Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:568

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
07-02-2014
Datum publicatie
19-02-2014
Zaaknummer
C-16-342965 - JE RK 13-1146
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in perspectiefbiedend pleeggezin met informatie uit een onderzoek van het Ambulatorium, bepalend voor het toekomstperspectief van de minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Familierecht

Locatie Utrecht

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

Zaak-/rolnummer: C/16/342965 / JE RK 13-1146

Beschikking van de kinderrechter van 7 februari 2014 met betrekking tot de minderjarige:

[minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

nader te noemen:[minderjarige].

De kinderrechter merkt naast de verzoeker als belanghebbenden aan:

- [de vader],

wonende te Mexico,

- [de moeder],

wonende te [woonplaats 1],

- [pleegouders],

wonende te [woonplaats 2].

Het ouderlijk gezag wordt uitgeoefend door de ouders [de moeder] en [de vader].

1 Het verloop van de procedure

1.1.

[minderjarige] is onder toezicht gesteld van de Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht. De ondertoezichtstelling wordt uitgevoerd door de Stichting Gereformeerde Jeugdbescherming (nader te noemen: de SGJ). De ondertoezichtstelling loopt tot 9 juni 2014.

1.2.

De SGJ heeft op 23 april 2013 een verzoekschrift met bijlagen ingediend, strekkende tot verlenging van de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor de periode van één jaar.

1.3.

Het verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling, het daarbij behorende hulpverleningsplan alsmede het indicatiebesluit zijn bij het verzoekschrift overgelegd.

1.4.

Bij beschikking van 27 mei 2013 heeft de kinderrechter de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor verblijf pleegouder

24 uurs verlengd, met ingang van 9 juni 2013 tot 9 december 2013. De beslissing op het verzoek is voor het overige aangehouden.

1.5.

Bij beschikking van 6 december 2013 heeft de kinderrechter de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor verblijf pleegouders

24 uurs verlengd, met ingang van 9 december 2013 tot 28 januari 2014. De beslissing op het verzoek is voor het overige aangehouden.

1.6.

De SGJ handhaaft bij brief van 10 januari 2014 het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige], te weten voor de periode tot 9 juni 2014.

1.7.

Bij beschikking van 16 januari 2014 heeft de kinderrechter de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor verblijf pleegouder 24 uurs ambtshalve verlengd, met ingang 28 januari 2014 tot 8 februari 2014. De beslissing op het verzoek is voor het overige aangehouden.

1.8.

Mr. P.J. Hentenaar-Polderman heeft op 31 januari 2014 een brief met bijlagen overgelegd waarin het standpunt van de moeder wordt weergegeven.

1.9.

Op 6 februari 2014 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De griffier heeft van de inhoud daarvan aantekening gehouden. Bij de behandeling zijn verschenen:

  • -

    de heer [de vader], de vader, bijgestaan door mr. R.F. Bakker,

  • -

    mevrouw[de moeder], de moeder, bijgestaan door mr. P.J. Hentenaar-Polderman,

  • -

    [pleegouders], de pleegouders,

  • -

    mevrouw [F], namens het Ambulatorium,

  • -

    de heer [A] en de heer [B], vertrouwenspersonen van de moeder,

  • -

    mevrouw [C], mevrouw[D] en mevrouw [E], namens de

SGJ.

1.10.

De SGJ heeft ter zitting een korte weergave overgelegd van het verloop en de uitkomsten van het klachtgesprek tussen de SGJ en het Ambulatorium.

1.11.

Mr. R.F. Bakker en mr. P.J. Hentenaar-Polderman hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.

2 De voorgeschiedenis

[minderjarige] is bij beschikking van 9 juni 2009 onder toezicht gesteld van de Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht, waarbij de uitvoering van de maatregel is opgedragen aan de SGJ. De aanvankelijke reden voor de ondertoezichtstelling was gelegen in de onrustige en conflictueuze relatie tussen de ouders, waardoor de veiligheid van [minderjarige] in het geding kwam. De termijn van de ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd bij beschikking van

27 mei 2013, omdat de gronden voor de ondertoezichtstelling nog steeds aanwezig zijn.

Bij beschikking van 10 juni 2009 is een eerste machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend. [minderjarige] verbleef destijds bij de grootouders aan moederszijde, omdat de moeder de veiligheid van [minderjarige] in haar eigen woning niet kon garanderen door het agressieve gedrag van de vader. Uit de beschikking van 18 juni 2009 blijkt dat de SGJ destijds al wenste te onderzoeken of [minderjarige] weer bij één van haar ouders kon gaan wonen dan wel of zij in een pleeggezin moest blijven wonen. De termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing is sindsdien meerdere malen verlengd. [minderjarige] verblijft inmiddels gedurende viereneenhalf jaar in het pleeggezin van de[pleegouders]. Binnen het pleeggezin heeft [minderjarige] zich goed ontwikkeld.

