Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:5522

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-11-2014
Datum publicatie
07-11-2014
Zaaknummer
16/701242-14 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft samen met een ander op 28 januari 2014 in Nieuwegein een jonge jongen beroofd van zijn telefoon en sieraden. Bij deze beroving werd het slachtoffer door verdachte en zijn mededader bedreigd met een mes, waarbij door één van de daders een mes op de keel van het slachtoffer werd gezet. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 120 dagen waarvan 74 dagen voorwaardelijk en een taakstraf van 240 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht
Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/701242-14 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 4 november 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats]op [1995],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2014. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. M.J.A. Bakker, advocaat te Utrecht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

samen met (een) ander(en) [aangever] op gewelddadige wijze beroofd heeft van zijn mobiele telefoon en sieraden.

3 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. De raadsman heeft er in dit kader onder meer op gewezen dat de verklaringen van aangever en getuige [getuige 1]onbetrouwbaar zijn.

Aangever en [getuige 3] zeggen dat ze stopten omdat aangever zijn muts in zijn tas wilde doen en een pet op wilde zetten. Op beelden is echter te zien dat aangever zijn muts al af had. Daarnaast is vreemd dat verdachte liegt over de locatie waar hij zich bevindt als [getuige 1]hem belt, temeer daar [getuige 1]aangever als een vriend van hem omschrijft. Aangever verklaart dat “jongen 1” groter is dan hemzelf en [getuige 3] zegt dat deze kleiner is dan aangever. Daarnaast is het maar de vraag wat aangever en zijn vrienden daadwerkelijk aan signalement van de daders hebben waargenomen.Verder is ongeloofwaardig dat aangever verdachte binnen zeer korte tijd met een Facebook onderzoek zou hebben herkend.

Wat betreft [getuige 1]merkt de raadsman op dat die heeft verklaard dat hij de daders achter het slachtoffer en zijn vrienden zag aanrennen. Dat verdachte één van die daders zou zijn is onwaarschijnlijk omdat hij astma heeft en rennen in dat geval problematische gevolgen heeft. Ook is het vreemd dat [getuige 1]verdachte meermalen heeft proberen te bellen, als hij verdachte achter de jongens aan zag rennen. Voor dat bellen was dan immers geen reden meer.

De telefoon die verdachte via de website marktplaats.nl heeft aangeboden betreft een Iphone 4 en de weggenomen telefoon van aangever betreft een Iphone 4S. De weggenomen goederen zijn dus niet onder verdachte aangetroffen, aldus de raadsman.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

4.3.1

De verklaring van aangever [aangever]

Op 28 januari 2014 heeft [aangever] (hierna: aangever) tegenover de politie verklaard dat hij die dag naar school was geweest. Deze school betreft het Anna van Rijn collega aan de Harmonielaan te Nieuwegein. Omstreeks 14.56 had hij samen met [B] en [getuige 3] het schoolplein verlaten en fietsten zij richting het wijkje naast de school. Korte tijd later stopte zij om omstreeks 14.57 uur even en stonden zij alle drie naast hun fiets. Opeens zag aangever twee jongens voor hem staan. Hij had de jongens niet vanaf de andere kant aan zien komen lopen waardoor hij vermoedde dat de jongens vanaf de kant van de Harmonielaan, waar aangever net vandaan kwam, kwamen. [aangever] heeft een van de daders, die hij jongen 1 noemt, onder meer omschreven als een man met een licht getinte huidskleur, Turkse nationaliteit, ongeveer 18 jaar oud, geheel in het zwart gekleed en voorzien van een zwarte muts met voorop een merkje. Merk begon met T. Aangever zag dat de jongens voor hem stonden en hij hoorde dat jongen 1 zei: “Sieraden inleveren, telefoon inleveren, anders steek ik je neer”. Hierop zag aangever dat jongen 2 een mes met een bruin handvat half uit zijn rechter jaszak haalde. Aangever zag dat jongen 1 een mes in de richting van zijn keel bewoog en dit mes op een paar centimeter voor zijn keel stil hield. Op het moment dat jongen 1 het mes tegen aangevers keel zette zag aangever dat jongen 2 aangevers halskettingen van zijn nek haalde en dat jongen 1 de ring van zijn hand af trok. Hierna pakte jongen 2 aangevers telefoon uit aangevers broekzak. Aangever hoorde jongen 2 zeggen dat als aangever er iets mee ging doen we nog meer problemen zouden krijgen.

