Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:570

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-02-2014
Datum publicatie
17-02-2014
Zaaknummer
16/659256-13 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rijontzegging van 6 maanden + betaling van 750 euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingslocatie Lelystad

Parketnummer: 16/659256-13 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 4 februari 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres]

HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het onderzoek heeft laatstelijk plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 21 januari 2014 te Lelystad, waarbij de verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.G. Hees, advocaat te Huizen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. H.F.R. Storij, en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte en verdachte naar voren is gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 05 juni 2012 te Loosdrecht, gemeente Wijdemeren, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] (hoofdagent politie Gooi en Vechtstreek) van het leven te beroven, met dat opzet met de door hem, verdachte, bestuurde vrachtauto (Mercedes-Benz Actros) (met aanzienlijke snelheid) op die [slachtoffer] is ingereden, terwijl die [slachtoffer] hem op een motorfiets tegemoet reed, waardoor die [slachtoffer] opzij moest sturen om niet te worden aangereden en/of (vervolgens) met die vrachtauto meermalen naar links heeft gestuurd terwijl die [slachtoffer] zich op een motorfiets links naast die vrachtauto bevond en/of verdachte een stopteken gaf, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 05 juni 2012 te Loosdrecht, gemeente Wijdemeren, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] (hoofdagent van politie Gooi en Vechtstreek) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met de door hem, verdachte, bestuurde vrachtauto (Mercedes-Benz Actros) (met aanzienlijke snelheid) op die [slachtoffer] is ingereden, terwijl die [slachtoffer] hem op een motorfiets tegemoet reed, waardoor die [slachtoffer] opzij moest sturen om niet te worden aangereden en/of (vervolgens) met die vrachtauto meermalen naar links

heeft gestuurd terwijl die [slachtoffer] zich op een motorfiets links naast die vrachtauto bevond en/of verdachte een stopteken gaf, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 05 juni 2012 te Loosdrecht, gemeente Wijdemeren, althans in het arrondissement Midden-Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtauto),

daarmee rijdende op de weg, de Diependaalselaan, en gekomen bij de rotonde van die weg met de Loosdrechtseweg, linksaf de rotonde op is gereden en/of vervolgens tegen de rijrichting van die rotonde in is gaan en/of blijven rijden en/of vervolgens is afgeslagen naar de Loosdrechtseweg en/of vervolgens

rijdende op die weg, met het door hem bestuurde voertuig op de linker weghelft bestemd voor het tegemoetkomend verkeer is gaan en/of blijven rijden, terwijl er voertuigen uit tegenovergestelde richting kwamen die moesten uitwijken naar de berm om het door verdachte bestuurde voertuig te kunnen passeren en/of vervolgens

gekomen bij de kruising van de Loosdrechtseweg met de Oscar Romeolaan, (wederom) op de linkerweghelf bestemd voor het tegemoetkomend verkeer is gaan rijden en/of een aldaar in de rijbaan gelegen vluchtheuvel aan de (gezien verdachtes rijrichting) linkerzijde heeft gepasseerd en/of een voor hem rood licht uitstralend verkeerslicht heeft genegeerd en/of vervolgens

wederom op de linker rijstrook bestemd voor het temoetkomend verkeer is gaan en/of blijven rijden en/of gekomen bij de rotonde van de Loosdrechtseweg met de Molenmeent, wederom linksaf de rotonde op is gereden en/of tegen de rijrichting van die rotonde in is gaan en/of blijven rijden en/of vervolgens

rijdende op de Molenmeent en/of gekomen bij de rotonde van die weg met de Nieuw-Loosdrechtsedijk, wederom met zijn voertuig op de linker rijstrook bestemd voor het temoetkomend verkeer is gaan rijden en/of daarbij een doorgetrokken streep naar links heeft overschreden en/of een aldaar in de rijbaan gelegen vluchtheuvel aan de (gezien verdachtes rijrichting) linkerzijde heeft gepasseerd en/of vervolgens

wederom de rotonde linksaf is opgereden en/of aldaar (met aanzienlijke snelheid) op de temoetkomende bestuurder van een motorfiets ([slachtoffer], hoofdagent van politie Gooi en Vechtstreek) is ingereden, waardoor die [slachtoffer] moest uitwijken om een aanrijding te voorkomen en/of vervolgens

rijdende op de Nieuw-Loosdrechtsedijk, zijn vrachtauto meermalen (met aanzienlijke snelheid) naar links heeft gestuurd en/of daarbij met zijn vrachtauto op de rijbaan bestemd voor het tegemoetkomend verkeer is gaan rijden, op het moment dat die bestuurder van die motorfiets (bovengenoemde [slachtoffer]) zich links naast hem bevond en/of hem (verdachte) een stopteken gaf,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg(en) werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg(en) werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het primair ten laste gelegde, de poging doodslag. De officier van justitie acht het subsidiair ten laste gelegde feit, poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel, wettig en overtuigend bewezen gelet op de verklaringen van [slachtoffer] en [getuige 1] dat verdachte op de rotonde met zijn vrachtauto op

[slachtoffer] is ingereden en gelet op de verklaringen van [slachtoffer] en [getuige 2], dat verdachte op de Nieuw Loosdrechtsedijk probeerde [slachtoffer] van de weg te drukken.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit.

