Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:5886

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
19-11-2014
Datum publicatie
19-11-2014
Zaaknummer
16/652496-14 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Midden-Nederland veroordeelt een 55-jarige man uit Deventer tot een gevangenisstraf van 24 maanden voor de verkrachting van een vrouw op 1 oktober 1996 in Zutphen.

De vrouw liep op de betreffende datum naar het station in Zutphen, toen een auto naast haar stopte. Er kwamen twee mannen uit de auto, die haar dwongen achterin te gaan zitten. Op een parkeerplaats werd de vrouw verkracht door de verdachte, terwijl de andere man buiten de auto stond te wachten.

In 2013 werd het DNA-materiaal van de verdachte na een andere veroordeling opgenomen in de DNA-databank. Het Nederlands Forensisch Instituut vond een match tussen het DNA-materiaal van de verdachte en DNA dat was veiliggesteld bij de verkrachting. De DNA match wordt ondersteund door verklaringen van getuigen die het slachtoffer kort na het incident hebben gezien en gesproken.

De verdachte heeft op ernstige wijze de lichamelijk integriteit van het slachtoffer geschonden. De vrouw heeft ernstige traumatische ervaringen opgelopen, die zij nooit meer geheel zal kwijtraken. De rechtbank vindt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Deskundigen hebben vastgesteld dat de verdachte lijdt aan zwakzinnigheid. De rechtbank heeft hiermee rekening gehouden in de strafoplegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/652496-14 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 19 november 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1959] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres] te [woonplaats 1],

thans preventief gedetineerd in PI Achterhoek – Ooyerhoekseweg, Zutphen.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2014 en 1 augustus 2014 bij Rechtbank Gelderland, zittingslocatie Zutphen. Na verwijzing op grond van artikel 46b van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft het onderzoek ter terechtzitting vervolgens plaatsgevonden bij Rechtbank Midden-Nederland, zittingslocatie Utrecht, op 1 oktober 2014 en 5 november 2014. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. J. Vlug, advocaat te Deventer.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij, te weten [benadeelde], wonende te [woonplaats 2].

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 1 oktober 1996 te Zutphen in vereniging [benadeelde] heeft verkracht.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde feit, -kort gezegd- verkrachting van [benadeelde] op 1 oktober 1996, wettig en overtuigend bewezen. Zij baseert zich hierbij met name op de aangifte van [benadeelde], de DNA match en de getuigenverklaring van [getuige].

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat bij gebrek aan steunbewijs bij de DNA match, er onvoldoende sprake is van overtuigend bewijs, waardoor verdachte dient te worden vrijgesproken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Feiten en omstandigheden1

Aangeefster [benadeelde] doet op 2 oktober 1996 aangifte van verkrachting, gepleegd op 1 oktober 1996 te Zutphen. [benadeelde] verklaart dat toen zij in de richting van het station van Zutphen liep, er een auto naast haar stopte. Er kwamen twee mannen uit die auto naar haar toelopen, die beiden een hand op haar schouder legden en haar dwongen naar de auto te gaan. [benadeelde] moest achterin gaan zitten en de mannen reden haar naar een parkeerplaats. Hier moest zij gaan liggen op de door de mannen omlaag geklapte voorstoel. Een van de mannen bleef buiten de auto staan. Toen [benadeelde] schreeuwde omdat zij bang was, zei de andere man dat zij haar bek moest houden. Deze man trok vervolgens haar broek en onderbroek uit en deed haar trui omhoog. De man probeerde haar op haar mond te kussen, waarbij [benadeelde] trachtte haar hoofd weg te draaien. Hij heeft haar borsten betast en gekust en hij duwde haar benen uit elkaar. Vervolgens stak hij zijn stijve piemel in de vagina van [benadeelde] en maakte op en neergaande bewegingen. De man is klaargekomen.2 Naar aanleiding van deze aangifte is door het Gerechtelijke Laboratorium onderzoek gedaan naar de bij [benadeelde] afgenomen schede-uitstrijkjes en het maandverband in haar slipje. Op beiden werd sperma aangetroffen.3 In 2013 werd door het Nederlands Forensisch Instituut referentiemateriaal van verdachte, na een veroordeling, opgenomen in de DNA-databank en vergeleken met de daarin aanwezige DNA-profielen. Hierbij werd een match gevonden met het DNA afkomstig uit het sperma aangetroffen op het maandverband en op de schede-uitstrijkjes van [benadeelde]. De matchkans met betrekking tot beide bemonsteringen is door het NFI berekend op kleiner dan één op één miljard.45 [getuige], destijds werkzaam bij de [instelling] waar [benadeelde] woonachtig was, is gehoord als getuige. [getuige] verklaart dat [benadeelde] in de nacht van 1 op 2 oktober 1996 lopend, bezweet en later dan normaal thuis kwam. Bij binnenkomst zei [benadeelde] meteen dat zij bang was dat hij haar dood zou maken. [getuige] verklaart dat [benadeelde] moest huilen, geagiteerd, onsamenhangend en verdrietig was. Nadat [benadeelde] mocht douchen, trok zij een spijkerbroek aan onder haar nachtjapon. Deze spijkerbroek heeft zij nog heel lang daarna ’s nachts gedragen.6 Tevens is gehoord verbalisant [verbalisant 1], die destijds de aangifte van [benadeelde] heeft afgenomen. [verbalisant 1] verklaart onder andere dat zij destijds het idee hadden dat het die avond wel wat verder was gegaan dan dat [benadeelde] wilde.7