Een psychologisch diagnostisch onderzoek, uitgevoerd door het FORA en vastgelegd in het rapport van 27 juli 2009, heeft uitgewezen dat [minderjarige] veel duidelijkheid, structuur en voorspelbaarheid nodig heeft. In dezelfde rapportage komt naar voren dat [minderjarige] door de onrust die zij in het verleden in haar opvoedingssituatie heeft ervaren, specifieke behoeften zal hebben en meer zal vragen van haar opvoeders. Eveneens komt uit het onderzoek van FORA naar voren dat het de moeder ontbreekt aan draagkracht wanneer de spanningen te hoog oplopen.

Zoals blijkt uit de beschikking van 8 juni 2011 ging de kinderrechter er destijds al van uit dat de SGJ een onderzoek zou laten uitvoeren om inzicht te verkrijgen in de draagkracht en de opvoedcapaciteiten van de moeder. Uit de beschikking van 23 mei 2012 blijkt vervolgens dat er al een onderzoek door het Ambulatorium had moeten plaatsvinden, maar dat dit niet heeft kunnen plaatsvinden, omdat de moeder voor haar levensonderhoud een baan in China heeft aanvaard in de tijd dat het onderzoek gepland was. De kinderrechter benoemde daarom in de beschikking van 23 mei 2012 dat het onderzoek door het Ambulatorium zo snel mogelijk moet plaatsvinden.

Uit de beschikking van 7 maart 2013 blijkt wederom dat het door de rechtbank verzochte onderzoek naar het toekomstperspectief van [minderjarige] nog niet is uitgevoerd. De SGJ heeft er voor gekozen om het onderzoek niet bij het Ambulatorium te laten uitvoeren maar bij

Dr. Van Den Bergh, vanwege zijn expertise op het gebied van hechtingsproblematiek en pleeggezinplaatsingen, alsmede gelet op de omstandigheid dat het onderzoek daar snel kon starten. Dr. Van Den Bergh heeft het onderzoek niet kunnen afronden, vanwege grote bezwaren van de zijde van de moeder. Wel heeft Altrecht [minderjarige] onderzocht. Altrecht heeft geconstateerd dat er geen aanwijzingen zijn voor een hechtingsstoornis. Hoogstens kan er bij [minderjarige] sprake zijn van een onveilige hechting en loyaliteitsproblematiek.

Ter zitting op 27 mei 2013 zijn de betrokkenen het in grote lijnen eens geworden over de onderzoeksopdracht. Uit het gewenste onderzoek door het Ambulatorium moet gaan blijken wat [minderjarige] vraagt van haar opvoeder(s) in het licht van haar voorgeschiedenis en ontwikkelingstaken alsmede of de moeder gezien haar opvoedingsvaardigheden en draagkracht daaraan kan voldoen.

Ter zitting op 3 december 2013 is er verwarring ontstaan rondom het onderzoek van het Ambulatorium. De moeder en haar advocaat bleken in het bezit te zijn van een conceptrapportage van het Ambulatorium die inhoudelijk op diverse punten afwijkt van de eindrapportage die de SGJ de rechtbank heeft doen toekomen. Na de zitting op 3 december 2013 heeft de rechtbank zowel van de advocaat van de moeder als van het Ambulatorium en de SGJ stukken ontvangen die een eerdere verklaring van mevrouw [F], psychologe en opsteller van de rapportage van het Ambulatorium, in een ander daglicht stellen, in die zin dat voor de rechtbank niet meer onomstotelijk vast stond van welke rapportage moest worden uitgegaan.

Op 30 januari 2014 heeft er een bemiddelingsgesprek plaatsgevonden tussen de SGJ en het Ambulatorium naar aanleiding van klachten van de SGJ omtrent de inhoud en de totstandkoming van de rapportage van het Ambulatorium. Dit gesprek heeft onder andere tot de conclusie geleid dat de rapportage met het watermerk ‘definitief’ de uiteindelijke en juiste versie is alsmede dat dit de rapportage is waar de betrokkenen van uit dienen te gaan. De SGJ heeft haar klacht jegens het Ambulatorium ingetrokken.

3 De bevindingen van het Ambulatorium

Uit het onderzoek van het Ambulatorium blijkt het volgende.

3.1.

