Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:5289

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-10-2014
Datum publicatie
31-10-2014
Zaaknummer
16/661250-14; 23/005283-12 (tul) en 16/281752-11 (tul) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetheling van een grote hoeveelheid gestolen sieraden. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van drie weken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/661250-14; 23/005283-12 (tul) en 16/281752-11 (tul) (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 28 oktober 2014.

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1982] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2014, 15 juli 2014, 2 oktober 2014, 6 oktober 2014 en 14 oktober 2014. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. R.E.H. Jager, advocaat te Amersfoort.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

samen met een ander een aantal Budda2Budda sieraden heeft geheeld.

Primair ten laste gelegd als opzetheling, subsidiair als schuldheling.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen en baseert zich op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich ten aanzien van de bewezenverklaring aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Aangever [aangever] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:

Ik ben eigenaar van de winkel [juwelier] aan de [adres] te [vestigingsplaats]. Op 6 juni 2013 heeft een medewerker de winkel afgesloten. Op 7 juni 2013, omstreeks 03:30 uur werd ik gebeld door de alarmcentrale dat er in mijn winkel meerdere inbraakalarmen waren.2 Ik zag dat men het glas van een vitrinekast had ingeslagen. In deze kast hadden allemaal sieraden van het merk BUDDHA TO BUDDHA gelegen.3

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:

Het totale aantal sieraden dat is weggenomen komt op 93 stuks.4

In het proces-verbaal van stelselmatige observatie d.d. 6 juni 2013 en 7 juni 2013 is – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:

Op 7 juni 2013 komt [medeverdachte 1] rond 00:40 uur in een BMW [kenteken] de parkeerplaats in Doetinchem op gereden. Ik zag dat [medeverdachte 1] uitstapte.5 Omstreeks 00:54 uur komt een Renault Laguna voorzien van kenteken [kenteken] de parkeerplaats in Doetinchem op gereden. Ik zag dat de bestuurder [medeverdachte 2] was. Omstreeks 2:20 uur zag ik subject [medeverdachte 1] en contact [medeverdachte 2] op een bankje te Doetinchem.6 Omstreeks 03:11 uur zag ik dat subject [medeverdachte 1] weg fietste in de richting van de Catharinastraat. Ik zag dat contact [medeverdachte 2] dezelfde richting op fietste en stil ging staan op de Catharinastraat. Ik zag dat subject [medeverdachte 1] in de Catharinastraat stopte en in de richting van de gevels van de aldaar gesitueerde winkels liep. Ik had hierdoor geen zicht meer op [medeverdachte 1]. Ik zag dat [medeverdachte 2] een aantal malen om zich heen keek. Ik zag op dat moment geen andere personen in de Catharinastraat. Omstreeks 03:13 uur hoorde ik geluiden gelijkend op breekgeluiden. Ik hoorde dat deze geluiden kwamen uit de richting van de positie alwaar subject [medeverdachte 1] zich bevond. Ik hoorde glasgerinkel en een luid alarm afgaan. Omstreeks 03:15 uur zag ik dat subject [medeverdachte 1] uit de richting van de voorgevel van een winkel, alwaar na later de winkel [juwelier] gevestigd bleek te zijn, kwam gelopen. [medeverdachte 1] droeg een zwarte tas bij zich. Ik zag dat [medeverdachte 1] op zijn fiets stapte en wegfietste. Ik zag dat [medeverdachte 2] op zijn vouwfiets stapte en achter [medeverdachte 1] aan fietste. Ik zag en hoorde dat er een luid alarm afging van de winkel [juwelier], welke gevestigd was aan de [adres] te [vestigingsplaats]. Ik zag dat er braakschade was aan de voorgevel van het pand.7

Verbalisant [verbalisant 3] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:

Verdachte [medeverdachte 1] is de gebruiker van de mobiele telefoon met het telefoonnummer [telefoonnummer]. Op deze aansluiting werd een tap aangesloten. Tijdens dit onderzoek is door mij een aantal tapgesprekken beluisterd en uitgewerkt. In meerdere gesprekken op genoemde mobiele aansluiting, en via de ingebouwde OVC in het voertuig BMW 1 serie, kenteken [kenteken], die ik heb beluisterd en uitgewerkt, herkende ik de stem van de verdachte [medeverdachte 1]. Ik herkende de stem aan zijn accent, woordkeuze en intonatie.

