ten grondslag heeft gelegd (hierboven aangeduid als i en ii) alsmede dringende redenen die bij het verlenen van het ontslag op staande voet geen rol spelen (als bedoeld onder iii tot en met vii). De kantonrechter zal hierna achtereenvolgend beoordelen of deze aangevoerde redenen kunnen worden aangemerkt als dringende redenen tot ontbinding.

5.4.

NVZA heeft (mede) aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegd, en voert ook als dringende reden tot ontbinding aan, dat [verweerder] voor NVZA zaken heeft gedaan met de heer [E] van KOW zonder het bestuur erover in te lichten dat zij met hem een affectieve en seksuele relatie onderhield (ad ii). [verweerder] heeft deze relatie weliswaar betwist, maar in dit geding moet het er op grond van de tekst en connotatie van de tussen [verweerder] en de heer [E] gewisselde WhatsApp-, email- en sms-berichten voor worden gehouden dat er ten tijde van het aangaan en de uitvoering van de aan KOW opgedragen werkzaamheden in het kader van de voorgenomen verplaatsing van het NVZA-bureau een intieme, meer dan uitsluitend zakelijke, relatie tussen beiden heeft bestaan. In het midden kan blijven of [verweerder] en [E] met elkaar een seksuele relatie, hoe dat begrip ook zou moeten worden gedefinieerd, hebben gehad. Gezien haar directeursfunctie en de daaruit voortvloeiende (ook financiële) verantwoordelijkheden heeft [verweerder] redelijkerwijs moeten beseffen dat zij ervan behoorde af te zien om KOW, het bedrijf van [E], in te schakelen, althans had zij er bij het bestuur tijdig melding van dienen te maken dat tussen haar en [E] een meer dan zakelijke verhouding bestond. Door dit na te laten heeft [verweerder] de schijn van belangenverstrengeling gewekt en aanleiding gegeven voor het vermoeden dat KOW voor de opgedragen werkzaamheden een hogere vergoeding heeft ontvangen dan anders het geval zou zijn geweest. Nog los van de vraag of NVZA inderdaad financieel is benadeeld, treft [verweerder] hiervan een ernstig verwijt.

5.5.

NVZA stelt zich op het standpunt dat [verweerder] niet bevoegd was om NVZA te binden aan de door haar met KOW gesloten overeenkomsten. [verweerder] verweert zich hiertegen met een beroep op hetgeen de heer [C], destijds penningmeester, op 22 september 2014 heeft verklaard. [C] heeft verklaard dat [verweerder] als directeur tot € 25.000,-- bevoegd was tot het aangaan van overeenkomsten met derden. En verder: ‘KOW offerte past binnen de bevoegdheden van de directeur. Er is door de penningmeester en directeur wel regelmatig overleg geweest over de voortgang omtrent de huisvesting. Er is echter door de directeur geen regelmatige rapportage van de totale gemaakte en nog te maken kosten gegeven. De uiteindelijke rekening van KOW was niet bekend bij de penningmeester. Het resultaat van de nieuwe huisvesting wordt als zeer bevredigend beschouwd.’ Indien [C] hierbij uitsluitend het oog mocht hebben gehad op de eerste offerte en opdracht aan KOW (in het kader van de acquisitie van een nieuwe locatie), geldt hetzelfde voor de vervolgopdracht (betreffende de verhuizing en inrichting). Weliswaar had het op de weg van [verweerder] gelegen om de penningmeester op de hoogte te houden van het aantal uren dat KOW aan de opdrachten besteedde, maar nu er over het door KOW bereikte resultaat geen klachten zijn geweest, is niet aannemelijk dat KOW meer uren heeft gedeclareerd dan redelijkerwijs benodigd waren voor de uitvoering van de opdrachten.

5.6.

