Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:5428

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-11-2014
Datum publicatie
18-11-2014
Zaaknummer
3433689
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst. Geschil over toepassing bonusbepaling mede oorzaak verstoring arbeidsrelatie. Bodemprocedure over bonus aanhangig. Hoogte bonus ten behoeve van B-factor redelijkerwijs vastgesteld zonder dat bodemrechter gebonden is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0984
AR 2014/871

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Amersfoort

zaaknummer: 3433689 AE VERZ 14-170 PK/1097

Beschikking van 6 november 2014

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Ruijs Visual Computing B.V.,

gevestigd te Baarn,

verder ook te noemen RVC,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. Y.A.E. Vlassenroot,

tegen:

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [verweerder],

verwerende partij,

gemachtigde: mr. P. van den Berg.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift van 18 september 2014

  • -

    het verweerschrift van 13 oktober 2014

  • -

    de op voorhand door de gemachtigde van RVC toegezonden producties 19 tot en met 24

  • -

    de pleitnota van de gemachtigde van RVC

  • -

    de pleitnota van de gemachtigde van [verweerder]

  • -

    de mondelinge behandeling van 20 oktober 2014.

Hierna is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

RVC is een onderneming die software ontwikkelt voor ziekenhuizen, zelfstandige behandelcentra en diagnostische centra. Doel van de door haar ontwikkelde software is dat de artsen, verpleegkundigen en andere medische professionals sneller en efficiënter kunnen werken met betrekking tot beeldopslag, verslaglegging en inzage van beelden.

2.2.

Vanaf de oprichting van RVC in 2001 tot februari 2014 was [A] haar bestuurder, sindsdien is dat [B].

2.3.

[verweerder], geboren op [1962] (thans dus 52 jaar oud) is op 1 augustus 2001 in dienst getreden van RVC. Hij is thans in dienst als commercieel directeur op basis van een volledige werkweek. Het salaris bedraagt € 6.000,-- bruto per maand exclusief vakantietoeslag en bonus.

De (eerst) in 2007 opgestelde schriftelijke arbeidsovereenkomst vermeldt onder meer:

"9. Bonusregeling

De werkgever en werknemer komen een jaarlijkse bonus overeen ten bedrage van bruto 5% van de bijdrage van de werknemer aan de brutomarge (gedefinieerd als omzet minus inkoop) van de werkgever in dat jaar, te betalen in de eerste kalendermaand van het jaar volgend op het jaar waarop de bonus betrekking heeft.

De directie is gerechtigd de hoogte van de bonus aan te passen indien het resultaat van de onderneming onvoldoende is. In geval van beëindiging dienstverband vervalt de bonus over het jaar waarin het dienstverband wordt beëindigd."

2.4.

Tussen partijen is een geschil ontstaan omtrent de hoogte van de door RVC aan [verweerder] te betalen bonus met betrekking tot de jaren 2012 en 2013. Bij dagvaarding van 18 september 2014 heeft [verweerder] hierover bij deze rechtbank een vordering tegen RVC ingesteld (strekkende tot veroordeling tot betaling van een bedrag van bijna € 149.000,-- bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50%), bij welke vordering hij ook de jaren 2009 tot en met 2011 heeft betrokken. Ten tijde van de mondelinge behandeling van het onderhavige verzoekschrift stond die zaak voor antwoord.

2.5.

Op 16 september 2014 schrijft [B] onder meer aan [verweerder]:

"Beste [verweerder],

Zoals je weet, is RVC B.V. al geruime tijd van mening dat jij disfunctioneert in jouw functie. Ik verwijs je naar diverse functioneringsgesprekken die de afgelopen jaren (vanaf 2012) hebben plaatsgevonden. Ondanks uitdrukkelijke verzoeken van RVC B.V. daartoe, achtte jij het niet nodig dan wel ben jij niet in staat gebleken om jouw functioneren (in voldoende mate) te verbeteren.

