Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:5377

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-11-2014
Datum publicatie
18-11-2014
Zaaknummer
C-16-350733 - HA ZA 13-622
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering vaststelling omvang nalatenschap en vorderingen afgifte keuzelegaat en vaststelling verdeling nalatenschap afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2015-0097

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/350733 / HA ZA 13-622

Vonnis van 12 november 2014

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. L.L.A. Cox,

tegen

1. [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. drs. E.H. Bakker,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna [eiseres] respectievelijk [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het tussenvonnis van 23 oktober 2013;

  • de conclusie van antwoord in reconventie van 13 juni 2014;

  • het proces-verbaal van comparitie van 13 juni 2014. Partijen hebben tijdens deze comparitie afgesproken dat zij zich tot de notaris zouden wenden om de hierna te noemen nalatenschap te verdelen. Zij hebben de rechtbank nadien echter bericht dat zij geen overeenstemming over deze verdeling hebben kunnen bereiken.

  1. 1.2.Omdat de paragrafen 1 tot en met 7 van de conclusie van antwoord in reconventie zagen op de vorderingen in conventie, is dit gedeelte van de conclusie tijdens de comparitie aan [eiseres] geretourneerd.

  1. 1.3.Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiseres] en [gedaagde 2] zijn kinderen van mevrouw [erflaatster] (hierna erflaatster), die op [2008] is overleden. Erflaatster woonde ongehuwd samen met [gedaagde 1]. Zij waren samen, ieder voor de helft, eigenaar van het appartement gelegen aan de [adres] te [plaats].

2.2. Erflaatster heeft bij testament van 2 juli 2001, [eiseres], [gedaagde 2] en [gedaagde 1] tot haar erfgenamen benoemd, ieder voor een derde deel, en [gedaagde 1] tot executeur. Het testament bevat voorts de volgende bepaling:

“2. KEUZELEGAAT EN VRUCHTGEBRUIK

Ik legateer aan [gedaagde 1] ([gedaagde 1], toevoeging rechtbank), (…), hierna te noemen: partner:

  1. al mijn goederen die hij zal kiezen, onder de verplichting om de waarde daarvan in mijn nalatenschap in te brengen;

  2. het vruchtgebruik van mijn nalatenschap, waarbij de vordering tot inbreng van de waarde in de plaats van de gekozen goederen treedt en derhalve onderdeel is van het vruchtgebruikvermogen.

Ik maak deze beschikkingen mede in verband met de op mij rustende verzorgingsverplichting ten aanzien van mijn partner.

Keuzelegaat

De gekozen goederen (legaat onder 2.A.) zullen in onderling overleg tussen mijn erfgenamen en de legataris worden gewaardeerd naar de waarde op mijn sterfdag. Indien dat onderling overleg niet plaatsvindt of partijen niet tot overeenstemming komen, zal op verzoek van één van hen aan de kantonrechter benoeming van een deskundige worden gevraagd ter bindende vaststelling van de waarde.

Vruchtgebruik

Met betrekking tot het vruchtgebruik bepaal ik het volgende:

  1. Het vruchtgebruik zal rusten op mijn nalatenschap, nadat daaruit de kosten van mijn begrafenis of crematie en de boedel- en taxatiekosten zijn voldaan.

Ik ken mijn partner het recht toe te bepalen welke vermogensbestanddelen van mijn nalatenschap in het vruchtgebruikvermogen gerangschikt zullen worden. Hij is eveneens bevoegd het vruchtgebruik van een gedeelte van mijn nalatenschap niet te aanvaarden.

(…)

  • Het vruchtgebruik gaat in op de dag van mijn overlijden en eindigt:

(…)

-indien hij (de vruchtgebruiker, toevoeging rechtbank)(her)trouwt of een geregistreerd partnerschap aangaat, tenzij hij tevoren huwelijks-of registratievoorwaarden maakt die uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen inhouden en waarbij elk verrekenbeding is uitgesloten, met dien verstande dat verrekening van overgespaarde inkomsten wel is toegestaan;

d. Het vruchtgebruik zal op kosten van de nalatenschap worden afgegeven bij notariële akte binnen twaalf maanden na mijn overlijden, waarbij tevens een beschrijving van het vruchtgebruikvermogen wordt opgemaakt.”