Ten aanzien van [minderjarige]

[minderjarige] heeft een belaste voorgeschiedenis. Het is voorgekomen dat de ouders niet beschikbaar waren op momenten dat zij dat wel moesten zijn. [minderjarige] is meerdere keren aan de zorg van anderen toevertrouwd. [minderjarige] is uit huis geplaatst omdat de ouders de zorg en veiligheid van [minderjarige] niet konden garanderen. [minderjarige] heeft hierdoor onvoldoende veiligheid kunnen ervaren bij haar primaire verzorgers. Uit informatie van het tweede pleeggezin, de school en pleegzorg ontstaat eveneens het beeld dat [minderjarige] in haar eerste jaren onvoldoende basisveiligheid heeft mogen ervaren. Het gedrag van [minderjarige] vertoonde bij aanvang van de tweede uithuisplaatsing meerdere kenmerken die wijzen op hechtingsproblematiek. [minderjarige] was overbodig alert, zelfstandig voor haar leeftijd en te weinig vertrouwend op de troost en steun van volwassenen. Zij was geneigd tot sterke aanpassing aan degenen van wie zij afhankelijk was en tegelijkertijd controlebehoeftig, zelfbepalend en strijdvaardig. Het heeft geruime tijd geduurd voor [minderjarige] zodanig tot rust kwam dat zij zich verder kon ontwikkelen, hetgeen deels verklaarbaar is door haar beneden gemiddelde cognitieve capaciteiten. Binnen het pleeggezin heeft [minderjarige] zich in gunstige zin en verder, min of meer conform haar leeftijd, ontwikkeld.

[minderjarige] blijft kwetsbaar wat betreft haar relatievorming, gehechtheidontwikkeling en identiteitsontwikkeling. Zij lijkt geneigd het belangrijke volwassenen naar de zin te willen maken, hetgeen mede tot uiting komt in aangepast en zorgend gedrag. Ook speelt loyaliteitsproblematiek ten gevolge van een verstoorde relatie tussen de biologische ouders en de pleegouders. De identiteitsontwikkeling van [minderjarige] vraagt bijzondere zorg en aandacht. [minderjarige] dient door alle belangrijke volwassenen (haar ouders en pleegouders) te worden gevrijwaard van volwassen problemen, onzekerheden, ergernissen, verdriet en behoeften alsmede van bezwaren van volwassenen met betrekken tot elkaar. [minderjarige] dient de ruimte te krijgen om zichzelf te leren kennen, om te ervaren dat zij zichzelf mag zijn en dat zij haar eigen voorkeuren mag hebben. Daarnaast dient zij ruimte te krijgen voor het aangaan en onderhouden van relaties met belangrijke anderen. Dit geldt in het bijzonder voor de ouders en de pleegouders.

Het is voor [minderjarige] van groot belang dat alle belangrijke volwassenen zich zeer betrouwbaar, bereikbaar, consequent en steunend gedragen, dat zij in de gaten houden wat [minderjarige] beweegt en wat zij nodig heeft voor een zo voorspoedig mogelijke emotionele ontwikkeling alsmede dat zij consequent en betrouwbaar reageren op een voor [minderjarige] steunende manier. Voorts vraagt [minderjarige] van haar opvoeders het bieden van voldoende overzicht, structuur, leiding en begrenzing alsmede het bieden van aanmoediging, steun, troost en opbouwende feedback over haar functioneren. Daarnaast vraagt zij van haar opvoeders het aanbieden van bij haar leeftijd en talenten passende ontwikkelingsmogelijkheden, de gelegenheid om succeservaringen op te doen, alsmede het erkennen en faciliteren van voor haar belangrijke emotionele relaties.

3.2.

Ten aanzien van de moeder

De moeder is relatief gevoelig voor spanningen en stress. Zij heeft weinig vertrouwen in anderen en een grote behoefte aan controle en zeggenschap over interacties en situaties. De moeder is ambivalent in relaties. De moeder kan het verblijf in het pleeggezin niet steunen. Zij vindt het erg moeilijk om [minderjarige] emotioneel toestemming te geven om zich te hechten aan de leden van het pleeggezin. De moeder lijkt onvoldoende onderscheid te maken tussen haar eigen behoeften en beleving en die van [minderjarige]. Uitspraken van [minderjarige] wijzen erop dat zij zich scherp bewust is van de bezwaren over en weer tussen de moeder enerzijds en de pleegouders anderzijds. Hoewel zij zich bewust is van het belang ervan is het bieden van sturing en begrenzing niet het sterkste punt van de moeder. De moeder biedt geen overzicht en structureert niet expliciet, geeft weinig leiding en laat veel ruimte over voor zelfbepalend gedrag. De moeder is geneigd tot het vermijden van confrontaties en hecht veel belang aan een prettige en soepele interactie. Deze houding kan er in de dagelijkse opvoeding toe leiden dat [minderjarige] minder overzicht, duidelijkheid en leiding ontvangt dan zij nodig heeft, hetgeen gevoelens van onveiligheid en zelfbepalend gedrag veroorzaakt. De moeders emotionele draagkracht is beperkt. Zij overvraagt zichzelf snel en is gevoelig voor afwijzing en ambivalent in relaties, vooral als er afhankelijkheid speelt, zij vindt het moeilijk om conflicten te hanteren. Dit beperkt haar in haar mogelijkheden om stabiliteit te bieden. De moeders mogelijkheden om te profiteren van hulpverlening worden enigszins beperkt door haar behoefte aan zelfstandige controle en moeite met het accepteren van leiding en sturing, beperkt reflectief vermogen en de neiging tot externaliseren. Wel is de moeder zeer bereid om zich te verdiepen in de achtergronden van problemen en om zich nieuwe vaardigheden eigen te maken, waardoor de indruk is ontstaan dat zij in staat is om van hulpverlening te profiteren.

