Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:550

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
19-02-2014
Datum publicatie
24-02-2014
Zaaknummer
C-16-341930 - HA ZA 13-271
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil tussen een man en een vrouw die hebben samengewoond en tijdens de samenleving hebben samengewerkt in een stoeterij die wordt gedreven op het terrein van de man en volgens het handelsregister door de eenmanszaak van de man wordt gedreven. Is er stilzwijgend een maatschap tussen ex-geliefden overeengekomen die hebben samengewerkt in een stoeterij die volgens het handelsregister wordt gedreven door de eenmanszaak van één van hen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2014-0085

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/341930 / HA ZA 13-271

Vonnis van 19 februari 2014

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats 1], Duitsland,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. S.A. Wensing te Coevorden,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats 2],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. L.M. Schelstraete te Tilburg.

Partijen zullen hierna[eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 31 juli 2013

  • -

    de akte houdende overlegging producties en wijziging van eis van [gedaagde] van 15 oktober 2013

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie

  • -

    de aanvullende productie 39 van [gedaagde], overgelegd voor de zitting van 27 november 2013

  • -

    de akte houdende overlegging producties en wijziging van eis van Maat van 27 november 2013

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 27 november 2013, met daarin opgenomen een wijziging van eis aan de zijde van [gedaagde].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] en [eiseres] hebben tot medio augustus 2012 een affectieve relatie gehad. In 1999 zijn zij gaan samenwonen in de woning van [gedaagde] op het terrein in[woonplaats 2] aan [adres], waar ook een eenmanszaak van [gedaagde] is gevestigd.

2.2.

Volgens het handelsregister is [gedaagde] sinds 1 januari 1997 eigenaar van de hiervoor genoemde eenmanszaak. De startdatum van deze onderneming is 1 januari 1988. De volgende activiteiten van deze onderneming staan in het handelsregister ingeschreven:

- teelt van granen, peulvruchten en oliehoudende zaden,

- dienstverlening voor de akker- en/of tuinbouw en

- fokken en houden van paarden en ezels.

2.3.

Onder de handelsnaam “[handelsnaam]” wordt op het terrein van [gedaagde] een stoeterij gedreven (hierna: de stoeterij). De paarden worden gefokt ten behoeve van de paardensport en worden als sportpaarden verkocht. Tijdens haar relatie met [gedaagde] heeft [eiseres] zich ook voor deze stoeterij ingezet.

2.4.

[eiseres] is in het bezit van een document dat is gedateerd 19 mei 2004 (productie 10 bij dagvaarding). Dit document bevat de volgende tekst:

“Mondelinge overeenkomst op papier gezet. [gedaagde] en[eiseres] samenwonend aan de [adres] te [woonplaats 2], hierna te noemen partijen.

01). Partijen komen overeen samen in paarden te handelen waarbij er vanuit gegaan wordt dat de paarden die door partijen aangekocht zijn ook toebehoren aan Partijen uitgaande van een 50% verdeling voor [gedaagde] en 50% voor [eiseres].

02). Partijen zullen zich ervoor inzetten de paarden zo gunstig mogelijk aan te kopen en zo gunstig mogelijk te verkopen.

03). Partijen zullen elkaars paarden natuurlijk zo goed mogelijk verzorgen en trainen.

04). Partijen zullen de opbrengsten uit eventuele verkopen van paarden altijd eerlijk delen zoals bij punt 1). afgesproken in 50% voor [gedaagde] en 50% voor[eiseres].”

2.5.

In verschillende brieven uit 2011 aan de overheidsinstanties Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden en Gemeente Utrechtse Heuvelrug verzoekt[eiseres] om ten aanzien van verschillende overtredingen handhavend op te treden. Over haar hoedanigheid als belanghebbende schrijft [eiseres] in al deze brieven:

“Met betrekking tot onderstaande acht ondergetekende en haar partner de heer [gedaagde] zich belanghebbend daar wij rechtstreeks in een belang(en) worden getroffen. Ondergetekende is sinds 12 jaar hoofdbewoner op het adres [adres] en bovendien levenspartner van de eigenaar van[handelsnaam] de heer [gedaagde] en bevoegd namens de stoeterij op te treden.”

De brieven zijn ondertekend door [eiseres].

2.6.

In een bezwaarschrift van 13 maart 2012 naar aanleiding van één van de uit de hiervoor genoemde verzoeken genomen besluiten, omschrijft [eiseres] haar positie als belanghebbende op dezelfde wijze zoals in de brieven die in 2.5. zijn genoemd.

2.7.

Per e-mail van 23 maart 2012 stuurt [eiseres] aan de heer [A] een factuur van haar aan[gedaagde], met het verzoek om voor betaling zorg te dragen. Het betreft een factuurbedrag van in totaal € 2.350,00, bestaande uit een bedrag van € 2.520,00 voor de door haar verrichte werkzaamheden op de stoeterij en een daarop in mindering komend bedrag van € 200,00 vanwege kosten voor een strijkhulp. Deze factuur is niet door of namens [gedaagde] voldaan.

2.8.

Nadat de relatie van [gedaagde] en [eiseres] is beëindigd, stuurt de advocaat van[eiseres] op 3 september 2012 een brief aan [gedaagde] (ter attentie van de heer [A]). In deze brief staat onder meer het volgende:

“Ik heb van cliënte begrepen dat de relatie tussen cliënte en u ten einde is gekomen. Ik heb voorts begrepen dat dit naar uw opvatting ook met zich meebrengt dat van cliënte niet langer wordt verwacht dat zij werkzaamheden verricht ten behoeve van de door u gedreven onderneming ([handelsnaam]). Cliënte is gedurende een groot aantal jaren voor uw onderneming werkzaam geweest. Zij heeft daarvoor in elk geval gedurende een lange tijd een bedrag ontvangen van € 100,-- netto per week. Cliënte is, zo begreep ik van haar, gedurende gemiddeld zes dagen per week fulltime voor de onderneming werkzaam geweest. Ik zou het op prijs stellen op korte termijn met u (…) overleg te voeren ten behoeve van het treffen van een adequate (financiële) regeling in het kader van de ontvlechting van de relatie respectievelijk de beëindiging van de werkzaamheden van cliënte ten behoeve van uw onderneming. Uit het vorenstaande mag u afleiden dat cliënte er de voorkeur aan geeft om zonder “gevechten” en derhalve op een volwassen en fatsoenlijke manier uit elkaar te gaan. Daarbij kan het uiteraard niet zo zijn dat cliënte thans achterblijft met “niets”. Aanspraak op alimentatie heeft cliënte, nu u niet gehuwd bent en er evenmin sprake is van een samenlevingscontract, niet. Cliënte zou wel aanspraak kunnen maken op uitbetaling van ten minste het minimumloon over de periode van de afgelopen vijf jaar. (…)”

2.9.