Teneinde jou toch voor de organisatie te kunnen behouden hebben wij jou een alternatieve functie aangeboden waarvan wij denken dat deze functie wel door jou op een deugdelijke wijze kan worden uitgeoefend en welke functie recht doet aan jouw functioneren en welke qua beloning nauwelijks afwijkt van jouw huidige functie (de aangeboden beloning betreft een verbetering). Wij zijn van mening dat jou daarmee een zeer passend en redelijk voorstel is gedaan.

Jij bent niet bereid gebleken om deze alternatieve functie te accepteren. Daarmee ga je niet in op een redelijk voorstel van jouw werkgever. Je laat RVC B.V. dan ook geen andere keuze om te streven naar een beëindiging van jouw dienstverband. Binnen afzienbare tijd zullen wij derhalve een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst bij de kantonrechter indienen.

Vooruitlopend op voormelde ontbinding schorsen wij jou hierbij, hetgeen inhoudt dat het jou vanaf heden niet meer is toegestaan om jouw werkzaamheden voor RVC B.V. te verrichten.

RVC is van mening dat jouw aanwezigheid de goede gang van zaken binnen de onderneming schaadt, niet in de laatste plaats nu je hebt aangegeven vele klanten van RVC B.V. te zullen benaderen indien RVC B.V. zou overgaan tot beëindiging van jouw dienstverband. Je zult begrijpen dat wij een dergelijk dreigement uitermate serieus nemen. Indien jij daartoe zou overgaan, zou RVC B.V. aanzienlijke schade lijden".

3 Het geschil

3.1.

RVC verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] zo spoedig mogelijk te ontbinden. Samengevat voert zij daartoe het volgende aan.

[verweerder] heeft als commercieel directeur de taak de salesafdeling van RVC te leiden, en hij is in dat kader verantwoordelijk voor de concurrentie-analyse, positionering, communicatiebeleid en voor een zodanige werkwijze van de salesafdeling dat die op professionele wijze de vragen uit de markt bedient. Gedurende het dienstverband ontstond er geleidelijk aan steeds meer kritiek op zijn functioneren. Uiteindelijk was dit disfunctioneren zodanig dat [verweerder] in zijn huidige positie niet kan worden gehandhaafd. RVC heeft jarenlang pogingen ondernomen om zijn functioneren te verbeteren. Hij is tijdens functioneringsgesprekken aangesproken op zijn disfunctioneren. Telkens heeft hij de kritiek aan zijn adres weggewuifd en de aanval geopend op de directie. Hij vond dat er geen aanmerkingen konden worden gemaakt op de wijze waarop hij functioneerde.

In een ultieme poging om hem voor de organisatie te behouden heeft RVC hem een andere functie aangeboden die meer zou passen bij de wijze waarop hij werkte. Dit is op 26 juni 2014 in voorlopige vorm gebeurd, en op 12 augustus 2014 in een nader uitgewerkte vorm. [verweerder] is uiteindelijk niet bereid geweest om die functiewijziging te accepteren of daarover nader te onderhandelen. Deze opstelling heeft geleid tot een algehele vertrouwensbreuk en een verdere verstoring van de arbeidsrelatie tussen partijen.

3.2.

Volgens RVC bestaat het disfunctioneren van [verweerder] uit:

  1. het niet laten functioneren van het salesteam;

  2. onvoldoende standaardisering van de salesactiviteiten inclusief te weinig kennis van het eigen product en dienstverlening;

  3. geen leidinggevende capaciteiten;

  4. offertes zijn slordig en onoverzichtelijk;

  5. r is te weinig kennis van concurrenten, waardoor RVC bij inkoopprocedures waarin zij in concurrentie acteert, niet goed genoeg wordt gepositioneerd;

  6. heeft te weinig inzicht in de professionalisering die RVC's klanten hebben doorgemaakt, waardoor presentaties en salesgesprekken bij belangrijke beslissers niet overkomen;

  7. chaotisch en gebrek aan respect ten aanzien van overige werknemers;

  8. de bedrijfspresentaties zijn onder de maat;

  9. er wordt te weinig gebruik gemaakt van informatie die binnen RVC voorhanden is zodat zaken te laat worden aangeleverd, toezeggingen niet worden waargemaakt;

  10. de marktontwikkelingen worden door [verweerder] onvoldoende gekend als gevolg waarvan zij zich moet terugtrekken uit aanbestedingen.