3.3.

Nadere toelichting ter zitting

Mevrouw [F] heeft ter zitting op 6 februari 2014 naar voren gebracht dat de onderzoekrapportage de informatie aanreikt voor de weging omtrent het toekomstperspectief van [minderjarige]. Het Ambulatorium heeft onderzocht of de moeder op dit moment voldoende in huis heeft om de zorg voor [minderjarige] in de huidige situatie over te nemen. Er is in de rapportage geen knoop doorgehakt betreffende de vraag of [minderjarige] al dan niet bij de moeder kan gaan wonen. Er bestaat bij het Ambulatorium geen twijfel over dat [minderjarige] kampt met hechtingsproblematiek. Zij heeft hier veel signalen van afgegeven. Er is reeds eerder hechtingsproblematiek vastgesteld bij [minderjarige]. FORA heeft er in een eerdere rapportage over geschreven. Er kan ook sprake zijn van hechtingsproblematiek zonder dat een hechtingsstoornis wordt gediagnosticeerd. Wanneer het gevoel van basisveiligheid niet is aangebracht, blijft er altijd een kwetsbaarheid. [minderjarige] heeft deze kwetsbaarheid. Zij vraagt om extra betrouwbaarheid en stabiliteit. De opvoeder van [minderjarige] mag geen onverwachte dingen doen en moet doen wat hij zegt, voorspelbaar zijn en juist anticiperen op het gevoel van onveiligheid dat bij [minderjarige] kan ontstaan. [minderjarige] heeft daarin een grotere behoefte dan sommige andere kinderen. Met name de Forensisch Psychologische Beschouwing beantwoordt de vraag of de moeder in voldoende mate over de voor [minderjarige] noodzakelijke vaardigheden beschikt. Het Ambulatorium spreekt in haar rapportage twijfel uit of de moeder het voornoemde consistent kan bieden. Het Ambulatorium verwacht dat er complicaties kunnen ontstaan.

Wanneer kinderen veel onrust meemaken en wisselingen van verzorgers en zij zich daaraan steeds moeten aanpassen, dan ontwikkelen zij aanpassingsvaardigheden. Deze kinderen hebben deze vaardigheden nodig om te overleven. Aanpassingsvaardigheden gaan echter ten koste van een eigen identiteit. Met name in de pubertijd zorgt dergelijk aanpassingsgedrag voor complicaties in de ontwikkeling. Het kind richt zich dan meer op leeftijdsgenoten en heeft moeite met het bieden van weerstand en het maken van eigen keuzes. Het Ambulatorium heeft geconstateerd dat [minderjarige] aanpassingsgedrag vertoont. Bij [minderjarige] zijn deze vaardigheden erg sterk ontwikkeld. [minderjarige] past zich aan aan wie zij voor zich heeft. De keerzijde hiervan is dat [minderjarige] minder goed leert wie zij zelf is. Het Ambulatorium ziet dit als een risicofactor voor [minderjarige], die toekomstige ontwikkelingsproblemen op dit gebied aannemelijk maakt.

