Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:5592

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
05-11-2014
Datum publicatie
18-11-2014
Zaaknummer
3058353 UC EXPL 14-7501
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid UWV op grond van onrechtmatige daad bestaande uit het niet geven van een inhoudelijk oordeel over de arbeidsongeschiktheid van de werknemer?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0979
AR 2014/869

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 3058353 UC EXPL 14-7501 DJ/1067

Vonnis van 5 november 2014

inzake

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [eiser],

eisende partij,

gemachtigde: mr. M. Treur, advocaat te Utrecht,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV),

gevestigd te Utrecht,

verder ook te noemen het UWV,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. P.A.L. Nieuwenhuis, bedrijfsadvocaat UWV.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is op 1 juli 2010 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor één jaar in dienst getreden bij [A] B.V. (verder te noemen: [A]) in de functie van vestigingsmanager.

2.2.

Op of omstreeks 24 november 2010 vond een werkoverleg plaats op het hoofdkantoor van [A] te [plaats]. Tijdens het overleg zijn emoties opgelopen en is [eiser] weggelopen. Hij maakte daarbij kenbaar dat hij zich ziek meldde.

2.3.

Op 26 november 2010 heeft [eiser] de bedrijfsarts bezocht. Deze heeft in zijn rapportage vastgelegd dat de reden voor de ziekmelding is gelegen in een arbeidsconflict. Het rapport bevat de volgende bewoordingen: “Zijn uitval is niet op grond van ziekte of gebrek ontstaan, maar op grond van een arbeidsconflict. Advies is om het conflict op te lossen en daarna verder te gaan; hetzij samen verder en aan het werk, hetzij op een andere manier een oplossing vinden.”

2.4.

Naar aanleiding van het advies van de bedrijfsarts heeft [A] [eiser] uitgenodigd voor een gesprek op het hoofdkantoor. De gemachtigde van [eiser] heeft daarop geantwoord dat [eiser] zich niet kan vinden in de conclusie van de bedrijfsarts en dat hij een second opinion zal aanvragen bij het UWV. Verder deelt hij mee dat [eiser] niet op het gesprek zal verschijnen en slechts bereid is tot een overleg op neutraal terrein, zoals bijvoorbeeld het kantoor van de gemachtigde. [A] heeft daarop geantwoord [eiser] nogmaals op te roepen voor een gesprek op het hoofdkantoor. [eiser] is niet verschenen.

2.5.

Bij e-mail van 1 december 2010 heeft [A] een loonstop aangekondigd.

2.6.

Op 6 december 2010 heeft [eiser] het UWV een deskundigenoordeel over zijn arbeidsongeschiktheid gevraagd. Op 9 december 2010 heeft hij in verband daarmee de verzekeringsarts bezocht. Op 23 december 2010 is dit deskundigenoordeel afgegeven, waarin is geoordeeld:

“Op 24 november 2010 is sprake van een verstoorde werkverhouding. Dat er hierdoor spanningsklachten ontstaan is begrijpelijk. Het behoeft dan ook geen verde uitleg dat in deze aanvang gestart moet worden met het zo spoedig mogelijk herstellen van de verstoorde werkverhouding. Een uitspraak doen over het wel of niet geschikt zijn voor de eigen arbeid is in dit stadium dan ook niet relevant.”

2.7.

Vervolgens heeft [eiser] [A] in kort geding gedagvaard en betaling van loon gevorderd. Bij vonnis van de Voorzieningenrechter te Amsterdam van 26 januari 2011 is zijn vordering afgewezen. [eiser] heeft hiertegen appel ingesteld. Bij arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 26 juli 2011 is het eerder gewezen vonnis bekrachtigd.

2.8.

Op 14 februari 2011 heeft [eiser] een klacht ingediend bij het UWV over het feit dat zij geen inhoudelijk oordeel heeft gegeven over zijn arbeidsongeschiktheid. Bij beslissing van 4 maart 2011 heeft het UWV de klacht ongegrond verklaard. Het UWV motiveert haar beslissing als volgt:

“In het kader van het deskundigenoordeel moet een verzekeringsarts zich richten op de vraag of u als werknemer volledig uw eigen werk kunt doen of niet. Omdat door niemand is gesteld dat u hiertoe voor 100% in staat was, kan de verzekeringsarts zich beperken tot een oordeel omtrent het door de bedrijfsarts geadviseerde beleid.

Het beleid van de bedrijfsarts is, zich te houden aan de “Steckr richtlijn”. Deze richtlijn houdt in dat er eerst getracht moet worden om het arbeidsconflict tussen u en uw werkgever op te lossen. Dit kan door gebruik te maken van mediation. Ook de verzekeringsarts hanteert deze richtlijn gehanteerd. Zij doet bij het afhandelen van het Deskundigenoordeel geen uitspraak over uw medische situatie na 24 november 2010. UWV beperkt zich tot de datum in het geding en doet verder geen uitspraak. De stafverzekeringsarts onderkend dat er bij u sprake is van grote (financiële) problemen. Echter deze hebben volgens hem niet te maken met het Deskundigenoordeel, maar met het arbeidsconflict.(…)”

2.9.