Zij heeft vooropgesteld dat aan de verklaring van aangever [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]), hoofdagent van politie, geen bijzondere bewijskracht mag worden toegekend, nu [slachtoffer] in deze zaak tevens slachtoffer is.

Ten aanzien van het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich voorts op het standpunt gesteld dat de verklaring van [slachtoffer], dat verdachte op de rotonde op hem zou zijn ingereden, niet (volledig) wordt ondersteund door de verklaring van [getuige 1] (hierna: [getuige 1]) en de verklaringen van de getuigen [getuige 2] (hierna: [getuige 2]), [getuige 3] (hierna: [getuige 3]) en [getuige 4] (hierna: [getuige 4]), zodat wettig en overtuigend bewijs voor dit deel van de tenlastelegging ontbreekt. Voor het naar links sturen op de Nieuw Loosdrechtsedijk geldt dat dit deel van de tenlastelegging evenmin kan worden bewezen, nu de verklaringen van [slachtoffer], [getuige 2] en verdachte niet met elkaar overeenkomen en er geen steunbewijs is voor de verklaring van [getuige 2].

Tevens kan uit de gedragingen van verdachte geen opzet worden afgeleid, ook niet in voorwaardelijke zin. Verdachte heeft langzaam gereden en geclaxonneerd ter voorkoming van een ongeval.

Ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich, onder verwijzing naar hetgeen zij heeft aangevoerd bij het primair en subsidiair ten laste gelegde, op het standpunt gesteld dat alleen het rijden over een doorgetrokken streep en het linksom nemen van een rotonde weliswaar kan worden bewezen, maar dat verdachte daarmee geen gevaar of hinder heeft veroorzaakt, zodat hij tevens moet worden vrijgesproken van het meer subsidiair ten laste gelegde.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van de stukken van het onderliggende strafdossier en van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gebracht.

Aan verdachte is primair poging doodslag en subsidiair poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel ten laste gelegd. Deze tenlasteleggingen zien op twee momenten. Het eerste moment heeft betrekking op het gestelde inrijden op [slachtoffer] op de rotonde Molenmeent-Oud Loosdrechtsedijk-Nieuw Loosdrechtsedijk en het tweede moment heeft betrekking op het gestelde meerdere malen naar links sturen op de Nieuw Loosdrechtsedijk, terwijl [slachtoffer] zich op een motorfiets links naast de vrachtauto van verdachte bevond en hij verdachte een stopteken gaf.

De bewijsmiddelen

In het dossier bevindt zich een aangifte en een proces-verbaal bevindingen van [slachtoffer]. Hij verklaarde dat hij op 5 juni 2012 werkzaam was als hoofdagent van politie en dat hij omstreeks 10:00 uur die dag het terrein van het politiebureau Loosdrecht, dat is gevestigd bij de rotonde van de Molenmeent-Oud Loosdrechtsedijk-Nieuw Loosdrechtsedijk, af reed met een opvallende dienstmotor. Op het moment dat hij de rotonde op reed hoorde hij luid getoeter vanuit de richting van de Molenmeent komen. Hij zag dat een vrachtauto zich uit een rij auto’s naar de linker weghelft bewoog en dat de vrachtauto de auto’s over een doorgetrokken streep inhaalde. De vrachtauto reed op de verkeerde weghelft tegen het verkeer in en bleef luid toeteren. Zelf reed hij net met de motor het politieterrein af, het wegdek van de rotonde op, halverwege de afslag naar rechts naar de Nieuw Loosdrechtsedijk. Hij zag dat de vrachtauto met een snelheid van ongeveer 50 kilometer per uur richting de rotonde reed en dat de vrachtauto net voor de rotonde een vluchtheuvel links passeerde. De afstand tussen hem en de vrachtauto was klein. Kort voor de vrachtauto de rotonde op reed, deed hij zijn zwaailampen en sirene aan. Hij kon zich herinneren dat hij daarbij de chauffeur van de vrachtauto, verdachte, recht aan keek. Ook gaf hij heel kort met zijn rechterhand een stopteken. Hij voelde dat hij door de vrachtauto zou worden aangereden als hij op de plek zou blijven waar hij op dat moment reed. De voorkant van de vrachtauto kwam recht op hem af. Teneinde een aanrijding te voorkomen stuurde hij zijn motor sterk naar links naar de binnenkant van de rotonde en hij zag dat de vrachtauto op minder dan een halve meter langs hem reed. De vrachtauto reed vervolgens naar de Nieuw Loosdrechtsedijk. Aangever keerde zijn motor en reed achter de vrachtauto aan. Na de rotonde kwam hij links van de vrachtauto naast de bestuurderscabine rijden, maakte hij oogcontact met verdachte en gaf hij een stopteken. Verdachte keek hem aan maar hij stopte niet, waarop hij, [slachtoffer], nogmaals een stopteken gaf. Hij bleef naast de vrachtauto rijden en zag dat verdachte de vrachtauto naar links stuurde waardoor hij de idee kreeg dat verdachte hem van de weg wilde drukken. Door naar links te sturen en krachtig te remmen, wist hij weg te komen van de vrachtauto. Indien hij dit niet had gedaan, was hij door de vrachtauto aangereden. Hij bleef de vrachtauto volgen en hij zag dat verdachte de vrachtauto naar links stuurde waarbij hij geen rekening hield met het tegemoetkomend verkeer. Verdachte stopte daarna op een inrit.1