Er kunnen allerlei aanleidingen bestaan voor het ontwikkelen van aanpassingsgedrag. Dat [minderjarige] een andere achtergrond heeft dan haar pleegouders compliceert en moedigt aan om aanpassingsvaardigheden te ontwikkelen. De ontwikkeling van aanpassingsvaardigheden ontstaat ook wanneer een kind opgroeit bij ouders die teveel in beslag worden genomen door eigen problemen, waardoor het kind voor de ouders gaat zorgen. De loyaliteitsproblemen van [minderjarige] prikkelen eveneens haar aanpassingsgedrag. Zij voelt zich niet vrij om zich uit te spreken. Een kind zonder loyaliteitsproblemen durft te zeggen dat zij een ouder stom vindt. [minderjarige] zou dat niet durven. Ook bij een overplaatsing van [minderjarige] naar haar moeder, waarbij er contact is met de pleegouders, zal de loyaliteitsproblematiek blijven bestaan omdat de relatie tussen de moeder en de pleegouders gespannen is. Van de volwassenen om [minderjarige] heen wordt gevraagd dat zij haar ontlasten op dit gebied en dat zij haar vrij houden van de loyaliteitsproblemen. Door de verstoorde verhoudingen tussen de volwassenen om [minderjarige] heen bestaan er risico’s op complicaties in de ontwikkeling van [minderjarige].

4 De standpunten

4.1.

De SGJ

De SGJ handhaaft het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de uithuisplaatsing van [minderjarige] in het perspectief biedende pleeggezin van de [pleegouders]. De SGJ blijft bij het standpunt dat het in het belang van [minderjarige] is om op te groeien in het pleeggezin. De SGJ acht een terugplaatsing bij de moeder niet verantwoord en niet in het belang van [minderjarige]. De moeder heeft adequate opvattingen over de behoeften van [minderjarige]. De moeder is betrokken en er is sprake van een goede onderlinge acceptatie. Uit het rapport van het Ambulatorium blijkt daarnaast dat de moeder zou kunnen profiteren van hulpverlening.

De SGJ betwijfelt echter of de moeder daadwerkelijk zal profiteren van hulpverlening. Zij heeft een ambivalente houding in relaties. Dit maakt haar minder in staat om stabiliteit te bieden. Tevens heeft de moeder de neiging om problemen te bagatelliseren en legt zij de oorzaak van problemen buiten zichzelf. Het bieden van sturing en begrenzing is eveneens niet haar sterkste punt. De moeder zal onvoldoende leiding kunnen bieden, terwijl [minderjarige] daar wel behoefte aan heeft. Dit kan leiden tot een gevoel van onveiligheid voor [minderjarige]. Het is voor [minderjarige] belangrijk dat zij vrij is van volwassenen problemen. Desondanks is [minderjarige] tijdens bezoeken aan de moeder betrokken bij ruzies met vrienden of buren. De moeder ontkent dit en bagatelliseert deze zorg van de SGJ.

De samenwerking tussen de moeder en de pleegouders alsmede tussen de moeder en de SGJ verloopt moeizaam. De moeder kan [minderjarige]’s verblijf in het pleeggezin niet steunen. Daarmee handelt zij volgens de SGJ onvoldoende in het belang van [minderjarige]. De SGJ vindt het een kwalijke zaak dat de moeder de pleegouders en de gezinsvoogd niet op de hoogte heeft gesteld van haar verhuizing naar Amsterdam. De moeder geeft aan dat zij [minderjarige] op de verhuizing heeft voorbereid, maar [minderjarige] heeft er in het pleeggezin niet over verteld. Na een bezoek van [minderjarige] aan de moeder, dat plaatsvond in haar nieuwe woning, was aan het gedrag van [minderjarige] duidelijk zichtbaar dat zij zich onveilig voelde. De SGJ heeft de woning van de moeder nog niet kunnen bezoeken.

Er is bij [minderjarige] sprake van hechtingsproblematiek. In het pleeggezin is [minderjarige] tot rust gekomen en heeft zij een gunstige ontwikkeling doorgemaakt. [minderjarige] vertoont geen gedragsproblemen meer. Zij geeft zich over aan de leiding, steun en regels van haar pleegouders. [minderjarige] blijft echter een kwetsbaar meisje. Zij heeft behoefte aan betrouwbare, bereikbare en consequente opvoeders. De SGJ heeft zorgen over wat een wisseling van woonplek met [minderjarige] zal doen, mede vanwege het aanpassingsgedrag dat [minderjarige] vertoont. De SGJ is voornemens om binnen een multidisciplinair overleg de mogelijkheden voor een verderstrekkende maatregel te bespreken.

4.2.

De moeder

Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. De moeder betreurt dat het onderzoek naar het toekomstperspectief van [minderjarige] drieënhalf jaar op zich heeft laten wachten. In deze periode werd [minderjarige] steeds verder losgeweekt van de moeder en is er geen hulpverlening aan de moeder geboden. De moeder heeft daarom zelf gezocht naar hulpverlening. Uit de rapportage van het Ambulatorium volgt dat de moeder, zij het met ondersteuning, in staat is om [minderjarige] een veilig en stabiel tehuis te bieden en haar op te voeden tot een evenwichtige volwassene. Het netwerk van de moeder kan hierin een belangrijke rol spelen. Er bestaat volgens de moeder dan ook geen reden om de machtiging te verlengen.