3.3.

De verdere professionalisering is noodzakelijk doordat de producten van RVC zijn uitgegroeid van gebruik op enkele afdelingen naar ziekenhuisbreed gebruik, doordat ziekenhuizen bedrijfseconomischer zijn gaan werken, en doordat de concurrentie van RVC sterk is toegenomen. De salesafdeling moet een breder verhaal kunnen presenteren, dat ook bedrijfsstrategie en vooral ook dienstverlening omvat. De afdeling moet meer kennis van het eigen product hebben, van de concurrentie en van andere ICT-systemen in de ziekenhuizen. [verweerder] bleek niet in staat om zich die kennis eigen te maken. De kwaliteit van offertes moet veel beter, onder andere door een betere inhoud en door betere samenwerking met RVC‑consultants. Ook de kwaliteit van de presentatiedemonstraties moet veel beter.

[verweerder] bleek niet in staat om op deze ontwikkelingen in te spelen, althans hij was niet bereid om daartoe een poging te ondernemen.

Voorts speelt een rol de omstandigheid dat [verweerder] zich mede-eigenaar voelt van RVC omdat hij vanaf het begin bij RVC betrokken is geweest. Hij is echter nimmer aandeelhouder geweest. Door dit gevoel bleek hij echter niet in staat om aanwijzingen van zijn leidinggevende te accepteren.

3.4.

Uit het verslag van een functioneringsgesprek op 14 juni 2012 blijkt dat hij toen reeds niet goed functioneerde. Hij beloofde beterschap, maar dit is tot op de dag van vandaag niet gelukt. Op 23 april 2013 is hij opnieuw beoordeeld. Ook toen bleek dat de salesafdeling niet goed functioneert. Op 14 april 2014 is zijn functioneren in het jaar 2013 beoordeeld. Uit het verslag blijkt dat hij ten aanzien van de salesactiviteiten niet goed functioneert: onvoldoende kwaliteit van de offertes en andere stukken, de noodzaak tot het aanbrengen van een "breder verhaal" en meer feitelijke informatie, noodzaak van hergebruik van kennis en ervaring, en een slechte sfeer op de salesafdeling. Er werden duidelijke doelstellingen voor 2014 geformuleerd. In de loop van 2014 bleek echter dat hij niet van plan was zijn functioneren te verbeteren. Dit was reden om hem op 16 juni 2014 tussentijds te beoordelen. In plaats van zich te richten op een verbetering van zijn functioneren was hij echter van mening dat hem te weinig bonus was uitgekeerd en ging hij daarover de discussie aan.

3.5.

Ook mediation heeft niet tot een beter functioneren van de afdeling onder leiding van [verweerder] geleid.

3.6.

Nadat [verweerder] in zijn verweerschrift primair tot afwijzing van het ontbindingsverzoek had geconcludeerd, en subsidiair tot ontbinding onder toekenning van een vergoeding van € 524.988,22 bruto (C=2), heeft hij ter zitting zijn primaire standpunt laten varen en verklaard dat zijn verweer (tevens) dient te worden opgevat als een zelfstandig tegenverzoek.

3.7.

Samengevat voert [verweerder] het volgende aan.

Het feit dat hij het geschil over de hoogte van de bonus aan de rechter voorlegde (bij dagvaarding van 18 september 2014) was voor RVC direct aanleiding het ontbindingsverzoek in te dienen (namelijk diezelfde dag).

3.8.

Bij de start van RVC waren er geen andere medewerkers in dienst dan [A] en hij, en de omzet bedroeg toen ongeveer ƒ 100.000, per jaar. Thans bedraagt de omzet enkele miljoenen euro's en zijn de aandelen in 2014 door [B] samen met een investeringsmaatschappij gekocht van [A] voor een bedrag dat naar verluidt tussen de € 5 miljoen en € 10 miljoen ligt.

3.9.

