Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:5540

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-11-2014
Datum publicatie
06-11-2014
Zaaknummer
16.659313-14 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een man uit Almere is door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaar voor het doden van zijn partner in maart 2014 in Almere. De rechtbank achtte doodslag bewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Lelystad

Parketnummer: 16.659313-14 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 6 november 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1984] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

thans gedetineerd te Amsterdam, HvB De Schans.

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen op 12 juni 2014. Het onderzoek ter terechtzitting is hervat op 4 september 2014. Op 23 oktober 2014 heeft de inhoudelijke behandeling van de strafzaak plaatsgevonden.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F. Rethmeier en van de standpunten door de raadsman van verdachte, mr. G.I. Roos, naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

Primair

hij in of omstreeks de periode van 7 maart 2014 tot en met 9 maart 2014 te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk en met voorbedachte rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, de keel van die [slachtoffer] dichtgeknepen en/of dichtgedrukt en/of dichtgeknepen en/of dichtgedrukt gehouden, in elk geval (uitwendig mechanisch) samendrukkend geweld op de keel/hals van die [slachtoffer] uitgeoefend en/of (daarbij) de

mond van die [slachtoffer] dichtgehouden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 7 maart 2014 tot en met 9 maart 2014 te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk, de keel van die [slachtoffer] dichtgeknepen en/of dichtgedrukt en/of dichtgeknepen en/of dichtgedrukt gehouden, in elk geval (uitwendig mechanisch) samendrukkend geweld op de keel/hals van die [slachtoffer] uitgeoefend en/of (daarbij) de mond van die [slachtoffer] dichtgehouden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte vrij te spreken van de primair ten laste gelegde moord, nu er geen sprake is geweest van een moment van bezinning waarin verdachte zich heeft kunnen beraden op het te nemen besluit om [slachtoffer] van het leven te beroven. De officier van justitie heeft gevorderd de subsidiair ten laste gelegde doodslag wettig en overtuigend bewezen te verklaren.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair bepleit verdachte vrij te spreken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat er een causaal verband bestaat tussen het wurgen door verdachte enerzijds en het overlijden van [slachtoffer] anderzijds. Subsidiair heeft de verdediging vrijspraak bepleit van de primair ten laste gelegde moord, nu er geen sprake is geweest van voorbedachte raad.

Het oordeel van de rechtbank1

De rechtbank acht de primair ten laste gelegde moord niet wettig en overtuigend bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank acht de subsidiair ten laste gelegde doodslag wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank overweegt daartoe het navolgende.

Op zondag 9 maart 2014 omstreeks 17.38 uur kwam een melding binnen bij de politie dat de bewoners van de [adres]zouden zijn overleden. In de woning werden het slachtoffer [slachtoffer] alsook verdachte door de gearriveerde politieagenten liggend op bed aangetroffen. Kort daarop bleek dat [slachtoffer] was overleden en dat verdachte nog leefde.2 In de woning werd eveneens een sterke chloorlucht geroken en verscheidene hulpverleners vertoonden verschijnselen van onwelwording.3

Tijdstip van overlijden

Forensisch arts E.I. Hofstra heeft op 9 maart 2014 om 23:00 uur een lijkschouwing verricht. Hij heeft in zijn rapport van 10 maart 2014 aangegeven dat de dood van [slachtoffer] waarschijnlijk 6 tot 12 uur voor de lijkschouw is ingetreden.4 In een aanvullend rapport van 26 maart 2014 heeft E.I. Hofstra vermeld dat er geen temperatuurmeting heeft plaatsgevonden van het lichaam en de omgeving, omdat het raam van de woning tijdens de lijkschouw ongeveer 5 uur had opengestaan en het slachtoffer niet meer afgedekt was. Een schatting van het tijdstip van overlijden werd hierdoor sterk bemoeilijkt. De arts heeft daarom verondersteld dat de dood is ingetreden tussen 6 tot 24 uur voor het tijdstip van de lijkschouw op 9 maart 2014 om 23:00 uur.5 In een aanvullende rapportage d.d. 28 juli 2014 stelde de arts dat een tijdstip van overlijden van meer dan 24 uur voor de lijkschouw niet is uitgesloten.6

