Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:5701

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-11-2014
Datum publicatie
12-11-2014
Zaaknummer
16/710744-11 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt een 55-jarige vrouw uit Kockengen tot een gevangenisstraf van 141 dagen voor het in hulpeloze toestand achterlaten van een man in hotel Breukelen en het bereiden en voorhanden hebben van ibogaïne. Een 44-jarige medeverdachte wordt door de rechtbank vrijgesproken.

De vrouw behandelde de afgelopen jaren naar eigen zeggen honderden mensen met ibogaïne om hen onder andere van hun verslaving af te kunnen helpen. Ibogaïne is geen erkende, reguliere behandeling. De rechtbank stelt vast dat de inname van ibogaïne ernstige gezondheidsrisico’s kan veroorzaken. Hoewel de informatie van deskundigen aanleiding moet zijn tot zorg, kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte wist dat er een aanmerkelijke kans is dat de behandeling schade aan de gezondheid zou toebrengen. De rechtbank spreekt de vrouw hiervan vrij.

Voor de behandelingen bereidde de vrouwelijke verdachte zelf capsules met ibogaïne. Ze had een grote hoeveelheid in voorraad. De rechtbank veroordeelt de vrouw voor het bereiden en het bezit van ibogaïne. De rechtbank stelt vast dat ibogaïne onder de Geneesmiddelenwet valt. Dit betekent echter niet dat ibogaïne een toegestaan geneesmiddel is. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld voor het bezit van medicinale zuurstof, hennep en MDMA, morfine en methadon.

In maart 2011 behandelde de natuurgenezers een man uit Zwitserland voor zijn verslaving. De behandeling liep volgens de verdachte goed, tot de man op 18 maart agressief werd en dacht dat hij achtervolgd werd. Hij wilde weg uit de woning van verdachte. De vrouw bracht hem naar hotel Breukelen. Die nacht liep de man de A2 op. Hij werd dodelijk aangereden door een vrachtwagen.

De rechtbank vindt dat de verdachte de hulpbehoevende man niet zonder toezicht in het hotel had mogen achterlaten, terwijl hij paranoïde gedrag vertoonde. De man was aan de zorg van de verdachte toevertrouwd. De rechtbank rekent het verdachte aan dat zij geen professionele hulp heeft ingeschakeld toen de situatie onhoudbaar leek te worden.

De rechtbank heeft echter niet vast kunnen stellen dat het overlijden van de man is veroorzaakt door verdachte. Het is niet bekend of de man ten tijde van het ongeluk nog steeds hallucineerde. Er kan hierdoor geen causaal verband tussen het achterlaten van de man in hulpeloze toestand en zijn dood worden vastgesteld.

Een 44-jarige medeverdachte uit Baarn hielp de natuurgenezeres af en toe als vrijwilliger met de verzorging van mensen die bij haar in behandeling waren. Op 18 maart is de medeverdachte uit bezorgdheid bij de Zwitser in het hotel gaan kijken. De rechtbank kan niet vaststellen dat hij de man in hulpeloze toestand heeft achtergelaten.

Op 25 augustus 2011 vond er een ander incident plaats. De verdachte behandelde een man uit België om van zijn verlegenheid af te komen. Voorafgaand aan de behandeling heeft de man zich door een cardioloog laten onderzoeken. Na (vrijwillige) inname van de ibogaïne werd de man onwel en kreeg een hartstilstand. De verdachte heeft meteen 112 gebeld en is met reanimeren begonnen. De rechtbank acht niet bewezen dat de vrouw de Belg in hulpeloze toestand heeft gebracht of gelaten door de inname van ibogaïne.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/710744-11 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 12 november 2014.

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Israël) op [1959],

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2014 en 29 oktober 2014. De verdachte is niet verschenen. Namens verdachte is mr. W.H. Boomstra, advocaat te Amsterdam verschenen, die heeft verklaard uitdrukkelijk te zijn gemachtigd om namens verdachte ter terechtzitting de verdediging te voeren.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat de raadsman naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: In de periode van 1 augustus 2006 tot en met 2 juli 2012 als zorg- /hulpverlener (een aanmerkelijke kans op) schade heeft veroorzaakt aan de gezondheid van NN-vrouw, [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4], terwijl zij wist of ernstige reden had te vermoeden dat die schade zou ontstaan.

Feit 2A: In de periode van 1 maart 2011 tot en met 19 maart 2011, al dan niet samen met een ander, opzettelijk [slachtoffer 3] in hulpeloze toestand heeft gebracht en/of gelaten als gevolg waarvan [slachtoffer 3] is overleden.

Feit 2B primair: In de periode van 1 maart 2011 tot en met 19 maart 2011, al dan niet samen met een ander, [slachtoffer 3] heeft mishandeld dan wel zijn gezondheid heeft benadeeld als gevolg waarvan [slachtoffer 3] is overleden.

Feit 2B subsidiair: In de periode van 1 maart 2011 tot en met 19 maart 2011, al dan niet samen met een ander, roekeloos en/of aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam heeft gehandeld ten aanzien van [slachtoffer 3] als gevolg waarvan [slachtoffer 3] is overleden.

Feit 3A: Op 25 augustus 2011 [slachtoffer 4] (hierna: [slachtoffer 4]) in een hulpeloze toestand heeft gebracht en/of gelaten als gevolg waarvan [slachtoffer 4] een hartstilstand heeft gekregen.

Feit 3B primair: Op 25 augustus 2011 [slachtoffer 4] heeft mishandeld dan wel zijn gezondheid heeft benadeeld als gevolg waarvan [slachtoffer 4] een hartstilstand heeft gekregen.

Feit 3B subsidiair: Op 25 augustus 2011 roekeloos en/of aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam heeft gehandeld ten aanzien van [slachtoffer 4] als gevolg waarvan [slachtoffer 4] een hartstilstand heeft gekregen.

Feit 4: Op 20 maart 2011 zonder vergunning capsules met ibogaïne heeft bereid/ingevoerd/afgeleverd/uitgevoerd/groothandel heeft gedreven

en

op 20 maart 2011 capsules met ibogaïne in voorraad heeft gehad/heeft verkocht/heeft afgeleverd/ter hand gesteld/ingevoerd.

Feit 5: Op 21 november 2011 flessen medicinale zuurstof in voorraad heeft gehad/heeft verkocht/heeft afgeleverd/ter hand heeft gesteld/heeft ingevoerd.

Feit 6: Op 20 maart 2011 infuuszakken in voorraad heeft gehad/heeft verkocht/heeft afgeleverd/ter hand heeft gesteld/heeft ingevoerd.

Feit 7: Op 20 maart 2011 hennep aanwezig heeft gehad.

Feit 8: Op 21 november 2011 MDMA en/of methadon en/of methadon/morfine aanwezig heeft gehad.

3 Voorvragen

3.1

Het standpunt van de verdediging

Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk ten aanzien van het verwijt dat zij verdachte maakt onder feit 2A. De beelden van het hotel in Breukelen zijn willens en wetens door het Openbaar Ministerie achtergehouden, ondanks het feit dat de rechtbank had bevolen dat deze beelden aan het dossier toegevoegd dienden te worden. Door op deze wijze te handelen heeft het Openbaar Ministerie de schijn gewekt het proces ten aanzien van het onder 2A ten laste gelegde te willen beïnvloeden. Hieraan dient het rechtsgevolg van niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie gekoppeld te worden.

3.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft niet willens en wetens beelden achtergehouden. Aan de verdediging is de mogelijkheid geboden om de beelden op het politiebureau te bekijken. Uiteindelijk zijn de beelden door tussenkomst van de rechter verstrekt en aan het dossier toegevoegd. Abusievelijk zijn daarbij de beelden die zijn aangetroffen op de telefoon van [slachtoffer 3] niet verstrekt. Dat is een fout geweest, maar dit dient niet te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Het Openbaar Ministerie heeft niet doelbewust getracht de beelden buiten het dossier te houden.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat door de rechtbank op de zitting van 10 oktober 2012 is besloten dat er een regiezitting gepland zal worden en dat het zinvol kan zijn om daaraan voorafgaand contact op te nemen met de officier van justitie voor het uitkijken van de beelden.

Vervolgens heeft de rechtbank op de regiezitting van 20 november 2012 het verzoek van de verdediging tot het toevoegen van de beelden van de beveiligingscamera’s van hotel [naam] te [vestigingsplaats] van 18 en 19 maart 2011 aan het dossier en het verstrekken daarvan aan de verdediging, toegewezen. Deze beelden zijn ook door het Openbaar Ministerie aan het dossier toegevoegd.

Eerst op de zitting van 18 juni 2014 werden rechtbank en verdediging ermee bekend dat er mogelijk nog andere beelden beschikbaar waren, te weten beelden die door de politie zouden zijn aangetroffen op de telefoon van [slachtoffer 3]. Hierop heeft de rechtbank de officier van justitie de opdracht gegeven om alle beschikbare beelden op een CD-ROM te zetten en aan de rechtbank en de verdediging ter hand te stellen. Dit is ook gebeurd.

Uit het voorgaand volgt dat gedurende de loop van de procedure beslissingen door de rechtbank zijn genomen omtrent het al dan niet verstrekken van beelden, waaraan telkens door het Openbaar Ministerie gehoor is gegeven. Dat het Openbaar Ministerie, aldus de verdediging, doelbewust beelden heeft achtergehouden, volgt hieruit niet. Evenmin leidt het gegeven dat de verdediging, zoals de raadsman stelt, diverse malen contact heeft opgenomen met de officier van justitie om de beelden te mogen inzien/ontvangen, ertoe dat ernstig inbreuk is gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte en diens recht op een eerlijke behandeling van haar strafzaak tekort is gedaan.

Het verweer van de verdediging wordt verworpen. Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in haar vervolging.

Voor het overige heeft de rechtbank vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zij bevoegd is tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de aan haar onder 1, 2A, 2B primair, 3A, 3B primair, 4, 5, 6, 7 en 8 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte in ieder geval van de aan haar onder 1, 2, 3, 4, 6 en 8 ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken. Hiertoe heeft de raadsman -onder meer- het volgende aangevoerd:

Ten aanzien van feit 1

Verdachte is niet strafbaar voor het niet geregistreerd zijn in het BIG-register.