Als commercieel directeur had en heeft hij primair tot taak het creëren van omzet. Bij zijn indiensttreding had hij niet de taak om leiding te geven aan een afdeling, omdat zijn afdeling toen niet bestond. Ook in de in 2007 opgestelde arbeidsovereenkomst is niets terug te vinden over het leiden van een afdeling. Een functieomschrijving als commercieel directeur is er niet. Van huis uit is hij geen manager, maar een marketingspecialist. Hij heeft in de afgelopen jaren een substantiële groei van de omzet weten te bewerkstelligen. Voor het eerst in 2009 heeft hij ondersteuning bij de verkoop gekregen (thans zijn er 3 salesmedewerksters).

Hij heeft met externe partners regulier overleg geïnitieerd, om de slagkracht en professionalisering van RVC meer vorm te geven. Verder heeft hij een partnership met Pink Roccade tot stand gebracht, hetgeen er toe heeft geleid dat RVC een eigen consultancyafdeling heeft opgezet. Hierdoor wordt extra omzet gerealiseerd. Sinds 2007 is hij bestuurslid van IHE, een wereldwijde organisatie die ICT-standaarden in de zorg dient te organiseren.

3.10.

[A] heeft nooit functionerings- of beoordelingsgesprekken met hem gevoerd. Een gesprek van 14 juni 2012 met [A] kan hij zich niet herinneren. Uit het verslag blijkt in ieder geval niet dat het om een functioneringsgesprek ging. [verweerder] erkent wel dat er een gesprek op 23 april 2013 is geweest. Hij heeft destijds uitgebreid gereageerd op het verslag.

Uit het verslag blijkt wel dat er sprake was van een (sluimerend) probleem tussen [A] en hem: [verweerder] wilde overname van aandelen bespreken, de bonus en de samenwerking. [A] wilde niet over een aandelenoverdracht spreken, en evenmin wil hij meer precieze openheid geven over de exacte omzet en kosten.

3.11.

In het licht hiervan is het niet vreemd dat [A] ineens het functioneren van [verweerder] onder de loep nam en daar kritiek op begon te uiten, en dat vervolgens als argument gebruikt om hem nog slechts een gedeelte van de hem toekomende bonus toe te kennen. Over 2012 had hij recht op een bonus van € 106.500,--, maar [A] heeft besloten daarvan slechts de helft uit te betalen.

3.12.

Met betrekking tot de beoordeling door [B] over 2013 op 14 april 2014 merkt [verweerder] op dat [B] toen nog maar een paar maanden in dienst was. Hij bleek echter al wel een oordeel te hebben over het functioneren van [verweerder]. Ook op het verslag van dit gesprek heeft [verweerder] uitgebreid schriftelijk gereageerd. RVC bood echter geen ruimte voor een verdere uitwisseling van standpunten.

3.13.

De verwijten van RVC zijn niet onderbouwd en ongeloofwaardig. Onder de commerciële leiding van [verweerder] is zij marktleider geworden.

3.14.

[verweerder] was wel degelijk bereid tot overleg over aanpassing van zijn rol en takenpakket. Hij wilde juist datgene doen waar hij het beste in is, te weten het binnenhalen van klanten en genereren van omzet. Hij is echter aan de motieven van RVC gaan twijfelen toen bleek dat er geen enkele opening zou worden geboden om het slepende geschil over de bonus op te lossen. Wat hem betreft viel te praten over een andere functie-inhoud, mits zijn bonusregeling werd gerespecteerd. Het verdere overleg heeft niet tot een oplossing geleid. RVC heeft doelbewust op het mislukken daarvan aangestuurd om een breuk te forceren.

In de nieuwe functie zou zijn salaris met € 250,-- per maand stijgen, maar daar stond tegenover dat de bonusregeling in vergaande mate zou worden beperkt.

3.15.

Op de dag dat de dagvaarding uitgebracht is het verzoekschrift ingediend, is hij geschorst en naar huis gestuurd. Daarmee loopt RVC vooruit op de uitkomst van deze procedure en wil zij zijn terugkeer frustreren.

3.16.

Dat de arbeidsrelatie thans tot een einde dient te komen is door RVC doelbewust veroorzaakt. En dient daarom een ontbindingsvergoeding te worden vastgesteld. Bij het vaststellen van de B-factor dient daarbij uit te worden gegaan van de bedragen waarop [verweerder] volgens de bestaande bonusregeling aanspraak kan maken.