Bij de rechter-commissaris verklaarde [slachtoffer] dat de toeterende vrachtauto die op de rotonde af kwam, zijn aandacht trok. Op dat moment reed hij de rotonde op en voegde de vrachtauto uit naar de linker rijbaan van de Molenmeent. De vrachtauto haalde een aantal auto’s links in. Toen hij een paar meters het wegdek van de rotonde was opgereden, stopte hij even en gaf hij de vrachtauto snel een stopteken. De vrachtauto kwam op hem af en hij schakelde zijn zwaailicht en sirene aan. Verdachte keek in zijn richting maar reageerde niet op het stopteken. De vrachtauto naderde hem zo dicht dat hij naar binnen moest sturen. Vervolgens keerde hij zijn motor en reed hij achter de vrachtauto aan.

Op de Nieuw Loosdrechtsedijk ging hij naast de vrachtauto rijden ter hoogte van de cabine, maakte hij oogcontact met verdachte en gaf hij hem een stopteken. Verdachte gebaarde, zei iets en stuurde naar links waardoor hij moest remmen om niet tegen de vrachtauto aan te komen. Hij is daarna achter de vrachtauto gaan rijden. Vervolgens stuurde de vrachtauto nogmaals naar links, reed over een fietspad en stopte ter hoogte van de inrit van een landgoed. Toen de vrachtauto naar links stuurde, reed hij over de middenstreep en kwam hij op de linker weghelft waardoor het tegemoetkomende verkeer moest remmen.2

Verdachte heeft hetgeen [slachtoffer] heeft opgetekend gedeeltelijk ontkend. Hij zag bij de rotonde waaraan het politiebureau Loosdrecht is gelegen vier of vijf wachtende auto’s staan. Omdat zijn vader hem telefonisch had verzocht om snel naar landgoed [naam] te gaan, wilde hij niet stoppen bij de rotonde. Hij keek goed om zich heen en zag een motoragent op de rotonde rijden en een blauwe jeep die uit de Nieuw Loosdrechtsedijk kwam rijden. Hierop activeerde hij zijn luchthoorn en passeerde hij links de wachtende auto’s. Daarbij overschreed hij een doorgetrokken streep. Vervolgens reed hij over de linker weghelft aan de verkeerde kant om de rotonde heen. Vanaf de rotonde reed hij linksaf de Nieuw Loosdrechtsedijk op en moest hij behoorlijk optrekken omdat de blauwe jeep daar stond. Op dat moment reed hij hooguit 25 kilometer per uur. De motoragent heeft hij op de rotonde niet in gevaar gebracht maar de jeep heeft hij wel gehinderd.

Na de rotonde reed hij verder in de richting van landgoed [naam] en zag hij in zijn spiegels dat de motoragent achter hem aan kwam rijden en dat de agent zijn zwaailicht en sirene aan had. Aan de armbewegingen van de agent zag hij dat hij moest stoppen. Hij stopte niet omdat hij dichtbij de oprit van [naam] was. Om op de oprit van het landgoed te komen, moest hij kort op het midden van de weg rijden en heeft hij naar links gestuurd.3

Ter terechtzitting heeft verdachte daaraan toegevoegd dat hij bij rotonde van de Molenmeent-Oud Loosdrechtsedijk-Nieuw Loosdrechtsedijk de motoragent op het terrein van het politiebureau zag staan voor de opgang naar de rotonde. Hij is niet op de agent af gereden. Na deze rotonde maakt de weg een buiging naar links. Dit is op het punt dat een van de weg gescheiden fietspad weer samenkomt met de weg. Verdachte heeft met de weg mee naar links gestuurd om eventuele fietsers op dit naastgelegen fietspad niet te hinderen. Daarbij zag hij niet dat hij de motoragent van de weg drukte.4