Ten aanzien van feit 2

Voorafgaand aan de behandeling van [slachtoffer 3] met iboga heeft er een intakegesprek plaatsgevonden met verdachte. Verdachte heeft [slachtoffer 3] op de hoogte gebracht van de methode, de risico’s en de te verwachten uitkomst van de behandeling. Op 16 maart 2011 gaat de behandeling van start en krijgt [slachtoffer 3] iboga toegediend. Op 17 en 18 maart 2011 krijgt hij geen iboga meer. In de namiddag van 18 maart 2011 wordt [slachtoffer 3] ineens erg boos en agressief. Verdachte besluit een stukje met hem te rijden. Tijdens de autorit verzoekt [slachtoffer 3] om hem af te zetten bij het hotel in Breukelen. [slachtoffer 3] komt dan rustig over. Bij het hotel checkt hij zelf in. Gedurende de avond/nacht ziet geen van de personeelsleden van het hotel aanleiding om verdachte, de politie of een ambulance te waarschuwen. Om 03.09 uur verlaat [slachtoffer 3] het hotel. Rond 04.00 uur verongelukt hij. Wat hij in de tussenliggende 51 minuten heeft gedaan, weet niemand. Diverse scenario’s zijn mogelijk. Zo zou het mogelijk kunnen zijn dat hij naar het tankstation heeft willen gaan en de aanrijding een regulier verkeersongeluk is. Ook zou het om zelfmoord kunnen gaan.

Verdachte heeft geen opzet gehad, ook niet in voorwaardelijke vorm, op het in hulpeloze toestand laten of brengen van [slachtoffer 3]. [slachtoffer 3] heeft zich vrijwillig onttrokken aan de zorg van verdachte. Op dat moment waren er geen signalen die erop duiden dat sprake was van een hallucinerende en/of verwarde toestand. Uit niets bleek dat [slachtoffer 3] hulpbehoevend was. Evenmin bestaat er een causaal verband tussen het innemen van de iboga op 16 maart 2011 en het ongeluk in de nacht van 19 maart 2011.

Het opzet op de mishandeling (zie feit 2B) kan niet wettig en overtuigend bewezen worden. Hetzelfde geldt voor de roekeloosheid, zoals onder 2B subsidiair ten laste is gelegd.

Ten aanzien van feit 3

[slachtoffer 4] is goed voorbereid naar verdachte toe gegaan. Zo heeft hij zijn hart laten onderzoeken voorafgaand aan zijn behandeling. Hij heeft vrijwillig bij verdachte een behandeling ondergaan. Na het gebruik van iboga krijgt [slachtoffer 4] een hartstilstand. Verdachte waarschuwt direct de politie en de ambulance. Het opzet van verdachte op het in hulpeloze toestand brengen en/of laten, dan wel mishandeling, dan wel roekeloosheid is niet voldoende vast komen te staan.

Ten aanzien van feit 4

Iboga is geen medicijn. Evenmin is iboga in Nederland een verboden stof. Verdachte dient van het onder 4 ten laste gelegde feit te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 5

Ten aanzien van feit 5 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van feit 6

Verdachte had geen kennis van de aanwezigheid van de infuuszakken in haar woning. Niet kan worden uitgesloten dat [slachtoffer 3] deze zakken mee heeft genomen naar de woning van verdachte. Verdachte dient van het onder 6 ten laste gelegde feit te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 7

Ten aanzien van feit 7 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van feit 8

De middelen die in de woning van verdachte zijn aangetroffen, zijn middelen die verdachte van haar klanten heeft afgenomen in het licht van de behandeling met iboga. Het kan verdachte enkel verweten worden dat zij deze middelen niet heeft vernietigd of weggegooid. Daarbij kan het opzet op het bezit van deze middelen niet bewezen worden, zodat verdachte ook van dit feit dient te worden vrijgesproken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Het bewijs

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Ten aanzien van feit 2A

Verdachte heeft verklaard dat op 16 maart 2011 [slachtoffer 3] (de rechtbank begrijpt[slachtoffer 3]) bij haar kwam. De moeder van [slachtoffer 3], [A] heeft verklaard dat [slachtoffer 3] naar Nederland ging om de behandeling met ibogaïne te ondergaan. Van te voren was er contact over hoe de behandeling zou gaan en wat de voorwaarden waren, ook qua gezondheid.2 De behandeling verliep, blijkens de verklaring van verdachte, goed tot 18 maart 2011 omstreeks 21.00 uur. [slachtoffer 3] begon agressief te worden en had het idee dat hij achtervolgd werd. Op dat moment zat hij echter gewoon tv te kijken.3 Hij wilde weg en stond erop dat verdachte hem naar een hotel bracht. Onderweg bleef hij agressief en tijdens het rijden begon hij aan het stuurwiel van de auto te trekken. Verdachte heeft hem bij het hotel afgeleverd.4

Tijdens een telefoongesprek op 3 april 2011 met een NN-man zegt verdachte het volgende:

‘En plotseling ’s avonds veranderde hij (…). Zijn bewegingen en ogen waren zo agressief. (…) We zijn een eindje gaan rijden (…) hij zei tegen me “er zijn mensen die mij willen vermoorden, in jouw huis of buiten! (…) En ehh toen zei hij: “je moet me naar HOTEL BREUKELEN brengen”. (…) ’t is alsof hij zelf de IBOGA heel snel verbrandde! Weetje, sommige mensen doen dat.’5

De vriendin van medeverdachte [medeverdachte], mevrouw [B] (hierna: [B]) heeft verklaard dat zij op 18 maart 2011 met [medeverdachte] naar verdachte is gegaan. Verdachte vertelde [B] dat de jongen (de rechtbank begrijpt[slachtoffer 3]) helemaal in paniek was. Hij zag allemaal rare dingen. Verdachte heeft de jongen naar hotel Breukelen gebracht. [B] is vervolgens samen met medeverdachte [medeverdachte] naar het hotel toe gegaan. De jongen maakte op getuige een paranoia/schichtige indruk.6

Getuige [getuige 1] (hierna: [getuige 1]) heeft verklaard dat [slachtoffer 3] na aankomst een testdosis heeft ingenomen en diezelfde avond de hoofddosis heeft gehad. Later, voor het ongeluk, heeft hij nog een keer een dosis ingenomen. Dit wist getuige [getuige 1] van verdachte.7

Ibogaïne is een middel dat na inname van vooral hogere doseringen klinische bijwerkingen kan veroorzaken waaronder ernstige of levensbedreigende bijwerkingen zoals cardiotoxiteit en/of neurotoxiciteit.8

Nadere overwegingen ten aanzien van feit 2A

In de Wet op de geneeskundige behandelovereenkomst (hierna: WGBO) (Burgerlijk Wetboek 7, titel 7, afdeling 5) is de geneeskundige behandelrelatie geregeld als overeenkomst tussen de hulpverlener en de patiënt. De bepalingen van deze regeling zijn niet alleen van toepassing op artsen maar op een ieder die geneeskundige handelingen verricht in de uitoefening van een geneeskundig beroep of bedrijf.

Artikel 7:446 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaalt dat onder handelingen op het gebied van de geneeskunst (mede) wordt verstaan alle verrichtingen, het onderzoeken en het geven van raad daaronder begrepen, rechtstreeks betrekking hebbende op een persoon en ertoe strekkende hem van een ziekte te genezen, hem voor het ontstaan van een ziekte te behoeden of zijn gezondheidstoestand te beoordelen.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat tussen verdachte en [slachtoffer 3] een behandelovereenkomst bestond op basis van artikel 7:446 BW. Immers, [slachtoffer 3] liet zich onder behandeling stellen van verdachte, welke behandeling ertoe strekte dat hij door toepassing van iboga/ibogaïne zou worden genezen van zijn verslaving. De behandeling zou bestaan uit het innemen van een bepaalde hoeveelheid ibogaïne.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte - kort gezegd - [slachtoffer 3] in een hulpeloze toestand heeft gebracht en gelaten. Verdachte was op grond van de door haar met [slachtoffer 3] gesloten behandelovereenkomst verplicht hem te verzorgen. Verdachte was op de hoogte van de bijwerkingen van ibogaïne. Gelet hierop had verdachte onder de gegeven omstandigheden (het plotseling optredende paranoïde gedrag vrijdagavond) [slachtoffer 3] niet zonder toezicht in het hotel mogen achterlaten. Door niet bij [slachtoffer 3] in het hotel te blijven (of op andere wijze voor begeleiding te zorgen) heeft verdachte [slachtoffer 3] verwijtbaar in een hulpbehoevende situatie achtergelaten.

Oorzaak van overlijden

Uit het dossier volgt dat [slachtoffer 3] op 18 maart 2011 omstreeks 21.00 uur agressief en paranoïde gedrag begon te vertonen, waardoor verdachte besloot om met [slachtoffer 3] een rondje te gaan rijden om hem te kalmeren. Tijdens deze autorit zou [slachtoffer 3] tegen verdachte gezegd hebben dat zij hem naar het hotel in Breukelen moest brengen. Verdachte heeft dit gedaan. Om 22:24 uur checkte [slachtoffer 3] in bij het hotel in Breukelen. Blijkens verklaringen van het personeel van het hotel Breukelen en de verklaring van [A] heeft [slachtoffer 3] ook die avond in het hotel op verschillende momenten nog paranoïde gedrag vertoond. De rechtbank gaat ervan uit dat [slachtoffer 3] op dat moment hallucineerde als gevolg van de inname van ibogaïne.

Blijkens de camerabeelden van het hotel loopt [slachtoffer 3] om 03:07:45 uur op 19 maart 2011 naar buiten. Om 03:08:5 uur loopt [slachtoffer 3] van links naar rechts over de parkeerplaats. Om 03:08:52 wordt geregistreerd dat [slachtoffer 3] midden op de rijbaan loopt in de richting van de uitgang, welke bestemd is voor de voertuigen. Om 03:09:27 uur is te zien dat [slachtoffer 3] achter de vangrail loopt en vervolgens uit beeld verdwijnt. Of [slachtoffer 3] op dat moment nog hallucineerde kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld.

Diezelfde nacht om 03:55:32 werd de 112-centrale gebeld door [C]. [C] meldde dat er iemand zwaar gewond op de straat lag die net was overgestoken. Later blijkt dit [slachtoffer 3] te zijn. Wat er in de periode tussen het moment waarop [slachtoffer 3] het hotel verliet en het moment waarop hij werd aangereden door een vrachtwagen is gebeurd, is niet bekend. Dat [slachtoffer 3] ten tijde van het ongeval nog steeds, of wederom, in hallucinerende toestand verkeerde kan op basis van de beschikbare bewijsmiddelen niet worden vastgesteld. Dat [slachtoffer 3] mogelijk zelfmoord heeft gepleegd acht de rechtbank niet aannemelijk in het licht van de inhoud van het dossier, maar niet in voldoende mate kan worden uitgesloten dat de aanrijding en de dood van [slachtoffer 3] een noodlottige verkeersongeval betrof. De conclusie is dan ook dat de rechtbank niet zonder redelijke twijfel tot de vaststelling is kunnen komen dat [slachtoffer 3] als gevolg van een hallucinatie de snelweg is overgestoken en daarbij is aangereden door de vrachtwagen.

Nu het causale verband tussen het achterlaten van [slachtoffer 3] in een hulpeloze toestand en zijn dood niet vastgesteld kan worden, spreekt de rechtbank verdachte vrij van dit onderdeel van de tenlastelegging.

