Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:5538

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-11-2014
Datum publicatie
06-11-2014
Zaaknummer
16/661597-13 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft op 1 februari 2013 in Utrecht als bestuurder van een personenauto een verkeersongeval veroorzaakt. Verdachte had kort daarvoor het voor hem rode verkeerslicht genegeerd en is met onverminderde snelheid tegen een voor hem van links komende personenauto gebotst. Bij dit verkeersongeval heeft de passagier van de van links komende auto letsel opgelopen, waarvan zij nog lang nadien last heeft gehad. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van vier maanden en een rijontzegging van 6 + 12 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/661597-13 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 4 november 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1979],

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2014, 12 augustus 2014 en 21 oktober 2014. De verdachte is op genoemde data niet verschenen en heeft zich ter terechtzitting van 12 augustus 2014 en 21 oktober 2014 laten vertegenwoordigen door mr. C. Lammers, advocaat te Utrecht, uitdrukkelijk gemachtigde.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd.

De tenlastelegging is, met wijziging, als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1. primair

Op 1 februari 2013 te Utrecht als bestuurder van een personenauto een verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij [slachtoffer 1] gewond is geraakt;

1. subsidiair

Op 1 februari 2013 te Utrecht als bestuurder van een personenauto, zich zodanig heeft gedragen in het verkeer dat hij daarmee hinder en/of gevaar heeft veroorzaakt voor het overige verkeer;

2.

Op 1 februari 2013 te Zeist heeft geweigerd mee te werken aan een ademonderzoek, terwijl hij verdacht werd van het rijden onder invloed;

3.

Op 1 februari 2013 te Utrecht heeft gereden als bestuurder van een personenauto terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard;

4.

Op 1 februari 2013 te Utrecht [slachtoffer 2] heeft mishandeld.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat de raadsvrouw naar voren heeft gebracht.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Ten aanzien van feit 1:

Verdachte [verdachte] heeft verklaard dat hij op 1 februari 2013, om ongeveer 21.30 uur, reed als bestuurder van een personenauto merk Alfa Romeo, over de weg van De Bilt in de richting Utrecht. Het was regenachtig weer. De weg was nat.

Ik reed op de rechter rijstrook. Ik kwam bij een kruising met verkeerslichten. Het gaat hier

over de kruising van de Biltse Rading met de snelweg naar Hilversum en het stadion.. Ik wilde die kruising rechtdoor gaande oversteken en doorrijden in de richting van Utrecht.

Toen ik op de kruising kwam, zag ik een auto aankomen. Ik zag dat die voor mij van links kwam. Ik zag dat ik een aanrijding niet meer kon vermijden. Ik zag en voelde dat ik met de door mij bestuurde auto een Citroën, kleur blauw, raakte met de linkerzijde van de door mij bestuurde auto die aan andere auto aan de rechter achterkant.2

De getuige [getuige 1] heeft bij de politie het volgende verklaard.

Op 1 februari 2013 omstreeks 21.30 uur reed ik op de Biltse Rading. Ik reed richting Utrecht en naderde de kruising met de op- en afrit van de A27.

Ik was samen met mijn vriend [getuige 2]. Ik zag toen dat er een auto voor mij reed, eveneens in de richting van voornoemde kruising. Ik zag dat het voor ons geldende verkeerslicht rood was. Ik zag toen dat de bestuurder van de andere auto, een Alfa Romeo, niet stopte voor het rode licht maar doorreed. Ik zag dat op de kruising een auto van links ook de kruising opreed. Ik zag dat beide auto’s op elkaar botsten.

We stopten en stapten direct uit. Ik zelf liep naar de Alfa Romeo. Daar aangekomen zag ik een inzittende in deze auto. Ik liep naar hem toe en zei dat hij mee moest lopen naar de twee vrouwen in de auto wat hij ook deed. Ik had inmiddels geroken dat hij naar alcohol rook.

3

De getuige [getuige 2] heeft bij de politie het volgende verklaard.

Op 1 februari 2013 omstreeks 21.20 uur reed ik samen met mijn vriend [getuige 1] in een auto op de Biltse Rading in De Bilt. Wij wilden de autosnelweg A27 op in de richting van Hilversum.

