Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:5762

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
13-11-2014
Datum publicatie
17-11-2014
Zaaknummer
UTR 14/6006
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank verklaart het beroep gericht tegen een verleende omgevingsvergunning voor, kort gezegd, de reconstructie van de op- en afritten ter plaatse van de A1 en de N525 te Laren ongegrond. Het gelijktijdig ingediende verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

In beroep heeft eiser vraagtekens geplaatst bij de noodzaak, de aard en de ruimtelijke gevolgen van deze reconstructie. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de bevoegdheid had hier van de in het bestemmingsplan gegeven regels af te wijken nu het ingediende bouwplan is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Zo volgt uit de diverse ingebrachte rapporten en onderzoeken onder meer dat bij de huidige verkeersdruk sprake is van onvoldoende (rest)capaciteit en dat daarmee de noodzaak tot het uitvoeren van deze reconstructie nog steeds aanwezig is. Ook de toename van geluid en fijnstof valt binnen de wettelijk vastgestelde normen. Tot slot heeft verweerder, naar het oordeel van de rechtbank, de belangen bij deze reconstructie zorgvuldig afgewogen tegen de belangen van omwonenden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 14/6006

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 november 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigden: mr. J.H.C. Ariës en A.S.B. Bijvoet)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Laren, verweerder

(gemachtigde: W. Verbeek).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de provincie Noord Holland, te Haarlem, gemachtigden: mr. A.F.P. van Mierlo, D.J.M. Janmaat, R.A. Kramer, P.R. Vos, J.A.M. van Wijk en W. Derksen.

Procesverloop

Bij besluit van 26 augustus 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan de Provincie Noord-Holland een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten handelen in strijd met regels van ruimtelijke ordening, bouwen en uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, ter plaatse van de Hilversumseweg/N525 te Laren.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen

Het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening zijn gezamenlijk behandeld ter zitting op 30 oktober 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De derde-partij is verschenen bij zijn gemachtigden.

Na afloop van de zitting zijn de zaken weer gesplitst. Met betrekking tot het verzoek om voorlopige voorziening, bij deze rechtbank bekend onder procedurenummer 14/6005, zal heden afzonderlijk uitspraak worden gedaan.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Op 17 mei 2011 heeft de Provincie Noord-Holland (hierna: vergunninghouder) in het kader van het project “N525 Reconstructie op- en afritten A1 en Vredelaan” een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend bij verweerder.

Het bouwplan omvat de volgende onderdelen:

  • -

    toevoegen van een rijstrook aan de rijbaan van de N525 in noordoostelijke richting (richting Laren);

  • -

    realiseren van extra rijstroken bij de af- en opritten van de A1;

  • -

    plaatsen dan wel aanpassen van geluidschermen;

  • -

    verplaatsen van de bushalte bij de Langsakker;

  • -

    opheffen van de directe aansluiting naar de begraafplaatsen;

  • -

    aanleggen van een toerit-doseringsinstallatie zowel naar Amsterdam als naar Amersfoort;

  • -

    aanleggen van tunnels ten behoeve van de natuur.

Daarnaast heeft vergunninghouder separaat een kapvergunning aangevraagd alsook een omgevingsvergunning voor het verleggen van waterleidingen.

Nadat verweerder het ontwerpbesluit vanaf 25 februari 2014 gedurende zes weken ter inzage heeft gelegd, heeft onder andere eiser een zienswijze ingediend. Vervolgens is het bestreden besluit genomen.

Ten tijde van de vergunningverlening gold ter plaatse het bestemmingsplan “Laren West”. Krachtens dit bestemmingsplan rusten op de bij het bouwplan betrokken gronden de bestemmingen “Verkeer”, “Verkeer-Verblijf”, “Tuin” en “Groen” met de aanduidingen “Waarde-Archeologie hoge verwachting” en “milieuzone-grondwaterbeschermingsgebied”.

Het bouwplan is op (meer of minder ondergeschikte) onderdelen strijdig met dit bestemmingsplan.

2. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a-c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het, onder andere, verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk, het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Op grond van artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingplan.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede wordt aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan, zo bepaalt artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Artikel 5.20 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) bepaalt dat, voor zover de omgevingsvergunning wordt verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo de artikelen 3.1.2, 3.1.6 en 3.3.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening van overeenkomstige toepassing.

Op grond van artikel 6.5, eerste lid, van het Bor is een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad vereist.

3. De rechtbank stelt allereerst vast dat tussen partijen niet in geschil is, en ook de rechtbank ziet geen aanleiding daaraan te twijfelen, dat eiser belanghebbende is in de zin van artikel 2:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Nu eiser vlak achter de Hilversumseweg woont en het bouwplan mede voorziet in uitbreiding van deze weg in de richting van zijn woning is zijn belang rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken.

4. De rechtbank stelt, voorafgaand aan de beoordeling van de beroepsgronden, voorop dat de (apart) op 14 februari 2014 verleende kapvergunning en de verleende omgevingsvergunning voor het verleggen van waterleidingen, geen onderdeel uitmaken van de beoordeling. Deze omgevingsvergunningen zijn niet betrokken bij het besluit dat in de onderhavige beroepsprocedure ter toetsing voorligt.

5. Voorts stelt de rechtbank vast dat verweerder in het bestreden besluit gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid af te wijken van het geldende planologische regime. Het gaat daarbij, planologisch gezien, om een beperkte afwijking. Om te kunnen afwijken, dient te worden voldaan aan de voorwaarde dat de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning wordt verleend niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing.

6. Omdat de raad van de gemeente Laren voor dit project op 27 maart 2013 een verklaring van geen bedenkingen heeft afgeven, is voldaan aan de formele vereisten voor het volgen van deze afwijkingsprocedure.

7. Met betrekking tot de ruimtelijke onderbouwing overweegt de rechtbank dat deze moet voldoen aan de eisen neergelegd in artikel 5.20 van het Bor in samenhang met de daarin genoemde artikelen uit het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Hieruit vloeit voort dat de ruimtelijke onderbouwing aan de dezelfde eisen moet voldoen als de toelichting van een bestemmingsplan. Daarbij geldt dat naarmate de ruimtelijke gevolgen van het afwijkingsbesluit ingrijpender zullen zijn ten opzichte van het geldende planologische regime en de inbreuk daarop groter, er hogere eisen worden gesteld aan de inhoud en de kwaliteit van de ruimtelijke onderbouwing.

8. In de ruimtelijke onderbouwing behorend bij het bestreden besluit wordt vermeld dat het project is opgenomen in het “Integraal Bereikbaarheids Plan (IBP) Hilversum e.o.”. Dit programma omvat tientallen projecten met als doel de bereikbaarheid van Hilversum te waarborgen. Met het onderhavige bouwplan wordt beoogd de doorstroming op de N525, die volgens de ruimtelijke onderbouwing op dit moment over onvoldoende capaciteit beschikt, te verbeteren en files en gevaarlijke situaties op de A1 te voorkomen. Het project past dan ook binnen het gemeentelijk beleid. Tevens past het project binnen het Rijksbeleid, dat is gericht op verbetering van de bereikbaarheid en de (verkeers)veiligheid alsook het provinciaal beleid en de daarin opgenomen bereikbaarheids-, duurzaamheids- en milieudoelstellingen.

Naast het onderzoek naar de beleidsmatige inpasbaarheid is ook een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai N525 uitgevoerd en een geluidonderzoek reconstructie aansluiting Laren van de A1. Verder heeft een onderzoek luchtkwaliteit N525 plaatsgevonden. Ook is er een verkennend milieukundig bodemonderzoek verricht, een ecoscan gemaakt, heeft aanvullend onderzoek en toetsing aan de Flora- en faunawet plaatsgevonden, is archeologisch onderzoek verricht en is er onderzoek gedaan naar ongesprongen explosieven. Tot slot is de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het project onderzocht.