Tegen de achtergrond van de privé relatie tussen [verweerder] en [E] beschuldigt NVZA [verweerder] er voorts (onder i) van dat zij op kosten van NVZA meermalen samen met [E] in het Carlton hotel in Den Haag heeft overnacht. [verweerder] heeft dit weersproken en stelt dat haar hotelovernachtingen samenhingen met de uitoefening van haar functie van bureaudirecteur en dat was overeengekomen dat NVZA deze kosten zou dragen. De kantonrechter laat in het midden of [verweerder] samen met [E] in het hotel heeft verbleven, nu niet is gesteld dat het gestelde verblijf van hem aldaar tot hogere kosten heeft geleid dan wanneer [verweerder] alleen in het hotel had overnacht. Het gaat NVZA nu eenmaal niet aan met wie (of hoe) [verweerder] haar vrije tijd doorbrengt. In de arbeidsrelatie tussen NVZA en [verweerder] is slechts van belang of zij de kosten van de hotelovernachtingen met de creditcard van NVZA heeft mogen voldoen. Tussen partijen is niet in geschil dat, zoals de heer [A]heeft verklaard, ‘(t)en aanzien van hotelovernachtingen is afgesproken dat de directeur van een hotelovernachting gebruik mocht maken, wanneer een vergadering/bijeenkomst in Den Haag tot laat in de avond doorliep en zij de volgende dag ook weer in Den Haag moest zijn.’ NVZA stelt zich op het standpunt dat hiervan op de relevante data geen sprake was. [verweerder] houdt het tegenovergestelde vol. Op basis van het over en weer gestelde kan in deze ontbindingsprocedure niet worden vastgesteld wie op dit punt het gelijk aan haar zijde heeft. De overgelegde pagina’s uit een agenda geven hierover geen uitsluitsel. Ook moet in aanmerking worden genomen dat een deel van het werk van een directeur als [verweerder], zoals het onderhouden van samenwerkingsrelaties binnen het relevante netwerk, zich niet steeds beperkt tot een geplande bijeenkomst of vergadering, maar ook na afloop daarvan kunnen doorlopen. Nu geen uiterste tijdstip voor de avondlijke werkzaamheden is afgesproken, moet [verweerder] enige vrijheid worden gelaten bij de beoordeling of van haar kon worden gevergd ’s avonds naar [woonplaats] terug te rijden. Voorstelbaar (en niet zonder meer verwijtbaar) is dat hierbij haar belastende thuissituatie mede een rol heeft gespeeld. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat [verweerder] op rekening van NVZA in het hotel mocht overnachten.

5.7.

De kantonrechter komt toe aan de overige, door NVZA aan haar verzoek ten grondslag gelegde dringende redenen (als hiervoor bedoeld onder iii tot en met vii). [verweerder] heeft niet voldoende gemotiveerd weersproken dat zij niet bevoegd was zonder overleg met het bestuur haar verplichting tot betaling van het werknemersdeel van de pensioenpremie om te zetten in een afbetalingsregeling (ad iii). Omdat in september 2013 was overeengekomen dat de pensioenvoorziening met terugwerkende kracht tot de aanvang van het dienstverband zou worden gerealiseerd en een periodieke nabetaling door [verweerder] voor de hand lag, is echter niet aannemelijk dat NVZA hierdoor schade heeft geleden.

Hetzelfde geldt voor het verwijt dat NVZA aan [verweerder] onder iv heeft gemaakt. Het moge zo zijn dat [verweerder] in de gegeven omstandigheden geen offerte aan Taigle International had behoren te vragen, maar haar handelwijze heeft NVZA niet geschaad omdat er geen overeenkomst tot stand is gekomen. Niet gesteld of gebleken is dat [verweerder], ware zij niet wegens ziekte uitgevallen, eigenmachtig met Taigle International in zee zou zijn gegaan.

[verweerder] heeft niet voldoende gemotiveerd weersproken dat zij het campagnebudget heeft overschreden (ad v). De heer [C] heeft hieromtrent verklaard dat [verweerder] in contact met Booming Experience ‘niet conform de begroting en daarmee ook niet conform de kaders van de bevoegdheden van de directeur’ heeft gehandeld. Hiervan maakt NVZA [verweerder] terecht een verwijt.

5.8.

De beide overige door NVZA gestelde ontbindingsgronden (onder vi en vii) kunnen bij de beantwoording van de vraag of er dringende redenen tot ontbinding bestaan geen rol spelen. De heer [A]heeft verklaard dat de inschakeling van mevrouw [N] en de heer [O] als zzp-ers met hem is besproken en in bestuursvergadering aan de orde is geweest. De heer [C] heeft verklaard dat het aantrekken van deze zzp-ers, gelet op de daarmee gemoeide bedragen, valt binnen de tekenbevoegdheid van [verweerder] als bureaudirecteur. Ook ten aanzien van de door [verweerder] gemaakte (en door NVZA betaalde) onkosten voor haar reis naar het ASHP-congres in Orlando, en de daar gehuurde auto, alsmede haar deelname aan de SIR Pharma cursus kan [verweerder] geen onzorgvuldig handelen worden verweten.