2.3. Partijen hebben de nalatenschap allen zuiver aanvaard.

2.4. Op 14 december 2010 is [gedaagde 1] in gemeenschap van goederen gehuwd met mevrouw [A].

3. Het geschil

in conventie

3.1. [eiseres] vordert ‑ samengevat ‑ dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, (1) de samenstelling en omvang van de nalatenschap van erflaatster vaststelt, (2) primair (a) [gedaagde 1] veroordeelt tot formele afgifte van het keuzelegaat aan hemzelf tegen inbreng van de waarde ten tijde van het overlijden van erflaatster in de nalatenschap en (b) [gedaagde 1] veroordeelt tot zodanige betaling aan [eiseres] als zal volgen uit de waardeinbrengverplichting in de nalatenschap, subsidiair (a) de verdeling van de nalatenschap tussen partijen vaststelt, aldus dat alle tot de nalatenschap behorende bezittingen aan [gedaagde 1] zullen worden toegedeeld, onder diens verplichting om alle tot de nalatenschap behorende schulden te voldoen en om wegens zijn overbedeling aan [eiseres] en [gedaagde 2] ieder het hen toekomende erfdeel in geld te betalen, althans een zodanige verdeling tussen partijen vaststelt als door de rechtbank in goede justitie te bepalen, (b) [gedaagde 1] veroordeelt tot zodanige betaling aan [eiseres] als zal volgen uit de door de rechtbank vast te stellen verdeling en (3) [gedaagde 1] veroordeelt in de proceskosten.

3.2. [gedaagde 1] c.s. voert verweer en concludeert tot afwijzing van deze vorderingen.

3.3. De stellingen van partijen zullen hierna, voor zover van belang, worden weergegeven.

in (voorwaardelijke) reconventie

3.4. [gedaagde 1] vordert dat, indien [eiseres] betwist dat zij het bedrag van € 20.200 van [gedaagde 1] heeft ontvangen, de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad ‑ samengevat ‑ (1) [eiseres] veroordeelt om een bedrag van € 20.200,- aan hem te voldoen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 maart 2009 althans vanaf 2 oktober 2013, (2) [eiseres] veroordeelt om een bedrag van € 2.193,81 aan hem te voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 oktober 2013 en (3) hem veroordeelt in de proceskosten.

3.5. [eiseres] voert verweer.

3.6. De stellingen van partijen zullen hierna, voor zover van belang, worden weergegeven.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. [eiseres] heeft aangevoerd dat [gedaagde 1] nog geen gebruik heeft gemaakt van het keuzelegaat als bedoeld in het hiervoor weergegeven artikel 2 onder A van het testament. Volgens haar dient [gedaagde 1] dit alsnog te doen en dient de waarde van de door hem te kiezen goederen vervolgens in de nalatenschap te worden ingebracht. [gedaagde 1] heeft zich verweerd en gesteld dat de nalatenschap in 2009 is afgewikkeld, doordat hij [eiseres] toen een bedrag van € 20.200,- heeft betaald. Ook aan Harderman-[eiseres] heeft hij toen een bedrag voldaan, van € 20.000,-. [gedaagde 1] heeft daarnaast gesteld dat hij het vruchtgebruik van de nalatenschap heeft gehad, dat volgens hem tot 14 april 2010 heeft geduurd. Als [eiseres] al recht zou hebben op een bedrag uit de nalatenschap (boven het bedrag van € 20.200,- dat al is voldaan), geldt dat er als gevolg van het vruchtgebruik niets meer kan worden voldaan.

4.2. De rechtbank overweegt dat niet is komen vast te staan dat het vruchtgebruik als bedoeld in artikel 2 onder B van het testament is gevestigd. Op grond van het hiervoor weergegeven artikel 2d van het testament diende dit namelijk bij notariële akte te gebeuren. Gesteld noch gebleken is dat er een notariële akte van vestiging is opgemaakt, laat staan dat dit binnen de in het testament genoemde periode van twaalf maanden na het overlijden van erflaatster is gebeurd. Evenmin is er een beschrijving van het vruchtgebruik vermogen gemaakt, hetgeen op grond van het hiervoor genoemde artikel 2d van het testament ook had moeten geschieden. Nu [gedaagde 1], blijkens de door [eiseres] overgelegde huwelijksakte, op 14 december 2010 is gehuwd en dit, blijkens het eveneens door [eiseres] overgelegde uittreksel uit het Huwelijksgoederenregister, in gemeenschap van goederen is gebeurd, kan vestiging van het vruchtgebruik ook niet meer plaatsvinden. Deze gebeurtenis zou op grond van artikel 2c van het testament namelijk tot het einde van het vruchtgebruik hebben geleid indien het vruchtgebruik wél zou zijn gevestigd.