De weggenomen goederen betreffen volgens aangever: mobiele telefoon (merk Iphone 4S, kleur wit), een goudkleurige ketting met een duifje, een goudkleurige ketting met een weegschaaltje en een goudkleurige ring met 9 briljantjes.2

Op 30 januari 2014 ontving verbalisant [verbalisant] van de familie [aangever] een mail. In deze mail word aangegeven dat aangever op facebook heeft gezocht naar de dader en dat hij de hoofddader uiteindelijk heeft gevonden. Deze hoofddader zou zijn genaamd [verdachte](de rechtbank begrijpt: verdachte [verdachte]).3

Aangever is vervolgens op 1 februari 2014 door de politie gehoord en hij heeft toen verklaard dat kort nadat hij bij school wegfietste hij gebeld werd door een klasgenoot, genaamd [getuige 1].4

4.3.2

De verklaring van [getuige 1]

[getuige 1] heeft op 15 juli 2014 tegenover de politie verklaard dat [verdachte](de rechtbank begrijpt: verdachte [verdachte]) op 28 januari 2014 geheel in het zwart gekleed was.5 Een dag later heeft hij over[verdachte], die hij van de Moskee kent en in de buurt van school woont, verklaard dat hij ongeveer een week voor 28 januari 2014 door hem werd benaderd over [aangever]. [verdachte]vroeg aan hem wat voor spullen [aangever] had. Aan [verdachte]heeft hij verteld dat [aangever] een telefoon en een ring had. Ook vertelde [getuige 1]aan [verdachte]hoe laat hun school was afgelopen. Op 28 januari 2014 was [getuige 1]door [verdachte]geappt met de vraag of hij bij de schooldeuren wilde wachten. Ook appte [verdachte]dat hij klaar stond en hij [aangever] zou aanpakken. [getuige 1]zag [aangever] op 28 januari 2014 in de richting van de Harmonielaan fietsen. [verdachte]en een andere jongen zag hij achter [aangever] aanrennen. Hierna heeft [getuige 1] [aangever] nog gebeld om te vragen waar hij was en meermalen heeft hij geprobeerd [verdachte]te bellen.6

4.3.3

De verklaring van [getuige 3]

Op 1 februari 2014 heeft [getuige 3] tegenover de politie verklaard dat hij op 28 januari 2014 met [verdachte] en [B] van school fietste en zij aan het einde van de Harmonielaan te Nieuwegein waren gestopt. Op dat moment zag hij dat 2 jongens in de richting van [verdachte] liepen. Een van de jongens beschrijft getuige [getuige 3] als een licht getinte jongen, geheel in het zwart gekleed. Deze jongen zei tegen [verdachte]: “je moet je goud, sieraden en telefoon inleveren”. [getuige 3] zag dat deze dader uit zijn jaszak een mes pakte en dat aan aangever liet zien. Vervolgens pakte deze dader de gouden ketting die aangever om zijn nek had af en hierna pakte aangever zijn telefoon uit zijn zak en gaf de telefoon aan deze dader. Op het moment dat aangever zijn spullen niet wilde afgeven zette de andere dader een mes op de keel van aangever. Op dat moment zei deze dader tegen aangever: “dit is je laatste kans”. Hierop deed aangever volgens [getuige 3] zijn ring af en gaf deze aan de getinte dader. [getuige 3] hoorde de blanke dader zeggen dat als zij de politie zouden bellen, ook al zou hij 1 a 2 jaar moeten zitten, hij hen zou weten te vinden.7