Verdachte [medeverdachte 2] is de gebruiker van aansluiting [telefoonnummer]. Op deze aansluiting werd een tap aangesloten. Op 7 juni 2013, te 09:03 uur werd vanaf deze aansluiting gebeld. Tijdens dit gesprek noemt de beller zijn initialen, zijn rekeningnummer en zijn volledige woonadres. Hij geeft aan te zijn [medeverdachte 2], woonachtig aan de [adres].8 Tijdens het beluisteren en uitwerken van meerdere OVC gesprekken uit de personenauto die in gebruik is bij verdachte [medeverdachte 1] hoorde ik meerdere malen de stem van verdachte [medeverdachte 2]. Ik herkende de stem van [medeverdachte 2] aan zijn accent, taalgebruik en intonatie.

[medeverdachte 3] is de gebruiker van aansluiting [telefoonnummer]. Op deze aansluiting werd een tap aangesloten. Op 13 juni 2013 te 14:52 uur werd vanaf deze aansluiting gebeld. In dit gesprek stelt [medeverdachte 3] zichzelf voor met “[medeverdachte 3]”. Op 21 juni 2013 te 10:14 uur werd vanaf deze aansluiting gebeld. In dit gesprek stelt [medeverdachte 3] zichzelf voor als [medeverdachte 3]. Ik hoorde de medewerker van de Phoneshop vragen wat zijn postcode is. Ik hoorde [medeverdachte 3] zeggen dat dit “[postcode]” is. Uit gegevens van de Gemeentelijke Basisadministratie blijkt dat [medeverdachte 3] staat ingeschreven op de [adres], [woonplaats].9

Verbalisant [verbalisant 4] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:

Uit de tapgesprekken blijkt zeer vermoedelijk dat [medeverdachte 1] in de dagen volgend op de inbraak bij [juwelier] sieraden probeert te verkopen. [medeverdachte 1] deze sieraden met behulp van een vriend, genaamd [medeverdachte 3], op 11 juni 2013 verkocht heeft.10

Dit is mij gebleken uit het volgende11:

Op 7 juni 2013 omstreeks 15:08 uur (TA06, 31) is er een telefoongesprek tussen telefoonnummers [telefoonnummer] en [telefoonnummer]. Telefoongesprek tussen NNman1209 en NNman3550, respectievelijk [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1].

NNman1209: Had je wel wat of niet?

NNman 3550: ja, ik heb wat. Spreek maar af met die gasten.

NNman1209: is goed.12

Verbalisant [verbalisant 3] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:

Ik heb de camerabeelden uitgekeken die gemaakt zijn op 7 juni 2013. Deze camera stond gericht op de woning waar verdachte [medeverdachte 1] op dat moment woonachtig was. Te 19:16:50 uur zag ik een man de woning verlaten. Ik herken deze man als [medeverdachte 1].13 Op het camerabeeld om 19:22:40 uur zag ik twee mannen in beeld komen. Ik zag dat één van de mannen [medeverdachte 1] betrof. Ik zag dat [medeverdachte 1] het portier van de BMW opent en er een blauwkleurig goed uitpakt. Ik zag vervolgens dat beide mannen de woning betreden. Op het camerabeeld te 19:29:27 uur zag ik dat de eerder genoemde mannen de woning weer verlaten. Ik zag dat de NNman, bij het verlaten van de woning, in zijn hand een blauwkleurig goed draagt. Ik zag dat dit goed dezelfde blauwe kleur en afmeting heeft als het goed dat [medeverdachte 1] eerder uit zijn voertuig had gepakt. Ik kan met zekerheid zeggen dat de NNman [medeverdachte 3] [medeverdachte 3] is genaamd.14

Verbalisant [verbalisant 4] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:

Op 8 juni 2013 te 12:27 uur (TA05, 713) is er een telefoongesprek tussen NNman1209 en [medeverdachte 1]:

NNman1209: Deze wil hem wel, maar voor wat jij zegt.