Wat zijn perspectieven op de arbeidsmarkt betreft merkt hij op dat hij door het lange dienstverband volledig verweven is met de doelgroep van RVC. Verder wordt hij extra beperkt door het concurrentiebeding en het relatiebeding die in de arbeidsovereenkomst zijn opgenomen.

4 De beoordeling van het verzoek en het tegenverzoek

4.1.

Nu [verweerder] zich niet (langer) tegen ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzet, behoeft de kantonrechter zich er niet van te vergewissen of het verzoek van RVC verband houdt met een opzegverbod.

4.2.

Beide partijen zijn het erover eens dat de arbeidsrelatie zodanig is verstoord, dat verdere samenwerking niet mogelijk is. De arbeidsovereenkomst zal daarom op die grond worden ontbonden, en wel per 1 december 2014. [verweerder] heeft verzocht de ontbinding niet eerder dan per 1 januari 2015 uit te spreken omdat hij anders geen aanspraak kan maken op een bonus over 2014, maar de kantonrechter gaat daaraan voorbij. De strekking van een ontbindingsprocedure is immers dat op korte termijn duidelijkheid ontstaat over de voortzetting van het dienstverband.

Of aan [verweerder] een ontbindingsvergoeding dient te worden toegekend, en zo ja voor welk bedrag, hangt in hoofdzaak af van de vraag in wiens risicosfeer de reden van de ontbinding is gelegen en of van die omstandigheid aan die partij verwijt kan worden gemaakt.

4.3.

Voor zover [verweerder] bedoeld heeft te betogen dat zijn wijze van leidinggeven niet bij de beoordeling mag worden betrokken omdat er geen functiebeschrijving is opgemaakt, gaat de kantonrechter daaraan voorbij. Alleen al uit de benaming van zijn functie, commercieel directeur, kan worden afgeleid dat het leidinggeven aan de salesafdeling tot zijn taak behoorde.

4.4.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft RVC de in het voorgaande onder 3.2 vermelde kritiek niet erg concreet gemaakt. Zij volstaat grotendeels met algemene kwalificaties (geen leidinggevende capaciteiten, slordige offertes, te weinig inzicht in de professionalisering van de klanten, chaotisch, de presentaties zijn onder de maat enz.), zonder dit concreet in te vullen of voorbeelden over te leggen (bijvoorbeeld van slordige offertes).

Ook met betrekking tot het functioneren van [verweerder] als leidinggevende heeft RVC geen of nauwelijks concrete voorbeelden genoemd. Uit een aantal door RVC overgelegde stukken (een verslag van de mediation, diverse e-mailberichten van werknemers) zijn wellicht een aantal kritiekpunten af te leiden, maar RVC heeft grotendeels volstaan met een blote verwijzing naar die stukken, zonder voldoende duidelijk aan te geven op welke passages zij precies een beroep wenst te doen. Het is daarom voor [verweerder] en voor de kantonrechter onvoldoende duidelijk welke concrete verwijten RVC [verweerder] precies maakt. Aan die stukken zal de kantonrechter daarom grotendeels voorbijgaan. De kantonrechter constateert verder dat RVC bij het verzoekschrift een aantal verslagen van volgens haar gehouden (functionerings)gesprekken heeft overgelegd, zonder het uitgebreide commentaar dat [verweerder] daar vervolgens heeft gegeven tevens over te leggen en te bespreken. Ook met betrekking tot de kort voor de mondelinge behandeling toegezonden producties heeft RVC grotendeels volstaan met een blote verwijzing. Om eerdergenoemde reden komt aan die stukken niet al te veel gewicht toe.

4.5.

Anderzijds geeft [verweerder] echter in het overleg over het wijzigen van zijn functie zelf wel aan dat leidinggeven misschien niet zijn sterkste kant is, dat hij aan dat deel van zijn functie ook weinig plezier beleeft, en dat hij zich graag op de commerciële kant concentreert.

4.6.