Hoewel op grond van artikel 344, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) het proces-verbaal van een opsporingsambtenaar voldoende bewijs kan vormen voor ten laste gelegde feiten, zal de rechtbank deze bijzondere bewijskracht niet toekennen aan het proces-verbaal van [slachtoffer]. Hij heeft het door hem gerelateerde immers niet waargenomen als objectieve verbalisant, maar mede als slachtoffer, zodat het niet uit te sluiten valt dat hij niet onbevangen en onbevooroordeeld verslag heeft kunnen doen van de door hem waargenomen feiten en omstandigheden. Dit betekent dat, nu verdachte de aan hem primair en subsidiair ten laste gelegde feiten heeft ontkend, het proces-verbaal van bevindingen (en de aangifte) ondersteund moet(en) worden door andere bewijsmiddelen.

In het dossier bevindt zich tevens een verklaring van [getuige 1]. Hij bevond zich op 5 juni 2012 omstreeks 10.00 uur in de wachtkamer van het politiebureau in Loosdrecht, gelegen aan de voorzijde van het bureau met zicht op de rotonde aan de Molenmeent-Oud Loosdrechtsedijk-Nieuw Loosdrechtsedijk. Hij hoorde een claxon van een vrachtauto en keek daarop naar buiten. Hij zag een vrachtwagen vanaf de Molenmeent komen die de rotonde aan de verkeerde zijde voorbij ging. De vrachtauto reed met hoge snelheid, ongeveer 60 tot 70 kilometer per uur, over een wit gearceerd vlak heen. Vervolgens zag hij dat zijn collega [slachtoffer] het politiebureau had verlaten. Hij zag namelijk dat zijn collega [slachtoffer] de optische lichtsignalen van zijn motor aanzette. De vrachtwagen vervolgde echter zijn weg zonder vaart te minderen. Zijn collega moest daarop een beweging met zijn motor maken om niet aangereden te worden. De vrachtauto reed richting de Nieuw Loosdrechtsedijk en zijn collega [slachtoffer] zette de achtervolging in, waarbij hij gebruik maakte van de optische- en geluidssignalen.5

Bij de rechter-commissaris verklaarde [getuige 1] dat hij zich op 5 juni 2012 in het politiebureau van Loosdrecht bevond en dat hij ineens luid getoeter hoorde. Hij zag dat een grote bordeauxkleurige vrachtauto uit de richting van Hilversum kwam, die de rotonde aan de verkeerde kant nam. Zijn collega [slachtoffer] die zijn motorkleding al aan had, zette zijn helm op, vloog naar buiten en stapte op zijn motor. Deze motor stond geparkeerd naast het politiebureau en [slachtoffer] reed meteen de rotonde op. Op dat moment kwam de vrachtauto eraan en wilde [slachtoffer] met zijn hand een stopteken geven. De vrachtauto bleef doorrijden en kwam op [slachtoffer] af. De motor raakte uit balans en zijn collega kon nog net opzij naar links sturen waarna de vrachtauto hem passeerde. [slachtoffer] draaide zijn motor vervolgens en ging achter de vrachtauto aan.6

[getuige 2] werd eveneens bij de politie verhoord. Bij het politiebureau Loosdrecht zag hij een politieagent met een motor staan. De vrachtauto reed op dat moment links de Nieuw Loosdrechtsedijk op. De politieagent stond met zijn motor nog bij het politiebureau en deed zijn blauwe lampen aan. De politieagent reed de rotonde op en vervolgens de Nieuw Loosdrechtsedijk, achter de vrachtauto aan. Hij reed achter de politiemotor aan, zag dat de politiemotor zijn blauwe lampen bleef aanhouden en dat de politieagent met zijn armen gebaren maakte om de chauffeur tot stoppen te dwingen. Steeds wanneer de politiemotor naast de vrachtauto kwam rijden, stuurde de chauffeur van de vrachtauto naar links. De politiemotor moest remmen om niet van de weg te worden gedrukt. Tevens reed er tegengesteld verkeer op de Nieuw Loosdrechtseweg. De vrachtauto bleef slingeren en reed tot ongeveer 2 meter over de middenaslijn. Ten tijde van het slingeren liet de motoragent zich in een veilige positie terug zakken. Ten slotte zag hij dat de motoragent uit het niets ineens naar links stuurde. De motoragent moest vol in de remmen om niet onder de vrachtauto te komen, reed rechts om de vrachtauto heen en zette zijn motor stil. De vrachtauto was ondertussen bezig om het toegangspad naar landgoed [naam] te versperren.7

Bij de rechter-commissaris zijn tevens [getuige 4] en Van [getuige 3] gehoord.