[eiseres] stuurt op 21 september 2012 de volgende e-mail aan [gedaagde] (zie productie 15 bij dagvaarding):

“De paarden Clooney en Zicara zijn verkocht. Het paard Zicara heeft een ongelijke hoef en kwam niet door de buigproeven. U heeft zelf opdracht gegeven aan mij om dit paard zo snel mogelijk voor elk willekeurig bedrag te verkopen. Het paard Zicara is verkocht voor euro 6000,- De afgesproken commissie van 10% voor Helgstranddressage gaat hier nog vanaf. U ontvangt voor Zicara euro 5400,- Er stonden nog oude onbetaalde rekeningen open voor oa transport. Deze zijn van het bedrag voor Zicara afgetrokken. Er rest nu nog een bedrag van euro 375,-. Dit wordt bij de volgende te betalen factuur voor u in mindering gebracht. Als bijlage ontvangt u alle relevante rekeningen ter inzage. Het paard Clooney heeft een dusdanig medisch probleem “kissing spices” en een rontgenelogische bemerking op de foto. Ondanks dit is er een koper gevonden voor Clooney. Het probleem is echter dat de transactie zonder factuur uitgevoerd moest worden. Er is een mondelinge garantie voor een half jaar afgegeven. Ook dit is u reeds eerder medegedeeld. Clooney is verkocht voor euro 17000,- min 10% commissie Andreas, min euro 300 wisselkoers Dk naar euro, min 500 euro kosten [eiseres] voor ophalen geld. Gisteren is het totaalbedrag van euro 14500,- overgemaakt naar uw rekening. (…)”

2.10.

[eiseres] heeft op 3 januari 2013, 1 februari 2013 en 23 september 2013 ten laste van [gedaagde] conservatoir beslag gelegd op 18 paarden, conservatoir derdenbeslag gelegd onder de ABNAMRO bank en op een aantal onroerende zaken.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiseres] vordert - samengevat -, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat de rechtbank

  1. voor recht verklaart dat de maatschap in augustus 2012 is ontbonden,

  2. Maat veroordeelt mee te werken aan de verdeling van de paarden, zoals opgesomd in punt 15 van de dagvaarding, door het vaststellen van de taxatiewaarde door een in Nederland geregistreerde en erkende paardentaxateur,

  3. Maat veroordeelt medewerking te verlenen aan de liquidatie van de maatschap door middel van het opstellen van een eindafrekening door een door de rechtbank te benoemen maatschap accountant,

  4. Maat veroordeelt in de buitengerechtelijke incassokosten,

  5. Maat veroordeelt in de proceskosten,

  6. Maat veroordeelt in de kosten van de conservatoire maatregelen.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[gedaagde] vordert - samengevat -, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en na meerdere wijzigingen van eis, dat de rechtbank

  1. (na wijziging van eis van 15 oktober 2013)[eiseres] gebiedt de door haar lastens [gedaagde] op 3 januari 2013, 15 januari 2013 en 23 september 2013 gelegde conservatoire beslagen op te heffen, op straffe van verbeurte van een dwangsom,

  2. voor recht verklaart dat [eiseres] op grond van onrechtmatige daad jegens [gedaagde] aansprakelijk is voor de onrechtmatige beslagleggingen, met veroordeling tot schadevergoeding, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

  3. voor recht verklaart dat[eiseres] op grond van onrechtmatige daad jegens [gedaagde] aansprakelijk is vanwege het zich zonder recht en/of titel toe-eigenen van de paarden U-caro en Rosenstolz, met veroordeling tot schadevergoeding, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

  4. [eiseres] veroordeelt tot betaling van een voorschot van € 300.000,- op de door haar te betalen schadevergoeding,

  5. voor recht verklaart dat alleen de in onderdeel 89 van de conclusie van eis in reconventie genoemde nog levende paarden gezamenlijk eigendom zijn van [gedaagde] en [eiseres],

  6. voor recht verklaart dat de hiervoor (onder vordering 5) bedoelde paarden gezamenlijk eigendom van [gedaagde] en [eiseres] zijn in de verhouding 2/3 – 1/3,

  7. (na wijzigingen van eis van 27 november 2013 zoals is opgenomen in het proces-verbaal van de comparitie) [eiseres] beveelt mee te werken aan de verdeling tussen[gedaagde] en [eiseres] van de in onderdeel 89 van de conclusie van eis in reconventie genoemde paarden,

  8. [eiseres] veroordeelt in de proceskosten, waaronder de nakosten en de kosten van de conservatoire beslaglegging, vermeerderd met rente,

  9. het vonnis met inbegrip van de proceskostenveroordeling waarmerkt als Europese Executoriale titel.

3.5.

[eiseres] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Over het bevoegdheidsincident in reconventie

4.1.

De reconventionele vorderingen zijn op dezelfde feiten en omstandigheden gebaseerd als de eis in conventie. De rechtbank is daarom op grond van het bepaalde in artikel 6 aanhef sub 3 van de EEX Verordening bevoegd om die vorderingen te beoordelen.

4.2.

Onvoldoende weersproken is dat de door [gedaagde] jegens [eiseres] in Duitsland ingezette bodemprocedure was ingesteld nadat onderhavige bodemprocedure aanhangig is gemaakt en dat de Duitse procedure inmiddels is ingetrokken. De overige inmiddels beëindigde zaken in Duitsland betroffen geen bodemzaken waarbij de in onderhavige vorderingen ook in geschil waren, maar voorlopige voorzieningen. In Duitsland zijn geen procedures tussen partijen meer aanhangig. Het door [eiseres] opgeworpen verweer dat vanwege in Duitsland aanhangige of doorlopen procedures de rechtbank niet bevoegd is om over de reconventionele vorderingen te beslissen, wordt daarom verworpen.

4.3.

De rechtbank beoordeelt daarom zowel de vorderingen in conventie als in reconventie.

in conventie en reconventie

4.4.

Gelet op de samenhang van de vorderingen in conventie en in reconventie behandelt de rechtbank deze vorderingen gezamenlijk.

4.5.