Wij naderden de kruising en zagen dat al de verkeerslichten voor de kruising rood licht hadden. Ik zag toen dat links van ons een auto ons met hoge snelheid voorbij reed. Ik zag dat deze auto vervolgens niet stopte voor het rode licht maar doorreed.

Ik zag dat deze auto vervolgens tegen een andere auto aanreed, die van links deze kruising opreed.

De man uit de veroorzakende auto (…) rook naar alcohol.

De man die de aanrijding veroorzaakt heeft en zo agressief was, is de man die de politie even later op de grond duwde en boeide.4

De getuige [slachtoffer 1] heeft bij de politie het volgende verklaard.

Op vrijdag 1 februari 2013 ben ik slachtoffer geworden van een verkeersongeval.

Op vrijdagavond was ik met mijn dochter in Utrecht geweest. Omstreeks 21.00 uur reden wij weer richting huis. Wij reden met mijn personenauto, merk Citroën, type C1 en voorzien van het kenteken [kenteken]. Ik zat naast mijn dochter als passagier.

Via de Sartreweg te Utrecht reden wij rechtsaf de Biltse Rading op om hierop volgend naar de rijksweg A27 te gaan.

Ik zag, na te zijn voorgesorteerd, het verkeerslicht op rood staan. Hierop stopte mijn dochter. Na enig moment sprong het verkeerslicht op groen. Hierna trok mijn dochter op.5

Naar aanleiding van de aanrijding heb ik mij onder medische behandeling moeten laten stellen. Als gevolg van de aanrijding heb ik een snede in mijn voorhoofd, een hersenschudding, een gekneusde rechter boven- en onderarm, een bloeduitstorting op mijn rechter heup en een lichte bloeduitstorting op aan mijn linkerarm.

Als gevolg van het voornoemde letsel heb ik moeite met functioneren. Ik heb hoofdpijn en aangezichtspijn. Ik voel dat de bloeduitstortingen het functioneren van mijn rechterarm en been als ook dat van mijn gezicht beletten. 6

Uit de bijlage bij het zogeheten SEH-formulier betreffende het slachtoffer blijkt dat sprake is van tijdelijke ziekte en verhindering in de normale bezigheden. Dit blijkt onder meer uit de uitdraai van het medisch dossier waarin onder meer wordt vermeld7:

“4-11-13: sinds paar dagen weer last van duizeligheid”

“09-04-13: herstel valt tegen, vorige week weer draai rug gemaakt en meer pijn”

“25-03-13: door rug gegaan. Wilde net volgende week weer terug naar werk”

“27-02-13: bij fysieke inspanning duizelig en misselijk”

“20-02-13: merkt nog erg vermoeid, zeker na wat inspanning, zelfs kleine klusje geven nog vermoeidheid en duizeligheid.”

“04-02-13: vanwege hersenschudding rustig aan doen”

De betrokkene [betrokkene] heeft bij de politie het volgende verklaard.

Op 1 februari 2013 omstreeks 21.15 uur ben ik samen met mijn moeder vertrokken vanuit de Ambachtstraat te Utrecht. Wij wilden via de Veemarkt in de richting van de Rijksweg A27 richting Hilversum rijden. (…) Aangekomen bij de eerste verkeerslichten voor het viaduct A27 zag ik dat het verkeerslicht op groen stond. Na de viaduct heb ik een rijstrook voor links afslaand verkeer. Ik zag dat dit verkeerslicht op rood stond. Ik ben toen stil gaan staan. Ik stond als eerste voor dit verkeerslicht.

Op gegeven moment zag ik dat het verkeerslicht voor links af op groen sprong. Ik trok vervolgens op. Op dat moment zag ik vanuit de tegenovergestelde richting lichten van auto’s komen. De lichten van de voorste auto trokken mijn aandacht omdat ik zag dat deze auto harder reed dan de andere auto’s.