4.3.4

Overwegingen van de rechtbank

Betrouwbaarheid aangever

Aangever heeft verklaard door twee personen te zijn beroofd. Eén van deze personen, zijnde verdachte, heeft hij herkend en zijn naam achterhaald via de website Facebook.nl. Aangever verklaart dat hij zich de naam [getuige 1] herinnerde van een eerder incident en hij en verdachte meerdere gedeelde vrienden hebben op Facebook, hetgeen de rechtbank aannemelijk voorkomt. Desgevraagd heeft aangever verklaard gestopt te zijn op de plaats van de diefstal om zijn muts in zijn tas te doen, dat daarna zijn vrienden bij hem kwamen en ze op die plaats nog praatten over wat er die dag op school was gebeurd. Uit de verklaring van aangever is voorts af te leiden dat aangever met twee vrienden was en er niet op zat te wachten dat [getuige 1], die hem bijna nooit belde, er ook nog eens bij kwam. Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, betekent naar het oordeel van de rechtbank, gelet op het voorgaande, niet dat de verklaring van aangever onbetrouwbaar is.

De verklaring van aangever over de beroving vindt in grote lijnen steun in de verklaring van [getuige 3]. Zo heeft evenals aangever [getuige 3] het over twee daders, beiden voorzien van een mes en over het wegnemen van een ketting, ring en telefoon. Dat de verklaring van [getuige 3] niet in detail overeenkomt met de verklaring van aangever doet aan de betrouwbaarheid van de verklaringen op hoofdlijnen niets af. [getuige 3] had immers een grotere afstand tot de daders dan aangever en het gebeuren heeft op hen veel indruk gemaakt. Onder die omstandigheden zijn verschillen tussen verklaringen op details verklaarbaar.

Betrouwbaarheid verklaring [getuige 1]

Over verdachte heeft getuige [getuige 1]verklaard dat hij een week voor de beroving informeerde naar de spullen van aangever. Op 28 januari 2014, net voor de beroving, stond verdachte volgens [getuige 1]bij school en had hij duidelijk gemaakt dat hij aangever zou aanpakken.

[getuige 1]heeft verdachte vervolgens achter aangever aan zien rennen.

Uit de verklaring van aangever, [getuige 3] en getuige [getuige 2] volgt dat zij vanaf school, gelegen aan de Harmonielaan, over de Harmonielaan richting Utrecht zijn gefietst. Op de Harmonielaan sloegen zij linksaf en zij zijn gestopt achter de huizen van de Harmonielaan. De door hen afgelegde afstand vanaf school is dan ook niet groot geweest. Zij stonden te praten toen de twee daders vanaf de Harmonielaan verschenen.

Gelet op deze door aangever en getuigen aangegeven gang van zaken, acht de rechtbank de verklaring van [getuige 1], te weten dat hij eerst aangever weg zag fietsen, daarna verdachte erachter aan zag gaan en hij daarna eerst aangever en daarna verdachte meermalen heeft gebeld, om hem te vertellen dat aangever al bij de brug was en het hem niet meer zou lukken, niet ongeloofwaardig.

De verklaringen van zowel aangever als [getuige 1]worden voorts ondersteund doordat uit telecomgegevens volgt dat [getuige 1]eerst, kort voor de diefstal, heeft gebeld met aangever en vervolgens meerdere keren heeft getracht te bellen met verdachte. Dit komt overeen met de verklaringen van aangever en [getuige 1].

De rechtbank concludeert uit het voorgaande dat er geen reden is te twijfelen aan de verklaringen van aangever en [getuige 1]en deze verklaringen kunnen dus voor het bewijs worden gebruikt.