Uit het dossier blijkt dat het slachtoffer op 7 maart 2014 rond 18:18 uur nog is te zien op camerabeelden van de Albert Heijn.7 Eveneens blijkt dat de gsm van het slachtoffer tot vrijdagavond 7 maart 23:42 uur intensief werd gebruikt, maar dat er tussen 7 maart 23:42 uur en 9 maart 03:29 uur enkel inkomend verkeer heeft plaatsgevonden.8 Voorts blijkt uit de verklaringen van de verdachte dat hij in de late avond van 7 maart 2014 dan wel in de nacht van 8 maart 2014 ruzie heeft gekregen met het slachtoffer en dat hij het slachtoffer bij zijn keel heeft gegrepen.9 Daarnaast blijkt uit het dossier dat op 9 maart 2014 te 02:04:51 uur met de gsm van verdachte een bericht is gestuurd naar de zus van verdachte, [A], met de tekst: ‘I killed my bf break the news good for me’.10

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat [slachtoffer] in de periode van 7 maart 2014 tot en met 9 maart 2014 is overleden.

Doodsoorzaak en betrokkenheid verdachte

Dr. B. Kubat, arts en patholoog van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) concludeert in haar rapport van 6 juni 2014 dat het overlijden van het slachtoffer kan worden verklaard door verstikking in het kader van samendrukkend geweld op de hals en dat van een andere doodsoorzaak niet is gebleken. Zij stelt dat bij de sectie tekenen van uitwendig mechanisch geweld op de hals zichtbaar waren, welke bij leven waren ontstaan. Zo waren uitgebreide bloeduitstortingen in de oppervlakkige en diepe halsspieren aan beide zijden van de hals zichtbaar, met name gelegen rond het niveau van de schildklier. Het hieraan ten grondslag liggende inwerkende geweld kan samendrukkend of botsend zijn geweest. Voorts heeft zij een bloedstuwing in het gelaat en het hoofdgebied waargenomen. Deze bloedstuwingen, alsmede een complex van letsels in de hals, zijn waarschijnlijker veroorzaakt door samendrukkend geweld dan door botsend geweld. Dr. B. Kubat stelt voorts dat het ontbreken van afwijkingen in het maag/darm stelsel en de luchtwegen aangeven dat er geen sprake was van het inslikken van etsende substanties zoals bijvoorbeeld een chloorhoudende vloeistof. Tevens waren er geen aanwijzingen voor ziekelijke orgaanafwijkingen die het intreden van de dood zouden kunnen verklaren of hiervoor van betekenis zouden kunnen zijn. Voorts werd een toxicologische bijdrage of verklaring van het overlijden niet aangetoond.11

Radioloog P.A.M. Hofman concludeert dat de dood van het slachtoffer hoogstwaarschijnlijk het gevolg is van strangulatie welke heeft geleid tot uitgebreide longafwijkingen. Daarbij heeft een slijmvlieszwelling in de keel mogelijk bijgedragen aan het intreden van de dood.12

Dr. B. Kubat alsmede radioloog P.A.M. Hofman zijn naar aanleiding van hun bevindingen gehoord door de rechter-commissaris. Dr. Kubat verklaarde op 24 september 2014 dat slijmvlieszwellingen en longafwijkingen een verwikkeling of een gevolg zijn van het overlijden van een persoon. Het longoedeem dat is aangetroffen bij het slachtoffer alsook de slijmvlieszwellingen hebben mogelijk licht bijgedragen aan de dood, maar zijn als zodanig niet de primaire doodsoorzaak. Voorts verklaarde zij dat de chloordampen niet in relatie staan tot de dood van het slachtoffer noch dat zij beschadigingen heeft gezien die zijn veroorzaakt door etsende stoffen. Daarbij acht zij het onwaarschijnlijk dat het slachtoffer nog enkele uren heeft geleefd na de strangulatie, nu er bij het slachtoffer geen tekenen van zuurstofgebrek in de hersenen zijn aangetroffen. Gelet op het voorgaande concludeert zij dat een andere verklaring voor de dood van [slachtoffer] dan verstikking door samendrukkend geweld op de hals door strangulatie niet is vastgesteld.13 De radioloog P.A.M. Hofman verklaarde tijdens zijn verhoor op 10 oktober 2014 dat hij de conclusies ten aanzien van de doodsoorzaak door dr. B. Kubat onderschrijft.14