Partijen zijn het oneens over het eigendomsrecht en de verdeling van de paarden van de stoeterij. [eiseres] betoogt dat de stoeterij door een maatschap van haar en [gedaagde] wordt gedreven. Zij is als maat in deze maatschap voor de helft mede-eigenaar van de paarden van de stoeterij. Subsidiair stelt zij dat deze paarden ook voor de helft haar eigendom zijn vanwege een in 2004 overeengekomen mondelinge afspraak tussen partijen. Die afspraak is later door hen vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst, aldus [eiseres].

[gedaagde] betwist [eiseres] betoog. Volgens hem wordt de stoeterij niet gedreven door de door [eiseres] gestelde maatschap, maar door zijn eenmanszaak. Partijen zijn ook geen mede-eigendom van de paarden overeengekomen. Volgens [gedaagde] heeft hij de schriftelijke overeenkomst waar [eiseres] zich subsidiair op beroept niet ondertekend. De door [eiseres] gelegde beslagen zijn daarom zonder grondslag gelegd en dienen te worden opgeheven, aldus [gedaagde]. [gedaagde] erkent dat vijf paarden het gemeenschappelijk eigendom zijn van hem en [eiseres]. 2/3e eigendomsdeel van één van die paarden is door hem gekocht van [eiseres] en haar zus. Dat paard heeft daarna veulens gekregen. Van die nakomingen zijn nog vier paarden in leven. Hij is ook van die paarden voor 2/3e deel eigenaar en [eiseres] voor 1/3e deel, aldus [gedaagde].

4.6.

De rechtbank stelt voorop dat een vennootschap onder firma of maatschap, waarvan volgens [eiseres] sprake is, tot stand komt door een wederkerige overeenkomst die inhoudt dat partijen de wil hebben om samen te werken op basis van gelijkwaardigheid en inbreng van elk van hen, met het oogmerk om langs die weg vermogensrechtelijk voordeel voor ieder van hen te behalen. Het is geen vereiste dat zo’n samenwerking in een gezamenlijke maatschap of vennootschap onder firma wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst. Indien het bestaan van een samenwerking in een dergelijke ondernemingsvorm wordt betwist, zal het bij gebreke van een schriftelijke overeenkomst afhangen van de feiten en omstandigheden van het geval, waaronder mede de feitelijke gedragingen en verklaringen van partijen dienen te worden begrepen, of de conclusie getrokken kan worden dat sprake is van een vennootschap onder firma of maatschap. De totstandkoming van een dergelijke overeenkomst kan mede worden afgeleid uit de feitelijke situatie. Daarbij kan illustratief zijn hoe derden tegen de gestelde samenwerking aankijken (vgl. HR 2 september 2011, LJN BQ3876).

4.7.

[eiseres] werkt haar standpunt dat sprake is van een maatschap, met onder meer de volgende stellingen uit:

  1. de tussen partijen tot stand gekomen maatschap betreft de onderneming die betrekking heeft op de paarden en de paard gerelateerde zaken,

  2. [eiseres] heeft bij aanvang van samenwoning paarden ingebracht,

  3. [gedaagde] is door [eiseres] enthousiast geraakt voor de paardenhouderij,

  4. in 1999 vingen [eiseres] en [gedaagde] aan met het oprichten van de stoeterij die zich zou bezighouden met het fokken en africhten van sportpaarden.

  5. [eiseres] bestuurde fulltime de stoeterij. Zij kocht de paarden in, regelde de administratieve zaken, de training, het fokbeleid en de verkopen. [eiseres] regelde ook het personeel en had het laatste woord met het aannemen van personeel, bij conflicten met het personeel en de afhandeling daarvan. [eiseres] heeft een contract afgesloten voor de stoeterij met [bedrijf]. [gedaagde] had geen enkele bemoeienis met de stoeterij. Ze bezochten wel samen de veilingen,

  6. [gedaagde] regelde alle boekhoudkundige en fiscale zaken. De stoeterij was verantwoord in de jaarrekeningen op een wijze die volgens [gedaagde] fiscaal het meest voordelig was,

  7. sinds 2010 hield[gedaagde] zich bezig met de registratie van de aankopen, verkopen en stamboekzaken.

4.8.

[gedaagde] werpt tegen het betoog van [eiseres] op dat hij al vanaf zijn 15e of 16e jaar met zijn vader paarden fokte. Sinds 1988 dreef hij samen met zijn vader een vennootschap onder firma die zich mede bezighield met het fokken van paarden. Deze vennootschap onder firma heeft hij in 1992 voortgezet als eenmanszaak, waarin hij ook de stoeterij drijft. [eiseres] heeft geen paarden ingebracht bij aanvang van hun samenleving en partijen hebben niet gezamenlijk in 1999 de activiteiten van de stoeterij ontplooid. [eiseres] verrichtte enkele werkzaamheden voor de stoeterij, maar [gedaagde] voerde het bestuur. [eiseres] werkte niet in zijn onderneming met hem samen op basis van gelijkwaardigheid. Hoewel [eiseres] wel eens meedacht over zijn onderneming, bleef hij de eindverantwoordelijke. Partijen hebben nimmer beoogd de door [eiseres] gestelde maatschap aan te gaan. Als [eiseres] betrokken was bij de verkoop van de paarden, kreeg zij voor die werkzaamheden een percentage van de opbrengst bij de verkoop. De contracten met het personeel werden door [gedaagde] gesloten en niet door [eiseres]. [eiseres] heeft geen contract afgesloten met [bedrijf], aldus nog steeds [gedaagde]. Het was volgens [gedaagde] voor iedereen, en ook voor [eiseres], duidelijk dat de stoeterij een onderneming was van [gedaagde]. Ter motivering van dit verweer verwijst hij onder meer naar:

  1. een rapport van de belastingdienst waaruit blijkt dat de stoeterij werd gedreven vanuit zijn eenmanszaak. Uit dit rapport blijkt dat de activiteiten van de onderneming ook bestonden uit de exploitatie van een akkerbouw- en loonbedrijf in De Kwakel. De paarden zijn in de jaarstukken verantwoord als een activapost “levende have”,

  2. een krantenartikel en een aantal foto’s waaruit blijkt dat zijn grootvader zich al in 1953 bezighield met het fokken van paarden,

  3. een uittreksel uit het handelsregister waarin staat dat de activiteiten van de onderneming sinds 1988 bestaan uit het fokken van paarden,

  4. de jaarrekeningen van de eenmanszaak van 1999, 2004, 2010 en 2011. Daaruit blijkt niet van de door [eiseres] gestelde maatschap.