De rechtbank acht gelet op de onder 4.3.1. tot en met 4.3.3. vermelde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde beroving.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 28 januari 2014 te Nieuwegein, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (merk Iphone 4S, kleur wit) en een goudkleurige ketting met een duifje en een goudkleurige ketting met een weegschaaltje en een goudkleurige ring met 9 briljantjes, toebehorende aan [aangever], welke diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen [aangever], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat

hij, verdachte, en/of zijn medeverdachte

- voor die [aangever] is/zijn gaan staan en/of heeft/hebben gezegd:

"Sieraden inleveren, telefoon inleveren, anders steek ik je neer", althans

woorden van gelijke dreigende aard of strekking en

- zij hierbij een mes, althans een daarop gelijkend scherp voorwerp, aan die [aangever]

[aangever] heeft/hebben getoond en

- een ander mes, althans een daarop gelijkend scherp voorwerp, tegen de keel

van die [aangever] heeft/hebben gehouden en

- terwijl er een mes tegen de keel van die [aangever] werd gehouden twee

kettingen van de hals en een ring van de vinger en een mobiele

telefoon uit de broekzak van die [aangever] heeft/hebben gehaald/getrokken

en

- heeft/hebben gezegd: "Als je er iets mee gaat doen dan krijgen jullie nog

meer problemen", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit gepleegd wordt door twee of meer verenigde personen;

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door de officier van justitie bewezen geachte zal worden veroordeeld tot:

  • -

    een gevangenisstraf van 120 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 74 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarden -kort gezegd-: reclasseringscontact en meldplicht, en

  • -

    een werkstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt hij zich kan vinden in de door de officier van justitie gevorderde straf.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft samen met een ander een jonge jongen beroofd van zijn telefoon en sieraden. Bij deze beroving werd het slachtoffer door verdachte en zijn mededader bedreigd met een mes, waarbij door één van de daders een mes op de keel van het slachtoffer werd gezet. Een dergelijk feit schokt de rechtsorde en draagt bij aan gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij. Hiervan is zeker sprake als dit plaatsvindt op klaarlichte dag en in de nabijheid van een school. Het spreekt voor zich dat een op deze manier uitgevoerde overval voor het slachtoffer, maar ook voor de aanwezige getuigen, een bijzonder traumatische ervaring moet zijn geweest. Verdachte heeft hierbij kennelijk in het geheel niet stilgestaan, maar heeft zich laten leiden door zijn zucht naar financieel gewin. Het betreft een ernstig feit en de rechtbank rekent de verdachte dat zwaar aan. Te meer daar verdachte geen openheid van zaken heeft gegeven en geen verantwoordelijkheid heeft willen nemen voor zijn daden.

Uit een verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 9 september 2014 blijkt dat verdachte eerder met betrekking tot vermogensdelicten met justitie in aanraking is gekomen. Zo is hij op 3 december 2013 door de kinderrechter ter zake onder meer een vermogensdelict veroordeeld tot een werkstraf van 40 uren. Daarnaast heeft hij in 2010 voor een tweetal winkeldiefstallen transacties voldaan.

Omtrent verdachte heeft het Leger des Heils, afdeling jeugdbescherming en reclassering, een rapport d.d. 29 juli 2014 opgemaakt. In dit rapport, opgesteld ten behoeve van de raadkamer gevangenhouding, wordt er melding van gemaakt dat verdachte op dat moment voor het eerst vastzit. Verdachte is woonachtig bij zijn ouders en volgt de opleiding richting accountancy. Verdachte beroept zich op zijn zwijgrecht en de reclassering heeft zodoende geen uitspraak kunnen doen over het recidiverisico. In het geval de voorlopige hechtenis geschorst wordt adviseert de reclassering op dat moment om als bijzondere voorwaarde een meldplicht op te leggen. Voorts geeft de reclassering als advies het volwassenstrafrecht toe te passen.