Verdachte heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting op 23 oktober 2014 verklaard dat hij in de late avond van 7 maart 2014 naar de slaapkamer ging en dat het slachtoffer kort daarop naar boven kwam en seks wilde. De verdachte heeft verklaard dat hij daarna seks heeft gehad met het slachtoffer. Het slachtoffer bleef, nadat verdachte in de ogen van het slachtoffer vroegtijdig was klaargekomen, aandringen op seks waarna verdachte voelde dat iets metaalachtigs in zijn hand prikte. Verdachte heeft het slachtoffer vervolgens gedurende enige tijd vastgegrepen bij zijn hals en hem van zich afgeduwd. Verdachte heeft verklaard dat hij hierop naar de badkamer is gelopen en aldaar medicijnen heeft ingenomen met de bedoeling om zelfmoord te plegen. Verdachte is vervolgens naast het slachtoffer op bed gaan liggen en is hierna op enig moment weer wakker geworden. Hierop voelde verdachte dat het slachtoffer niet meer bewoog. Hij wist op dat moment dat het slachtoffer was overleden. Verdachte verklaarde dat hij vervolgens enkele berichten met zijn gsm heeft verstuurd. Verdachte heeft daarna van een fles met chloor gedronken en is vervolgens wakker geworden in het ziekenhuis.15

Door de raadsman is bepleit dat niet uitgesloten kan worden dat het slachtoffer pas nadat de verdachte chloor heeft gedronken is overleden. Hij heeft gewezen op de mogelijkheid dat het slachtoffer na de ruzie met verdachte bewusteloos is geraakt of in een diepe slaap is gevallen en dat hij, nadat verdachte de chloor dronk, de chloorgassen heeft ingeademd ten gevolge waarvan hij is overleden. De rechtbank verwerpt hetgeen door de raadsman is aangevoerd. De rechtbank overweegt dat dr. B. Kubat tijdens haar verhoor bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat het in theorie mogelijk is dat iemand nog een periode leeft na samendrukkend geweld op de hals - bijvoorbeeld in een comateuze toestand - maar dat, wanneer een dergelijke toestand een aantal uren zou duren, zij in de hersenen tekenen van zuurstoftekort zou waarnemen. Dergelijke tekenen zijn bij het slachtoffer niet waargenomen. Gelet op het voorgaande concludeert zij dat het onwaarschijnlijk is dat het slachtoffer na de strangulatie nog een aantal uren heeft geleefd. De rechtbank overweegt voorts dat uit de verklaringen van de verdachte kan worden afgeleid dat hij, voordat hij besloot om van het chloor te drinken, reeds wist dat het slachtoffer was overleden. Deze verklaring van verdachte, in samenhang bezien met de verklaring van dr. B. Kubat, maken dat het zeer onwaarschijnlijk is dat [slachtoffer] na de strangulatie nog enkele uren heeft geleefd en dat hij pas is overleden nadat verdachte van het chloor heeft gedronken.

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat [slachtoffer] is overleden ten gevolge van verstikking in het kader van samendrukkend geweld op de hals. Gelet daarop en op de verklaring van verdachte komt de rechtbank tot de slotsom dat het niet anders kan dan dat het geweld bestond uit het dichtknijpen of dichtdrukken en dichtgeknepen of dichtgedrukt gehouden van de keel van het slachtoffer en dat verdachte dit geweld toegepast heeft.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag geplaatst hoe deze handelingen van verdachte dienen te worden gekwalificeerd.

Moord/doodslag

De rechtbank is van oordeel dat voornoemd handelen van de verdachte niet als voorbedachten rade is aan te merken. Voor een bewezenverklaring van voorbedachten rade is vereist dat, behoudens contra-indicaties, komt vast te staan dat de verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen besluit of het genomen besluit, zodat hij gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Er zijn geen feiten en omstandigheden gebleken waaruit kan volgen dat verdachte [slachtoffer] met voorbedachten rade om het leven heeft gebracht. De rechtbank spreekt de verdachte derhalve vrij van de primair ten laste gelegde moord.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het handelen van verdachte kan worden gekwalificeerd als doodslag.

Uit de bewijsmiddelen, in het bijzonder de verklaring van verdachte, kan niet worden afgeleid dat verdachte zodanig heeft gehandeld dat kan worden gesproken van opzet in enge zin op de dood van [slachtoffer]. De rechtbank ziet zich derhalve voor de vraag gesteld of verdachte al dan niet het voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer]. Bij het dichtknijpen of dichtdrukken en dichtgeknepen of dichtgedrukt gehouden van de keel van een mens is sprake van een aanmerkelijke kans dat degene die dergelijke handelingen ondergaat ten gevolge daarvan komt te overlijden. Een van de meest elementaire functies van het menselijk lichaam, de ademhaling, wordt daardoor immers geblokkeerd. Het aldus handelen door verdachte moet bovendien naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op dat gevolg, de dood van het slachtoffer, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard.