Ten aanzien van feit 4

Verdachte heeft verklaard dat zij het middel ibogaïne gebruikt.9 Daarmee behandelt zij mensen. Iboga werkt genezend, aldus verdachte. Ibogaïne herstelt de functie van de neurotransmitter. Als je iboga neemt word je niet ziek en de behoefte om te gebruiken (de rechtbank begrijpt ‘om drugs te gebruiken’) gaat weg.10 Verdachte maakt er poeder van of koopt het in poedervorm.11 De capsules maakt verdachte zelf. Daar doet ze de iboga in.12

Blijkens het deskundigenrapport van drs. W. Best wordt op de website http://www.ibogafoundation.com gemeld dat iboga gebruikt kan worden bij de behandeling van verslaving. Daarmee wordt iboga gepresenteerd als zijnde geschikt voor het genezen of voorkomen van een ziekte, gebrek, wond of pijn bij de mens.13 Iboga is een substantie van plantaardige herkomst dat onder andere ibogaïne bevat. Iboga beïnvloedt meerdere neurotransmitters in de hersenen en heeft zowel een stimulerende als hallucinogene eigenschappen. Daarmee voldoet iboga aan het derde criterium van artikel 1 van de Geneesmiddelenwet.14

Uit navraag bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is gebleken dat aan verdachte geen vergunning is verleend tot het bereiden van geneesmiddelen. Uit navraag bij het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen blijkt dat er in Nederland geen geneesmiddel in het daartoe bestemde register staat ingeschreven met als werkzame substantie iboga of ibogaïne.15

Op 20 maart 2011 vond een doorzoeking plaats in de woning van verdachte te Kockengen.16 Tijdens deze doorzoeking werden drie zakken met groene capsules in beslag genomen en genummerd met AADP1202NL.17 Hieruit is een monster genomen van in totaal 20 stuks met een gewicht van 7,34 gram (nummer AADP1203NL).18 Dit monster is door het Nederlands Forensisch Instituut getest en bevat ibogaïne.19 50 pillen hebben een gewicht van 18,46 gram. De zakken wogen respectievelijk 1142,17, 1111,66 en 938,70 gram. In totaal is dit 3192,53 gram. Omgerekend zou dit betekenen dat er omstreeks 8647 capsules zouden zijn die de stof ibogaïne bevatten.20

Aanvullende bewijsoverweging ten aanzien van feit 4

Onder ‘geneesmiddel’ wordt, blijkens artikel 1 van de Geneesmiddelenwet verstaan een substantie of een samenstel van substanties die bestemd is om te worden toegediend of aangewend voor dan wel op enigerlei wijze wordt gepresenteerd als zijnde geschikt voor:

1°. het genezen of voorkomen van een ziekte, gebrek, wond of pijn bij de mens,

2°. het stellen van een geneeskundige diagnose bij de mens, of

3°. het herstellen, verbeteren of anderszins wijzigen van fysiologische functies bij de mens door een farmacologisch, immunologisch of metabolisch effect te bewerkstelligen.

Blijkens de bewijsmiddelen voldoet iboga aan de vereisten zoals opgenomen onder 1° en 3°. Iboga is derhalve een geneesmiddel in de zin van artikel 1 van de Geneesmiddelenwet. Iboga bevat ibogaïne. De rechtbank hecht eraan op te merken dat dit niet betekent dat Ibogaïne een toegestaan geneesmiddel betreft.

Overeenkomstig artikel 18, eerste lid van de Geneesmiddelenwet, is het verboden om zonder vergunning van Onze Minister geneesmiddelen te bereiden of in te voeren. Voorts is het verboden om andere geneesmiddelen dan die bedoeld in voorgaande zin te bereiden, in te voeren, af te leveren of uit te voeren dan wel een groothandel te drijven.

Volgens artikel 40, tweede lid van de Geneesmiddelenwet, is het eveneens verboden om een geneesmiddel waarvoor geen handelsvergunning geldt, in voorraad te hebben, te verkopen, af te leveren, ter hand te stellen, in te voeren of anderszins binnen of buiten het Nederlands grondgebied te brengen.

Volgens artikel 1 onder 1 van de Wet op de economisch delicten (hierna: WED) is overtreding van artikel 18, eerste lid en artikel 40, eerste lid van de Geneesmiddelenwet een economisch delict. Wanneer dit opzettelijk is begaan, betreft dit een misdrijf. Voor een bewezenverklaring van het opzet, is voldoende als vast wordt gesteld dat de dader van het delict willens en wetens heeft gehandeld of nagelaten, zoals in de (straf)bepaling omschreven.

Ten aanzien van feit 5

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het aan haar onder 5 ten laste gelegde feit heeft begaan. De rechtbank zal met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

- Het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot een doorzoeking ter inbeslagneming in een woning, perceel [adres] te [woonplaats].21

- Het deskundigenrapport van drs. W. Best, apotheker-toxicoloog.22

Ten aanzien van feit 7

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het aan haar onder 7 ten laste gelegde feit heeft begaan. Verdachte heeft dit feit bekend en de verdediging heeft geen vrijspraak bepleit. Onder deze omstandigheden zal de rechtbank met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

- De verklaring van verdachte d.d. 14 december 2011.23

- Het proces-verbaal van sporenonderzoek d.d. 15 april 2011.24

- Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 30 augustus 2011.25

- Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 24 juli 2012.26

- Het proces-verbaal van relaas d.d. 5 augustus 2012.27

Ten aanzien van feit 8

Verdachte heeft verklaard dat de mensen die bij haar komen voor een behandeling drugs aan haar geven om te bewaren.28 Op 21 november 2011 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van verdachte te Kockengen.29

Tijdens de zoeking werden pillen methadon veiliggesteld. Dit goed werd genummerd met AADD3575NL.30 Door het Nederlands Forensisch Instituut is geconcludeerd dat het monster, bevattende drie tabletten à 0,10 gram methadon bevat.31 Ook werd 0,33 gram wit poeder aangetroffen en genummerd met AADD3572NL.32 Dit monster bevat MDMA.33

Er werden twee doosjes met elk een flesje veiliggesteld en genummerd met AADD3592NL.34 Door het Nederlands Forensisch Instituut is geconcludeerd dat de vloeistof methadon bevat.35

Daarnaast werd een groene pil veiliggesteld en genummerd met AADD3629NL, alsmede pillen waaraan nummer AADD3625NL werd gekoppeld.36 Het monster met nummer AADD3625NL, in totaal 1,74 gram, bevat methadon. Het monster met nummer AADD3629, zijnde twee tabletten à 0,26 gram bevat morfine.37

De hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden worden slechts gebruikt voor het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop deze blijkens de inhoud kennelijk betrekking hebben.

4.3.2

De vrijspraak van feit 1

Onder feit 1 is aan verdachte - kort gezegd - ten laste gelegd dat zij behandelingen heeft verricht in het kader van de individuele gezondheidszorg terwijl zij wist en/of ernstige reden had om te vermoeden dat zij daarmee schade of een aanmerkelijke kans op schade aan de gezondheid van personen veroorzaakt.

Het aan verdachte ten laste gelegde feit is daarmee gebaseerd op artikel 96, tweede lid van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: Wet BIG).

Toepasselijkheid van artikel 96 Wet BIG

De rechtbank ziet zich eerst voor de vraag gesteld of de behandelingen zijn verricht in het kader van de individuele gezondheidszorg. De rechtbank stelt vast dat de personen zoals opgenomen in de tenlastelegging, te weten: NN-vrouw, [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4], bij verdachte zijn geweest om onder haar begeleiding iboga in te nemen en ook daadwerkelijk ibogaïne (zijnde de werkzame stof in iboga) tot zich hebben genomen. Deze behandeling strekte ertoe dat zij door toepassing van iboga/ibogaïne zouden worden genezen van hun verslaving. De rechtbank stelt vast dat verdachte hiermee handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg verrichtte, zoals bedoeld in artikel 96 Wet BIG.

Aanmerkelijke kans op schade

De rechtbank stelt vast dat de tenlastelegging is gebaseerd op artikel 96, tweede lid, Wet BIG. De vraag is dan ook niet of verdachte schade, of de aanmerkelijke kans daarop, heeft veroorzaakt. Gelet op de formulering van de tenlastelegging en artikel 96 Wet BIG moet de rechtbank de tenlastelegging zo lezen dat verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij schade, of de aanmerkelijke kans daarop, zou gaan veroorzaken.

Of er een aanmerkelijk kans op schade aan de gezondheid was, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten is.

Uit de verklaring van verdachte van 12 december 2011 volgt dat zij sinds 1999 mensen behandelt met iboga. Naar schatting heeft zij 1200 mensen met iboga behandeld. Bij de rechter-commissaris heeft verdachte op dit punt verklaard dat zij zo’n 50 tot 100 cliënten per jaar heeft. Naar eigen zeggen is verdachte op de hoogte van de werking van de stof op neurotoxisch en cardiotoxisch gebied. Voorts heeft zij verklaard dat zij van de patiënten wil weten of ze geen hartproblemen, maagzweren of andere zweren hebben. Het gebruik van ibogaïne of iboga heeft normaal gesproken geen risico’s, alleen als je een slechte lever of een slecht hart hebt. Het gebruik van iboga in combinatie met andere medicijnen kan de dood ten gevolge hebben, aldus verdachte.

Professor dr. E.Ch. Wolters (hierna: Wolters) heeft in zijn rapport de fasen beschreven die optreden na inname van ibogaïne. Deze fasen zien er als volgt uit:

- Visuele fase: In deze fase worden (vooral met dichte ogen) uiterst gedetailleerde, soms beangstigende, visioenen waargenomen. Daarnaast worden (vooral met open ogen) herhaaldelijk lichtflitsen waargenomen. Tijdens deze fase is er sprake van een significant afgenomen handelingsbekwaamheid bij een patiënt, vooral wanneer de reality testing in het geding is. Deze fase vangt aan enkele uren na inname van ibogaïne en houdt doorgaans 4-6 uur aan.

- Introspectieve fase: Deze fase gaat gepaard met eufore kalmte met een enorme intellectuele en emotionele helderheid. In deze fase treedt vaak misselijkheid en braken alsook slapeloosheid en het gevoel het voortdurend koud te hebben op.

- Rest fase: In deze fase is sprake van een geleidelijk aan verminderde opwindingstoestand met een sterk verminderde slaapbehoefte, gevolgd door uitputting.

Een behandeling met ibogaïne dient, aldus Wolters, afgeraden te worden in (onder meer) de volgende gevallen:

- In geval van pre-existente cardiale problematiek (gezien de hierbij toegenomen kans op het optreden van hartritmestoornissen en een acute hartdood)

- In het geval van pre-existente psychiatrische problematiek, met name psychotische toestandsbeelden (gezien de hierbij toegenomen kans op het optreden van gedragsstoornissen en acute stress bij hallucinaties).