4.3. Evenmin is komen vast te staan dat [gedaagde 1] gebruik heeft gemaakt van het keuzelegaat. Weliswaar heeft [eiseres] ter comparitie gesteld dat [gedaagde 1] in 2010 een keuze heeft gemaakt, maar zij heeft dit verder niet onderbouwd. Deze stelling strookt bovendien niet met hetgeen zij in de dagvaarding (in paragraaf 10) heeft opgemerkt, te weten dat [gedaagde 1] volgens haar nog gebruik kan maken van het keuzelegaat en dat hem de goederen die hij kiest krachtens legaat zullen moeten worden toegedeeld. Ter comparitie heeft [gedaagde 1] opgemerkt dat hij alsnog wenst dat het appartement aan de [adres] aan hem wordt geleverd. Tegelijkertijd heeft hij, bij monde van zijn advocaat, te kennen gegeven dat hij niet zeker weet wat hij wil en dat de notaris hem hierover misschien kan adviseren. De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat [gedaagde 1] van het keuzelegaat geen gebruik heeft gemaakt.

4.4. [eiseres] heeft allereerst gevorderd dat de rechtbank de samenstelling en omvang van de nalatenschap van erflaatster vaststelt. De rechtbank begrijpt dat zij heeft beoogd te vorderen dat de rechtbank van recht verklaart dat de nalatenschap bestaat uit de door haar in paragraaf 11 van de dagvaarding genoemde goederen en schulden. [eiseres] heeft in het desbetreffende overzicht echter een vijftal pm posten (zoals “verzekeringsuitkeringen

€ pm”, “andere vorderingen/bezittingen € pm”) vermeld. Reeds om deze reden kan de gevorderde verklaring van recht niet worden gegeven, nu deze te onbepaald is. De vordering zal daarom worden afgewezen.

4.5. In verband met het voorgaande overweegt de rechtbank dat [gedaagde 1] in het testament tot executeur is benoemd. Op grond van artikel 4:143 lid 1 BW wordt men executeur door aanvaarding van zijn benoeming. [gedaagde 1] heeft zijn benoeming, gezien hetgeen hij in de conclusie van antwoord en van eis in voorwaardelijke reconventie heeft opgemerkt (te weten dat hij zich als executeur tot de notaris heeft gewend om tot afwikkeling van de nalatenschap te komen), kennelijk aanvaard. Artikel 4:146 lid 2 BW bepaalt dat de executeur (met bekwame spoed) een boedelbeschrijving moet laten opmaken, met inbegrip van een voorlopige staat van schulden van de nalatenschap. Gesteld noch gebleken is dat deze boedelbeschrijving is opgemaakt. [gedaagde 1] dient dit daarom alsnog te doen. Omdat [gedaagde 1] ter comparitie heeft opgemerkt dat het lastig voor hem is om executeur te zijn omdat hij geen verstand heeft van papierwerk, geeft de rechtbank hem in overweging om hierbij de hulp van een notaris in te roepen. Mocht [gedaagde 1] niet overgaan tot het (laten) opmaken van de genoemde boedelbeschrijving, dan zou [eiseres] de kantonrechter op grond van artikel 4:149 lid 2 BW kunnen verzoeken [gedaagde 1] als executeur te ontslaan. Door het ontslag eindigt de taak van [gedaagde 1] als executeur, komt hem niet langer bij uitsluiting van de andere erfgenamen ([eiseres] en [gedaagde 2]) het beheer van de nalatenschap toe en zal hij de andere erfgenamen niet langer kunnen vertegenwoordigen. [eiseres] zal dan de verdeling van de nalatenschap kunnen vorderen en in dat verband op grond van artikel 3:194 lid 1 BW eveneens kunnen vorderen dat de verdeling aanvangt met een boedelbeschrijving.

4.6. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, kan de stelling van [gedaagde 1] dat de nalatenschap al is “afgewikkeld” doordat hij [eiseres] een bedrag van € 20.000,- heeft betaald niet worden gevolgd. Hierbij komt dat een executeur niet bevoegd is om de nalatenschap te verdelen, aangezien voor een verdeling op grond van artikel 3:182 BW de medewerking van alle deelgenoten nodig is. Tot slot geldt dat [eiseres] gemotiveerd heeft betwist dat zij het genoemde bedrag heeft ontvangen. Zij heeft in dit verband opgemerkt dat [gedaagde 1] haar wél een bedrag van € 5.200,- heeft betaald, maar dat dit een schenking betrof omdat [gedaagde 1] een groot geldbedrag had gewonnen.