[getuige 4] verklaarde bij de rechter-commissaris dat hij op 5 juni 2012 op de Loosdrechtseweg reed en dat er een vrachtauto voor hem reed die hard op een voorganger af reed. De voorganger stopte bij de rotonde en de vrachtauto ging er links omheen. Op dat moment kwam er een politieagent op een motor achter het politiebureau vandaan die de rotonde wilde oprijden. De motoragent schrok, kneep in zijn remmen en kwam tot stilstand op het terrein van het politiebureau. Daarna reed hij met loeiende sirenes achter de vrachtauto aan.8

Bij de rechter-commissaris verklaarde Van [getuige 3] dat hij in een groen/blauwkleurige Nissan Petrol reed over de Oud Loosdrechtsedijk richting Nieuw Loosdrecht. Bij de rotonde keek hij naar links en zag hij een vrachtauto die links af over de rotonde ging. Tegelijkertijd zag hij een motoragent bij het politiebureau. Nadat de vrachtauto de rotonde had verlaten, ging de motoragent achter de vrachtauto aan.9

De waardering van het bewijs

De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 4] en [getuige 3], nu deze getuigen hebben verklaard dat, hoewel zij voorafgaand aan het verhoor bij de rechter-commissaris hebben gesproken met verdachte, zij uit eigen waarneming hebben verklaard en deze verklaringen worden ondersteund door de verklaring van [getuige 2], een onafhankelijke getuige die direct na het gebeuren op 5 juni 2012 is gehoord.

Met betrekking tot het eerste moment dat in de tenlastelegging onder primair en subsidiair is opgenomen overweegt de rechtbank dat uit het voorgaande volgt dat [slachtoffer] en [getuige 1] hebben waargenomen dat verdachte met zijn vrachtauto op [slachtoffer] op de rotonde is ingereden en die [slachtoffer] opzij moest sturen teneinde niet te worden aangereden. Hoewel daarmee het wettig bewijs voor dit deel van de tenlastelegging van het primair en subsidiair ten laste gelegde in het strafdossier aanwezig is, acht de rechtbank dit onvoldoende overtuigend om te komen tot het oordeel dat verdachte dit onderdeel van de tenlastelegging heeft begaan. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [getuige 1] tegenover de rechter-commissaris heeft verklaard dat [slachtoffer] zich nog in het politiebureau bevond op het moment dat de vrachtauto toeterend op de rotonde kwam af rijden. Deze verklaring valt in tijd niet goed te rijmen met de verklaring van [slachtoffer] dat hij zich op het moment dat de vrachtauto de rotonde passeerde op deze rotonde bevond op een zodanige positie dat hij door de vrachtauto was aangereden indien hij niet opzij was gegaan. De verklaring van [getuige 1] biedt derhalve op dit punt onvoldoende ondersteuning aan de verklaring van [slachtoffer]. De rechtbank neemt daarbij mede in acht dat het niet wel indenkbaar is dat [slachtoffer], in de wetenschap dat een vrachtauto met grote vaart de rotonde nadert en deze aan de verkeerde zijde wil passeren, onder die omstandigheden een confrontatie met die vrachtauto zou willen aangaan. De rechtbank stelt voorts vast dat zich in het dossier drie verklaringen van getuigen bevinden die tegenspreken dat [slachtoffer] zich op de rotonde bevond op het moment dat de vrachtauto hem passeerde. Het gaat hier om de verklaringen van [getuige 2], [getuige 4] en [getuige 3], die de rechtbank voldoende betrouwbaar acht.

De rechtbank is met het vorenstaande van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer] in onvoldoende mate de voor de vereiste overtuiging benodigde ondersteuning vindt in de overige bewijsmiddelen om wat betreft het eerste moment tot een bewezenverklaring van het primair en subsidiair ten laste gelegde te komen.

Voorts is onder primair en subsidiair ten laste gelegd dat verdachte met zijn vrachtauto meerdere malen naar links heeft gestuurd terwijl [slachtoffer] zich op een motorfiets links naast de vrachtauto bevond en verdachte een stopteken gaf: het tweede moment.

Naast [slachtoffer] hebben [getuige 2] en verdachte hieromtrent een verklaring afgelegd. De verklaring van [getuige 2], dat verdachte iedere keer naar links stuurde als [slachtoffer] naast hem kwam rijden, acht de rechtbank echter niet bruikbaar voor het bewijs, nu deze verklaring niet aansluit bij de bevindingen van [slachtoffer], die alleen heeft opgetekend dat verdachte één keer naar links stuurde nadat hij een stopteken had gegeven, en evenmin bij de verklaring van verdachte zelf op dat punt. De verklaring van verdachte is in dat licht bezien wel bruikbaar. Tezamen met de verklaring van [slachtoffer] kan derhalve worden bewezen dat verdachte naar links heeft gestuurd terwijl [slachtoffer] op zijn motorfiets naast de vrachtwagen van verdachte reed en hem een stopteken gaf.