Voorts heeft Wolters in zijn rapport beschreven dat (vooral hogere) doseringen ibogaïne bijwerkingen met zich brengen, waaronder een daling van de bloeddruk en de hartslag. Tijdens de terechtzitting heeft Wolters verklaard dat doseringen van 25 mg/kg lichaamsgewicht en hoger gepaard kunnen gaan met een hogere toxiciteit. Wolters schrijft in zijn rapport dat er gevallen bekend zijn waarbij mensen binnen enkele dagen na inname van ibogaïne zijn overleden. In zijn rapport verwijst hij naar een onderzoek van N. Sandberg, waarin deze Sandberg tot de conclusie komt dat het aantal behandeling c.q. toepassingen van ibogaïne met fatale afloop 1 op de 300 bedraagt. Ter terechtzitting heeft Wolters verklaard dat bij gevallen van een dodelijke afloop de dosering boven 20 mg/kg lag.

Wolters en E. Fromberg (hierna: Fromberg) hebben in hun rapporten beiden een aantal – min of meer gelijkluidende - voorwaarden geformuleerd voor een veilige behandeling met ibogaïne. Het gaat hier niet om wettelijke voorschriften nu immers geen sprake is van een erkende, reguliere behandeling. Wolters en ook Fromberg hebben daarnaast beiden verklaard dat er nagenoeg geen wetenschappelijk onderzoek is gedaan naar de werking van ibogaïne en dat hetgeen zij in hun rapportages stellen hoofdzakelijk gebaseerd is op literatuurstudie.

De rechtbank stelt voorop dat de verdachte haar behandelingen niet verrichtte onder alle door Wolters en Fromberg geformuleerde voorwaarden. Dit rechtvaardigt echter niet zonder meer de conclusie dat verdachte wist en/of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bij haar behandelingen schade of een aanmerkelijke kans op schade aan de gezondheid van personen zou veroorzaken. De rechtbank stelt in dit verband voorop dat de gebruikelijke gevolgen van de inname van ibogaïne zoals door Wolters in drie fases is beschreven niet – zonder meer – zijn aan te merken als ‘schade’ zoals dat is bedoeld in artikel 96 van de Wet BIG.

De rechtbank stelt vast dat de inname van ibogaïne ernstige gezondheidsproblemen kan veroorzaken. Hoewel de informatie die door de deskundigen daarover hebben gegeven, aanleiding moet zijn voor zorg, is de kans die de deskundige in dat verband hebben genoemd, niet aan te merken als ‘aanmerkelijk’ zoals dat is bedoeld in artikel 96 van de Wet BIG. In dit verband is ook van belang dat verdachte (uitgaande van het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel) in de periode maart 2006 - december 2011 in ieder geval 780 mensen heeft behandeld waarbij geen andere incidenten hebben plaatsgevonden dan de in de onderhavige strafzaak genoemde incidenten.

Ten aanzien van de concrete gevallen zoals opgenomen in de tenlastelegging kan evenmin vastgesteld worden dat, gelet op de inhoud van het dossier, verdachte wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij met haar handelwijze schade aan de gezondheid van genoemde personen zou veroorzaken. Het dossier biedt hiervoor geen aanknopingspunten.

De rechtbank moet verdachte dan ook vrijspreken van het aan haar onder 1 ten laste gelegde feit.

4.3.3

De vrijspraak van feit 2B primair en 2B subsidiair

Ook kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte [slachtoffer 3] heeft mishandeld dan wel opzettelijk de gezondheid van [slachtoffer 3] heeft benadeeld door hem met ibogaïne te behandelen. Zoals hiervoor in paragraaf 4.3.1 reeds is overwogen bestond er tussen verdachte en [slachtoffer 3] een behandelovereenkomst. [slachtoffer 3] heeft, in het kader van deze behandelovereenkomst, capsules met de werkzame stof ibogaïne ingenomen. Het doel hiervan was om [slachtoffer 3] van zijn codeïne en alcoholverslaving af te helpen. Hiervoor is reeds uitgebreid overwogen dat de kans dat schade aan de gezondheid zou ontstaan, niet kan worden beschouwd als ‘aanmerkelijk’. Voor een bewezenverklaring van de ten laste gelegde mishandeling, is vereist dat verdachte ten minste willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de gevolgen zouden optreden die in de tenlastelegging zijn beschreven. Zoals hiervoor is overwogen is die kans niet ‘aanmerkelijk’.

Evenmin kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte roekeloos en/of aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam heeft gehandeld als gevolg waarvan [slachtoffer 3] is overleden. Zoals hiervoor overwogen , kan niet zonder redelijke twijfel worden vastgesteld dat [slachtoffer 3] als gevolg van een hallucinatie veroorzaakt door de inname van ibogaïne de snelweg is overgestoken.

De rechtbank spreekt verdachte dan ook vrij van het aan haar onder feit 2B primair en 2B subsidiair ten laste gelegde.

4.3.4

De vrijspraak van feit 3A, 3B primair en 3B subsidiair

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde stelt de rechtbank het volgende vast:

Op 25 augustus 2011 is [slachtoffer 4] naar verdachte toegegaan om onder haar begeleiding ibogaïne in te nemen om van zijn verlegenheid af te komen. Voordat [slachtoffer 4] naar verdachte ging, had hij al eens geëxperimenteerd met iboga. Voordat [slachtoffer 4] naar verdachte toe ging, is hij bij een cardioloog geweest. [slachtoffer 4] deed dit omdat hij wist dat het gebruik van iboga gevaarlijk kon zijn voor zijn hart. Uitkomst van het onderzoek bij de cardioloog was dat het hart van [slachtoffer 4] gezond was. Alles aldus [slachtoffer 4] zelf.

De partner van [slachtoffer 4], genaamd [D], heeft op haar buurt verklaard dat [slachtoffer 4] van zijn angsten af wilde en socialer wilde worden en om die reden ibogaïne wilde gebruiken. Voorts heeft zij verklaard dat [slachtoffer 4] een bloedtest heeft laten doen bij een arts. Die was goed. [slachtoffer 4] was in goede conditie. Ook had hij een harttest laten doen in het ziekenhuis en een fietstest. Ook deze test was goed. De moeder van [slachtoffer 4] heeft eveneens verklaard dat [slachtoffer 4] zich heeft laten nakijken bij een cardioloog en geen enkele afwijking had.

Wolters heeft ter terechtzitting verklaard dat er in de literatuur gevallen bekend zijn van mensen met een hartafwijking die zijn overleden na inname van ibogaïne. Voorafgaand aan een behandeling met ibogaïne dient, aldus Wolters een medisch onderzoek plaats te vinden. Zo moet er een cardiogram gemaakt worden en is een cardioloog nodig om het ECG te beoordelen. Bij personen die bekend zijn met onder andere pre-existente en/of actuele cardiologische ziekteverschijnselen zou een behandeling met ibogaïne afgeraden moeten worden. Getuige-deskundige Fromberg heeft op dit punt verklaard dat bij hartproblemen iemand niet in aanmerking zou moeten kunnen komen voor een behandeling met ibogaïne en dat een cardiologisch assessment voorafgaand aan de behandeling dient plaats te vinden.

Op 25 augustus 2011 om 16:54 uur komt bij de ambulancemeldkamer een melding binnen met betrekking tot de onwelwording van [slachtoffer 4]. Omstreeks 17:01 uur komen politieagenten aan bij de woning van verdachte. Zij zien een man liggen die door twee vrouwen wordt gereanimeerd. Een van deze vrouwen is verdachte. De verbalisanten hebben de reanimatie overgenomen. Ongeveer 4 minuten later arriveerde de ambulance. Door [E], chauffeur van de ambulance, was de politie bezig met de reanimatie toen zij aankwamen. De AED was al twee keer gebruikt. [slachtoffer 4] werd nog twee keer geschokt en kreeg weer een hartritme. Volgens getuige [E] was het moment van de melding en de start van de hartmassage maar heel kort, ongeveer 5 minuten.

Door getuige [getuige 2] die aanwezig was in de woning van verdachte op het moment dat [slachtoffer 4] de hartstilstand kreeg, is verklaard dat verdachte en de moeder van [slachtoffer 4] echt met hem bezig waren en dat de dochter van verdachte 112 belde.

Blijkens de anamnese van het ziekenhuis waar [slachtoffer 4] nadien is opgenomen zou [slachtoffer 4] om 13:00 uur 2x 400 mg capsules hebben ingenomen en om 14:15 uur 4 x 400 mg capsules. Om ongeveer 16:50 uur krijgt [slachtoffer 4] een zogenoemd ‘ademarrest’, waarop hulp wordt ingeschakeld. De politie arriveert en sluit AED aan en dient twee maal een shock toe. De ambulance geeft daarna nog twee maal een defibrillatie, waarna weer een eigen ritme (de rechtbank begrijpt hartritme) optreedt.

Op basis van hetgeen hiervoor in paragraaf 4.3.1 is overwogen bestond er ook tussen verdachte en [slachtoffer 4] een (behandel)overeenkomst. [slachtoffer 4] heeft, nadat hij zich medisch heeft laten testen, capsules met de werkzame stof ibogaïne ingenomen. Het enkele innemen van capsules met ibogaïne maakt niet nog niet dat verdachte [slachtoffer 4] daarmee in een hulpeloze toestand heeft gebracht en/of gelaten.

Enige tijd nadat [slachtoffer 4] de capsules in had genomen werd hij onwel. Hij kreeg een hartstilstand. Hierop heeft verdachte direct gehandeld en is 112 gebeld. Uit voorgaande overwegingen volgt immers dat ongeveer vijf minuten nadat de melding bij de ambulancedienst binnenkomt de politie al ter plaatse is en [slachtoffer 4] twee maal een shock geeft met de AED. Op het moment dat de agenten in de woning kwamen namen zij tevens waar dat verdachte samen met een ander vrouw bezig was [slachtoffer 4] te reanimeren.

Ten laste is gelegd dat verdachte [slachtoffer 4] opzettelijk in een hulpeloze toestand heeft gebracht of gelaten. Onder ‘opzettelijk’ wordt ook verstaan dat willens en wetens de aanmerkelijke kans wordt aanvaard dat het gevolg optreedt. Zoals de rechtbank hiervoor echter heeft overwogen, kunnen zich weliswaar ernstige gezondheidsproblemen voordoen na de inname van ibogaïne, maar is de kans daarop niet aanmerkelijk. Dit betekent dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte - kort gezegd - [slachtoffer 4] opzettelijk in een hulpeloze toestand heeft gebracht en/of gelaten door hem te behandelen met ibogaïne (zie feit 3A).

Evenmin kan wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte [slachtoffer 4] heeft mishandeld dan wel opzettelijk de gezondheid van [slachtoffer 4] heeft benadeeld door hem met ibogaïne te behandelen. Immers, voorafgaand aan de behandeling heeft [slachtoffer 4] zijn hart laten onderzoeken bij een cardioloog. De uitkomst daarvan was dat [slachtoffer 4] in orde was. Door Wolters en Fromberg is als waarborg gesteld voor gebruik van ibogaïne dat een cardiologische assessment dient plaats te vinden en dat bij afwijkingen een behandeling dient te worden afgeraden. Nu er door de cardioloog geen afwijkingen waren geconstateerd, kan niet worden vastgesteld dat verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door haar handelen de gezondheid van [slachtoffer 4] zou worden benadeeld (zie feit 3B primair).