Zoals gezegd ben ik nadat ik groen licht had gekregen opgetrokken. Na dit verkeerslicht krijg je meteen weer een verkeerslicht. Dit licht staat net voor de kruising met de weg uit De Bilt. Ik zag dat ook dit verkeerslicht op groen sprong.

Terwijl ik optrok en richting de kruising reed, keek ik naar rechts naar de auto die vanuit De Bilt kwamen. Met name naar de voorste auto. Ik zag namelijk dat deze zonder vaart te minderen gewoon doorreed.

Op het moment dat ik op de kruisende weg reed zag ik nog steeds dat die auto zonder vaart te verminderen door reed en recht op ons af kwam. Op dat moment gaf ik extra gas om te voorkomen dat die auto ons zou raken.

Het moment daarna stonden we in het gras.8

Ten aanzien van feit 2 en 3:

Op 1 februari 2014 te 21.23 uur kregen de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] kennis van een verkeersongeval op de Biltse Rading te De Bilt.

Ter controle op de naleving van de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gestelde voorschriften, stelden wij een onderzoek in. Daaruit bleek dat de hierna genoemde persoon (de rechtbank begrijpt dat bedoeld wordt [verdachte]) als bestuurder van een voertuig bij dit ongeval betrokken was.

Verbalisant [verbalisant 1] sprak de bestuurder aan. Het eerste directe contact leidde tot de verdenking van een gedraging in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994.

[verbalisant 1] nam waar dat de adem van de man naar het inwendig gebruik van alcoholhoudende drank riekte en hij zag dat de man bloeddoorlopen ogen had.

Verbalisanten spraken deze bestuurder aan en zagen dat hij recalcitrant was en niet met hen in gesprek wilde gaan. Zij zagen vervolgens dat de man een omstander sloeg.

De man werd vervolgens aangehouden en overgebracht naar het politiebureau te Zeist.

De verdachte gaf op te zijn genaamd: [verdachte], geboren op [1979] te Utrecht.

Verbalisant [verbalisant 1] heeft de verdachte bevolen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, lid 2, onder a van de Wegenverkeerswet 1994 en deelde verdachte tevens mede dat hij verplicht was tijdens dit onderzoek gevolg te geven aan alle door de daartoe aangewezen bedienaar van het ademanalyseapparaat, gegeven aanwijzingen. Vervolgens is medegedeeld dat een weigering van dit onderzoek een misdrijf oplevert.

De verdachte gaf geen gevolg aan dit bevel hetgeen bleek uit het feit dat door hem in het geheel geen medewerking werd verleend aan het onderzoek.

[verbalisant 1] hoorde dat de verdachte verklaarde dat hij niet de bestuurder van de auto was geweest en dat hij er niets mee te maken had. [verbalisant 1] hoorde dat de verdachte zei dat hij niet zou meewerken aan het ademonderzoek.

De verdachte bestuurde een motorrijtuig, merk Alfa Romeo. Voor het besturen van dit motorrijtuig is een rijbewijs categorie B vereist.

Aan verdachte is op 27 augustus 1997 een rijbewijs AMB afgegeven.

Op 1 november 2011 is het rijbewijs AMB door het Centraal Buro Rijvaardigheid ongeldig verklaard.9

In een brief van de manager Vorderingen, divisie Rijgeschiktheid, d.d. 6 februari 2013, gericht aan de Politie Utrecht, wordt vermeld dat het besluit van 25 oktober 2011 (de rechtbank begrijpt dat daarmee bedoeld wordt het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs) zowel aangetekend als onaangetekend is verzonden. Zowel de aangetekende als de onaangetekende post is niet retour gekomen naar het CBR.10

Uit de bij eerdergenoemde brief gevoegd Besluit tot ongeldigverklaring rijbewijs d.d 25 oktober 2011 blijkt dat het rijbewijs van verdachte ongeldig is verklaard.11

Uit een schrijven van het CBR, Divisie Rijgeschiktheid d.d. 11 oktober 2012, gericht aan verdachte, blijkt dat verdachte op 9 juli 2012 een bezwaarschrift heeft ingediend tegen het besluit van het CBR van 25 oktober 2011.12

Ten aanzien van feit 4:

Op 1 februari 2013 heeft [slachtoffer 2] aangifte gedaan van mishandeling.