  5. een brief van een advocaat van[eiseres], verzonden na de beëindiging van de relatie, waarin staat dat de onderneming door[gedaagde] wordt gedreven,

  6. brieven waaruit blijkt dat [eiseres] jegens overheidsinstanties namens hem optrad op grond van hun samenleving, en waarin [eiseres] stelt dat de stoeterij van [gedaagde] is,

  7. een door [eiseres] verzonden factuur van 23 maart 2012 voor de door haar verrichte werkzaamheden voor de stoeterij,

  8. een e-mail van 21 september 2012 waaruit blijkt dat een commissieafspraak met [eiseres] is gemaakt en dat dus geen sprake is van een maatschap en dat [eiseres] daar ook niet van uitging,

  9. de omstandigheid dat [eiseres] zichzelf paarden toe-eigent, zonder dat zij daarbij tot uitgangspunt neemt dat die paarden deel uitmaken van het vermogen van de door haar gestelde maatschap,

  10. de vaststellingsovereenkomst die als productie 10 bij conclusie van antwoord is overgelegd, waarin tussen [gedaagde] en een voormalig personeelslid een schikking is getroffen. Uit die overeenkomst blijkt volgens [gedaagde] dat hij daarbij partij was en niet [eiseres].

4.9.

Vast staat dat de maatschap, waarvan [eiseres] het bestaan bepleit, niet is vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst. Omdat [gedaagde] gemotiveerd betwist dat van een dergelijke maatschap of vennootschap sprake is, komt het dus aan op de vraag of aan de hand van de stellingen en onderbouwingen van [eiseres] voldoende kan worden vastgesteld dat tussen partijen de door [eiseres] gestelde maatschap tot stand gekomen is.

4.10.

[gedaagde] betwist gemotiveerd het standpunt van [eiseres] dat zij feitelijk de onderneming bestuurde en in dat kader onder meer de contracten met het personeel en derden als [bedrijf] afsloot en afwikkelde en dat het voor het personeel en derden duidelijk was dat zij als vennoot of maat optrad. Het verweer van [gedaagde] vindt steun in de vaststellingsovereenkomst waarnaar hij verwijst. In die vaststellingsovereenkomst, waarin een schikking met een oud-personeelslid wordt getroffen, blijkt niet van enige betrokkenheid of beslissingsbevoegdheid van [eiseres]. De vaststellingsovereenkomst is ondertekend door [gedaagde], die derhalve kennelijk eindverantwoordelijke was.

4.11.

Vanwege de gemotiveerde betwisting van [gedaagde], lag het lag op de weg van [eiseres] om haar betoog dat zij namens de stoeterij de arbeidsovereenkomsten met het personeel aanging en afwikkelde en dat zij namens de stoeterij overeenkomsten met derden zoals [bedrijf] sloot, te onderbouwen. Zij heeft echter in dit verband geen bewijzen overgelegd, althans daar niet concreet naar verwezen. Zij verwijst weliswaar naar haar omvangrijke productiebundels, maar voor zover [eiseres] niet concreet naar een bepaalde vindplaats in die producties verwijst en daarbij aangeeft welke stelling zij met die productie wenst te onderbouwen, kunnen die overgelegde schriftelijke stukken niet tot bewijs dienen voor haar standpunten. Hiervoor is redengevend dat deze producties zo’n omvangrijke hoeveelheid bladzijden beslaan dat het voor de rechtbank ondoenlijk is om hierin te grasduinen op zoek naar een eventuele onderbouwing van één van de door [eiseres] opgeworpen stellingen. Bovendien heeft [gedaagde] hierdoor onvoldoende gelegenheid gehad om specifiek en concreet op de bedoelde onderbouwing van een bepaalde stellingname te reageren.

4.12.

In de passages uit de stukken waarnaar wel concreet is verwezen, heeft de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten gevonden voor de stelling dat [eiseres] de contracten met het personeel of derden sloot en de beëindiging van de contracten afwikkelde, en in dit verband vanuit een gelijkwaardige positie als die van [gedaagde] optrad. Uit de overgelegde e-mails blijkt weliswaar dat zij communiceerde over vacatures met potentiele kandidaten, maar niet dat zij (mede) de eindbeslissing nam over het al dan niet openstellen van een vacature, de inhoud van de vacature, de arbeidsvoorwaarden, of dat zij de beslissende stem had over de vraag of een kandidaat werd aangenomen. Voor zover [eiseres] in dit verband verwijst naar een e-mail met ontslagbrief van [B] van 27 september 2010, welke is overgelegd als productie 4B, leidt dit niet tot een andere conclusie. Weliswaar is de e-mail gericht aan [eiseres] en [gedaagde] en wordt in de ontslagbrief gerefereerd aan een gesprek met [eiseres] waarin [B] meedeelde dat zij ontslag wenste te nemen, maar uit die omstandigheden volgt niet dat [eiseres] op basis van gelijkwaardigheid met [gedaagde] het contract met [B] afwikkelde. Uit de bijgevoegde ontslagbrief volgt juist het tegendeel. Deze brief is immers niet gericht aan [eiseres] maar aan [gedaagde]. Klaarblijkelijk vonden partijen, waaronder [B], dat het formele ontslagverzoek alleen moest worden gericht aan [gedaagde], zonder vermelding van [eiseres]. [gedaagde] was dus ook in de ogen van [B] de wederpartij met wie haar arbeidsovereenkomst moest worden afgewikkeld. Daar doet niet aan af dat in de ontslagbrief door [B] de aanduiding “jullie” wordt gebruikt en dat de begeleidende e-mail ook aan [eiseres] is verzonden. Die aanduiding kan immers worden verklaard uit het feit dat [eiseres] ook werkzaamheden voor de stoeterij verrichtte, zij met [B] in dat kader communiceerde en wellicht het personeel begeleidde, zij tevens de levenspartner van [gedaagde] was en zij bovendien samen met [gedaagde] op het terrein van de stoeterij woonachtig was. Uit die omstandigheden, waaronder het begeleiden van personeel, volgt niet zonder meer dat [eiseres] haar werkzaamheden als maat in een maatschap verrichtte en dat zij als maat de maatschap bestuurde en dat zij in dit verband haar werkzaamheden niet als ondergeschikte maar vanuit een gelijkwaardig positie als [gedaagde] verrichtte en/of dat het personeel of derden dachten dat [eiseres] de stoeterij mede als eigenaar bestuurde.

4.13.