De moeder is zeer ontevreden over de communicatie met en de handelswijze van de SGJ. De moeder heeft de indruk dat de SGJ zich meer laat leiden door een vooroordeel en emotie tegenover de moeder dan door het belang van [minderjarige]. De SGJ is niet bereid om mee te werken aan het vergroten van de mogelijkheden van de moeder om [minderjarige] bij haar te laten wonen. De moeder stelt dat de SGJ wel op de hoogte was van haar wens om naar Amsterdam te verhuizen. Zij heeft er wegens de verstoorde onderlinge verhoudingen vanaf gezien om de gezinsvoogd en de pleegouders voorafgaand aan het omgangsweekend met [minderjarige] er van op de hoogte te stellen dat zij reeds verhuisd was naar haar nieuwe woning in Amsterdam en dat [minderjarige] daar het weekend zou doorbrengen. De moeder heeft [minderjarige] voorbereid op de verhuizing en heeft geen gevoelens van onveiligheid waargenomen bij [minderjarige]. De moeder heeft [minderjarige] ten tijde van de zitting gedurende acht weken niet gezien, vanwege twijfels over de woonplek van de moeder. De moeder begrijpt niet waarom eerdere bezoeken dan wel zijn toegestaan alsmede waarom zij [minderjarige] niet net als de vader gedurende een aantal uren had kunnen zien zonder overnachting. De moeder betwist dat zij [minderjarige] betrekt bij volwassenen problemen. De vermeende hechtingsproblematiek van [minderjarige] is door Altrecht niet geconstateerd.

Voor een volledige weergave van het standpunt van de moeder wordt verwezen naar de brief d.d. 31 januari 2014 en de pleitnoties van mr. P.J. Hentenaar-Polderman.

4.3.

De vader

Namens de vader is er primair voor gepleit de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] niet te verlengen alsmede subsidiair om de uithuisplaatsing op korte termijn te beëindigen en te bepalen dat de terugkeer van [minderjarige] naar de moeder in gang wordt gezet. De vader meent dat [minderjarige] bij haar moeder hoort op te groeien. De in de rapportage van het Ambulatorium genoemde contra-indicaties zijn volgens de vader niet zodanig dat zij een terugkeer van [minderjarige] naar haar moeder in de weg staan. De vader acht de moeder goed in staat om voor [minderjarige] te zorgen, zeker met begeleiding en de ondersteuning van haar netwerk. Volgens de vader zijn de gronden voor een uithuisplaatsing dan ook niet meer aanwezig en is er geen sprake meer van een ernstige bedreiging van de lichamelijke en / of psychische gezondheid van [minderjarige].

Voor een volledige weergave van het standpunt van de vader wordt verwezen naar de pleitnotities van mr. R.F. Bakker.

4.4.

De [pleegouders]

De pleegouders zien dat [minderjarige] baat heeft bij een eenduidige aanpak. De aan haar geboden grenzen en structuur moeten steeds hetzelfde zijn. Wanneer dit niet het geval is, heeft [minderjarige] meer dan gemiddeld uitleg nodig. In een dergelijke situatie gaat [minderjarige] zorgen en neemt zij de regie over. Dit gedrag laat zij met name zien na een bezoek aan de moeder. De pleegouders waren er voorafgaand aan het weekend niet van op de hoogte dat de moeder was verhuisd naar Amsterdam. Voor de pleegouders was duidelijk merkbaar en zichtbaar dat [minderjarige] onveiligheid heeft ervaren na de verhuizing van de moeder. [minderjarige] vertoonde alert gedrag, stelde veel vragen over verhuizen, week niet van de zijde van de pleegouders en wilde de touwtjes in handen nemen. Zij begreep niet waarom de moeder is verhuisd. [minderjarige] heeft de pleegouders meerdere malen gevraagd of zij ook gingen verhuizen. Zij heeft nog een aantal weken over de verhuizing van haar moeder verteld. [minderjarige] heeft een goede band met beide ouders. Dit is belangrijk voor een evenwichtige ontwikkeling. Er is veel veranderd ten opzichte van vier jaar geleden. [minderjarige] draait goed mee in het pleeggezin. Zij kan er goed kind zijn. [minderjarige] functioneert goed op school. Ze heeft vriendinnen en plezier in de schoolgang. Zij maakt vorderingen die passend zijn bij de klas. Er is geen sprake van een stagnatie in haar ontwikkeling. Het welbevinden van [minderjarige] staat voor de pleegouders voorop. De SGJ stelt het welzijn van [minderjarige] eveneens continu voorop.