De rechtbank acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer]. De rechtbank acht aldus wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde doodslag van [slachtoffer].

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

Subsidiair

hij in de periode van 7 maart 2014 tot en met 9 maart 2014 te Almere, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk, de keel van die [slachtoffer] dichtgeknepen of dichtgedrukt en dichtgeknepen of dichtgedrukt gehouden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

doodslag.

7 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte een beroep op noodweer toekomt, omdat verdachte zich heeft verdedigd tegen de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn lijf nu uit de verklaringen van verdachte volgt dat het slachtoffer fysieke druk op hem uitoefende om hem tot seks te dwingen en hem stak en bedreigde met een mes. Deze verdediging was noodzakelijk en geboden nu verdachte geen mogelijkheid had de kamer te verlaten.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat niet aannemelijk is geworden dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Voorts heeft zij betoogd, indien er wel sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, dat de door verdachte toegepaste verdediging niet noodzakelijk was.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beantwoording van de vraag of de verdachte een beroep op noodweer toekomt, ziet de rechtbank zich allereerst voor de vraag gesteld of aannemelijk is dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

De rechtbank overweegt dat ten aanzien van hetgeen zich in de slaapkamer heeft afgespeeld niets bekend is behalve hetgeen verdachte daarover heeft verklaard. De verdachte verklaarde ter terechtzitting dat het slachtoffer, nadat verdachte was klaargekomen, bleef aandringen om seks met hem te hebben. Hij drong zich daarbij op agressieve wijze op aan verdachte terwijl verdachte steeds probeerde hem te laten stoppen. Het slachtoffer zou verdachte vervolgens hebben vergeleken met de minnaar van het slachtoffer, waarna verdachte voelde dat iets in zijn hand prikte. Dit voelde bij verdachte als een metalen voorwerp. Hij heeft niet gezien wat dit was. Bij de politie heeft verdachte, anders dan tijdens het onderzoek ter terechtzitting, verklaard dat hij in zijn linkerhand werd gestoken door een mes. Voorts verklaarde hij dat het slachtoffer hem gedurende hun relatie meermalen heeft verkracht. Tijdens zijn verhoor als getuige op 10 maart 2014 verklaarde verdachte dat hij had ontdekt dat het slachtoffer vreemd was gegaan. Verdachte is vervolgens naar de slaapkamer gelopen en heeft daar de HIV medicatie van het slachtoffer, meerdere pijnstillers en slaappillen ingenomen teneinde zelfmoord te plegen. Pas hierna hebben verdachte en het slachtoffer ruzie gekregen en hebben zij gevochten. Verdachte heeft bij dit verhoor niet gesproken over een metalen voorwerp, een mes of over een prik in zijn hand. Gelet op deze wisselende verklaringen, mede gelet op het feit dat bij de verdachte geen steekverwondingen zijn waargenomen, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat het slachtoffer verdachte heeft aangevallen met een mes.

Het rechtbank constateert voorts dat het alleen de verdachte is geweest die over verkrachtingen en geweldshandelingen door het slachtoffer heeft verklaard, zonder dat daarvoor enig ander concreet aanknopingspunt in het dossier is te vinden. In onderhavige zaak zijn immers een groot aantal getuigen gehoord die allen hebben verklaard over verdachte, slachtoffer en hun leven samen. Uit geen van deze verklaringen is gebleken dat het slachtoffer eerder geweldshandelingen tegen de verdachte heeft toegepast. Evenmin is gebleken dat, anders dan verdachte bij de politie heeft verklaard, er eerder sprake was van verkrachtingen door het slachtoffer. De rechtbank is, mede gelet op het feit dat verdachte in eerste instantie vrijwillig seks heeft gehad met het slachtoffer, van oordeel dat niet aannemelijk is dat het handelen van het slachtoffer dusdanig was dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet aannemelijk is dat het slachtoffer verdachte heeft aangevallen met een mes of dat het slachtoffer verdachte anderszins gewelddadig benaderde.

Niet aannemelijk is derhalve dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich mocht verdedigen. Aldus wordt het beroep op noodweer verworpen.

Het feit is derhalve strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFBAARHEID VAN DE DADER

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft subsidiair bepleit dat sprake is geweest van noodweerexces.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat niet aannemelijk is geworden dat er sprake was van noodweerexces.

Het oordeel van de rechtbank

Nu de rechtbank niet aannemelijk acht dat sprake is geweest van een noodzakelijke verdediging geboden tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding kan het beroep op noodweerexces evenmin slagen.