Hij heeft onder meer het navolgende verklaard.

Op 1 februari 2013 omstreeks 21.25 uur reed ik met mijn zoon vanuit Utrecht op de Biltse Rading naar de A27.

Op de kruising naar de oprit A27 richting Maartensdijk zagen wij allerlei auto-onderdelen en naar wat later bleek kledingstukken, paraplu etc. op de weg liggen.

Ik stopte op de vluchtstrook van de oprit.

Terwijl mijn zoon zich nog bezig hield met de passagier in de auto, stond er naast mij nog een derde man (die enigszins op Wayne Rooney leek) Deze man vroeg mij om een vuurtje. Ik antwoordde: “Ik heb geen vuurtje, want ik rook niet.”

Even later toen ik wat weggedraaid stond, greep deze Wayne Rooney mij enigszins van achteren bij mijn rechter oor en kneep er hard in en trok er behoorlijk hard aan. Dat deed erg pijn.

Ik zei tegen hem dat hij van mij af moest blijven.

Misschien een minuut later kreeg ik van achteren een forse vuistslag tegen mijn rechterkaak toegediend. Ik draaide mij weer naar deze Wayne Rooney toe waarop ik zag dat hij mij een harde klap met vlakke hand op mijn linkerwang gaf. Dit deed flink pijn.

In het bijzijn van de politie zag ik dus dat deze Wayne Rooney met zijn arm uithaalde richting de getuigen en mijzelf. De man die ter plaatse door de politie naar de grond werd gewerkt is de man die ik als Wayne Rooney beschreven heb en die mij dus geslagen en in mijn oor geknepen en getrokken heeft.13

De getuige [getuige 3] heeft bij de politie onder meer het navolgende verklaard.

Op 1 februari 2013 omstreeks 21.30 uur reed ik vanuit Utrecht naar Groningen. Ik kwam bij de oprit A27 en wilde linksaf de oprit oprijden.

Ik zag toen in de berm op deze kruising een personenauto staan. Tevens zag ik bij deze auto enkele mensen. Ik zag dat één van hen, een oudere man die een hoedje droeg, gemept werd door een andere man die veel jonger was. Ik zag dat deze man echt gemept werd. De man die door de politie naar de grond werd gewerkt en werd geboeid, is de man die de oudere man heeft gemept.14

De hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden worden slechts gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop deze blijkens de inhoud kennelijk betrekking hebben.

4.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot een bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte van het onder 1 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Verdachte ontkent dat hij door het voor hem rood licht uitstralende verkeerslicht is gereden. De snelheid waarmee verdachte reed bedroeg niet meer dan de maximaal ter plaatste toegestane 80 kilometer per uur. Verdachte heeft niet roekeloos of gevaarlijk rijgedrag vertoond. Er is sprake van een ongelukkige samenloop van omstandigheden geweest. Dat verdachte heeft gereden terwijl hij verkeerde onder invloed van alcoholhoudende drank kan niet wettig en overtuigend bewezen worden, aldus de verdediging. Er zijn alleen verklaringen dat de adem van verdachte riekte naar het gebruik van alcohol. Het causale verband tussen het gebruik van alcohol door verdachte en het ontstaan van het verkeersongeval ontbreekt.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte niet bewust heeft geweigerd aan het ademonderzoek mee te werken. Hij was boos en heeft in algemene zin geroepen dat hij niet wilde meewerken. Verdachte wist ook niet dat hij verplicht was om aan een dergelijk ademonderzoek mee te werken.

Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde feit heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van de onder 4 ten laste gelegde mishandeling heeft de verdediging aangevoerd dat vrijspraak dient te volgen voor het onderdeel van de tenlastelegging “ (hard) in/aan diens (rechter)oor heeft geknepen/getrokken”, nu de aangever [slachtoffer 2] de enige is die daarover heeft verklaard. Voor het overige heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1:

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte niet door het voor hem rood licht uitstralende verkeerslicht is gereden. Deze stelling van de verdediging wordt weersproken door de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] Daar komt bij dat uit de Verkeersongevalsanalyse blijkt dat de verkeerslichten op de betreffende kruising niet tegelijk groen licht krijgen. De rechtbank heeft geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van de inhoud van de Verkeersongevallenanalyse.