De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of het handelen van verdachte (voorwaardelijk) opzet op de dood of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel oplevert.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op de Nieuw Loosdrechtsedijk naar links heeft gestuurd vanwege de loop van de weg en het feit dat hij geen fietsers wilde hinderen op het naastgelegen fietspad. De rechtbank stelt vast dat deze verklaring van verdachte ondersteund wordt door een foto in het dossier waaruit blijkt dat de betreffende weg bestemd voor het autoverkeer enigszins naar links afbuigt. In het dossier bevinden zich verder onvoldoende gegevens of aanknopingspunten waaruit kan worden afgeleid dat verdachte naar links heeft gestuurd om [slachtoffer] van de weg af te drukken. Uit het dossier blijkt niet hoe hard verdachte heeft gereden, hoe ver verdachte naar links heeft gestuurd en in verband daarmee hoeveel ruimte [slachtoffer] had om zo nodig uit te wijken. Het enkele feit dat verdachte richting [slachtoffer] heeft gestuurd en [slachtoffer] naast de vrachtauto reed, is onvoldoende voor het aannemen van (voorwaardelijk) opzet op de dood of zwaar lichamelijk letsel, zodat ook wat betreft dit tweede moment betreft niet tot een bewezenverklaring van het primair en subsidiair ten laste gelegde kan worden gekomen.

Verdachte zal derhalve worden vrijgesproken van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het meer subsidiair ten laste gelegde, te weten overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Uit hetgeen hiervoor ten aanzien van het primair en subsidiair ten laste gelegde is overwogen volgt dat verdachte partieel zal worden vrijgesproken van het -kort gezegd- het inrijden op [slachtoffer] op de rotonde, maar dat kan worden bewezen dat verdachte op de Nieuw Loosdrechtsedijk naar links heeft gestuurd, terwijl [slachtoffer] op zijn motorfiets naast de vrachtwagen reed en hij een stopteken gaf.

Ten aanzien van de overige, onder het meer subsidiair ten laste gelegde, gedragingen heeft [getuige 2] een verklaring afgelegd. Hij wilde de rotonde van de Diependaalselaan met de Loosdrechtseweg op rijden waar hij zag dat een vrachtauto tegen de richting in reed. Op de Loosdrechtseweg stuurde de vrachtauto terug naar de juiste weghelft, de rechterrijbaan, omdat er andere auto’s op die weghelft reden. De vrachtauto kwam daar echter niet tussen en het verkeer dat vanuit Loosdrecht kwam werd in de berm gedrukt. In de verte zag hij dat op de kruising Loosdrechtseweg met de Oscar Romeolaan het verkeerslicht rood licht uitstraalde. Voor het rode licht stonden een zwarte personenauto en een Connexxion personenbusje te wachten, maar de vrachtauto ging terug naar de rijbaan voor het tegemoetkomend verkeer en reed aan de verkeerde zijde van de vluchtheuvel door rood. Daarna wilde de chauffeur naar rechts sturen om terug te keren naar de rechter weghelft, maar hij kwam er niet tussen omdat er ander verkeer reed. De vrachtauto bleef doorrijden op de rijbaan voor het tegemoetkomende verkeer en nam de rotonde met de Loosdrechtseweg naar de Molenmeent eveneens links. Tot aan het bord begin bebouwde kom van Loosdrecht bleef de vrachtauto op de tegengestelde weghelft rijden. Hij zag dat er auto’s voor de rotonde stonden te wachten en dat de vrachtauto weer naar de weghelft voor het tegengestelde verkeer stuurde.10

Verdachte heeft de verklaring van [getuige 2] in grote lijnen bevestigd. Hij verklaarde ter terechtzitting dat hij voor de rotonde Molenmeent-Oud Loosdrechtsedijk-Nieuw Loosdrechtsedijk een keer door rood was gereden, dat hij bij het passeren van een vluchtheuvel op de weghelft van het tegemoetkomend verkeer was terecht gekomen en dat hij de rotonde van de Molenmeent-Oud Loosdrechtsedijk-Nieuw Loosdrechtsedijk aan de verkeerde kant had gepasseerd.11

Nu de verklaring van [getuige 2] (grotendeels) bevestiging vindt in hetgeen verdachte heeft verklaard en ook in hetgeen [slachtoffer] heeft verklaard, is het bewijs voor het onder meer subsidiair ten laste gelegd niet (grotendeels) gestoeld op alleen de verklaring van [getuige 2]. Reeds om die reden zal het verweer van de verdediging dat de verklaring van [getuige 2], nu deze ondanks een (herhaald) verzoek daartoe niet nader gehoord is kunnen worden, niet voor het bewijs gebezigd kan worden, worden verworpen. De rechtbank ziet om dezelfde reden geen aanleiding om (opnieuw) opdracht te geven om [getuige 2] te horen, zodat ook dat herhaalde verzoek wordt verworpen.