De rechtbank stelt vast dat de eerdere advocaat van [eiseres], en daarmede ook [eiseres], na de beëindiging van de affectieve relatie tussen [gedaagde] en [eiseres] in een brief van 3 september 2012 refereerde aan de omstandigheid dat [eiseres] voor de onderneming van [gedaagde] werkzaamheden had verricht. In die brief noemt hij expliciet dat het gaat om de onderneming van [gedaagde]. Hij maakt aanspraak op uitbetaling van loon voor de werkzaamheden en baseert zich klaarblijkelijk op werkzaamheden die uit hoofde van een arbeidsovereenkomst zijn verricht. De door [eiseres] verzonden factuur van 23 maart 2012 waarin zij haar werkzaamheden aan de onderneming van [gedaagde] declareert en de e-mail van 21 september 2012 waarin zij uitgaat van een commissieafspraak met [gedaagde], duiden ook niet op een samenwerking in een onderneming op basis van gelijkwaardigheid teneinde een gemeenschappelijk voordeel te behalen. [eiseres] heeft nagelaten nader toe te lichten waarom zij afzonderlijk aan de onderneming van [gedaagde] factureerde. Uit het feit dat [eiseres] factureerde alvorens duidelijk was wat de totale opbrengsten van de stoeterij na aftrek van de totale kosten waren, blijkt dat het kennelijk niet de bedoeling van partijen was om pas aan [eiseres] uit te betalen indien na aftrek van de kosten van de stoeterij enige opbrengsten/winsten resteerden. Daarnaast blijkt uit de door [eiseres] geschreven brieven aan verschillende overheidsinstanties dat zij in de periode september 2011 tot in maart 2012 ook zelf in de veronderstelling was en ook jegens overheidsinstanties verklaarde dat de onderneming van [gedaagde] was en dat zij slechts vanwege het feit dat zij zijn levensgezellin was en op het terrein van [gedaagde] onderneming woonachtig was, een aantal verzoeken bij die instanties indiende. Deze brieven zijn daarom niet te rijmen met [eiseres] standpunt dat het ook voor derden duidelijk was dat zij als maat of medevennoot de stoeterij dreef.

4.14.

[eiseres] heeft niet uitgewerkt op welke wijze de besluitvorming in de door haar gestelde maatschap plaatsvond, terwijl dat gelet op het feit dat [gedaagde] betoogt dat hij ten aanzien van het beleid van de onderneming de eindverantwoordelijke was, wel van haar mocht worden verwacht. Indien juist is dat [gedaagde] ten aanzien van het beleid de eindverantwoordelijke was, dan was geen sprake van een samenwerking op basis van gelijkwaardigheid. Voor zover [eiseres] ter onderbouwing van haar stellingen op dit punt in het algemeen heeft verwezen naar haar producties, geldt dat ze onvoldoende concreet heeft aangegeven welke specifieke productie en, in het geval het een omvangrijke productie betreft, welke passage daaruit, onderbouwt dat zij eindverantwoordelijk was ten aanzien van het bestuur en beleid van de stoeterij. Voor zover wel concreet naar een productie is verwezen, volgt uit die productie niet dat [eiseres] die stoeterij bestuurde.

4.15.

De rechtbank stelt daarom vast dat [eiseres] niet eindverantwoordelijk was ten aanzien van het beleid of het bestuur van de stoeterij. Voorts is [eiseres] standpunt dat [gedaagde] geen enkele bemoeienis met de stoeterij zou hebben gehad in strijd met haar betoog dat [gedaagde] alle boekhoudkundige en fiscale zaken regelde en dat hij zich bezighield met de registratie van de aankopen, verkopen en stamboekzaken en dat hij meeging naar veilingen. Ook zijn er onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen oordelen dat partijen bedoelden of dachten dat [eiseres] haar werkzaamheden als maat of vennoot verrichtte. Er zijn geen aanwijzingen dat partijen zich daarnaar gedroegen of dat zij of derden dit uit hun verklaringen hadden mogen afleiden.

4.16.

De conclusie is dat [eiseres] onvoldoende (nader) heeft gesteld, uitgewerkt en onderbouwd dat sprake is van een samenwerking tussen [gedaagde] en haar op basis van gelijkwaardigheid, met het oogmerk om langs die weg vermogensrechtelijk voordeel voor ieder van hen te behalen. Hierdoor kan niet worden vastgesteld dat een vennootschap onder firma of maatschap tot stand is gekomen. Reeds om deze reden moeten haar vorderingen die op dit standpunt voortbouwen worden afgewezen. Daar kan niet aan af doen de eventuele juistheid van de stelling dat [eiseres] [gedaagde] heeft geënthousiasmeerd voor het fokken van sportpaarden, dat bij aanvang van de samenwoning de stoeterij in de vorm van [handelsnaam] zou zijn opgericht of dat zij zich intensief bezighield met het personeel of het, naar de rechtbank begrijpt, reilen en zeilen op de stoeterij. Uit die omstandigheden volgt immers niet dat partijen op basis van gelijkwaardigheid samenwerkten met het oogmerk om een vermogensrechtelijk voordeel te behalen.

4.17.

Daarbij komt nog het volgende. Uit het handelsregister blijkt dat ruim voor aanvang van zijn relatie met [eiseres], [gedaagde] handelsactiviteiten mede bestonden uit het fokken van paarden. [gedaagde] heeft gemotiveerd weersproken dat [eiseres] bij aanvang van hun relatie of samenleving eigen paarden in de stoeterij heeft ingebracht. Gelet op dit verweer lag het op de weg van [eiseres] om nader en voldoende concreet toe te lichten en te onderbouwen welke van de tot haar eigendom toebehorende paarden door haar in de volgens haar gezamenlijk gedreven stoeterij zijn ingebracht. [eiseres] heeft slechts zonder nadere uitwerking gesteld dat zij een aantal sportpaarden heeft ingebracht. Zij heeft niet vermeld hoeveel paarden, welk ras, welke namen of nummers het betreft. Dit is, gelet op de betwisting van deze inbreng door [gedaagde], naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om haar te kunnen volgen in haar standpunt dat zij paarden heeft ingebracht. Haar aanvullende stelling dat zij al sinds 1987/1988 paarden zadelmak maakte en dat zij in die paarden handelde, biedt in dit verband onvoldoende aanknopingspunten om vast te kunnen stellen dat zij paarden heeft ingebracht. Haar bewijsaanbod in dit verband zal daarom worden gepasseerd.

4.18.

De rechtbank volgt daarom niet [eiseres] stelling dat zij bij aanvang van de samenleving of relatie paarden heeft ingebracht in een door haar met [gedaagde] gedreven of te drijven onderneming.