Uit de verklaringen van de hiervoor genoemde getuigen valt op te maken dat verdachte zijn snelheid niet heeft verminderd op het moment dat hij de kruising naderde, maar met onverminderde snelheid is doorgereden.

De rechtbank acht voorts aannemelijk geworden dat verdachte heeft gereden terwijl hij alcoholhoudende drank op had. Zowel getuigen [getuige 1] als [getuige 2] hebben verklaard dat zij roken dat de adem van verdachte naar alcohol riekte en ook de verbalisant [verbalisant 1] heeft hiervan melding gemaakt in zijn proces-verbaal van bevindingen.

De hoogte van het alcoholpromillage kon weliswaar niet worden vastgesteld , omdat verdachte heeft geweigerd mee te werken aan een ademonderzoek, maar de rechtbank acht aannemelijk geworden dat sprake is van alcoholgebruik door verdachte.

Voorts acht de rechtbank de overige omstandigheden zoals ten laste gelegd wettig en overtuigend bewezen. Daarmee staat voor de rechtbank vast dat verdachte met het door hem bestuurde voertuig op de Biltse Rading met onverminderde snelheid door het rode verkeerslicht is gereden. Dit terwijl het wegdek nat was en het donker was. Verdachte heeft daardoor het betreffende verkeersongeval veroorzaakt waarbij [slachtoffer 1] letsel heeft opgelopen. Het met onverminderde snelheid door rood licht rijden, terwijl het donker is en de weg nat en nadat hij alcohol had genuttigd kwalificeert de rechtbank als aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag.

De rechtbank merkt het letsel van [slachtoffer 1] aan als zodanig letsel dat daaruit tijdelijk verhindering in de normale bezigheden is ontstaan, zoals blijkt uit de medische informatie, welke zich in het dossier bevindt.

De rechtbank is van oordeel dat het onder 1 primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen is.

De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde feit eveneens wettig en overtuigend bewezen, gelet op de onder 4.1. vermelde inhoud van het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]. Op grond van dit proces-verbaal acht de rechtbank het onaannemelijk dat verdachte zich er niet van bewust is geweest dat hij moet meewerken aan een alcoholonderzoek.

De rechtbank acht de onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten eveneens wettig en overtuigend bewezen op grond van de hiervoor onder 4.1 genoemde bewijsmiddelen.

Wat betreft feit 4 zal de rechtbank verdachte partieel vrijspreken van het trekken aan het oor van [slachtoffer 2], nu de aangifte op dit punt niet door andere bewijsmiddelen wordt ondersteund.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1. primair

Op 1 februari 2013 in het arrondissement Midden-Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto merk Alfa Romeo), daarmee rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Biltse Rading, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig het voor hem bestemde verkeerslicht te passeren, terwijl dit rood licht uitstraalde en

terwijl het donker was en terwijl het wegdek nat was, en nadat hij alcohol had genuttigd,

het door hem bestuurde voertuig niet tot stilstand heeft gebracht, binnen

de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, doch met onverminderde snelheid in botsing is gekomen met een voor hem, verdachte, van links komend motorrijtuig (personenauto van het merk Citroën), terwijl dit voertuig de kruising was opgereden op het moment dat het voor de bestuurder van dit motorrijtuig bestemde verkeerslicht groen licht uitstraalde en

waardoor de inzittende van de voornoemde Citroën, genaamd [slachtoffer 1], lichamelijk letsel, te weten een snede op haar voorhoofd en een hersenschudding en een gekneusde rechterboven- en onderarm en een bloeduitstorting op de heup en linkerarm werd toegebracht zodanig dat daaruit tijdelijke ziekte en verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

2.

Op 1 februari 2013 te Zeist, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto merk Alfa Romeo) te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen;

3.