4.7. [eiseres] heeft daarnaast (onder 2 primair a) gevorderd dat [gedaagde 1] wordt veroordeeld tot formele afgifte van het keuzelegaat aan hemzelf tegen inbreng in de nalatenschap van de waarde die het desbetreffende goed of de desbetreffende goederen ten tijde van het overlijden van erflaatster hadden. De rechtbank overweegt dat deze vordering alleen kan worden toegewezen als vaststaat dat [gedaagde 1] een keuze voor een goed of goederen heeft gemaakt. Zoals hiervoor is overwogen, is dit echter niet komen vast te staan. Deze vordering zal daarom eveneens worden afgewezen. Hetzelfde geldt voor de vordering (onder 2 primair b) om [gedaagde 1] te veroordelen tot zodanige betaling als zal volgen uit de waarde inbrengverplichting in de nalatenschap, nu deze vordering met de hiervoor genoemde vordering verband houdt.

4.8. Nu uit het voorgaande blijkt dat niet kan worden vastgesteld dat de taken van [gedaagde 1] als executeur zijn beëindigd, kan de verdeling van de nalatenschap niet op vordering van [eiseres] worden vastgesteld. [gedaagde 1] heeft zich tegen deze verdeling namelijk verweerd en op grond van artikel 4:145 lid 1 BW kan de verdeling niet zonder de medewerking van de executeur of machtiging van de kantonrechter, geschieden. Ook de vorderingen onder 2 subsidiair zullen daarom worden afgewezen.

Proceskosten

4.9. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde 1] worden begroot op:

- griffierecht € 75,00

- salaris advocaat € 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 979,00

in voorwaardelijke reconventie

4.10. [gedaagde 1] heeft gevorderd dat [eiseres] wordt veroordeeld om het hiervoor genoemde bedrag van € 20.200,- aan hem te betalen voor het geval zij betwist dat zij dit bedrag van hem heeft ontvangen of dat zij dit in het kader van de verdeling van de nalatenschap heeft ontvangen. De rechtbank overweegt dat nu [eiseres] dit betwist de vordering zal moeten worden beoordeeld. Tegelijkertijd vormt deze betwisting aanleiding om de vordering af te wijzen, nu [gedaagde 1] zijn stelling dat [eiseres] dit bedrag heeft ontvangen (en dat dit in verband met de verdeling van de nalatenschap is gebeurd) in het licht van deze betwisting onvoldoende heeft onderbouwd.

4.11. [gedaagde 1] heeft daarnaast gevorderd dat [eiseres] wordt veroordeeld om een bedrag van € 2.193,81 aan hem te voldoen. Hij heeft aangevoerd dat de kosten van de begrafenis van erflaatster voor zijn rekening zijn gekomen en dat hij “thans nog doende is om de begrafeniskosten te voldoen”. Volgens hem dient een derde van deze kosten voor rekening van [eiseres] te komen. [eiseres] heeft zich verweerd en gesteld dat nergens uit blijkt dat [eiseres] de kosten inderdaad heeft voldaan. Daarnaast geldt volgens haar dat deze kosten zijn meegenomen in haar berekening van de omvang van de (te verdelen) nalatenschap. De rechtbank overweegt dat kosten van een begrafenis op grond van artikel 4:7 lid 1 sub b BW als een schuld van de nalatenschap moeten worden aangemerkt. Zij zullen daarom in de boedelbeschrijving moeten worden verwerkt en de erfgenamen zullen deze kosten in die zin uiteindelijk (in gelijke mate) dienen te dragen. Door van deze kosten apart betaling te vorderen, heeft [gedaagde 1] de hiervoor weergegeven systematiek miskend. De vordering zal reeds om deze reden worden afgewezen.

Proceskosten

4.12. [gedaagde 1] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op: € 452,00

(2,0 punten × factor 0,5 × tarief € 452,00) aan salaris advocaat.

5. De be slissing

De rechtbank:

in conventie

5.1. wijst de vorderingen af;

5.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde 1] tot op heden begroot op € 979,00;

5.3. verklaart dit vonnis in conventie wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

5.4. wijst de vorderingen af;

5.5. veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 425,00 aan salaris advocaat;

5.6. verklaart dit vonnis in reconventie voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2014.

type: AFH

coll: HP