4.19.

Omdat geen sprake is van een vennootschap onder firma of maatschap, zal de door [eiseres] onder I van haar petitum gevorderde verklaring voor recht dat de maatschap is ontbonden, worden afgewezen. Om dezelfde reden strandt ook de vordering onder III van het petitum van de dagvaarding tot veroordeling tot medewerking aan de liquidatie van de maatschap. Voor zover de onder II van het petitum in de dagvaarding gevorderde veroordeling tot verdeling van de paarden op het standpunt dat sprake is van een maatschap of vennootschap onder firma is gestoeld, zal deze ook worden afgewezen.

Overeenkomst van 19 mei 2004

4.20.

In verband met haar standpunt dat zij het mede eigendom bezit van de paarden van de stoeterij, beroept [eiseres] zich subsidiair op een schriftelijke overeenkomst van 19 mei 2004. Deze overeenkomst is volgens [eiseres] getekend door haar en [gedaagde]. In de schriftelijke overeenkomst worden de mondelinge afspraken dat [gedaagde] en [eiseres] ieder voor de helft eigenaar zijn van de paarden en dat de opbrengsten van die paarden door partijen in gelijke delen worden verdeeld, schriftelijk bevestigd, aldus [eiseres].

4.21.

[gedaagde] heeft zowel de door [eiseres] gestelde mondelinge afspraken als de schriftelijke vastlegging daarvan betwist. Volgens [gedaagde] heeft hij de door [eiseres] in het geding gebrachte overeenkomst niet ondertekend. [gedaagde] heeft aan [eiseres] verzocht de originele overeenkomst bij de rechtbank te deponeren, zodat de echtheid van de bij zijn naam geplaatste handtekening en de echtheid van het document kan worden onderzocht.[eiseres] heeft het origineel niet aan de rechtbank overgelegd. Ter zitting is namens haar toegelicht dat zij niet (meer) over de oorspronkelijke door partijen ondertekende versie beschikt. Het origineel van het door haar overgelegde document betreft een digitale versie dat door een computerexpert is teruggehaald in haar computer, nadat veel computerbestanden na een politie-interventie zijn verdwenen.

4.22.

Omdat [gedaagde] stellig betwist dat hij de overeenkomst heeft ondertekend, levert deze overeenkomst vanwege het bepaalde in artikel 159 lid 2 Wetboek van Rechtsvordering geen dwingend bewijs op tussen partijen over het bestaan van de in het schriftelijk stuk vastgelegde afspraken. [eiseres] is niet in het bezit van het oorspronkelijke stuk, maar slechts van een, naar de rechtbank begrijpt, gescande digitale versie. Zij heeft geen concreet bewijsaanbod gedaan over haar stelling dat de handtekening door [gedaagde] onder de schriftelijke overeenkomst is geplaatst. Hierdoor is het niet mogelijk om vast te stellen of de handtekening onderaan de akte door [gedaagde] is geplaatst. Hieruit volgt dat de schriftelijke overeenkomst geen dwingend bewijs van de juistheid van de in die overeenkomst neergelegde afspraken oplevert.

4.23.

[gedaagde] stelt voorts dat de door [eiseres] gestelde afspraken niet (mondeling) tussen hem en [eiseres] tot stand zijn gekomen. De rechtbank stelt vast dat deze door [eiseres] gestelde afspraken niet te rijmen zijn met de nadien gemaakte onweersproken commissieafspraken. De rechtbank ziet niet in waarom [eiseres] een commissie van 10% over de door haar verkochte paarden claimt, terwijl zij eerder met [gedaagde] een 50% verdeling van de opbrengst zou zijn overeengekomen. De verklaring van de advocaat van [eiseres] tijdens de tussen partijen gehouden zitting ter comparitie dat [eiseres] vergeten was dat die eerdere afspraken waren gemaakt, is onvoldoende overtuigend. Daarbij komt dat [eiseres] niet nader heeft kunnen stellen wanneer de mondelinge afspraken die ten grondslag liggen aan de schriftelijke overeenkomst tot stand zijn gekomen. [eiseres] heeft verder ook geen nadere stellingen naar voren gebracht over de uitvoering van de volgens haar gemaakte afspraak over de gelijke verdeling in de periode vanaf 19 mei 2004 tot het einde van hun relatie of daarvan enig bewijs overgelegd. Er is derhalve naast de door [gedaagde] betwiste digitale overeenkomst geen enkele onderbouwing voor de door [gedaagde] betwiste afspraken, terwijl de stukken die zijn overgelegd duiden op het gelijk van [gedaagde] op dit punt. De conclusie is daarom dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor het standpunt van [eiseres] dat partijen zijn overeengekomen dat zij samen eigenaar zijn van de paarden en dat de opbrengsten van die paarden dienen te worden verdeeld. Voor zover haar vorderingen op dit standpunt steunen, kunnen deze niet slagen.

Conclusie in conventie

4.24.

Uit het voormelde volgt dat de gevorderde verdeling van de paarden niet kan worden gebaseerd op de door [eiseres] bedoelde overeenkomst. Hiervoor is al geconcludeerd dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van de door [eiseres] gestelde maatschap of vennootschap onder firma. Hieruit volgt dat al haar vorderingen zullen worden afgewezen.

Verdeling van de paarden

4.25.

In nummer 89 van zijn conclusie in reconventie erkent [gedaagde] dat thans nog uitsluitend 5 paarden zowel in eigendom zijn van [eiseres] als van hem. Volgens [gedaagde] bezit hij 2/3e van dit eigendom en [eiseres] 1/3e. Het betreft de volgende paarden:

  1. Saphira, geboren 3 maart 1999, met chipnummer 5282110001049235,

  2. Air Jumper, geboren 9 juni 2005, met chipnummer 528210000754588, Air Jordan Z x Mr. Blue, Reg. A,

  3. Dutch Jumper, geboren 28 maart 2008,

  4. Ephira, geboren 23 maart 2009, met chipnummer 528210002400158, Diarado x Mr. Blue

  5. Faphira, geboren 15 maart 2010, met chipnummer 528210002516332, Reg. A, Diamant de Semilly x Mr. Blue.

Saphira was volledig in eigendom van [eiseres] en haar zus. [gedaagde] betoogt dat hij door betaling aan [eiseres] en haar zus op 4 april 2000 en 18 december 2000 2/3e eigendomsdeel heeft verworven. Uit Saphira zijn de hiervoor genoemde Air Jumper, Dutch Jumper, Ephira en Faphira geboren. Voorts is uit Saphira Zaphira geboren, maar dit paard is overleden. Op grond van artikel 3:172 BW bezit [gedaagde] daarom ook 2/3 eigendomsdeel van de paarden die uit Saphira zijn geboren, aldus [gedaagde].