Op 1 februari 2013 in het arrondissement Midden-Nederland, terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten AM en B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorieën was afgegeven, op die weg, de Biltse Rading, als bestuurder een motorrijtuig (personenauto merk Alfa Romeo) van die categorie of categorieën gedurende dat gedeelte van die geldigheidsduur heeft bestuurd;

4.

Op 1 februari 2013 in het arrondissement Midden-Nederland opzettelijk mishandelend met zijn vuist tegen de kaak van een persoon, te weten [slachtoffer 2], heeft gestompt en vervolgens die [slachtoffer 2] met vlakke hand op zijn wang heeft geslagen waardoor deze pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

1 primair:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zodanig letsel wordt toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte en verhindering van de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat;

2.

Overtreding van artikel 163, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

3.

Overtreding van artikel 9, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

4.

Mishandeling;

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 primair, 2, 3 en 4 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaar. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij ten bedrage van € 485,20 wordt toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de officier van justitie met haar vordering fors afwijkt van de richtlijnen. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte onlangs nog door de politierechter te Utrecht is veroordeeld tot een gevangenisstraf en een forse rijontzegging onder meer wegens het rijden onder invloed. Wanneer die zaak gelijktijdig met de onderhavige strafzaak zou zijn behandeld, zou wellicht een minder zware straf zijn opgelegd.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft als bestuurder van een personenauto een verkeersongeval veroorzaakt. Verdachte had kort daarvoor het voor hem rode verkeerslicht genegeerd en is met onverminderde snelheid tegen een voor hem van links komende personenauto gebotst.

Bij dit verkeersongeval heeft de passagier van de van links komende auto letsel opgelopen, waarvan zij nog lang nadien last heeft gehad.

Uit de stukken is de rechtbank duidelijk geworden dat verdachte zich na het ongeval recalcitrant en agressief heeft gedragen naar de inzittenden van de andere auto en omstanders die daar ter plaatse waren. Zo heeft hij onder meer een omstander mishandeld Verdachte heeft geen enkele verantwoording genomen voor het door hem veroorzaakte ongeval.

Ten tijde van het veroorzaken van dit verkeersongeval heeft verdachte als bestuurder van zijn personenauto gereden terwijl hij alcohol had genuttigd en terwijl hij wist dat zijn rijbewijs al in oktober 2011 ongeldig was verklaard door het CBR.

Nadat verdachte door de politie was aangehouden heeft hij op het politiebureau geweigerd om mee te werken aan een ademonderzoek.

Verdachte heeft direct na het ongeval een omstander, [slachtoffer 2], mishandeld door hem onder meer hard aan zijn oor te trekken en hem een stomp op de kaak te geven.

Het Landelijk Overleg Voorzitters Strafsectoren (hierna: LOVS) heeft afspraken gemaakt over door de strafrechters te hanteren uitgangspunten van bij overtreding van artikel 6, 8 en 9 van de Wegenverkeerswet 1994 op te leggen straffen. De rechtbank heeft acht geslagen op de ter zake geldende LOVS-uitgangspunten.

De rechtbank zal in afwijking van deze richtlijn van het LOVS, met name vanwege het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld ter zake van overtreding van de Wegenverkeerswet 1994, zoals het rijden tijdens een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, het weigeren van meewerken aan een ademonderzoek, geweldsdelicten als mishandeling en openlijke geweldpleging, en overtreding van de Wet Aansprakelijkheidsverzekeringen Motorrijtuigen, aan verdachte een langere gevangenisstraf en een totale ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor een langere duur opleggen dan de richtlijn voorschrijft.

Daar komt bij dat verdachte zich, naast het veroorzaken van een verkeersongeval als bewezen is verklaard, ook schuldig heeft gemaakt het weigeren van medewerking aan een ademonderzoek, het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs en mishandeling.

De rechtbank zal in het voordeel van verdachte het lange tijdsverloop in deze zaak, te weten ruim twintig maanden, laten meewegen.