Verdachte is derhalve strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

9 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren. Zij heeft geen TBS met voorwaarden of TBS met dwangverpleging gevorderd nu een dergelijke maatregel, gelet op verblijfstatus van de verdachte, praktisch niet uitvoerbaar is. Daarbij acht zij het recidiverisico lager dan dat is ingeschat door de deskundigen van het NIFP zodat een behandeling van de verdachte in het kader van een TBS maatregel niet noodzakelijk is.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van een op te leggen straf verzocht rekening te houden met de persoon van de verdachte, zijn schuldbesef en wroeging, zijn verminderde toerekeningsvatbaarheid, zijn verleden, het feit dat verdachte zelfmoord heeft pogen te plegen, het feit dat verdachte first offender is en het matige en niet acute recidivegevaar. De raadsman heeft voorts verzocht geen TBS met dwangverpleging op te leggen nu deze maatregel primair de samenleving tegen ernstig recidivegevaar beschermt en dit recidivegevaar bij verdachte als matig wordt ingeschat. Voorts heeft hij verzocht dat, indien de rechtbank een TBS maatregel oplegt, aansluiting dient te worden gezocht bij het advies van de rapporteurs in de tripel-rapportage en verdachte een TBS met voorwaarden op te leggen.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de doodslag op [slachtoffer]. In het bijzonder overweegt de rechtbank ten aanzien van de ernst van het feit het volgende.

Verdachte heeft zijn partner, [slachtoffer] van het leven beroofd. Verdachte heeft door aldus te handelen hem het meest waardevolle dat hij had, zijn leven, ontnomen. Het behoeft geen nadere uitleg dat verdachte onbeschrijfelijk veel leed heeft toegebracht aan de moeder, broers, zuster en overige familieleden van het slachtoffer alsmede aan anderen die het hem lief hadden. Uit het dossier en uit de ter terechtzitting van 23 oktober 2014 voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaringen blijkt dat de nabestaanden onnoemelijk veel verdriet is aangedaan en dat het overlijden van het slachtoffer een groot gemis voor hen betekent.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank kennisgenomen van het Pro Justitia Rapport (tripel rapportage) d.d. 16 oktober 2014, opgemaakt door drs. F.A.T. van Maarschalkerweerd, GZ-psycholoog, drs. H.A. Gerritsen, forensisch psychiater en W. van Kreel, forensisch milieurapporteur.

Het rapport vermeldt dat verdachte gedurende zijn leven, met name gedurende zijn kinder- en tienerjaren, ernstig is getraumatiseerd. De vader van verdachte heeft verdachte vele jaren mishandeld en vernederd. Daarbij was verdachte gedurende zijn jeugd op Jamaica middelpunt van pesterijen ten gevolge van zijn seksuele geaardheid. In zijn latere jaren ondervond verdachte gedurende zijn leven op Jamaica regelmatig sterk de negatieve consequenties van zijn geaardheid. Ten gevolge van deze traumatische ervaringen is verdachte een in de kern zeer ernstig getraumatiseerd en sterk agressiegeremd persoon. Hij overleeft door voor hem op traumatisch lijkende situaties letterlijk en figuurlijk te ontvluchten. Hij probeert zich daarbij staande te houden door zich vooral in intieme relaties overmatig aan te passen en weg te cijferen. Hij richt zich hierbij met name op het gelukkig maken van de ander, teneinde aardig gevonden te worden en niet gehaat en mishandeld te worden.

Het rapport concludeert dat verdachte lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van een persoonlijkheidsstoornis niet anderszins omschreven met afhankelijke en borderline trekken en een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de zin van een depressieve stoornis, matig ernstig van aard en grotendeels in remissie. Het handelen van de verdachte ten aanzien van de ten laste gelegde feiten kan voor een belangrijk deel verklaard worden door voormelde persoonlijkheidsstoornis. Gelet hierop wordt geadviseerd verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De rechtbank neemt de conclusie van de deskundigen over dat er sprake is van een vermindering van de toerekeningsvatbaarheid en maakt die de hare.

De deskundigen adviseren ten aanzien van de straf een klinische behandeling met aansluitend een ambulante behandeling in het kader van een TBS met voorwaarden nu het risico op herhaling van een nieuw geweldsdelict door de rapporteurs als matig wordt ingeschat.