Evenmin kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte roekeloos en/of aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam heeft gehandeld als gevolg waarvan [slachtoffer 4] een hartstilstand heeft gehad. Uit het medisch onderzoek door de cardioloog volgde immers dat er geen afwijkingen bestonden. Er was dus geen medische reden om af te zien van de behandeling met ibogaïne (zie feit 3B subsidiair).

De rechtbank spreekt verdachte dan ook vrij van het aan haar onder feit 3A, 3B primair en 3B subsidiair ten laste gelegde.

4.3.4

De vrijspraak van feit 6

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder feit 6 aan verdachte ten laste is gelegd. Verdachte heeft verklaard dat zij niets van de infuuszakken afweet. Uit het dossier volgt dat de infuuszakken afkomstig zijn uit het Kantonspital Aarau te Zwitserland, alwaar een vriendin van [slachtoffer 3] werkzaam is geweest. Nu uit het beschikbare bewijs niet volgt dat verdachte wist dat deze infuuszakken in haar woning aanwezig waren, kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte het aan haar verweten strafbare feit heeft begaan.

De rechtbank spreek verdachte vrij van feit 6.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

2.A.

in de periode van 01 maart 2011 tot en met 19 maart 2011 te Breukelen, opzettelijk[slachtoffer 3], tot wiens verzorging zij, verdachte, krachtens overeenkomst verplicht was, in een hulpeloze toestand heeft gebracht en gelaten,

- door die [slachtoffer 3] te behandelen met iboga(ïne) – zijnde een middel dat na inname van vooral hogere doseringen iboga(ïne) een of meer klinische bijwerkingen kan veroorzaken waaronder (ernstige en/of levensbedreigende en/of risicovolle) bijwerkingen zoals cardiotoxiteit en/of neurotoxiteit –door deze een of meer capsule(s) iboga(ïne) te verstrekken en/of toe te dienen en/of laten innemen,

hebbende zij, verdachte,

- niet adequaat, begeleid na de inname van iboga(ïne) en

- nadat die [slachtoffer 3] een nadere dosis iboga(ïne) had ingenomen en hallucineerde en in een verwarde toestand verkeerde naar een hotel gebracht en die [slachtoffer 3] daar in een hallucinerende/verwarde toestand alleen achtergelaten zonder te voorzien in adequate (para-)medische zorg;

4.

op 20 maart 2011 te Kockengen, zonder vergunning van Onze minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ongeveer 8.647 capsules, althans capsules met een totaal gewicht van 3.192,53 gram, bevattende de stof ibogaïne, heeft bereid

en

op of omstreeks 20 maart 2011 te Kockengen, ongeveer 8.647 capsules, althans capsules met een totaal gewicht van 3.192,53, bevattende de stof ibogaïne, waarvoor geen

handelsvergunning geldt, in voorraad heeft gehad;

5.

omstreeks 21 november 2011 te Kockengen, vijftien flessen medicinale zuurstof, zijnde een

geneesmiddel waarvoor geen handelsvergunning geldt, in voorraad heeft gehad;

7.

op 20 maart 2011 te Kockengen, opzettelijk aanwezig heeft gehad 225,83 gram, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

8.

op 21 november 2011 te Kockengen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 0.33 gram MDMA en een hoeveelheid van een materiaal bevattende respectievelijk methadon en morfine, zijnde middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

Feit 2A: Opzettelijk iemand tot wiens onderhoud, verpleging of verzorging hij krachtens wet of overeenkomst verplicht is, in een hulpeloze toestand brengen of laten

Feit 4: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 18 van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan

En

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 40 van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan.

Feit 5: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 40 van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan.

Feit 7: Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Feit 8: Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

De rechtbank heeft kennis genomen van het Pro Justitia Rapport van 14 november 2012 van drs. P.E. Geurkink, forensisch psycholoog en drs. H.A. Gerritsen, forensisch psychiater. In dit rapport wordt – onder meer – geconstateerd dat verdachte niet lijdende is aan een ziekelijke stoornis of een gebrekkige ontwikkeling der geestvermogens. Dat was ook zo ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Geadviseerd wordt om verdachte als volledig toerekeningsvatbaar te zien voor het aan haar ten laste gelegde.

De rechtbank neemt voornoemde conclusies over en maakt die tot de hare. Overeenkomstig de inhoud van het rapport kan niet worden gezegd dat verdachte niet strafbaar is. Er zijn voorts ook geen andere omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1, 2A, 2B primair, 3A, 3B primair, 4, 5, 6, 7, en 8 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte de volgende bijzondere voorwaarde op te leggen:

- dat verdachte zich zowel middellijk als onmiddellijk dient te onthouden van (medische) handelingen met ibogaïne dan wel enig ander (genees)middel.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, met uitzondering van hetgeen onder feit 5 en feit 7 aan verdachte ten laste is gelegd, vrijspraak bepleit.

Bij een eventuele strafoplegging heeft de raadsman verzocht rekening te houden met het tijdsverloop en het feit dat verdachte in de media en op straat is uitgemaakt voor heks en kwakzalver. Door de voortdurende negatieve berichtgeving en de bemoeienis van justitie is verdachte volledig aan lager wal geraakt. Verdachte heeft haar woning moeten verlaten. Haar kinderen hebben zich tegen haar gekeerd. Het strafproces heeft verdachte onevenredig hard geraakt. Dit te meer nu verdachte altijd vanuit haar eigen innerlijke overtuiging heeft gemeend dat zij mensen hielp van hun verslaving af te komen.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft [slachtoffer 3] behandeld met ibogaïne. Terwijl [slachtoffer 3] aan haar zorg was toevertrouwd, heeft verdachte [slachtoffer 3] naar een hotel gebracht en hem daar achtergelaten. De rechtbank rekent het verdachte aan dat zij, op het moment dat de situatie met [slachtoffer 3] voor haar onhoudbaar leek te worden, geen professionele hulp heeft ingeroepen, maar [slachtoffer 3] feitelijk aan zijn lot heeft overgelaten door hem naar een hotel te brengen. Bij de strafoplegging kan de rechtbank geen rekening houden met de omstandigheid dat [slachtoffer 3] die avond is overleden. Dat dit overlijden is veroorzaakt door het handelen van verdachte, heeft de rechtbank immers niet kunnen vaststellen.

Ten behoeve van de behandelingen die verdachte aanbood met iboga, bereidde zij zelf capsules met deze stof en had een grote hoeveelheid daarvan in voorraad, hetgeen in strijd is met de wet. Ook had verdachte meer dan de toegestane hoeveelheid hennep in haar bezit. Met betrekking tot de aangetroffen MDMA, methadon en morfine merkt de rechtbank op dat het bezit daarvan strafbaar is, maar dat de rechtbank er wel rekening mee houdt dat deze middelen in de woning zijn achtergelaten door verslaafde mensen die zij behandelde.

Bij een eventuele strafoplegging heeft de raadsman verzocht rekening te houden met het tijdsverloop en het feit dat verdachte in de media en op straat is uitgemaakt voor heks en kwakzalver. Door de voortdurende negatieve berichtgeving en de bemoeienis van justitie is verdachte volledig aan lager wal geraakt. Verdachte heeft haar woning moeten verlaten. Haar kinderen hebben zich tegen haar gekeerd. Het strafproces heeft verdachte onevenredig hard geraakt. Dit te meer nu verdachte altijd vanuit haar eigen innerlijke overtuiging heeft gemeend dat zij mensen hielp van hun verslaving af te komen.

Door de raadsman van verdachte is aangevoerd dat rekening dient te worden gehouden met de media-aandacht die de zaak tegen verdachte heeft gehad en de schade die zij daarvan heeft ondervonden. Alhoewel uit het dossier niet volgt dat de zaak tegen verdachte de nodige media-aandacht heeft gehad, is de rechtbank er ambtshalve van op de hoogte dat verdachte onder meer in de media is afgeschilderd als ‘de heks van Kockengen’ en dat op internet naar haar verwezen wordt als ‘The Ibogaïne Witch’.

Naar het oordeel van de rechtbank is het in het algemeen aanvaardbaar dat strafzaken, gelet op hun aard en inhoud, een zekere vorm van media-aandacht met zich brengen. In onderhavige zaak is gebleken dat verdachte in de media op zodanige wijze is neergezet, dat zij daardoor in haar persoon lijkt geschaad.

Voorts heeft de rechtbank bij het bepalen van de strafmaat en gelet op het verweer van de raadsman gekeken of sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) inhoudt.

Vooropgesteld moet worden dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Als omstandigheden waarvan de redelijkheid van de duur van een zaak afhankelijk is hebben onder meer te gelden de ingewikkeldheid van een zaak, waartoe ook de omvang van het verrichte onderzoek en de gelijktijdige berechting van zaken tegen medeverdachten wordt gerekend, de invloed van verdachte en haar raadsman op het procesverloop alsmede de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.



De rechtbank ziet in de concrete omstandigheden van deze zaak aanleiding te bepalen dat de termijn een aanvang heeft genomen op het moment dat de eerste doorzoeking in de woning van verdachte plaatsvond, te weten 20 maart 2011. Vast kan worden gesteld dat op het moment dat in eerste aanleg vonnis wordt gewezen, de vervolging van verdachte ruim drieënhalf jaar in beslag heeft genomen. De rechtbank acht deze duur onredelijk. Zij neemt daarbij in de eerste plaats in aanmerking dat de eerste zitting pas heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2012. Hierna heeft nog een zitting plaatsgevonden op 20 november 2012, waarna diverse onderzoekshandelingen zijn uitgezet, waaronder het horen van getuigen in Zwitserland. Het organiseren van het horen van getuigen in het buitenland, kost over het algemeen veel tijd. In onderhavige zaak zijn de getuigen in Zwitserland allen in december 2013 gehoord. De inhoudelijke behandeling van de strafzaak is vervolgens pas aangevangen op 18 juni 2014 en voortgezet op 29 oktober 2014. Zodoende zijn er ruim drie jaren verstreken sinds de eerste doorzoeking in de woning van verdachte en de start van de inhoudelijke behandeling van de strafzaak. Dit kan niet aan de verdachte worden toegerekend. De rechtbank zal hiermee in strafmatigende zin rekening houden.