9. Eiser heeft in beroep gesteld dat de uitvoering van het bouwplan zal leiden tot toenemende overlast van geluid en fijnstof, omdat er sprake zal zijn van meer stilstaand en optrekkend verkeer op de N525. Ook zal naar verwachting nog meer met hoge snelheid van stoplicht naar stoplicht worden gereden, waarop, ondanks herhaald verzoek, nu al geen toezicht wordt gehouden.

10. De rechtbank stelt vast dat Royal HaskoningDHV Nederland B.V. (hierna: RHDHV) het effect van de wijzigingen aan de N525/Hilversumseweg en de aansluitingen op de Vredelaan en de rijksweg A1 op de luchtkwaliteit heeft onderzocht met betrekking tot de zichtjaren 2012, 2015 en 2020. In haar rapport van 12 juli 2013 heeft zij geconcludeerd dat de grenswaarden voor NO2 en PM10, als neergelegd in de Wet milieubeheer, in deze zichtjaren niet worden overschreden, zodat het plan voldoet aan de luchtkwaliteitseisen.

11. Met betrekking tot de geluidseffecten heeft RHDHV in haar rapportage van 3 december 2013 geconcludeerd dat de wijzigingen ten aanzien van de N525 bij één woning, niet de woning van eiser, leidt tot een overschrijding van de grenswaarden neergelegd in de Wet geluidhinder. Deze overschrijding zal evenwel teniet worden gedaan door afschermende maatregelen. In haar rapportage van 24 januari 2014 heeft RHDHV met betrekking tot de geluidseffecten ten aanzien van de wijziging van de toe- en afritten van de A1 geconcludeerd dat ten aanzien van twee woningen, waaronder niet de woning van eiser, de grenswaarden als neergelegd in de Wet milieubeheer worden overschreden. Ook deze overschrijdingen worden teniet gedaan na een verlenging van het scherm langs de toerit richting Amersfoort.

12. Hoewel het begrijpelijk is dat eiser er bezwaar tegen heeft dat de door hem ervaren hinder door het bouwplan zal toenemen, volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de ruimtelijke onderbouwing op dit punt niet dat, na het nemen van enkele maatregelen, uitvoering van het bouwplan leidt tot een objectieve overschrijding van wettelijke normen. Daarbij overweegt de rechtbank dat eiser voornoemde onderzoeken niet inhoudelijk, bijvoorbeeld door het inbrengen van een eigen rapport, heeft bestreden. Deze beroepsgrond slaagt niet.

13. Dat, zoals eiser stelt, door verweerder niets wordt gedaan aan het op hoog tempo van stoplicht naar stoplicht rijden, is een omstandigheid die bij de beoordeling van de vraag of verweerder in redelijkheid van voornoemde afwijkingsmogelijkheid gebruik heeft kunnen maken niet aan de orde kan komen. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat door koppeling van verkeerslichten valt te verwachten dat dit probleem zal afnemen.

14. Eiser heeft voorts aangevoerd dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat uitvoering van het bouwplan noodzakelijk is. Hiertoe heeft eiser gesteld dat de verwachte toekomstige groei van het verkeer door allerlei ontwikkelingen inmiddels achterhaald is en dat van wachtrijen en andere, soortgelijke, verkeersproblemen nu geen sprake (meer) is. Het doorzetten van het bouwplan leidt volgens eiser dan ook tot verspilling van gemeenschapsgeld. Daarnaast heeft verweerder zijn standpunt dat ook het bestaande verkeer te intensief is, onderbouwd met cijfers uit 2011 en 2012 die, volgens eiser, misleidend zijn, omdat deze zijn beïnvloed door ernstige verkeersstremmingen elders en door tijdsverloop ook overigens niet meer representatief zijn. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser een “verkeerskundig commentaar op reconstructie N525” overgelegd, dat op 20 oktober 2014 is opgesteld door verkeersadviseur dr. ir.[A] van Turbo Traffic Solutions.