5 De vaststelling en overwegingen

5.1.

Op grond van de verkregen informatie van de zijde van de SGJ en de rapportage van het Ambulatorium alsmede hetgeen tijdens de zitting naar voren is gebracht, is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de termijn van machtiging tot uithuisplaatsing in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] noodzakelijk is.

5.2.

Gebleken is dat [minderjarige] een meisje is dat op meerdere gebieden kwetsbaar is. Dit heeft deels te maken met haar voorgeschiedenis, waarbij zij op meerdere plekken heeft gewoond en door meerdere opvoeders is verzorgd. Inmiddels heeft zij ruim vierenhalf jaar bij haar huidige pleegouders gewoond, is zij aan hen gehecht geraakt en ontwikkelt zij zich daar voorspoedig. Indien zij thans naar de moeder zou worden teruggeplaatst zou dit voor haar ontegenzeggelijk (opnieuw) een hechtingsbreuk opleveren. Gelet op de omstandigheid dat zij ook thans reeds hechtingsproblematiek heeft zou deze naar alle waarschijnlijkheid in ernst en complexiteit toenemen.

Dit betekent dat de vraag of de uithuisplaatsing verlengd dient te worden in dat licht moet worden beantwoord: kan de moeder bij thuisplaatsing van [minderjarige] aan de complexe en verzwaarde opvoedingsbehoefte van [minderjarige] voldoen? Meer concreet: is de moeder voldoende consequent in het bieden van structuur, duidelijkheid, overzicht, leiding en begrenzing? Is zij zeer betrouwbaar, voorspelbaar en geeft zij [minderjarige] een gevoel van veiligheid en vertrouwen, is zij in voldoende mate sensitief en responsief, is zij loyaal in de vorm van toestemming om te houden van een ieder van wie zij afhankelijk is en die voor haar zorgt? Kan zij vermijden dat [minderjarige] wordt belast met volwassen problemen, conflicten en emotionele behoeften van volwassenen? Zie hiervoor de beantwoording vraag 13 van het psychodiagnostisch onderzoek.

5.3.

Zoals blijkt uit de Forensisch psychologische beschouwing (zie punt 3.2) wordt een aantal indicaties voor thuisplaatsing gezien. De moeder is zeer betrokken bij [minderjarige]. De moeder en [minderjarige] hebben een sterke band en een positief gekleurde relatie. De moeder begrijpt het temperament van [minderjarige]. De moeder heeft adequate opvattingen over opvoeding en het bieden van dagelijkse structuur, regelmaat, grenzen, verzorging en ontplooiingskansen. De moeder gaat op een accepterende, rustige en vriendelijke manier met [minderjarige] om en zij sluit aan bij het cognitieve niveau van [minderjarige]. Bovendien is de moeder bereid om zich te laten coachen en begeleiden en om nieuwe opvoedingsvaardigheden te leren. Zij heeft ter zitting aangegeven daartoe reeds stappen te hebben ondernomen.

5.4.

Er worden evenwel ook contra-indicaties voor thuisplaatsing gezien. De moeder heeft moeite met het consequent leiding geven en grenzen stellen. Zij is geneigd de nadruk te leggen op de goede relatie met [minderjarige], hetgeen ten koste kan gaan van het bieden van duidelijkheid (en daarmee ook veiligheid). De moeders draagkracht is relatief beperkt als het gaat om emotionele problemen. Het verwerven van levensonderhoud legt een groot beslag op haar dagelijkse energie. Dit is moeilijk te combineren met de opvoeding van een kind dat door een beschadigende voorgeschiedenis extra stabiliteit, structuur, duidelijkheid en veiligheid nodig heeft. Bij eventuele opvoedingsproblemen bestaat er een relatief groter risico op problemen in de relatie met [minderjarige]. De deskundige ziet vooral het aanpassingsgedrag van [minderjarige] als een risicofactor, die toekomstige ontwikkelingsproblemen op dit gebied aannemelijk maakt. Naast deze contra-indicaties zou de bij [minderjarige] geconstateerde loyaliteitsproblematiek volgens de deskundige blijven bestaan, ook bij een overplaatsing van [minderjarige] naar haar moeder, waarbij er contact is met de pleegouders, omdat de relatie tussen de moeder en de pleegouders gespannen is. Hierbij neemt de kinderrechter in aanmerking de conclusie van het Ambulatorium dat de moeder het erg moeilijk vindt om [minderjarige] emotioneel toestemming te geven om zich te hechten aan de leden van het pleeggezin, dat de moeder onvoldoende onderscheid lijkt te maken tussen haar eigen behoeften en beleving en die van [minderjarige] en dat uitspraken van [minderjarige] er op wijzen dat zij zich scherp bewust is van de bezwaren over en weer tussen de moeder enerzijds en de pleegouders anderzijds.