5.9.

De tussenconclusie die uit het voorgaande moet worden getrokken is dat NVZA aan [verweerder] ten aanzien van het hierboven onder iii, iv en v genoemde terecht enig verwijt maakt, maar dat deze omstandigheden - op zichzelf en in onderlinge samenhang beschouwd - geen dringende redenen in de zin van artikel 7:677 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) zouden hebben opgeleverd indien de arbeidsovereenkomst deswege onverwijld zou zijn opgezegd. Deze gronden kunnen dan ook niet als dringende redenen tot ontbinding worden aangemerkt.

Bij de beoordeling van de vraag of dit anders is waar het betreft het - wél ernstige - verwijt (onder ii) dat [verweerder] het bestuur er niet over heeft geïnformeerd dat tussen haar en de heer [E] een meer dan zakelijke verhouding bestond en dat zij de schijn van belangenverstrengeling heeft gewekt, overweegt de kantonrechter dat een afweging van de aard en ernst van het aan [verweerder] gemaakte verwijt tegen haar persoonlijke omstandigheden tot de slotsom leidt dat van een dringende reden voor ontslag op staande voet, en - daarmee - van een dringende reden voor ontbinding, geen sprake is. Vast staat dat in de periode dat van [verweerder], gezien haar directeursfunctie en de daarmee samenhangende verantwoordelijkheid, mocht worden verwacht dat zij het bestuur over haar privé relatie met de heer [E] inlichtte haar echtgenoot lijdende was aan een ongeneeslijke spierziekte. Dat zij hierdoor thuis onder grote druk stond, is alleszins begrijpelijk. Ook op haar werk, in de relatie met de bureaumedewerkers, stond [verweerder] bloot aan spanningen. Zij werd geconfronteerd met veel verzet tegen haar persoon en met grote weerstand tegen de door haar door te voeren organisatorische veranderingen. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat sprake was van een dringende reden voor ontbinding.

De aangevoerde veranderingen in de omstandigheden

5.10.

Subsidiair heeft NVZA de verzochte ontbinding gegrond op veranderingen in de omstandigheden, hierin bestaande dat zij de voor haar functie vereiste capaciteiten en vaardigheden ontbeert, dat zij haar bevoegdheden heeft overschreden en dat er door haar verwijtbare toedoen en nalaten op het NVZA-bureau een onwerkbare situatie is ontstaan die niet kan worden hersteld. Ook zou het bestuur het vertrouwen in [verweerder] hebben verloren.

5.11.

NVZA wordt niet gevolgd in haar betoog dat [verweerder] niet geschikt is voor de functie. Het moge zo zijn dat zij, zoals hierboven onder 5.7. is overwogen, op enkele momenten (zoals bedoeld onder iii, iv en v) heeft nagelaten het bestuur over haar acties te informeren, te solitair is opgetreden en zich onvoldoende door bestuursbeleid heeft laten leiden, enkel daaruit kan niet worden opgemaakt dat zij de vereiste bekwaamheid voor de functie mist. Hetgeen NVZA daarnaast over haar functioneren heeft gesteld (zoals het niet behalen van doelstellingen, de inschakeling van derden/adviseurs en haar wijze van omgaan met kritiek), kan niet worden losgezien van de omstandigheden waaronder [verweerder] haar entree in de NVZA-organisatie heeft gemaakt en de oppositie die de bureaumedewerkers tegen haar hebben gevoerd. De indruk ontstaat dat [verweerder] weliswaar niet steeds voldoende rekening heeft gehouden met de gevoeligheden die haar komst en de op stapel staande veranderingen bij de bureaumedewerkers wekten, maar tevens dat haar - vooral na de voorzitterswisseling in september 2013 - door het bestuur te weinig steun en dekking is geboden. Tekenend in dat verband is dat het bestuur in maart 2014, toen dat opportuun leek, heeft nagelaten een onafhankelijke mediator in te schakelen en dat het bestuur in juli 2014 - toen de situatie verder was geëscaleerd - onvoldoende autonoom is opgetreden en zich voornamelijk door de opstelling van bureaumedewerkers heeft laten bepalen.