15. Verweerder heeft bij zijn besluitvorming de uitvoering van het IBP, groot onderhoud en aanpassing van de N525 inclusief de aansluiting op de A1 aan de hedendaagse wegverkeerseisen als grondslagen voor het bouwplan genoemd.

Naar aanleiding van de ingediende zienswijzen heeft RHDHV, in opdracht van vergunninghouder, opnieuw gekeken naar de onderbouwing van het bouwplan. Uit deze nieuwe studie, gebaseerd op de intensiteiten over de jaren 2011, 2012 en 2013 alsook op meetgegevens van maart en april 2014, volgt dat de capaciteit van de huidige weg tekortschiet. Hoewel naar huidige inzichten de oorspronkelijke groeiprognoses, zoals neergelegd in het IBP wellicht te optimistisch waren, is volgens verweerder ook in de huidige situatie op termijn geen restcapaciteit aanwezig. Daarbij past het om dit bouwplan mee te nemen in het onderhoud voor de komende 12 jaar.

In de nieuwe studie, waaraan verweerder refereert, wordt vermeld dat bij enkele stoplichten nu al sprake is van overbelasting. Bij enkele stoplichten is er verder gebrek aan (afdoende) restcapaciteit om extra verkeersgroei als gevolg van toename van automobiliteit dan wel verkeersproductie van nieuwe of uitgestelde ruimtelijke ontwikkelingen op te vangen, terwijl enige robuustheid in de vorm van restcapaciteit nodig is om goed te kunnen reageren op afwijkende situaties als slecht weer of een incident. Daarnaast blijkt volgens deze studie uit de meetgegevens dat in de huidige situatie de wachtrij in de ochtendspits al langer is dan de afrit, zodat het verkeer op de A1 komt, met een gevaarlijke verkeerssituatie tot gevolg.

16. De rechtbank stelt voorop dat zij deze beroepsgrond van eiser beoordeelt vanuit het uitgangspunt dat het bouwplan dient te zijn voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Tegenover de verschillende rapporten die gezamenlijk, mede, als ruimtelijke onderbouwing ter motivering van het bestreden besluit dienen, heeft eiser een verkeerskundig commentaar ingediend. In dit commentaar geeft verkeersadviseur [A], kort gezegd, aan dat de gemaakte doorrekeningen van drie kruispunten in het plan zijn gebaseerd op modelberekeningen. Hij stelt daarbij dat de gehanteerde waarden zeer conservatief zijn en concludeert dat, onder meer, op basis hiervan sprake is van een discrepantie tussen wat buiten wordt waargenomen en de conclusies gebaseerd op de berekende modeluitkomsten. In een bijlage heeft [A] de in de studies van RHDHV gehanteerde waarden vergeleken met eigen gegevens. Daarnaast stelt hij dat in de gehanteerde verkeersintensiteiten al rekening lijkt te zijn gehouden met eventuele incidenten. Tot slot doet hij enkele suggesties die als alternatief voor het huidige plan zouden kunnen dienen.

17. De rechtbank overweegt dat [A] bij het opstellen van zijn commentaar kennis heeft genomen van de aanvullende studie van 29 augustus 2014, die was gevoegd bij de Zienswijzennota. Dat het betreffende rapport, om onduidelijke reden, een datum vermeldt die is gelegen na het bestreden besluit, acht de rechtbank in zoverre niet relevant. De door [A] genoemde waarden hebben betrekking op een elders gelegen locatie, het Tolhekplein. Deze waarden geven de rechtbank, zonder een nadere toelichting, die ontbreekt, geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de uitkomsten van de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde studies. Datzelfde geldt met betrekking tot de door hem genoemde resultaten uit zogenaamde Vissim-analyses. Ook hetgeen [A] heeft aangegeven met betrekking tot de beoogde restcapaciteit geven de rechtbank geen aanleiding tot twijfel. Daarbij overweegt de rechtbank dat ook meer recente meetgegevens, van april en mei 2014, bij de studie van RHDHV zijn betrokken en ten grondslag liggen aan de conclusies.