Naar het oordeel van de kantonrechter stelt [verweerder] terecht dat hem geen verbetertraject is aangeboden, en dat de mediation (die immers gericht was op het normaliseren van de verhoudingen binnen het salesteam) niet als zodanig kan worden aangemerkt. Hierbij acht de kantonrechter van belang dat [verweerder] inmiddels ruim 13 jaar bij RVC in dienst is, dat hij vanaf het begin van RVC bij de onderneming betrokken is geweest, dat hij lange tijd de enige "commerciële man" binnen RVC is geweest, en dat RVC inmiddels een grote omzetstijging heeft weten te realiseren. Het kan niet anders dan dat dit voor een relevant deel mede aan [verweerder] is te danken.

4.7.

In het kader van een dergelijk verbetertraject zouden concrete punten moeten zijn genoemd waarop verbetering diende plaats te vinden, zou (zo mogelijk externe) begeleiding moeten zijn aangeboden, zou een bepaalde periode moeten zijn vastgesteld waarbinnen die verbetering gerealiseerd moest zijn, en zou aangegeven moeten zijn dat [verweerder] arbeidsrechtelijke gevolgen zou ondervinden indien het traject niet zou slagen. Van dit alles is geen sprake geweest.

4.8.

RVC stelt dat [verweerder] de aangeboden functiewijziging had behoren te accepteren. De kantonrechter overweegt dat dit aanbod moet worden getoetst aan de in Stoof/Mammoet (HR 11 juli 2008, LJN BD1847) ontwikkelde criteria: was er aanleiding voor de werkgever om als goed werkgever een wijzigingsvoorstel te doen, en zo ja was het voorstel redelijk en was de werknemer in redelijkheid gehouden het voorstel te aanvaarden.

4.9.

Nu RVC zelf in ieder geval ontevreden was over de gang van zaken, en [verweerder] met die gang van zaken ook niet al te gelukkig was, kan die eerste vraag wellicht bevestigend worden beantwoord, ook al stond de juistheid van alle kritiek op het functioneren van [verweerder] niet geheel vast. Naar het oordeel van de kantonrechter was het voorstel echter niet redelijk. Uit het door RVC overgelegde overzicht blijkt dat van de ongeveer 36 aspecten van de oorspronkelijke functie van [verweerder] er slechts 3 geheel aan de gewijzigde functie zouden worden toebedeeld, een klein aantal deels, en alle overige aan de gewijzigde functie. Belangrijk hierbij is verder dat [verweerder] er onweersproken door RVC op heeft gewezen dat de nieuwe manager (volledig) zeggenschap zou krijgen over toedeling van de accounts, waarmee deze een bepalende invloed zou kunnen uitoefenen op de door [verweerder] te realiseren bonus. De kantonrechter neemt hierbij in aanmerking dat uit de stukken blijkt dat RVC doende was de bonusaanspraken van [verweerder] sterk in neerwaartse zin te wijzigen, terwijl de aan [verweerder] tot 2012 (vanaf welk moment een geschil is ontstaan over de hoogte van de bonus) toegekende bonus ongeveer 50% van zijn inkomen uitmaakte.

In dit verband is minder van belang dat [verweerder] steeds heeft aangegeven dat hij wel over functiewijziging wilde praten, mits de bonus over 2012 en 2013 op de door hem geclaimde wijze zou worden berekend en uitbetaald.

4.10.

Voorts is voldoende aannemelijk dat het geschil tussen partijen over de berekening van de bonus over 2012 voor een groot gedeelte debet is geweest aan de verslechtering van de verhoudingen. Dat [verweerder] groot belang aan de bonus hechtte is begrijpelijk, nu deze zoals hiervoor aangegeven de laatste jaren 50% van zijn inkomen heeft bedragen.

Verder acht de kantonrechter van belang dat de arbeidsovereenkomst weliswaar bepaalt dat de bonus wordt berekend op 5% van de bijdrage van [verweerder] aan de brutomarge, en dat het dus niet vanzelfsprekend is dat er steeds van wordt uitgegaan dat de brutomarge volledig door [verweerder] is tot stand gekomen. Met betrekking tot 2012 is de berekening van de bonus echter gebaseerd op slecht functioneren, zonder dat daar een onderbouwing voor is gegeven met betrekking tot welke verkopen aan [verweerder] en welke aan andere werknemers dient te worden toegerekend. Voorts wilde RVC niet langer de omzet uit abonnementen en licenties meetellen, terwijl dat in de periode 2007-2012 wel steeds is gebeurd.