De op te leggen straffen zullen echter lager zijn dan door de officier van justitie is gevorderd, nu de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie bewezen acht. De officier van justitie gaat uit van zwaar lichamelijk letsel terwijl de rechtbank het door [slachtoffer 1] opgelopen letsel kwalificeert als letsel waardoor tijdelijke verhindering in de uitoefening van de dagelijkse bezigheden is veroorzaakt.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De behandeling van de vordering van [slachtoffer 2] levert niet een onevenredige belasting van het strafgeding op.

[slachtoffer 2] heeft een vordering benadeelde partij ingediend. Daarin vordert hij een bedrag van € 485,20 ter zake van geleden schade als gevolg van het onder 4 ten laste gelegde feit, te weten € 85,20 materiële schade en € 400,00 immateriële schade. Bij brief van 5 oktober 2014 heeft [slachtoffer 2] zijn vordering gewijzigd in die zin dat hij thans een bedrag van € 1.000,00 aan immateriële schadevergoeding vordert.

De verdediging heeft verzocht het aan [slachtoffer 2] toe te kennen bedrag wegens immateriële schade te matigen, nu er slechts sprake is van één droge klap. Ook is verzocht de vergoeding van reiskosten te matigen en de kilometervergoeding vast te stellen op € 0,19 per gereden kilometer.

Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 4 bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 285,20 (tweehonderdvijfentachtig euro en twintig eurocent), te weten € 200,00 aan immateriële schade en € 85,20 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de dag van het ontstaan van de schade. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

De rechtbank acht de immateriële schade tot het bedrag van € 200,00 toewijsbaar, gelet op de bedragen die in vergelijkbare zaken als immateriële schade wordt toegewezen. Voorzover de vordering van de benadeelde dit bedrag overstijgt, wordt de vordering afgewezen.

12 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 57, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

13 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

1 primair:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zodanig letsel wordt toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte en verhindering van de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat;

2.

Overtreding van artikel 163, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

3.

Overtreding van artikel 9, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

4.

Mishandeling;

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van VIER (4) maanden

Ontzegt verdachte ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van ZES (6) MAANDEN.

Ontzegt verdachte ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van TWAALF (12) MAANDEN.

Wijst de vordering van [slachtoffer 2] toe tot een bedrag van € 285,20 (zegge tweehonderdvijfentachtig euro en twintig eurocent) te vermeerderen met de wettelijk rente te rekenen vanaf de dag van het ontstaan van de schade.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 2] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Wijst de vordering van de benadeelde voor het overige af.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2], € 285,20 (zegge tweehonderdvijfentachtig euro en twintig eurocent) te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de dag van het ontstaan van de schade, aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van vijf (5) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G. Perrick, voorzitter,

mrs. A.J.P. Schotman en J.G.. van Ommeren, rechters,

in tegenwoordigheid van H.J. Nieboer, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 november 2014.

BIJLAGE : De tenlastelegging (na wijziging)

1.

Primair

hij op of omstreeks 1 februari 2013 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto merk Alfa Romeo),

daarmee rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Biltse

Rading,

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval

heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk,

onvoorzichtig en/of onoplettend,

het voor hem bestemde verkeerslicht te passeren, terwijl dit rood licht

uitstraalde,

en/of (vervolgens)

terwijl het donker was en/of terwijl het wegdek nat was en/of nadat hij alcohol had genuttigd,

het door hem bestuurde motorrijtuig niet tot stilstand heeft gebracht, binnen

de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, doch

met onverminderde snelheid, althans met een hogere snelheid dan op dat moment aldaar versantwoord was, in botsing/aanrijding is gekomen met een voor hem,

verdachte, van links komend motorrijtuig (personenauto van het merk Citroën)

terwijl dit motorrijtuig de kruising was opgereden op het moment dat het voor

de bestuurder van dit motorrijtuig bestemde verkeerslicht

groen licht uitstraalde

en/of (vervolgens)

waardoor de inzittende van de voornoemde Citroën, genaamd [slachtoffer 1],

(zwaar) lichamelijk letsel, te weten (onder andere) een snede op het/haar

(voor)hoofd en/of een hersenschudding en/of een gekneusde (rechter)boven-

en/of onderarm en/of een bloeduitstorting op (rechter)heup en/of linkerarm

en/of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht,

dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de

normale bezigheden is ontstaan;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 6 Wegenverkeerswet 1994