Ook heeft de rechtbank acht geslagen op het strafblad van verdachte d.d. 6 mei 2014 waaruit volgt dat verdachte niet recentelijk met justitie in aanraking is geweest.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden en de vrijspraak van de feiten 1, 2B primair, 2B subsidiair, 3A, 3B primair, 3B subsidiair en feit 6, aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat een veroordeling tot een gevangenisstraf van 141 dagen passend en geboden is. Deze tijd heeft verdachte inmiddels in voorlopige hechtenis doorgebracht. Gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een straf die geen vrijheidsbeneming met zich brengt.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

9.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij [A] wordt toegewezen tot een bedrag van € 8.724,13, zijnde de kosten voor de begrafenis van[slachtoffer 3] met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat deze vordering hoofdelijk wordt toegewezen, gelet op de gevorderde veroordeling van medeverdachte [medeverdachte]. Voor het overige dient de vordering van [A] niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij S. [slachtoffer 4], bestaande uit een totaalbedrag van € 528.031,96, in zijn geheel wordt toegewezen met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Ten aanzien van de vorderingen van benadeelde partijen [F] en [G] heeft de officier van justitie gevorderd deze vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de vorderingen van de benadeelde partijen af te wijzen gelet op de door hem bepleite vrijspraak.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De vordering van benadeelde partij [A]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van de ten laste gelegde feiten, te weten een totaalbedrag van CHF 19.931,70, ter zake ‘kosten therapie’ en ‘kosten begrafenis’. Ook heeft de benadeelde partij [A] opgevoerd een jaar arbeidsongeschikt te zijn geweest.

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde schadebedragen niet voor toewijzing vatbaar zijn. Verdachte wordt, zoals hiervoor verwoord, vrijgesproken van de feiten waarop de gevorderde schadebedragen zien. Om voor toewijzing in aanmerking te komen dient - kort gezegd - vastgesteld te worden dat de geleden schade rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit. Nu verdachte van dit aan hem ten laste gelegde feit wordt vrijgesproken, kan niet worden vastgesteld dat de gevorderde schadebedragen een rechtstreeks gevolg zijn van de door de rechtbank bewezen verklaarde feiten. De rechtbank zal de vordering van benadeelde partij [A] dan ook niet-ontvankelijk verklaren.

De vordering van benadeelde partij [F]

De heer [F] heeft zich overeenkomstig artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De vordering heeft betrekking op de ten laste gelegde feiten. In het Schadeopgaveformulier Misdrijven zijn echter geen schadeposten opgevoerd. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring van [F] volgt dat hij het aan het oordeel van de rechtbank laat om te bepalen of hem enige financiële vergoeding toekomt. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij [F] geen schade vordert, zodat de rechtbank afziet van een inhoudelijke beoordeling van de niet gespecificeerde vordering van deze benadeelde partij.

Ten overvloede merkt de rechtbank overigens op dat – in het geval er wel enige schade gevorderd zou zijn- deze schade niet voor toewijzing vatbaar zou zijn. Verdachte wordt, zoals hiervoor verwoord, vrijgesproken. Om voor toewijzing in aanmerking te komen dient -kort gezegd- vastgesteld te worden dat geleden schade rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit. Nu verdachte van de aan haar ten laste gelegde feiten wordt vrijgesproken, zou een dergelijke toets geleid hebben tot niet-ontvankelijk verklaring van benadeelde partij [F].

De vordering van benadeelde partij [G]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van de onder 2 ten laste gelegde feiten, te weten een totaalbedrag van € 2.500,00, ter zake immateriële schade.

De rechtbank is van oordeel dat het gevorderde schadebedrag niet voor toewijzing vatbaar is. Verdachte wordt, zoals hiervoor verwoord, vrijgesproken van de feiten waarop het gevorderde schadebedrag ziet. Om voor toewijzing in aanmerking te komen dient -kort gezegd- vastgesteld te worden dat de geleden schade rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit. Nu verdachte van dit aan haar ten laste gelegde feit wordt vrijgesproken, kan niet worden vastgesteld dat het gevorderde schadebedrag een rechtstreeks gevolg is van de door de rechtbank bewezen verklaarde feiten. De rechtbank zal de vordering van benadeelde partij [G] dan ook niet-ontvankelijk verklaren.

De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 4]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van de onder 3 ten laste gelegde feiten, te weten een totaalbedrag van € 528.031,96.

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde schadebedragen niet voor toewijzing vatbaar zijn. Verdachte wordt, zoals hiervoor verwoord, vrijgesproken van de feiten waarop de gevorderde schadebedragen zien. Om voor toewijzing in aanmerking te komen dient - kort gezegd - vastgesteld te worden dat de geleden schade rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit. Nu verdachte van dit aan haar ten laste gelegde feit wordt vrijgesproken, kan niet worden vastgesteld dat de gevorderde schadebedragen een rechtstreeks gevolg zijn van de door de rechtbank bewezen verklaarde feiten. De rechtbank zal de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 4] dan ook niet-ontvankelijk verklaren.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 57 en 255 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 1 en 6 van Wet op de economische delicten, alsmede artikel 10 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- Verklaart het Openbaar Ministerie ontvankelijk.

Vrijspraak

- Verklaart het onder 1, 2B primair, 2B subsidiair, 3A, 3B primair en 3B subsidiair en 6 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bewezenverklaring

- Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

- Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid

- Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 2A: Opzettelijk iemand tot wiens onderhoud, verpleging of verzorging hij krachtens wet of overeenkomst verplicht is, in een hulpeloze toestand brengen of laten

Feit 4: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 18 van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan

En

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 40 van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan.

Feit 5: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 40 van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan.

Feit 7: Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Feit 8: Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

- Verklaart het bewezene strafbaar.

- Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

- Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 141 (honderdeenenveertig) dagen.

- Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Benadeelde partijen

- Verklaart [A] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat deze vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

- Verklaart [G] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat deze vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

- Verklaart [slachtoffer 4] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat deze vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Voorlopige hechtenis

- Heft het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.E.M. Kranenbroek, voorzitter, mrs. R.P. den Otter en G.A. Bos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.P. Stapel, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 november 2014.

BIJLAGE : De tenlastelegging

1.

zij in of omstreeks de periode van 01 augustus 2006 tot en met 02 juli 2012

te Kockengen, althans in Nederland, terwijl zij, verdachte, niet ingeschreven

stond in een register (overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 eerste lid van

de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (het zogenaamde

BIG-register), meermalen, althans eenmaal, buiten noodzaak een (of meer)

behandelingen(en) heeft verricht en/of uitgevoerd op het gebied van de

individuele gezondheidszorg, te weten

(anti-verslavings)behandelingen bij een of meer perso(o)n(en) (te weten [slachtoffer 1]

[slachtoffer 1] en/of NN vrouw Amerikaans staatsburger en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3]

[slachtoffer 4] en/of[slachtoffer 3]) door behandeling met en/of toediening van iboga(ïne)

zijnde een middel (dat)

- door de Europese en Amerikaanse medische autoriteit(en) niet erkend is als

geneesmiddel tegen verslaving) en/of het bezit/gebruik van iboga(ïne)

vanwege (de kans op) (levensbedreigende) bijwerkingen en/of

(levensbedreigende) risico's voor de gezondheid in diverse landen verboden is

en/of

- na toediening en/of inname van (vooral hoge(re)) doseringen iboga(ïne) een

of meer klinische bijwerking(en) kan veroorzaken, waaronder ernstige en/of

levensbedreigende en/of risicovolle) bijwerkingen zoals cardiotoxiteit en/of

neurotoxiteit) en/of

- alleen onder (para)-medische zorg veilig gebruikt kan/mag worden,

terwijl zij verdachte als hulpverlener en/of zorgverlener niet, althans

onvoldoende, medisch geschoold was en (dus)

bij het verrichten van bovengenoemde (be)handeling(en), zichzelf

(redelijkerwijs) niet (voldoende) bekwaam en/of bevoegd kon of mocht achten

en/of verdachte (derhalve) wist en/of ernstige reden had om te vermoeden dat

zij schade of een aanmerkelijke kans op schade aan de gezondheid van die

perso(o)n(en), althans van een ander of anderen heeft veroorzaakt,

bestaande (die aanmerkelijke kans op) schade mede uit, dat zij, verdachte,

- de woning/behandelkamer van waaruit zij, verdachte, behandelingen met

ibogaïne verrichte, niet, althans onvoldoende, medisch geëquipeerd was en/of

- voornoemde perso(o)n(en) die zij, verdachte, behandelde met iboga(ïne)

voorafgaande aan de behandeling medisch niet, althans onvoldoende, onderzocht

(ten einde pre-existente en/of actuele medische of psychische aandoeningen die

als contra-indicatie voor het gebruik van iboga(ïne) hebben te gelden, uit te

sluiten) en/of

- voornoemde perso(o)n(en) die zij, verdachte, niet althans onvoldoende, te

begeleiden vóór en/of tijdens en/of na inname van iboga(ïne) (ten einde te

monitoren of zich levensbedreigende, althans voor de gezondheid bedreigende

bijwerkingen en/of risico's zouden voordoen) en/of

- voornoemde perso(o)n(en) te behandelen met iboga(ïne) zonder de (constante)

(para-)medische zorg en/of

- voornoemde perso(o)n(en) geen (adequate) nazorg heeft geboden,

ten gevolge waarvan

- voornoemde NN-vrouw hartritmestoornissen heeft ondervonden,

- voornoemde [slachtoffer 2] in hallucinerende toestand is komen te verkeren waarna hij

van grote hoogte is gesprongen met botbreuken ten gevolge,

- voornoemde [slachtoffer 3] in hallucinerende/psychotische toestand is komen te

verkeren en vervolgens de A2 is opgelopen en is doodgereden,

- voornoemde [slachtoffer 4] een harstilstand heeft ondervonden;

art 96 lid 1 wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg

art 96 lid 2 wet op de beroepen op de individuele gezondheidszorg

art 96 lid 1 Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg

ten gevolge waarvan

- voornoemde NN-vrouw hartritmestoornissen heeft ondervonden,

- voornoemde [slachtoffer 2] in hallucinerende toestand is komen te verkeren waarna hij

van grote hoogte is gesprongen met botbreuken ten gevolge,

- voornoemde [slachtoffer 3] in hallucinerende/psychotische toestand is komen te

verkeren en vervolgens de A2 is opgelopen en is doodgereden,

- voornoemde [slachtoffer 4] een harstilstand heeft ondervonden;

art 96 lid 1 wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg

art 96 lid 2 wet op de beroepen op de individuele gezondheidszorg

art 96 lid 1 Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg

2.