Dit wijst er op dat de moeder tevens onvoldoende in staat is om loyaal te zijn als bedoeld onder punt 5.2. en [minderjarige] niet te belasten met haar eigen behoeften op dat punt.

5.5.

Het voorgaande brengt mee dat de moeder op een aantal essentiële gebieden (nog) niet kan voldoen aan de opvoedbehoefte van [minderjarige] op het moment dat [minderjarige] naar haar moeder zou worden overgeplaatst.

5.6.

De vraag die vervolgens beantwoord dient te worden is of deze contra indicaties op te heffen zijn door voldoende coaching en begeleiding vanuit de hulpverlening. Hoewel enerzijds wordt gezien dat de moeder in staat wordt geacht te profiteren van hulpverlening, wordt dit anderzijds enigszins beperkt door haar behoefte aan zelfstandige controle/moeite met het accepteren van leiding en sturing, beperkt reflectief vermogen en de neiging tot externaliseren. Dit wordt in het gehele verloop van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing alsmede in de totstandkoming van onderhavig onderzoek gezien. Gelet hierop en op de verzwaarde opvoedingsvaardigheden waaraan de moeder zou moeten werken ziet de kinderrechter risico’s ten aanzien van de praktische uitwerking van de bereidheid van de moeder om daadwerkelijk samen te werken met hulpverlenende instanties en de SGJ in het belang van [minderjarige], vooral op momenten waarop er tegenslagen zijn of wanneer de hulpverlenende instanties een andere visie hebben dan de moeder op hetgeen er moet gebeuren. Hiervoor is tekenend dat de moeder zelfs in de periode van de huidige procedure onvoldoende openheid van zaken geeft over haar verhuizing naar Amsterdam, waarbij zij niet alleen de gezinsvoogd en de pleegouders bewust niet vooraf informeert, maar vooral voorbij gaat aan de eisen die aan haar gesteld dienen te worden op het gebied van voorspelbaarheid, betrouwbaarheid, sensitiviteit en responsiviteit. Hoewel de moeder stelt dat zij [minderjarige] wel uitgebreid heeft voorbereid op de verhuizing, heeft dit volgens de pleegouders onmiskenbaar geleid tot gevoelens van onveiligheid en onrust bij [minderjarige], hetgeen door de moeder niet wordt onderkend.

5.7.

Alles overziend komt de kinderrechter tot de conclusie dat de moeder onvoldoende beschikt over de nodige opvoedingsvaardigheden om aan de verzwaarde opvoedingsbehoefte van [minderjarige] te voldoen alsmede dat de nadelen en de risico’s van terugplaatsing naar de moeder zwaarder wegen dan de voordelen daarvan. Deze nadelen en risico’s zullen voorts onvoldoende kunnen worden opgeheven door coaching en begeleiding van de moeder. Dit betekent naar het oordeel van de kinderrechter dat verlenging van de uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de pleegouders noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige].

5.8.

Dit neemt niet weg dat de ouders een belangrijke rol kunnen vervullen in het leven van [minderjarige]. Het Ambulatorium adviseert hieromtrent dat de moeder met hulpverlening de gelegenheid moet krijgen om haar ouderschap zo optimaal mogelijk in te vullen, waarbij ook aandacht dient te worden besteed aan het accepteren en invullen van het ouderschap op afstand. De kinderrechter acht dit vooral van belang voor het afnemen van de loyaliteitsproblematiek bij [minderjarige], zodat zij zich verder kan blijven hechten aan het pleeggezin waar zij zal opgroeien, maar daarnaast zo veel mogelijk kan profiteren van de positieve inbreng die de ouders haar te bieden hebben. Het is de verantwoordelijkheid van alle volwassenen om [minderjarige] heen dat zij haar emotioneel de ruimte geven voor het aangaan en onderhouden van relaties met voor haar belangrijke anderen.

6 De beslissing

De kinderrechter

6.1.

verlengt de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor verblijf pleegouder 24 uurs, zoals bedoeld in het indicatiebesluit van

2 april 2013 met kenmerk B-CAN-OG1LO, met ingang van 8 februari 2014 tot 9 juni 2014;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven door mr. L.E. Verschoor-Bergsma, kinderrechter, en ter openbare terechtzitting van 7 februari 2014 uitgesproken in tegenwoordigheid van

W.W. Hakkesteegt, griffier.

Tegen deze uitspraak kan beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze uitspraak is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening van de uitspraak of nadat de uitspraak hun op andere wijze bekend is geworden.