4.26.

[eiseres] betwist de door [gedaagde] betoogde eigendomsverdeling. Ter motivering van haar verweer verwijst zij naar haar standpunten over de door haar gestelde maatschap en schriftelijke overeenkomst. Dit verweer strandt op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen. Vanwege het ontbreken van andere stellingen hierover zijn er onvoldoende aanknopingspunten dat er op dit moment meer dan de door [gedaagde] gestelde vijf levende paarden het gemeenschappelijk eigendom van partijen zijn. Ten aanzien van de verdeling van dit gemeenschappelijk eigendom geldt bovendien dat door [eiseres] onvoldoende is weersproken dat die verdeling 2/3e deel voor [gedaagde] en 1/3e deel voor [eiseres] is. De rechtbank stelt daarom vast dat het gemeenschappelijk eigendom is verdeeld in de verhouding 2/3e en 1/3e zoals door[gedaagde] is betoogd. Vast staat daarom dat uitsluitend de door [gedaagde] bedoelde en onder 4.25 van dit vonnis genoemde paarden het gemeenschappelijk eigendom zijn van [gedaagde] en [eiseres] en dat van dit eigendom [gedaagde] 2/3e deel en [eiseres] 1/3e deel bezit. De rechtbank zal daarom de door [gedaagde] verzochte verklaringen voor recht zoals is weergegeven onder 5. en 6. van 3.4 van dit vonnis toewijzen.

4.27.

[gedaagde] verzoekt voorts onder nummer 7 van zijn vorderingen de veroordeling van [eiseres] tot medewerking aan de verdeling van de in 4.25 van dit vonnis bedoelde paarden. Ook die vordering zal de rechtbank toewijzen.

4.28.

Na het instellen van zijn eis in reconventie met de toelichting zoals hiervoor is weergegeven, heeft [gedaagde] bij akte van 27 oktober 2013 aan de rechtbank meegedeeld dat [eiseres] zich het hiervoor genoemde paard Dutch Jumper volledig heeft toegeëigend en dat onduidelijk is of zij dit paard nog in haar bezit heeft of dat zij dit paard al heeft verkocht. [gedaagde] verzoekt de rechtbank in dit verband om op grond van artikel 22 Rv [eiseres] te gebieden hier opheldering over te verschaffen. De rechtbank zal dit verzoek passeren, omdat de stellingen en onderbouwingen daarvan door partijen in deze procedure tot aan dit vonnis voldoende zijn om een eindbeslissing te kunnen geven ten aanzien van alle vorderingen. De rechtbank wil partijen wel meegeven dat in het geval Dutch Jumper inderdaad door [eiseres] is toegeëigend en/of verkocht, hiermee in het kader van de verdeling van de paarden rekening gehouden kan worden, door bijvoorbeeld dit paard toe te bedelen aan [eiseres].

Onrechtmatige toe-eigening

4.29.

[gedaagde] vordert voorts een schadevergoeding van [eiseres], nader op te maken bij staat in een schadestaatprocedure, vanwege het door [eiseres] op onrechtmatige wijze zonder recht en/of titel toe-eigenen van de paarden U-caro en Rosenstolz. [eiseres] werpt hiertegen op dat zij over de eigendomspapieren beschikt, althans dat zij als eigenaar van deze paarden staat geregistreerd en dat zij U-caro heeft betaald. Deze stellingen heeft zij echter op geen enkele wijze nader onderbouwd, althans zij heeft niet concreet naar een stuk ter motivering van haar verweer verwezen, terwijl bovendien niet zonder meer uit haar betoog volgt dat zij de eigenaar van die paarden is. Al haar stellingen over het door haar gepretendeerde eigendomsrecht van de paarden, zijn met elkaar in tegenspraak, zodat zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet van de juistheid van die stellingen kan worden uitgegaan. In dit verband merkt de rechtbank op dat het haar een raadsel is waarom partijen de door [eiseres] gestelde en door [gedaagde] betwiste overeenkomst van 19 mei 2004 zouden overeenkomen, als tevens sprake zou zijn van een maatschap, en dat gelet op de stellingen dat sprake zou zijn van een maatschap of overeenkomst, het voor de rechtbank, niet te volgen is waarom de paarden U-caro en Rosenstolz slechts eigendom van [eiseres] zouden zijn. Vanwege deze innerlijk tegenstrijdige stellingen en het ontbreken van een nadere toelichting op het gestelde eigendomsrecht van U-caro en Rosenstolz, alsmede gelet op het onweersproken standpunt van Maat dat U-caro en Rosenstolz in de jaarrekening van 2010 van de stoeterij zijn opgenomen, houdt de rechtbank het er voor dat U- caro en Rosenstolz eigendom zijn van de stoeterij, en dus van[gedaagde]. [eiseres] heeft zonder dat zij eigenaresse was van deze paarden en zonder een daartoe strekkende overeenkomst met of toestemming van [gedaagde] zich de paarden van [gedaagde] toegeëigend.

4.30.

De vraag of deze toe-eigening, die naar de rechtbank begrijpt in Denemarken plaatsvond, onrechtmatig is, moet worden beantwoord naar Nederlands recht. Op grond van de Rome II-Verordening is de hoofdregel dat het recht van het land van de gemeenschappelijke woonplaats van partijen of het recht van het land waar de schade zich voordoet, van toepassing is. [eiseres] is woonachtig in Duitsland, terwijl [gedaagde] woont in [woonplaats 2]. Er is dus geen gemeenschappelijke woonplaats van partijen aan te wijzen. Hieruit volgt dat het recht van het land waar de schade zich heeft voorgedaan, van toepassing is. [gedaagde] lijdt zijn (vermogens)schade in Nederland, omdat hij in Nederland zijn onderneming van waaruit de paardenhandel plaatsvindt, drijft. Hieruit volgt dat Nederlands recht van toepassing is op de vraag of [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld.

4.31.

Naar Nederlands recht is de toe-eigening door [eiseres] onrechtmatig. Daarom is zij jegens hem aansprakelijk. De rechtbank beschikt over onvoldoende gegevens om de hierdoor door [gedaagde] geleden schade te begroten. De rechtbank acht het aannemelijk dat hij hierdoor mogelijk schade heeft geleden of lijdt, zodat ook de ter begroting en vaststelling van die schade gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure wordt toegewezen.