A. zij in of omstreeks de periode van 01 maart 2011 tot en met 19 maart 2011

te Kockengen en/of Breukelen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk[slachtoffer 3], althans een

persoon, tot wiens verpleging en/of verzorging zij, verdachte, en/of haar

mededader(s) krachtens overeenkomst verplicht was, in een hulpeloze toestand

heeft gebracht en/of gelaten,

- door die [slachtoffer 3] te behandelen met iboga(ïne) door deze een of meer

capsule(s) iboga(ïne) te verstrekken en/of toe te dienen en/of te laten

innemen,

hebbende zij, verdachte, en/of haar mededader(s) die [slachtoffer 3]

- voorafgaand aan de behandeling met iboga(ïne) niet lichamelijk onderzocht

en/of heeft laten onderzoeken door een regulier zorgverlener

en/of bij die [slachtoffer 3] niet (voldoende) geïnformeerd naar diens medische en/of

psychische problematiek (ten einde pre-existente en/of actuele medische en/of

fysieke en/of psychische aandoeningen die als contra-indicatie voor het

gebruik van iboga(ïne) hebben te gelden, uit te sluiten en/of

- behandeld met iboga(ïne) zonder (constante) (para-)medische zorg en/of

- niet, althans niet adequaat, begeleid vóór en/of tijdens en/of na de inname

van iboga(ïne) en/of

- nadat die [slachtoffer 3] een (nadere) dosis iboga(ïne) had ingenomen en

hallucineerde en/of in een verwarde toestand verkeerde naar een hotel gebracht

en/of die [slachtoffer 3] daar in een hallucinerende/verwarde toestand alleen

gelaten/achtergelaten zonder te voorzien in adequate (para-)medische zorg,

waarna die [slachtoffer 3] in een hallucinerende en/of verwarde toestand de A2 is

opgelopen en/of overgestoken en/of (vervolgens) daarbij door een (vracht)auto

is aangereden/overgereden,

welk(e) feit(en) en/of gedraging(en) van haar, verdachte en/of haar

mededader(s) de dood van die [slachtoffer 3], althans zwaar lichamelijk letsel (te

weten ernstige bijwerkingen als gevolge van de inname van iboga(ïne) ten

gevolge heeft gehad;

art 255 Wetboek van Strafrecht

art 257 lid 2 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf en onder 1 Wetboek van Strafrecht

en/of

2B primair

zij in of omstreeks de periode van 01 maart 2011 tot en met 19 maart 2011 te

Kockengen en/of Breukelen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen,

opzettelijk een persoon te weten[slachtoffer 3], heeft mishandeld, althans de

gezondheid van die [slachtoffer 3] heeft benadeeld, immers

heeft zij verdachte en/of haar mededader(s) die [slachtoffer 3] (telkens) opzettelijk

een of meer capsule(s) iboga(ïne) verstrekt en/of toegediend en/of laten

innemen zijnde een stof die schadelijk is voor het leven of de gezondheid,

terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s)

- die [slachtoffer 3] (voorafgaand aan de behandeling met iboga(ïne)) niet lichamelijk

heeft onderzocht en/of laten onderzoeken door een regulier zorgverlener en/of

bij die [slachtoffer 3] niet (voldoende) heeft geïnformeerd naar diens medische en/of

psychische problematiek (ten einde pre-existente en/of actuele medische en/of

fysieke en/of psychische aandoeningen die als contra-indicatie voor het

gebruik van iboga(ïne) hebben te gelden, uit te sluiten en/of

- behandeld met iboga(ïne) zonder de (constante) (para-)medische zorg en/of

- niet, althans niet adequaat, begeleid vóór en/of tijdens en/of na de inname

van iboga(ïne)

hebbende zij, verdachte, en/of haar mededader(s) in plaats daarvan

- nadat die [slachtoffer 3] een (nadere) dosis iboga(ïne) had ingenomen en

hallucineerde en/of in een verwarde toestand verkeerde naar een hotel gebracht

en/of die [slachtoffer 3] daar alleen gelaten/achter gelaten zonder te voorzien in

adequate (para-)medische zorg, waarna die [slachtoffer 3] in een hallucinerende en/of

verwarde toestand de A2 is opgelopen en/of overgestoken en/of (vervolgens)

daarbij door een (vracht)auto is aangereden/overgereden, ten gevolge waarvan

die [slachtoffer 3] is komen te overlijden, althans die [slachtoffer 3] als gevolg van de inname

van iboga(ïne) zwaar lichamelijk letsel, althans enig lichamelijk letsel heeft

bekomen en/of pijn heeft ondervonden en/of verdachte opzettelijk de gezondheid

van die [slachtoffer 3] heeft benadeeld door die [slachtoffer 3] (ondanks een bestaande

contra-indicatie) te behandelen met iboga(ïne), ten gevolge waarvan die [slachtoffer 3]

ernstige bijwerkingen heeft bekomen;

subsidiair

zij in of omstreeks de periode van 1 maart 2011 tot en met 19 maart 2011 te

Kockengen en/of te Breukelen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, grovelijk, althans aanmerkelijk

onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig, een persoon[slachtoffer 3] met

iboga(ïne) heeft behandeld en/of ibogaïne heeft toegediend waarbij zij,

verdachte en/of haar mededader(s)

- die [slachtoffer 3] die Duitstalig was welke taal verdachte niet en/of onvoldoende

machtig was/sprak heeft behandeld en/of een of meer capsule(s) bevattende

iboga(ïne) heeft toegediend en/of

- die [slachtoffer 3] (voorafgaand aan de behandeling met iboga(ïne)) niet lichamelijk

heeft onderzocht en/of heeft laten onderzoeken door een regulier zorgverlener

en/of bij die [slachtoffer 3] niet (voldoende) heeft geïnformeerd naar diens medische

en /of psychische problematiek (teneinde pre-existente en/of actuele medische

en/of fysieke en/of psychische aandoeningen die als contra-indicatie voor het

gebruik van iboga(ïne)/een behandeling met iboga(ïne) hebben, uit te sluiten

en/of de risico('s) welke risico('s) inherent aan deze behandeling/die

toediening zijn, niet of onvoldoende met die [slachtoffer 3] heeft besproken en/of

- behandeld met iboga(ïne) zonder de (constante) (para-)medische zorg

gedurende en/of na die behandeling/die inname en/of

- niet, althans niet adequaat, begeleid vóór en/of tijdens en/of na de inname

van iboga(ïne) welke (para-)medische adequaatheid bestond uit het vermijden

van externe prikkels tijdens en/of (kort) na die behandeling/die toediening

hebbende zij, verdachte, en/of haar mededader(s) in plaats daarvan

-nadat die [slachtoffer 3] een testdosis en/of een (nadere/vervolg) dosis iboga(ïne)

had ingenomen en daardoor hallucineerde en/of in verwarde toestand veroorzaakt

door die iboga(ïne) verkeerde televisie heeft laten kijken en/of in een auto

naar een hotel gereden en/of die [slachtoffer 3] daar in die hallucinerende/verwarde

toestand alleen gelaten/achtergelaten zonder te voorzien in een

adequate/permanente (para-)medische zorg, waarna die Tresh in die

hallucinerende en/of die verwarde toestand de A2 is opgelopen en/of

overgestoken en/of (vervolgens) daarbij door een (vracht)auto is

aangereden/overgereden, tengevolge van welke aanrijding en/of overrijding die

[slachtoffer 3] is overleden;

art 300 lid 3 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 4 Wetboek van Strafrecht

art 304 ahf en onder 3 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 307 Wetboek van Strafrecht

artikel 47 lid 1 ahf en onder 1 Wetboek van Strafrecht

art 257 lid 2 Wetboek van Strafrecht

art 255 Wetboek van Strafrecht

3.

A. zij op of omstreeks 25 augustus 2011 te Kockengen, althans in Nederland,

opzettelijk [slachtoffer 4], althans een persoon, tot wiens verpleging en/of

verzorging, zij, verdachte, krachtens overeenkomst verplicht was, in een

hulpeloze toestand heeft gebracht en/of gelaten,

- die [slachtoffer 4] te behandelen met iboga(ïne) door deze een of meer capsule(s)

ibogaïne te verstrekken en/of toe te dienen en/of te laten innemen

hebbende zij, verdachte,

- die [slachtoffer 4] (voorafgaand aan de behandeling met iboga(ïne)) niet lichamelijk

onderzocht en/of laten onderzoeken door een regulier zorgverlener en/of bij

die [slachtoffer 4] niet (voldoende) geïnformeerd naar diens medische en/of psychische

problematiek (ten einde pre-existente en/of actuele medische en/of fysieke

en/of psychische aandoeningen die als contra-indicatie voor het gebruik van

iboga(ïne) hebben te gelden, uit te sluiten en/of

- behandeld met iboga(ïne) zonder de (constante) (para-)medische zorg en/of

- niet, althans niet adequaat, begeleid vóór en/of tijdens en/of na de inname

van iboga(ïne) en/of

- nadat die [slachtoffer 4] een dosis iboga(ïne) had ingenomen en/of (vervolgens) een

hartstilstand had gekregen niet op (para-)medisch juiste wijze gereanimeerd,

welk(e) feit(en) en/of gedraging(en) van haar, verdachte, bij die [slachtoffer 4] zwaar

lichamelijk letsel heeft veroorzaakt te weten een harstilstand en/of

een zogeheten postanoxische encephalopathie zijnde een toestand van

verminderd functioneren van de hersenen door zuurstoftekort of lokale of

tijdelijke bloedeloosheid ten gevolge van afsluiting van een of meer

bloedva(a)t(en) van de hersenen of een toestand van verminderd functioneren

van de hersenen als gevolg van globale anoxie (zuurstof gebrek, zonder

zuurstof) of ischemie (onvoldoende doorbloeding/minder toevoer van bloed);

en/of

3B primair

zij op of omstreeks 25 augustus 2011 te Kockengen, althans in Nederland,

opzettelijk een persoon te weten [slachtoffer 4], heeft mishandeld althans

opzettelijk de gezondheid van die [slachtoffer 4] heeft benadeeld, immers

heeft zij, verdachte die [slachtoffer 4] (telkens) opzettelijk een of meer capsule(s)

iboga(ïne) verstrekt en/of toegediend en/of laten innemen zijnde een stof die

schadelijk is voor het leven of de gezondheid,

terwijl zij, verdachte,

- die [slachtoffer 4] (voorafgaand aan de behandeling met iboga(ïne)) niet lichamelijk

heeft onderzocht en/of laten onderzoeken door een regulier zorgverlener en/of

bij die [slachtoffer 3] niet (voldoende) heeft geïnformeerd naar diens medische en/of

psychische problematiek (ten einde pre-existente en/of actuele medische en/of

fysieke en/of psychische aandoeningen die als contra-indicatie voor het

gebruik van iboga(ïne) hebben te gelden, uit te sluiten en/of

- die [slachtoffer 4] heeft behandeld met iboga(ïne) zonder de (constante)