Met ingang van 29 augustus 2014 is de voorlopige hechtenis van verdachte tot de zitting van 21 oktober 2014 geschorst. Als schorsingsvoorwaarden is toen onder meer aan verdachte

-kort gezegd- opgelegd dat hij zich moet houden aan de aanwijzingen van de reclassering, dat hij zich verplicht moet melden bij de reclassering en dat verdachte zich moet houden aan de verplichtingen van school en stage. Niet is gebleken dat verdachte zich niet aan deze voorwaarden heeft gehouden.

Ter terechtzitting van 21 oktober 2014 heeft de verdachte te kennen gegeven dat hij inmiddels 3 dagen per week stage loopt bij een kantoor dat letselschades behandelt en dat hij daarnaast nog een bijbaantje heeft.

De rechtbank is van oordeel dat voor een dergelijk ernstig feit in beginsel een hogere straf op zijn plaats is dan door de officier van justitie is gevorderd. Nu verdachte echter een net 19-jarige jongeman betreft, hij niet eerder dan voor de onderhavige zaak heeft vastgezeten en hij op dit moment een goede dagbesteding heeft in de vorm van een stage, acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden.

De rechtbank zal gelet op de op te leggen straf het -reeds geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 63, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit gepleegd wordt door twee of meer verenigde personen.

Strafoplegging

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 120 dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 74 dagen, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

4. Veroordeelde moet zich onder toezicht en leiding van Reclassering Nederland stellen. Vervolgens moet hij gedurende de proeftijd onder toezicht en leiding van Reclassering Nederland blijven en zich naar de door of namens die instelling te geven aanwijzingen gedragen, zolang deze instelling dat nodig vindt.

5. Veroordeelde moet zich binnen 3 dagen na onherroepelijk worden van het vonnis melden bij de reclassering, Reclassering Nederland, Vivaldiplantsoen 200, 3353 JE Utrecht en veroordeelde moet zich gedurende proeftijd aldaar blijven melden, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft aan genoemde instelling opdracht veroordeelde toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 240 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen.

Voorlopige hechtenis

Heft op het -reeds geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Perrick, voorzitter, mrs. A.J.P. Schotman en J.G. van Ommeren, rechters, in tegenwoordigheid van J.J. Veldhuizen, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 november 2014.

BIJLAGE : De tenlastelegging

hij op of omstreeks 28 januari 2014 te Nieuwegein, althans in het

arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening

heeft weggenomen een mobiele telefoon (merk Iphone 4S, kleur wit) en/of een

goudkleurige ketting met een duifje en/of een goudkleurige ketting met een

weegschaaltje en/of een goudkleurige ring met 9 briljantjes, in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever], in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal

werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging

met geweld tegen [aangever], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor

te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad

aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij

de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat

hij, verdachte, en/of zijn medeverdachte(n)

- voor die [aangever] is/zijn gaan staan en/of heeft/hebben gezegd:

"Sieraden inleveren, telefoon inleveren, anders steek ik je neer", althans

woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- hierbij een mes, althans een daarop gelijkend scherp voorwerp, aan die [aangever]

[aangever] heeft/hebben getoond en/of

- een ander mes, althans een daarop gelijkend scherp voorwerp, tegen de keel

van die [aangever] heeft/hebben gehouden en/of

- ( terwijl er een mes tegen de keel van die [aangever] werd gehouden) twee

kettingen van de hals en/of een ring van de vinger en/of een mobiele

telefoon uit de broekzak van die [aangever] heeft/hebben gehaald/getrokken

en/of

- heeft/hebben gezegd: "Als je er iets mee gaat doen dan krijgen jullie nog

meer problemen", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier met registratienummer PL0900-2014022529 bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Proces-verbaal van verhoor van aangever [aangever], pag. 69 t/m 71.

3 Proces-verbaal van bevindingen van Verbalisant [verbalisant], pag. 116.

4 Proces-verbaal van verhoor van aangever [aangever], pag. 77.

5 Proces-verbaal van verhoor van [getuige 1], pag. 35.

6 Idem, pag. 38 t/m 41.

7 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3], pag. 95 t/m 98.