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank voorts rekening met een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 13 maart 2014, waaruit volgt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is gekomen.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren passend en geboden. De rechtbank komt, rekening houdend met haar strafoplegging in vergelijkbare gevallen, tot een lagere straf dan de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat rekening gehouden met de omstandigheden, waaronder het feit is gepleegd en het feit dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. De rechtbank zal, anders dan is geadviseerd door de deskundigen van het NIFP, geen TBS met voorwaarden opleggen. De rechtbank overweegt daartoe dat een behandeling, gelet op de psychische gesteldheid van de verdachte, weliswaar als geëigend wordt geacht, maar dat de maatregel van TBS met voorwaarden - gezien de maximering van op te leggen gevangenisstraf tot vijf jaren - gelet op de ernst van het delict en het matige recidivegevaar niet passend en geboden is.

10 DE BENADEELDE PARTIJEN

Voor aanvang van de terechtzitting hebben [B], [C], [D] en [E] – daartoe vertegenwoordigd door mr. L.A.M.G. Wellen – zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte primair en subsidiair ten laste gelegde feit. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij [B] begroot op een bedrag van € 16.680,00 en bestaande uit € 13.000,00 immateriële schade en € 3.680,00 materiële schade. De hoogte van de schade wordt door de benadeelde partijen [C], [D] en [E] per benadeelde partij begroot op een bedrag van € 13.000,00, bestaande uit immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de door [B], [C], [D] en [E] gevorderde immateriële schade af te wijzen nu artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek geen mogelijkheid biedt tot vergoeding van immateriële schade aan nabestaanden. Zij heeft gevorderd de door [B] gevorderde materiële schade van € 3.680,00 toe te wijzen. De officier van justitie heeft ten aanzien van voornoemde materiële schade gevorderd de schademaatregel op te leggen en voornoemd bedrag met inbegrip van de wettelijke rente toe te wijzen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit de door [B], [C], [D] en [E] gevorderde immateriële schade af te wijzen nu er geen sprake is van shockschade. De raadsman heeft daarbij bepleit dat ten aanzien van de door [B] gevorderde materiële schade een bewijsstuk ontbreekt dat dit bedrag daadwerkelijk is betaald.

Het oordeel van de rechtbank

De vorderingen van de benadeelde partijen [C], [D] en [E] dienen te worden afgewezen nu artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek geen mogelijkheid biedt tot vergoeding van immateriële schade aan nabestaanden.

Dit laatste geldt evenzeer en met dezelfde motivering voor de vordering van benadeelde partij [B], voor zover het gaat om de immateriële schade.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat [B] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het onder 5 bewezen verklaarde feit. De hoogte van die materiële schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 3.680,00. Voornoemd bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het onder 1 ten laste gelegde feit is gepleegd tot de dag van algehele voldoening en de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij [B] zal de rechtbank overeenkomstig artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom ten behoeve van de benadeelde partij.

11 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 9, 10, 27, 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart niet bewezen hetgeen primair aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat subsidiair meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar en kwalificeert deze zodanig als hierboven onder 6 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Benadeelde partijen

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [B], wonende te [woonplaats], van een bedrag van € 3.680,00 (zegge: zessendertighonderdtachtig euro), vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 8 maart 2014, tot die van de voldoening en wijst de vordering voor het overige af;

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan de verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 3.680,00 ten behoeve van het slachtoffer [B] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 46 dagen hechtenis;

- wijst de vorderingen van de benadeelde partijen [C], [D] en [E] af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Holten, voorzitter, mrs. C.A. de Beaufort en K.G. van de Streek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Arends, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 november 2014.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer 20140605.1520.4366, doorgenummerd 1 tot en met 1636.

2 Pagina 71 en 72.

3 Pagina 73.

4 Pagina 921.

5 Pagina 923 en 924.

6 Aanvullend rapport t.b.v. beantwoording vragen, GGD, drs. E.I. Hofstra, forensisch arts, 28 juli 2014, pagina 3.

7 Pagina 766.

8 Pagina 1084.

9 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 23 oktober 2014.

10 Pagina 1092.

11 Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, NFI, dr. B. Kubat, arts en patholoog, 6 juni 2014, pagina 4, 5 en 6.

12 Verslag Forensische Radiologie, Maastricht UMC, dr. P.A.M. Hofman, radioloog, 5 juni 2014, pagina 2.

13 Zie het proces-verbaal van het verhoor van deskundige B. Kubat door de rechter-commissaris op 24 september 2014, RC-nr. 14/2680.

14 Zie het proces-verbaal van het verhoor van deskundige P.A.M. Hofman door de rechter-commissaris op 24 september 2014, RC-nr. 14/2680, pagina 2.

15 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 23 oktober 2014.