Subsidiair

hij op of omstreeks 1 februari 2013 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto merk Alfa Romeo),

daarmee rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Biltse

Rading, het voor hem bestemde verkeerslicht te passeren terwijl dit rood

licht uitstraalde

en/of (vervolgens)

het door hem bestuurde motorrijtuig niet tot stilstand heeft gebracht, binnen

de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, doch

(met hoge snelheid) in botsing/aanrijding is gekomen met een voor hem,

verdachte, van links komend motorrijtuig (personenauto van het merk Citroën)

terwijl dit motorrijtuig de kruising was opgereden op het moment dat het voor

de bestuurder van dit motorrijtuig bestemde verkeerslicht groen uitstraalde)

en/of (vervolgens)

waarna het door verdachte bestuurde motorrijtuig (na de botsing/aanrijding met

de personenauto, merk Citroën) om zijn denkbeeldige gieras is gedraaid

en/of (vervolgens)

met de (linker)voorzijde van het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig

is gebotst/gegleden tegen een (naast de rijbaan geplaatste) lichtmast

door welke gedraging(en) gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon

worden veroorzaakt en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon

worden gehinderd;

de in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor

zover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in de

zelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

2.

hij op of omstreeks 1 februari 2013 te Zeist, gemeente Zeist, als degene tegen

wie verdenking was gerezen als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto

merk Alfa Romeo) te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de

Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen

medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8,

tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de

verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat

en/of aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een

opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 163 lid 2 Wegenverkeerswet 1994

art 8 lid 2 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994

3.

hij op of omstreeks 1 februari 2013 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op

zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen,

te weten AM en/of B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander

rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of

categorieën was afgegeven, op die weg, de Biltse Rading, als bestuurder een

motorrijtuig, (personenauto merk Alfa Romeo), van die categorie of categorieën

gedurende dat gedeelte van die geldigheidsduur heeft bestuurd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 9 lid 2 Wegenverkeerswet 1994

4.

hij of op omstreeks 1 februari 2013 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland

opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2]),

(hard) in/aan diens (rechter)oor heeft geknepen/getrokken en/of (vervolgens)

(met zijn vuist) tegen de (rechter)kaak die [slachtoffer 2] heeft gestompt/geslagen

en/of (vervolgens) die [slachtoffer 2] (met de vlakke hand) op zijn (linker)wang

heeft geslagen,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Proces-verbaal nr.PL0920 2013025593-8, blz. 26, proces-verbaal van verhoor van verdachte

3 Proces-verbaal nr. PL0920 2013025593-21, blz 31 en 32, proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1]

4 Proces-verbaal nr. PL0920 20130255593-27, blz. 33 en 34, proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2]

5 Proces-verbaal nr PL0920 2013025593-19, blz. 35, proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1]

6 Proces-verbaal nr PL0920 2013025593-19, blz. 36, proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1]

7 Proces-verbaal nr. PL0920 2013025593, blzz 57 met bijlage, SEH-formulier betreffende [betrokkene], geboren op [1952] d.d. 01.02.2013

8 Proces-verbaal nr. PL0920 2013025593-18, blz. 38 en 39, proces- verbaal van verhoor betrokkene [betrokkene 2][betrokkene 2]WAAROM NIET GEWOON VERWIJZEN NAAR P. 38-39??

9 Proces-verbaal PL0920 2013025593-17, blz. 20 en 21, Proces-verbaal misdrijf, opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]

10 Proces-verbaal nr. PL0920 2013025593, blz. 44, brief van CBR aan politie Utrecht

11 Proces-verbaal nr. PL0920 2013025593, blz. 45, Besluit ongeldigverklaring rijbewijs

12 Proces-verbaal nr. PL0920 2013025593, blz. 54, brief van het CBR aan verdachte m.b.t. een door verdachte ingediend bezwaarschrift

13 Proces-verbaal nr. PL0920 2013034177-1, blz. 10 t/m 12, proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2]

14 Proces-verbaal nr. PL0920 2013025593-25, blz 28, proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3]