In het kader van deze ontbindingsprocedure is de kantonrechter van oordeel dat RVC de zaak daarmee onnodig op scherp heeft gezet. Met betrekking tot de bonus over 2013 geldt grotendeels hetzelfde. De kantonrechter neemt verder in aanmerking dat uit de stukken blijkt dat RVC [verweerder] geen inzage in de cijfers wenst te geven, terwijl [verweerder] op grond van artikel 7: 619 BW op zijn minst wel recht heeft op overlegging van zodanige bewijsstukken als hij nodig heeft om de berekening van de bonus te kunnen controleren.

4.11.

Uit het voorgaande volgt dat het functioneren van [verweerder] wellicht voor verbetering vatbaar was, maar dat het niet zo ernstig onder de maat was als RVC stelt, en voorts dat de verstoring van de arbeidsrelatie voor een groot gedeelte aan RVC is te wijten. De kantonrechter neemt verder in aanmerking dat RVC ter zitting heeft verklaard dat zij [verweerder] ontslaat uit het non‑concurrentiebeding (het relatiebeding en het geheimhoudingsbeding blijven gehandhaafd).

De kantonrechter zal een ontbindingsvergoeding conform de kantonrechtersformule toekennen waarbij C = 0,9. De kantonrechter ziet in deze zaak geen aanleiding vooruit te lopen op de nog in te voeren Wet werk en zekerheid, zoals RVC heeft verzocht.

4.12.

Met betrekking tot de B-factor is de kantonrechter (met partijen) van oordeel dat de bonus bij de berekening van het gemiddelde salaris dient te worden betrokken, nu deze een substantieel deel van de beloning uitmaakt. RVC gaat daarbij uit van de door haar toegekende bedragen, welke uitkomen op gemiddeld € 60.000,-- bruto per jaar (per maand dus € 5.000,), en [verweerder] gaat uit van de bonusbedragen tot 2013 waar hij volgens hem recht op heeft. Hij komt uit op een bedrag van € 8.960,83 bruto per maand.

4.13.

Het bedrag van de bonus waarop [verweerder] aanspraak heeft zal worden vastgesteld door de bodemrechter. In het kader van deze ontbindingsprocedure zal de kantonrechter ter vaststelling van de B-factor op basis van de in deze procedure betrokken stellingen in redelijkheid een gemiddeld bedrag tot uitgangspunt nemen. Uiteraard is de bodemrechter op geen enkele wijze aan dit uitgangspunt gebonden.

De kantonrechter zal bij de vastlegging van de B-factor uitgaan van een bedrag van € 6.000,-- bruto aan bonus per maand. Het brutoloon per maand komt daarmee op € 12.000,--, te vermeerderen met 8% vakantiebijslag.

Toegekend zal worden 16,5 (gewogen dienstjaren) x € 12.000,-- x 1,08 (vakantiebijslag) x 0,9 (factor C) = (afgerond) € 192.500,-- bruto.

5 De beslissing

De kantonrechter:

- stelt partijen in de gelegenheid uiterlijk 25 november 2014 het eigen verzoek in te trekken;

en voor het geval minstens een van beide verzoeken binnen de aangegeven termijn niet wordt ingetrokken:

- ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 december 2014;

- kent aan [verweerder] ten laste van RVC een vergoeding toe van € 192.500, bruto en veroordeelt RVC tot betaling van deze vergoeding aan [verweerder];

- compenseert de proceskosten in die zin, dat partijen de eigen kosten dragen;

en voor het geval de beide verzoeken binnen de aangegeven termijn worden ingetrokken:

- veroordeelt RVC in de proceskosten aan de zijde van [verweerder], tot de uitspraak van deze beschikking begroot op € 400, aan salaris gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door mr. P. Krepel, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 6 november 2014.