Op grond van de verklaring van [getuige 2] en de verklaring van verdachte ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte door zijn rijgedrag - het meerdere malen linksaf de rotonde oprijden, op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer rijden waardoor andere voertuigen moesten uitwijken, het links passeren van een vluchtheuvel, het overschrijden van een doorgetrokken streep en het negeren van een rood licht – (in elk geval potentieel) gevaar en hinder op de weg heeft veroorzaakt in de zin van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Dat verdachte voorafgaande aan de gedragingen heeft geclaxonneerd, doet daaraan niets af. Immers, een aaneenschakeling van dergelijke, ernstige, verkeersovertredingen is vanwege de aard daarvan op zichzelf al gevaarzettend en hindergevend, temeer omdat andere weggebruikers dergelijk van de (verkeers)norm afwijkend rijgedrag niet konden en ook niet hoefden te verwachten.

Het meer subsidiair ten laste gelegde kan derhalve wettig en overtuigend worden bewezen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 05 juni 2012 te Loosdrecht, gemeente Wijdemeren, als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtauto),

daarmee rijdende op de weg, de Diependaalselaan, en gekomen bij de rotonde van die weg met de Loosdrechtseweg, linksaf de rotonde op is gereden en vervolgens tegen de rijrichting van die rotonde in is gaan en blijven rijden en vervolgens is afgeslagen naar de Loosdrechtseweg en vervolgens

rijdende op die weg, met het door hem bestuurde voertuig op de linker weghelft bestemd voor het tegemoetkomend verkeer is gaan en blijven rijden, terwijl er voertuigen uit tegenovergestelde richting kwamen die moesten uitwijken naar de berm om het door verdachte bestuurde voertuig te kunnen passeren en vervolgens

gekomen bij de kruising van de Loosdrechtseweg met de Oscar Romeolaan, (wederom) op de linkerweghelf bestemd voor het tegemoetkomend verkeer is gaan rijden en een aldaar in de rijbaan gelegen vluchtheuvel aan de (gezien verdachtes rijrichting) linkerzijde heeft gepasseerd en een voor hem rood licht uitstralend verkeerslicht heeft genegeerd en vervolgens

wederom op de linker rijstrook bestemd voor het tegemoetkomend verkeer is gaan en blijven rijden en gekomen bij de rotonde van de Loosdrechtseweg met de Molenmeent, wederom linksaf de rotonde op is gereden en tegen de rijrichting van die rotonde in is gaan en blijven rijden en vervolgens

rijdende op de Molenmeent en/of gekomen bij de rotonde van die weg met de Nieuw-Loosdrechtsedijk, wederom met zijn voertuig op de linker rijstrook bestemd voor het tegemoetkomend verkeer is gaan rijden en daarbij een doorgetrokken streep naar links heeft overschreden en een aldaar in de rijbaan gelegen vluchtheuvel aan de (gezien verdachtes rijrichting) linkerzijde heeft gepasseerd en vervolgens

wederom de rotonde linksaf is opgereden en vervolgens

rijdende op de Nieuw-Loosdrechtsedijk, zijn vrachtauto naar links heeft gestuurd en daarbij met zijn vrachtauto op de rijbaan bestemd voor het tegemoetkomend verkeer is gaan rijden, op het moment dat de bestuurder van een motorfiets ([slachtoffer]) zich links naast hem bevond en hem (verdachte) een stopteken gaf,

door welke gedragingen van verdachte gevaar op die wegen werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en het verkeer op die wegen werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging wegens overmacht in de zin van noodtoestand. Daartoe heeft zij aangevoerd dat verdachte op het dringende verzoek van zijn vader acuut naar het landgoed van zijn vader was gereden om daar de oprit van het landgoed met zijn vrachtauto te blokkeren. De vader had beslag doen leggen op roerende zaken, welke zaken op dat moment aan het beslag werden onttrokken. De politie was hierover geïnformeerd maar de politie is niet tot actie overgegaan. Verdachte had geen keus dan zo snel mogelijk naar het landgoed te gaan.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bestreden dat er sprake was van een noodtoestand.

Het oordeel van de rechtbank

Bij noodtoestand gaat het om een botsing van rechtsbelangen, waarbij sprake moet zijn van een gedraging die voortvloeit uit een actuele nood (een belangenconflict) die geëigend is om daaraan een eind te maken.