Voorschot

4.32.

Het door [gedaagde] gevorderde voorschot van € 300.000,00 op de schadevergoeding zal de rechtbank toewijzen. Reden hiervoor is dat door [eiseres] niet of onvoldoende is weersproken dat zij zich de paarden U-caro en Rosenstolz heeft toegeëigend en verkocht. Voorts heeft zij onvoldoende weersproken dat de waarde van deze paarden bij verkoop ten minste € 400.000,00 bedraagt.

Opheffing beslagen

4.33.

[gedaagde] vordert voorts dat [eiseres] de door haar gelegde conservatoire beslagen opheft, op straffe van verbeurte van een dwangsom. De beslagen die door [eiseres] zijn gelegd, dienen door haar te worden opgeheven, zodat de door [gedaagde] ingestelde vordering in dit verband zal worden toegewezen. Haar vorderingen in conventie worden immers afgewezen, waardoor haar beslagen zonder geldige rechtsgrond zijn gelegd. Dit oordeel wordt niet anders indien zij, zoals zij heeft aangegeven, tegen dit vonnis hoger beroep aantekent.

4.34.

De vraag of de gelegde beslagen onrechtmatig zijn is Nederlands recht van toepassing. [gedaagde] drijft immers zijn onderneming in Nederland en hij lijdt zijn schade daardoor in Nederland. Op grond van de Rome II-Verordening is daarom Nederlands recht van toepassing op de vraag of de beslagleggingen onrechtmatig zijn. Naar Nederlands recht zijn conservatoire maatregelen zoals de door [eiseres] gelegde beslagen onrechtmatig indien in de bodemprocedure wordt vastgesteld dat voor die beslagen een geldige rechtsgrond ontbreekt. [eiseres] is dus op grond van onrechtmatige daad jegens[gedaagde] aansprakelijk voor de onrechtmatige beslagleggingen en dient de daardoor door [gedaagde] geleden schade aan hem te vergoeden. De rechtbank beschikt over onvoldoende gegevens om de hierdoor door [gedaagde] geleden schade te begroten. Hieruit volgt dat de in dit verband gevorderde veroordeling tot schadevergoeding, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, zal worden toegewezen. De rechtbank acht het voldoende aannemelijk dat [gedaagde] mogelijk schade heeft geleden door die beslagleggingen.

EET waarmerking

4.35.

De rechtbank zal de door [gedaagde] op grond van de EET-verordening gevorderde waarmerking van het vonnis als Europese Executoriale titel afwijzen. Redengevend hiervoor is dat waarmerking slechts aan de orde kan zijn indien in het vonnis wordt beslist over (een) niet-betwiste vordering(en) en daarvan is bij de hier aan de orde zijnde vorderingen in reconventie geen sprake.

Conclusie in reconventie

4.36.

Uit het voormelde volgt dat de vorderingen 1 tot en met 8 zoals bedoeld onder 3.4. van dit vonnis zullen worden toegewezen en dat de vordering onder 9 wordt afgewezen. De ten aanzien van de bij de onder 3.4. genoemde vordering 1 gevorderde dwangsom zal worden beperkt op de hieronder in het dictum weergegeven wijze.

Proceskosten

4.37.

Omdat de vorderingen in conventie worden afgewezen en de vorderingen in reconventie grotendeels worden toegewezen, zal [eiseres] worden veroordeeld in de proceskosten in zowel conventie als reconventie.

4.38.

De kosten in conventie aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht 274,00

- salaris advocaat 904,00 (2 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.178,00

4.39.

De kosten in reconventie aan de zijde van[gedaagde] worden begroot op:

- salaris advocaat 678,00 (3 punten × factor 0,5 × tarief € 452,00)

Totaal € 678,00

4.40.

De in reconventie door [gedaagde] gevorderde beslagkosten van het door hem op 13 mei 2013 gelegde deelgenotenbeslag ter verzekering van een bedrag van € 510.000,- voor een nog te begroten schadevergoeding, zijn gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op:

Betekeningsexploot € 138,47

Salaris 2.580,00 (1 punt x € 2.580,-)

Totaal € 2.718,47

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.178,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf veertien dagen na dagtekening van dit tot de dag van volledige betaling,

5.3.

verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5.4.

gebiedt [eiseres] om binnen vijf dagen na dagtekening van dit vonnis, de door haar ten laste van [gedaagde] op 3 januari 2013, 15 januari 2013 en 23 september 2013 gelegde conservatoire beslagen op te heffen,

5.5.

veroordeelt [eiseres] om aan [gedaagde] een dwangsom te betalen van € 10.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de in 5.4. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 300.000,00 is bereikt,

5.6.

verklaart voor recht dat[eiseres] op grond van onrechtmatige daad jegens[gedaagde] aansprakelijk is voor de onder 5.4. bedoelde onrechtmatige beslagleggingen, met veroordeling tot vergoeding van de daardoor geleden en te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

5.7.

verklaart voor recht dat [eiseres] op grond van onrechtmatige daad jegens [gedaagde] aansprakelijk is vanwege het zich zonder recht en/of titel toe-eigenen van de paarden U-caro en Rosenstolz, met veroordeling tot vergoeding van de daardoor geleden en te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

5.8.

veroordeelt [eiseres] tot betaling van een voorschot van € 300.00,00 op de door haar te betalen schadevergoeding,

5.9.

verklaart voor recht dat alleen de onder 4.25 van dit vonnis onder de opsomming 1 tot en met 5 genoemde nog levende paarden gezamenlijk eigendom zijn van[gedaagde] en [eiseres], in de verhouding van 2/3e eigendomsdeel van [gedaagde] en 1/3e eigendomsdeel van [eiseres],

5.10.

veroordeelt [eiseres] mee te werken aan de verdeling van onder 5.9 van dit dictum bedoelde paarden die gezamenlijk eigendom zijn van [gedaagde] en [eiseres],

5.11.

veroordeelt [eiseres] in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 2.718,47, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de veertiende na de dag van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.12.

veroordeelt[eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van Maat tot op heden begroot op € 678,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de veertiende na de dag van dit vonnis tot de dag van volledige betaling en veroordeelt [eiseres], onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [gedaagde] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 131,00 aan salaris advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening,

5.13.

verklaart dit vonnis in reconventie met uitzondering van de uitgesproken verklaringen voor recht, tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.14.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.A.C. de Vaan en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2014.1

1 type: LdV/4229coll: RS/4234