(para-)medische zorg te bieden en/of

- niet, althans niet adequaat, begeleid vóór en/of tijdens en/of na de inname

van iboga(ïne) en/of

- nadat die [slachtoffer 4] een dosis iboga(ïne) had ingenomen en/of (vervolgens) een

hartstilstand had gekregen niet op (para-)medisch juiste wijze gereanimeerd,

tengevolge waarvan die [slachtoffer 4] zwaar lichamelijk letsel,

een hartstilstand en/of een zogeheten postanoxische encephalopathie zijnde een

toestand van verminderd functioneren van de hersenen door zuurstoftekort of

lokale of tijdelijke bloedeloosheid ten gevolge van afsluiting van een of meer

bloedva(a)t(en) van de hersenen of een toestand van verminderd functioneren

van de hersenen als gevolg van globale anoxie (zuurstof gebrek, zonder

zuurstof) of ischemie (onvoldoende doorbloeding/minder toevoer van bloed),

althans enig lichamelijk letsel heeft bekomen en/of

pijn heeft ondervonden, althans welk feit voor die [slachtoffer 4] zwaar lichamelijk

letsel ten gevolge heeft gehad;

subsidiair

zij op of omstreeks 25 augustus 2011 te Kockengen, althans in Nederland,

grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig,

een persoon [slachtoffer 4] met capsules iboga(ïne) heeft behandeld en/of

capsules bevattende iboga(ïne) heeft verstrekt/toegediend en/of laten innemen

waarbij zij, verdachte,

- die [slachtoffer 4] (voorafgaand aan de behandeling met iboga(ïne)) niet lichamelijk

heeft onderzocht en/of heeft laten onderzoeken door een regulier zorgverlener

en/of bij die [slachtoffer 4] niet (voldoende) heeft geïnformeerd naar diens medische

en/of psychische problematiek (teneinde pre-existente en/of actuele medische

en/of fysieke en/of psychische aandoeningen die als contra-indicatie voor het

gebruik van iboga(ïne) hebben te gelden), uit te sluiten en/of de risico('s)

welk(e) risico('s) inherent aan deze behandeling/die toediening/die inname

zijn, niet of onvoldoende met die [slachtoffer 4] heeft besproken en/of

- die [slachtoffer 4] heeft behandeld met iboga(ïne) zonder de (constante)

(para-)medische zorg gedurende en/of na die behandeling te verlenen en/of

- niet, althans niet adequaat, heeft begeleid vóór en/of tijdens en/of na die

behandeling/die inname van iboga(ïne) en/of

- nadat die [slachtoffer 4] een dosis iboga(ïne) had ingenomen en/of vervolgens een

harstilstand had gekregen niet tijdig en/of niet op (para-)medische wijze

juist heeft gereanimeerd, welke(e) feit(en) en/of gedraging(en) aan haar,

verdachte, schuld te wijten is geweest dat bij die [slachtoffer 4] een hartstilstand

een zogeheten postanoxische encephalopathie zijnde een toestand van verminderd

functioneren van de hersenen door zuurstoftekort of lokale of tijdelijke

bloedeloosheid ten gevolge van afsluiting van een of meer bloedva(a)t(en) van

de hersenen of een toestand van verminderd functioneren van de hersenen als

gevolg van globale anoxie (zuurstof gebrek, zonder zuurstof) of ischemie

(onvoldoende doorbloeding/minder toevoer van bloed);

art 300 lid 2 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 4 Wetboek van Strafrecht

art 304 ahf onder 3 Wetboek van Strafrecht

art 308 Wetboek van Strafrecht

art 257 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 255 Wetboek van Strafrecht

4.

zij op of omstreeks 20 maart 2011 te Kockengen, althans in Nederland, zonder

vergunning van Onze minister van volksgezondheid, welzijn en sport

ongeveer/minimaal 8.647 capsules, althans capsules met een totaal gewicht van

3.192,53 gram, bevattende de stof ibogaïne, althans geneesmiddelen, heeft

bereid en/of ingevoerd en/of afgeleverd en/of uitgevoerd en/of een groothandel

heeft gedreven,

de in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Geneesmiddelenwet betekenis gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 18 lid 1 Geneesmiddelenwet;

en/of

zij op of omstreeks 20 maart 2011 te Kockengen, althans in Nederland,

ongeveer/minimaal 8.647 capsules, althans capsules met een totaal gewicht van

3.192,53, bevattende de stof ibogaïne, althans geneesmiddelen, waarvoor geen

handelsvergunning geldt, in voorraad heeft gehad en/of heeft verkocht en/of

afgeleverd en/of ter hand gesteld en/of ingevoerd,

de in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Geneesmiddelenwet betekenis gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 40 lid 2 Geneesmiddelenwet

art 18 lid 1 Geneesmiddelenwet

5.

zij op of omstreeks 21 november 2011 te Kockengen, althans in Nederland,

vijftien, althans een of meer, fles(sen) medicinale zuurstof, zijnde (een)

geneesmiddel(en) waarvoor geen handelsvergunning geldt, in voorraad heeft

gehad en/of heeft verkocht en/of heeft afgeleverd en/of ter hand heeft gesteld

en/of heeft ingevoerd;

art 40 lid 2 Geneesmiddelenwet

6.

zij op of omstreeks 20 maart 2011 te Kockengen, althans in Nederland,

vier, althans een of meer,infusszakken) met oplossing (Linger Lactate), zijnde

(een) geneesmiddel(en) waarvoor geen handelsvergunning geldt, in voorraad heeft

gehad en/of heeft verkocht en/of heeft afgeleverd en/of ter hand heeft gesteld

en/of heeft ingevoerd;

art 40 lid 2 Geneesmiddelenwet

7.

zij op of omstreeks 20 maart 2011 te Kockengen, althans in Nederland,

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 225,83 gram, in elk geval een

hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld

in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het

vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 11 lid 2 Opiumwet

8.

zij op of omstreeks 21 november 2011 te Kockengen,althans in Nederland,

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 0.33 gram MDMA en/of 35,53 gram

methadon en/of 17,50 gram methadon/morfine, in elk geval een hoeveelheid van

een materiaal bevattende (respectievelijk) MDMA en/of methadon en/of

methadon/morfine, zijnde (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

van die wet;

art 2 ahf/ond C Opiumwet

art 10 lid 3 Opiumwet

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Het proces-verbaal van verhoor van [A], opgenomen in ordner 1 van 6 van het onderzoeksdossier, p. 283 en 284.

3 De verklaring van verdachte d.d. 19 maart 2011, opgenomen in ordner 1 van 6 van het onderzoeksdossier, p. 14.

4 De verklaring van verdachte d.d. 19 maart 2011, opgenomen in ordner 1 van 6 van het onderzoeksdossier, p. 15.

5 Het proces-verbaal van tapgesprek, opgenomen in ordner 1 van 6 van het onderzoeksdossier, p. 252 tot en met 254.

6 De verklaring van getuige [B], afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 1 oktober 2013.

7 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 1], opgenomen in ordner 1 van 6 van het onderzoeksdossier, p. 235,

8 Het deskundigenrapport van prof. dr E.Ch. Wolters d.d. 3 januari 2012, opgenomen in ordner 1 van 6 van het forensisch dossier, p. 47.

9 De verklaring van verdachte afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 15 december 2011.

10 De verklaring van verdachte d.d. 12 december 2011, opgenomen in ordner 5 van 6 van het onderzoeksdossier, p. 33.

11 De verklaring van verdachte d.d. 12 december 2011, opgenomen in ordner 5 van 6 van het onderzoeksdossier, p. 34.

12 De verklaring van verdachte d.d. 12 december 2011, opgenomen in ordner 5 van 6 van het onderzoeksdossier, p. 36.

13 Het deskundigentapport d.d. 3 mei 2012, opgemaakt door drs. W. Best, apotheker-toxicoloog, opgenomen in order 1 van 6 van het forensisch dossier, p. 98.

14 Het deskundigentapport d.d. 3 mei 2012, opgemaakt door drs. W. Best, apotheker-toxicoloog, opgenomen in order 1 van 6 van het forensisch dossier, p. 99.

15 Het deskundigentapport d.d. 3 mei 2012, opgemaakt door drs. W. Best, apotheker-toxicoloog, opgenomen in order 1 van 6 van het forensisch dossier, p. 100.

16 Het proces-verbaal van sporenonderzoek d.d. 15 april 2011, opgenomen in ordner 5 van 6 van het forensisch dossier, p. 21.

17 Het proces-verbaal van sporenonderzoek d.d. 15 april 2011, opgenomen in ordner 5 van 6 van het forensisch dossier, p. 28.

18 Het proces-verbaal van sporenonderzoek d.d. 15 april 2011, opgenomen in ordner 5 van 6 van het forensisch dossier, p. 86.

19 Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 1 augustus 2011, opgemaakt door dr. M.A. Hoitink, opgenomen in ordner 5 van 6 van het forensisch dossier, p. 106.

20 Het proces-verbaal van sporenonderzoek d.d. 15 augustus 2011, opgenomen in ordner 5 van 6 van het forensisch dossier, p. 77.

21 Het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1], p. 805 en 806.

22 Het deskundigenrapport van drs. W. Best d.d. 11 juli 2012, opgenomen in ordner 1 van 6 van het forensisch dossier, p. 103 en 104.

23 De verklaring van verdachte d.d. 14 december 2011, opgenomen in ordner 5 van 6, p. 74.

24 Het proces-verbaal van sporenonderzoek d.d. 15 april 2011, opgenomen in ordner 5 van 6 van het forensisch dossier, p. 21 tot en met 25.

25 Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 30 augustus 2011, opgemaakt door dr. M.A. Hoitink, opgenomen in ordner 5 van 6 van het forensisch dossier, p. 117 en 118.

26 Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 24 juli 2012, opgemaakt door dr. M.A. Hoitink, opgenomen in ordner 5 van 6 van het forensisch dossier, p. 131.

27 Het proces-verbaal van relaas van [verbalisant 2], opgenomen in ordner 5 van 6 van het forensisch dossier, p. 10.

28 De verklaring van verdachte afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 15 december 2011.

29 Het proces-verbaal sporenonderzoek van [verbalisant 2], opgenomen in ordner 6 van 6 van het forensisch dossier, p. 132.

30 Het proces-verbaal rapport Opiumwet opgemaakt door[verbalisant 3], opgenomen in ordner 6 van 6 van het forensisch dossier, p. 214.

31 Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 23 januari 2012, opgemaakt door dr. M.A. Hoitink, opgenomen in ordner 6 van 6 van het forensisch dossier, p. 247.

32 Het proces-verbaal rapport Opiumwet opgemaakt door[verbalisant 3], opgenomen in ordner 6 van 6 van het forensisch dossier, p. 215.

33 Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 23 januari 2012, opgemaakt door dr. M.A. Hoitink, opgenomen in ordner 6 van 6 van het forensisch dossier, p. 247.

34 Het proces-verbaal rapport Opiumwet opgemaakt door[verbalisant 3], opgenomen in ordner 6 van 6 van het forensisch dossier, p. 222.

35 Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 23 januari 2012, opgemaakt door dr. M.A. Hoitink, opgenomen in ordner 6 van 6 van het forensisch dossier, p. 245.

36 Het proces-verbaal rapport Opiumwet opgemaakt door[verbalisant 3], opgenomen in ordner 6 van 6 van het forensisch dossier, p. 226 en 227.

37 Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 23 januari 2012, opgemaakt door dr. M.A. Hoitink, opgenomen in ordner 6 van 6 van het forensisch dossier, p. 253.