Op 6 oktober 2011 heeft [eiser] zich tot de Nationale Ombudsman gewend. De Nationale Ombudsman heeft de klacht van [eiser] gegrond verklaard en overweegt daarover:

“De verzekeringsarts van het UWV heeft in dit geval geen antwoord gegeven op de vraag die in het kader van het deskundigenoordeel voorlag. Zij beoordeelde deze vraag als niet relevant. Het is begrijpelijk dat er prioriteit gegeven wordt aan het oplossen van het arbeidsconflict, maar dat betekent niet dat er geen oordeel over arbeids(on)geschiktheid gegeven zou hoeven worden. De eigen richtlijnen geven zelfs aan dat het van het grootste belang is hier helderheid over te verschaffen, juist in geval van een arbeidsconflict. Afgezien van de vraag wat het oordeel geweest zou zijn, onthoudt het UWV verzoeker de gelegenheid om loondoorbetaling te vorderen bij de rechter. Daarvoor is immers een deskundigenoordeel noodzakelijk. De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.”

2.10.

De arbeidsovereenkomst is op 1 juli 2011 van rechtswege geëindigd.

3 De vordering en het verweer

3.1.

[eiser] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zal verklaren voor recht dat het UWV aansprakelijk is op grond van artikel 6:74 BW en 6:162 BW en haar zal veroordelen tot vergoeding aan [eiser] van de navolgende door hem geleden schade:

  1. een bedrag van € 50,- ter zake van kosten deskundigenoordeel;

  2. een bedrag van € 19.810,24 aan gemiste loonderving;

  3. een bedrag van € 2.277,44 aan advocaatkosten;

  4. een bedrag van € 400,- aan proceskosten waartoe [eiser] is veroordeeld door de voorzieningenrechter te Amsterdam;

  5. en bedrag van € 1.990,- aan proceskosten waartoe [eiser] is veroordeeld door het Gerechtshof te Amsterdam;

  6. een bedrag van € 71,- aan ter zake van eigen bijdrage

  7. een bedrag van € 503,- ter zake van eigen bijdrage;

  8. een bedrag van € 2.330,46 ter zake van buitengerechtelijke kosten;

  9. een wettelijke rente over a, b, e, f en g vanaf 1 juni 2012 tot de voldoening;

  10. de wettelijke rente over c vanaf 1 februari 2011 tot de voldoening;

  11. de proceskosten.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vordering - kort weergegeven - het volgende ten grondslag.

- Het UWV is toerekenbaar tekort gekomen in de nakoming van de overeenkomst tussen [eiser] en het UWV met betrekking tot het leveren van een deskundigenoordeel. Het UWV was op grond van de overeenkomst gehouden om een uitspraak te doen over de vraag of [eiser] arbeidsongeschikt was of niet. Door deze vraag onbeantwoord te laten is sprake van een toerekenbare tekortkoming.

- Subsidiair stelt [eiser] dat het UWV onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door zich niet te houden aan de STECR-richtlijnen en geen inhoudelijke beslissing te geven over de arbeidsongeschiktheid.

- [eiser] heeft door het handelen van het UWV schade geleden die voor rekening van het UWV dient te komen.

3.3.

Het UWV heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering met als conclusie dat de kantonrechter deze zal afwijzen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

3.4.

Het UWV baseert haar verweer - kort weergegeven - op het volgende.

- Van toerekenbare tekortkoming is geen sprake. Het geven van een deskundigenoordeel betreft een overheidstaak en berust niet op een civielrechtelijke overeenkomst.

- Het UWV heeft niet onrechtmatig gehandeld.

- De door [eiser] geleden schade is een gevolg van zijn eigen handelen en niet van het onbeantwoord laten van de arbeidsongeschiktheidsvraag.

3.5.

Hetgeen partijen overigens hebben aangevoerd komt, voor zover relevant, hierna aan de orde.

4 De beoordeling

4.1.

Primair moet worden beoordeeld of het onbeantwoord laten van de vraag omtrent arbeidsongeschiktheid als een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van het UWV moet worden aangemerkt. De kantonrechter beantwoordt die vraag ontkennend. Het verstrekken van een deskundigenoordeel door het UWV berust op een wettelijke bevoegdheid op grond waarvan het UWV als overheidsinstelling handelt. Het betreft hier geen civielrechtelijk maar publiekrechtelijk handelen. Van een overeenkomst met [eiser] is dan ook geen sprake. Dat het UWV voor het verstrekken van een deskundigenoordeel kosten in rekening brengt maakt dat niet anders. De vordering kan op de primaire grondslag dan ook niet worden toegewezen.