5.12.

Zoals hierboven (onder 5.4.) is overwogen, treft [verweerder] een ernstig verwijt, waar zij heeft nagelaten bij het bestuur tijdig melding te maken van haar privé relatie met de heer [E] van KOW. Hierdoor is de schijn van belangenverstrengeling ontstaan, die zij gezien haar positie en verantwoordelijkheid beslist had moeten vermijden. Het spreekt niet in het voordeel van [verweerder] dat zij er ook in dit geding geen blijk van heeft gegeven in te zien dat zij niet heeft gehandeld zoals van haar mocht worden verwacht. Dit verklaart mede dat het bestuur geen vertrouwen meer in haar heeft.

5.13.

[verweerder] heeft niet gemotiveerd betwist dat de onderlinge verhouding tussen haar en een meerderheid van de bureaumedewerkers inmiddels zodanig ernstig is verstoord dat niet mag worden verwacht dat nog kan worden gewerkt aan een herstel. Mede gezien haar vooraanstaande positie binnen NVZA, die meebrengt dat zij aan een niet altijd beïnvloedbaar afbreukrisico onderhevig is, heeft dit tot gevolg dat aan de arbeidsovereenkomst van partijen een einde moet komen en dat van NVZA niet kan worden gevergd het dienstverband te laten voortduren in afwachting van haar herstel en reïntegratie (in het eerste of tweede spoor).

De ontbinding

5.14.

De arbeidsovereenkomst van partijen wordt daarom (voorwaardelijk) ontbonden, en wel met ingang van 1 december 2014. De geldende (fictieve) opzegtermijn leidt tot een verschuiving van het recht op een werkloosheidsuitkering in de tijd, maar niet tot een verlies van dat recht. Er is daarom geen reden om bij de bepaling van de ontbindingsdatum met de fictieve opzegtermijn rekening te houden.

De vergoeding

5.15.

Bij de vraag naar (de hoogte van) een aan de ontbinding te verbinden vergoeding is bepalend in wiens risicosfeer de gewichtige redenen liggen die tot ontbinding nopen en hoe het zit met de verwijtbaarheid dienaangaande over en weer. Hierbij heeft te gelden dat de kwestie van de belangenverstrengeling, en de daarmee samenhangende vertrouwensbreuk met het bestuur, in de sfeer van [verweerder] ligt en aan haar is te wijten. Die van de samenwerkingsproblemen met de bureaumedewerkers ligt voornamelijk in de risicosfeer van NVZA en haar treft het verwijt dat [verweerder] op beslissende momenten niet in bescherming is genomen tegen of is begeleid in de omgang met de bureaumedewerkers die haar liever zagen gaan dan komen. Deze omstandigheden afwegend, ziet de kantonrechter reden aan [verweerder] een vergoeding toe te kennen, gebaseerd op de kantonrechterformule met drie gewogen dienstjaren en een correctiefactor van c=0,5. Afgerond betekent dit dat aan [verweerder], ten laste van NVZA, een vergoeding wordt toegekend van € 15.000,-- bruto.

5.16.

De proceskosten zullen gezien de aard van het geschil worden gecompenseerd.

6 De beslissing

De kantonrechter:

- stelt NVZA in de gelegenheid uiterlijk 25 november 2014 het verzoek in te trekken;

en voor het geval het verzoek niet tijdig wordt ingetrokken:

- ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen, voor het geval komt vast te staan dat deze op 29 juli 2014 niet rechtsgeldig is geëindigd, met ingang van 1 december 2014;

- kent aan [verweerder] ten laste van NVZA een vergoeding toe van € 15.000,-- bruto en veroordeelt NVZA tot betaling van deze vergoeding aan [verweerder];

- compenseert de proceskosten in die zin, dat partijen de eigen kosten dragen;

en voor het geval het verzoek tijdig wordt ingetrokken:

- veroordeelt NVZA in de proceskosten aan de zijde van [verweerder], tot de uitspraak van deze beschikking begroot op € 400,-- aan salaris gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.O. Zuurmond, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 november 2014.