De rechtbank is van oordeel dat het belang dat verdachte wilde dienen, het verhinderen van het onrechtmatig onttrekken van goederen aan een beslag, ondergeschikt is aan het belang van de verkeersveiligheid. Verdachte had anders kunnen en behoren te handelen, zodat het verweer strekkende tot overmacht in de zin van noodtoestand door de rechtbank wordt verworpen.

7 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

8 STRAFBAARHEID VAN DE DADER

De verdachte is strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

9 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een werkstraf van 200 uren subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis en daarnaast een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, het feit dat hij twee dagen vastgezeten heeft en zijn rijbewijs gedurende twee maanden ingevorderd is geweest.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft meerdere ernstige verkeersovertredingen begaan waaronder het meerdere malen linksaf de rotonde oprijden, op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer rijden waardoor andere voertuigen moesten uitwijken, het links passeren van een vluchtheuvel, het overschrijden van een doorgetrokken streep en het negeren van een rood licht. Door deze gedragingen van verdachte heeft hij zijn medeweggebruikers in (potentieel) gevaar gebracht en gehinderd in hun vrije doorgang. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 8 januari 2014 niet eerder is veroordeeld terzake een soortgelijk feit.

Tevens houdt de rechtbank rekening met het tijdsverloop van de zaak, nu het hier een feit van ruim anderhalf jaar oud betreft.

Ten slotte heeft de rechtbank gelet op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS (Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht) inzake feiten, soortgelijk aan het bewezenverklaarde feit.

Alles overwegende acht de rechtbank een geldboete van € 750,00 op zijn plaats. Daarnaast zal de rechtbank een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren opleggen waarbij de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 voor het tijdstip waarop de ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen ingaat ingevorderd en ingehouden is geweest, op de duur van deze ontzegging geheel in mindering zal worden gebracht. De rechtbank is tot oplegging van een lichtere straf gekomen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank het meer subsidiair ten laste gelegde bewezen acht en de officier van justitie zijn eis op het subsidiair ten laste gelegde heeft gebaseerd.

10 DE BENADEELDE PARTIJ

Voor aanvang van de terechtzitting heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 500,00 bestaande uit immateriële schadevergoeding.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij gevorderd met toepassing van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen gelet op de door haar bepleite vrijspraak.

Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [slachtoffer] dient in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu de verdachte (partieel) is vrijgesproken van de gedragingen die betrekking hebben op [slachtoffer].

11 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 23, 24, 24c en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart niet bewezen dat verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het meer subsidiair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat hetgeen meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde feit strafbaar en kwalificeert dat zodanig als hierboven onder 7 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 750,00 (zevenhonderd en vijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door de duur van 15 dagen hechtenis.

- ontzegt verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de tijd van

6 maanden;

- de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 voor het tijdstip waarop de ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen ingaat ingevorderd en ingehouden is geweest, zal op de duur van die ontzegging geheel in mindering worden gebracht;

- van de ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen zal een gedeelte, groot 4 maanden, niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

- heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis;

Benadeelde partij

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] in zijn vordering niet-ontvankelijk is en dat hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.G. Wijma, voorzitter, mr. D.A.C. Koster, en

mr. B. Fijnheer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.J. de Vries, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 februari 2014.

1 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nummer PL14ZG 2012025661-1, opgemaakt door R.J.C. ten Teije, brigadier van Politie Gooi en Vechtstreek, en gesloten op 14 maart 2012, houdende proces-verbaal van aangifte, blad 1 tot en met 3

2 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer], op 20 december 2012 opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam en de griffier.

3 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nummer PL1470 2012025661-7, opgemaakt door H.P.Th. Jansen, inspecteur van Politie Gooi en Vechtstreek, en gesloten op 5 juni 2012, houdende proces-verbaal van verhoor verdachte, blad 1 tot en met 3.

4 Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 21 januari 2014

5 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nummer PL14ZG 2012025661-14, opgemaakt door [getuige 1], brigadier van Politie Gooi en Vechtstreek, en gesloten op 6 juni 2012, houdende proces-verbaal van bevindingen, blad 1

6 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1], op 15 februari 2013 opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam en de griffier.

7 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nummer PL1470 2012025661-17, opgemaakt door T.G. Sinkeldam, brigadier van Politie Gooi en Vechtstreek, en gesloten op 6 juni 2012, houdende proces-verbaal van verhoor getuige, blad 1 en 2.

8 Het proces-verbaal van verhoor van getuige E.L. [getuige 4], op 20 december 2012 opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam en de griffier.

9 Het proces-verbaal van verhoor van getuige J. van [getuige 3], op 20 december 2012 opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam en de griffier.

10 Zie voetnoot 7

11 Proces-verbaal ter terechtzitting 21 januari 2014