4.2.

Vervolgens is de vraag aan de orde of het onbeantwoord laten van de arbeidsongeschiktheidsvraag als een onrechtmatige daad moet worden aangemerkt. Dat het UWV heeft nagelaten om een beslissing over de arbeidsongeschiktheid te nemen leidt echter niet zonder meer tot de conclusie dat dit nalaten als onrechtmatig moet worden aangemerkt. Daartoe zijn bijkomende omstandigheden vereist die meebrengen dat het UWV door de gestelde vraag onbeantwoord te laten in strijd met de in het maatschappelijk verkeer jegens [eiser] in acht te nemen zorgvuldigheid heeft geschonden.

4.3.

Naar het oordeel van de kantonrechter kan de beantwoording van die vraag echter achterwege blijven. Voor het aannemen van een onrechtmatige daad is tevens vereist dat er causaal verband bestaat tussen de bestreden gedraging en de geleden schade. Daarbij is het volgende van belang.

Op grond van artikel 7:627 BW is de werkgever geen loon verschuldigd over de periode waarin de werknemer de bedongen arbeid niet heeft verricht. Voorts heeft de werknemer recht op doorbetaling van loon in geval van arbeidsongeschiktheid. De bedrijfsarts heeft echter vastgesteld dat van arbeidsongeschiktheid, in die zin dat [eiser] wegens medische beperkingen niet in staat was om arbeid te verrichten, geen sprake was. Indien een werknemer zich op grond van psychische klachten niet in staat acht tot het verrichten van zijn werkzaamheden, hoewel geen medische beperkingen zijn vastgesteld, kan sprake zijn van situatieve arbeidsongeschiktheid. [eiser] lijkt zich hierop te beroepen. De werknemer die zich op situatieve arbeidsongeschiktheid beroept dient echter feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken die tot het oordeel kunnen leiden dat in die periode de arbeidsomstandigheden, door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen, voor hem zodanig waren dat, met het oog op (de dreiging van) psychische of lichamelijke klachten, van hem redelijkerwijs niet kon worden gevergd dat hij zijn werkzaamheden zou verrichten (HR 27 juni 2008, JAR 2008,188). [eiser] heeft echter nagelaten om zodanige feiten en omstandigheden te stellen dat op basis daarvan situatieve arbeidsongeschiktheid kan worden aangenomen. Daar komt bij dat de werknemer in geval van situatieve arbeidsongeschiktheid in beginsel is gehouden alle medewerking te verlenen aan inspanningen die erop gericht zijn de oorzaken daarvan weg te nemen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiser] dat laatste nagelaten. Hij heeft de oproep van [A] voor een gesprek immers meerdere malen genegeerd. Hij stelt weliswaar dat hij wel bereid was om een gesprek te voeren op neutraal terrein, bijvoorbeeld op het kantoor van zijn gemachtigde, maar hij miskent hiermee dat hij als werknemer in beginsel gehouden is om gevolg te geven aan instructies van de werkgever en het niet aan de werknemer is om voorwaarden te stellen (HR 3 maart 1995, JAR 1995, 79). Dat hij om psychische redenen niet in staat was om voor een gesprek op het hoofdkantoor te verschijnen is niet gebleken. Het beroep van [eiser] op situatieve arbeidsongeschiktheid kan dan ook niet worden gevolgd.

4.4.

Naar het oordeel van de kantonrechter leidt dit ertoe dat de schade die [eiser] stelt te hebben geleden is ontstaan doordat [eiser] niet heeft meegewerkt aan de oplossing van het arbeidsconflict en niet door het niet nemen van een beslissing door het UWV. Van een causaal verband tussen de bestreden gedraging en de gestelde schade is dan ook geen sprake.

Daar komt nog bij dat evenmin aannemelijk is gemaakt dat een beslissing van het UWV over zijn arbeidsongeschiktheid voor [eiser] positief zou zijn uitgevallen in die zin dat het UWV zou hebben geoordeeld dat hij vanaf 24 november 2010 arbeidsongeschikt was. [eiser] heeft daartoe slechts een verklaring van zijn behandelend psycholoog overgelegd, waaraan in het licht van het oordeel van de bedrijfsarts geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend. Andere feiten of omstandigheden waaruit zijn arbeidsongeschiktheid kan worden afgeleid zijn niet gesteld of gebleken.

4.5.

Dit betekent dat de vordering op de subsidiaire grondslag evenmin toewijsbaar is.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van het UWV. Deze worden, nu het UWV zich door haar bedrijfsjurist heeft laten vertegenwoordigen, vastgesteld op 1 punt van het geldende liquidatietarief van € 400,-.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van het UWV, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 400,- aan salaris gemachtigde;

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.M. de Laat, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 5 november 2014.