18. Met betrekking tot de door [A] gesuggereerde alternatieve aanleg van een “spiraalrotonde” overweegt de rechtbank het volgende. Ter zitting heeft de heer De Vos, aanwezig namens vergunninghouder, een tekening getoond waarop een dergelijke rotonde ter plaatse is ingetekend. Daarbij heeft hij toegelicht dat, gelet ook op de aanwezige viaducten, plaatsing van een spiraalrotonde ertoe zal leiden dat de weg nog dichter bij de daarachter gelegen bebouwing zal komen te liggen terwijl de voorgestelde koppeling van stoplichten ten behoeve van een vlottere doorstroming dan moet worden losgelaten. Daarnaast zal er op de drukke momenten sprake zijn van stilstand op de rotonde. Om deze redenen wordt de plaatsing van een dergelijke, verhoudingsgewijs ook veel duurdere en veel meer plaats innemende, rotonde door vergunninghouder niet als een passend alternatief beschouwd. De rechtbank overweegt dat de eventuele mogelijkheid het plan op een andere wijze uit te voeren er niet toe kan leiden dat het onderhavige bouwplan niet mag worden vergund. Datzelfde geldt met betrekking tot de door de verkeersdeskundige genoemde mogelijkheid een extra rechtsafstrook te realiseren. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (bijvoorbeeld de uitspraken van 7 november 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BY2489) en 29 februari 2012 (ECLI:NL:RVS:BV7253) kan het bestaan van alternatieven immers slechts tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door gebruikmaking van deze alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Deze beroepsgrond slaagt niet.

19. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat het bestreden besluit, mede gelet op de geringe planologische afwijking, van een goede ruimtelijke onderbouwing is voorzien. Daarbij overweegt de rechtbank dat eiser de andere onderdelen van de ruimtelijke onderbouwing niet inhoudelijk heeft bestreden.

20. Ter zitting heeft eiser nog betoogd dat verweerder het plan ten onrechte niet heeft getoetst aan het Tracébesluit A1 dan wel aan de zogenaamde “Ladder voor duurzame verstedelijking”. Nu dit standpunt in de zienswijzen noch in het beroepschrift naar voren is gebracht en verweerder hierop ook niet heeft kunnen reageren, worden deze standpunten als te laat ingebracht beschouwd en zullen ze wegens strijd met de goede procesorde buiten de beoordeling worden gelaten.

21. Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of verweerder bij het gebruik van zijn afwijkingsbevoegdheid de betrokken belangen afdoende heeft afgewogen. De rechtbank stelt hierbij voorop dat nu het bestreden besluit een resultaat is van een politiek-bestuurlijke afweging waarbij aan verweerder beleidsvrijheid toekomt, zij het besluit op dit punt slechts terughoudend kan toetsen.

22. De rechtbank overweegt dat verweerder de ingediende zienswijzen bij zijn afwegingen heeft betrokken. In dat verband heeft verweerder onder meer overleg gevoerd met vergunninghouder over de aanwezige bovenwettelijke schermen die, als uitkomst van dit overleg, zullen terugkeren en zullen worden verlengd. Hoewel het bouwplan gevolgen zal hebben voor de omwonenden is niet gebleken dat hun belangen zodanig worden geschaad dat verweerder bij de afweging van die belangen niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid van het bestemmingsplan af te wijken gebruik heeft kunnen maken.

23. Gelet op al het voorgaande had verweerder dan ook de bevoegdheid om met het bestreden besluit af te wijken van het bestemmingsplan en heeft hij in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik gemaakt.

24. Tot slot overweegt de rechtbank dat de overige door eiser genoemde punten, waaronder zijn stelling dat de goedkeuring in de gemeenteraad voor de verklaring van geen bedenkingen tot stand is gekomen onder “chantage druk”, wat daar verder ook van zij, los staat van het bestreden besluit en aan de rechtmatigheid daarvan niet afdoet.

25. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. R. in 't Veld, voorzitter, en mr. Y. Sneevliet en mr. E.J.W. Verhaagh, leden, in aanwezigheid van mr. E.T. Timmerman-Roosjen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 november 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.