Bewijsoverwegingen

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat er sprake is geweest van het door verdachte seksueel binnendringen van het lichaam van aangeefster, in die zin dat verdachte met zijn penis in de vagina van aangeefster is geweest, waarbij aangeefster tot het ondergaan hiervan is gedwongen door de ten laste gelegde feitelijkheden. Dat er sprake is geweest van dwang en dat deze seksuele handelingen tegen de wil van aangeefster hebben plaatsgevonden, blijkt uit de aangifte van [benadeelde]. De rechtbank vindt hiervoor tevens ondersteuning in de verklaringen van [getuige] en [verbalisant 1], die aangeefster kort na het incident hebben gezien en gesproken. De rechtbank heeft mede gelet hierop geen reden om aan te nemen dat de aangifte niet betrouwbaar is op het punt van de onvrijwilligheid. Door verdachte is ter terechtzitting een alternatief scenario aangevoerd inhoudende dat hij in die tijd regelmatig naar de hoeren ging, dat dat in Zutphen in de buurt van het station was en dat aangeefster misschien ook zo’n vrouw was en dat hij altijd netjes betaalde. De rechtbank begrijpt dat verdachte daarmee bedoelt te zeggen dat er sprake was van vrijwillige geslachtsgemeenschap. Dit alternatieve scenario wordt echter weerlegd door de bewijsmiddelen.

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 1 oktober 1996 te Zutphen, tezamen en in vereniging met een ander, door andere feitelijkheden,

[benadeelde] (geboortedatum [1955]),

heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen mede bestaande uit het

seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde],

immers heeft verdachte zijn penis in de vagina van die [benadeelde] geduwd/gebracht en de borsten van die [benadeelde] betast en gekust,

waarbij die andere feitelijkheden er in hebben bestaan dat verdachte en/of zijn mededader

- die [benadeelde] hebben staande gehouden en een hand op haar schouder hebben gelegd en

- die [benadeelde] hebben meegenomen naar een auto en hebben geboden achterin die auto te gaan zitten en

- met die [benadeelde] naar een parkeerterrein zijn gereden en

- die [benadeelde] daar hebben geboden op de naar beneden geklapte voorstoel te gaan liggen en

- die [benadeelde] heeft geboden haar mond te houden en

- die [benadeelde] deels heeft ontkleed, in ieder geval haar broek en onderbroek naar beneden heeft getrokken en

- die [benadeelde] heeft getracht op haar mond te kussen en

- de benen van die [benadeelde] uit elkaar heeft geduwd en

- voorbij is gegaan aan de (non-verbale) tekenen van weerstand/verzet van

die [benadeelde],

waardoor verdachte en zijn mededader aldus voor die [benadeelde] een bedreigende situatie hebben doen ontstaan.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als:

Medeplegen van verkrachting.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van de duur van het voorarrest.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft -indien gekomen wordt tot strafoplegging- de rechtbank verzocht in straf verlagende zin rekening te houden met de ten aanzien van verdachte gestelde diagnose van zwakzinnigheid. De verdediging heeft verzocht tot oplegging van een gevangenisstraf waarvan een fors deel voorwaardelijk, met een langere proeftijd dan twee jaren en met oplegging van verplicht reclasseringstoezicht in het kader van bijzondere voorwaarden.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft door zijn handelen op ernstige wijze de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit vaak langdurige en ernstige schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid van slachtoffers. Ook in dit geval heeft het slachtoffer ernstige traumatische ervaringen opgelopen, die zij nooit meer geheel zal kwijtraken. Dit blijkt mede uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring van 11 april 2014. Verdachte heeft hier kennelijk nimmer bij stilgestaan en heeft zijn eigen behoeftebevrediging vooropgesteld. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met het de verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 8 juli 2014, waaruit blijkt dat verdachte eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het Pro Justitia rapport betreffende verdachte d.d. 9 april 2014, opgemaakt door N. van der Weegen, GZ-psycholoog. Hieruit volgt dat verdachte lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens in de zin van zwakzinnigheid. Dit betreft een chronische aandoening en hier was derhalve ook sprake van ten tijde van het bewezenverklaarde. De rechtbank houdt hier rekening mee. De psycholoog komt niet tot een aanbeveling ten aanzien van eventuele interventies.

Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van het reclasseringsrapport betreffende verdachte d.d. 30 april 2014 van Reclassering Nederland, opgemaakt door D. Gerrits. Hieruit volgt onder meer dat de reclassering geen meerwaarde ziet in het opleggen van reclasseringstoezicht en zich onthoudt van advies over een eventueel op te leggen sanctie.

De rechtbank is van oordeel dat, met name gelet op de ernst van het feit, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. De rechtbank legt aan verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 24 maanden met aftrek van de duur van het voorarrest. Gelet op voornoemde deskundigenadviezen heeft de rechtbank geen reden om te komen tot het opleggen van reclasseringstoezicht gekoppeld aan een voorwaardelijk strafdeel.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De behandeling van de vordering van [benadeelde], levert niet een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 5. bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden.

De officier van justitie heeft gerequireerd tot gehele toewijzing van de vordering, met toepassing van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering kan worden toegewezen. De rechtbank waardeert de geleden schade op € 1.750,- (zegge: zeventienhonderdvijftig euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 1996 tot aan de dag van algehele voldoening.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 27, 36f, 47, 63 en 242 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van verkrachting.

Strafbaarheid

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Benadeelde partij

Wijst de vordering van [benadeelde] geheel toe tot € 1.750,00 (zegge: zeventienhonderdvijftig euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 1996 tot aan de dag van algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde] aan de Staat € 1.750,00 (zegge: zeventienhonderdvijftig euro) te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 27 dagen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 1996 tot aan de dag van algehele voldoening. De toepassing van die vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. N.H.J.M. Veldman-Gielen, voorzitter,

mrs. N.E.M. Kranenbroek en G.A. Bos, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.M. Strijbos, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 november 2014.

BIJLAGE : De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 01 oktober 1996 te Zutphen, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, door geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of bedreiging met geweld en/of één of meer andere feitelijkheden,

[benadeelde] (geboortedatum [1955]),

heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen mede bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde],

immers heeft verdachte en/of zijn mededader zijn penis in de vagina van die [benadeelde] geduwd/gebracht en/of de borsten van die [benadeelde] betast en/of gekust,

waarbij dat geweld en/of die één of meer andere feitelijkheden en/of die bedreiging met geweld en/of met die één of meer andere feitelijkheden er in heeft bestaan dat verdachte en/of zijn mededader

- die [benadeelde] heeft/hebben staande gehouden en/of een hand op haar schouder heeft/hebben gelegd en/of

- die [benadeelde] heeft/hebben meegenomen naar een auto en heeft/hebben geboden achterin die auto te gaan zitten en/of

- met die [benadeelde] naar een parkeerterrein is/zijn gereden en/of

- die [benadeelde] daar heeft/hebben geboden op de (naar beneden geklapte) voorstoel te gaan liggen en/of

- die [benadeelde] heeft/hebben geboden haar mond te houden en/of

- die [benadeelde] deels heeft/hebben ontkleed, in ieder geval haar broek en onderbroek naar beneden heeft/hebben getrokken en/of

- die [benadeelde] heeft/hebben getracht op haar mond te kussen en/of

- de benen van die [benadeelde] uit elkaar heeft/hebben geduwd en/of

- voorbij is/zijn gegaan aan de (non-verbale) tekenen van weerstand/verzet van die [benadeelde],

waardoor verdachte en/of zijn mededader (aldus) voor die [benadeelde] een bedreigende situatie heeft/hebben doen ontstaan;

art 242 Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende Eindproces-verbaal onderzoek TGO ALFA / 06TCC14001, bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering (pagina 1 tot en met 245). Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Het proces-verbaal van aangifte door [benadeelde] d.d. 2 oktober 1996, opgemaakt door verbalisanten[verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden hoofdagent van politie IJsselstreek-Midden, opgenomen op pagina 23 tot en met 25.

3 Het rapport van het Gerechtelijk Laboratorium van het ministerie van justitie d.d. 16 december 1996, opgemaakt door drs. A.D. Kloosterman en ing. P. van den Hoven, opgenomen op pagina 43 tot en met 46, met name pagina 45.

4 Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 8 augustus 2013, met bijlage, opgemaakt door A.I. Berghout, MSc, opgenomen op pagina 19 tot en met 22.

5 Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 5 maart 2014, opgemaakt door drs. ing. T.J.P. de Blaeij, opgenomen op pagina 151 en 152.

6 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] d.d. 21 januari 2014, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4], respectievelijk hoofdagent en brigadier van Politieregio Noord- en Oost-Gelderland, opgenomen op pagina 67 tot en met 73, met name pagina 69 en 70.

7 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [verbalisant 1] d.d. 16 januari 2014, opgemaakt door verbalisant[verbalisant 5], inspecteur bij de Politie-eenheid Oost TGO Coldcase, opgenomen op pagina 53 tot en met 57, met name pagina 54.