[medeverdachte 1]: Ja

NNman1209: Maar dan heb ik er al eentje, voor mijn vrouw, van afgehaald.

[medeverdachte 1]: Ja, weet je. Ik moet gewoon hebben wat ik er voor vroeg, weet je.

NNman1209: Kan je niet een paar meijer zakken? Drie of drieënhalve meier, dat je zakt?

(…)

[medeverdachte 1]: Ja goed, doe maar. Kan jij het gelijk afhandelen?

NNman1209: Ja over twee uurtjes, heb ik het geld voor je.15

De gespreksdeelnemers [medeverdachte 1] en NNman 1209 zijn respectievelijk [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3].16

Op 11 juni 2013 omstreeks 11:06 uur (TA06, 129) is er een telefoongesprek tussen NNman1209 en [medeverdachte 1]:

[medeverdachte 1]: wat bieden ze?

NNman1209: ik kom net niet met m uit.

(…)

[medeverdachte 1]: wat bieden ze?

NNman1209: (…) 42,5 joh.

(…)

[medeverdachte 1]: doe maar weg gewoon, doe maar weg gewoon.

(…)

NNman1209: ok, is goed ik ga t effe regelen.

De gespreksdeelnemers NNman1209 en [medeverdachte 1] zijn respectievelijk [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1].17

Op 11 juni 2013 omstreeks 11:27 uur (TA06, 131) is er een telefoongesprek tussen NNman1209 en [naam]:

NNman1209: ja enne.. weet ook dat ik jou liet zien, dat heb ik aan [verdachte] verkocht dan krijg ik van [verdachte] ehh nog een armband ofzo.

(…)

[naam]: ja

NNman1209: ja dan krijg je van [verdachte] nog zo’n armband, dat heb ik net effe geregeld.

De gespreksdeelnemer NNman1209 is [medeverdachte 3].18

Verdachte [verdachte] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:

V: In hoeverre worden er wel eens goederen aan jou aangeboden?

A: Dat gebeurt wel eens. Ik doe soms dingen om aan geld te komen.19

V: Heb jij Buddha to Buddha sieraden overgenomen van [medeverdachte 3]?

A: Ja, dat heb ik.

V: Waar zijn deze goederen nu?

A: Die zijn al weg, niet meer bij mij.

V: Hoeveel sieraden heb jij toen gekregen?

A: Ongeveer 20 a 30 stuks in een plastic tasje.20

Verbalisant [verbalisant 1] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:

Op 23 december 2013 heb ik verdachte [verdachte] gehoord over zijn betrokkenheid van heling van gestolen sieraden die zijn weggenomen bij een inbraak in bijouterie [juwelier] te [vestigingsplaats] op 7-6-2013. Nadat het verhoor was afgenomen toonde ik verdachte [verdachte] nog enkele afbeeldingen van sieraden van het merk Buddha to Buddha, die door aangever waren aangeleverd. Nadat ik de afbeeldingen liet zien aan de verdachte, verklaarde hij het volgende: Ik heb dergelijke sieraden gekregen. Ik herken een aantal sieraden die u mij laat zien. Ik herken deze ring. Ik zag dat [verdachte] een ring aanwees, genaamd 504 Ellen. [verdachte] gaf aan dat hij een aantal ringen en armbanden had gekregen.21

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

in de periode van 06 juni 2013 tot en met 11 juni 2013 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, een hoeveelheid Budda2Budda sieraden onder meer

- een ring, model ellen heeft verworven, voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededader ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die Budda2Budda sieraden wisten dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

medeplegen van opzetheling.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar onder primair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis en een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met aftrek van het voorarrest en de bijzondere voorwaarden dat verdachte zich meldt bij de reclassering, zich houdt aan het alcohol- en drugsverbod (inclusief het meewerken aan urinecontroles) en een behandelverplichting (EMDR en traject Stadsring 51 en traject stichting gids).

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om te volstaan met een werkstraf of een voorwaardelijke gevangenisstraf.

De verdediging heeft verzocht om bij de strafmaat rekening te houden met het lopende maatschappelijke traject dat verdachte wil voortzetten. Verdachte ontvangt begeleiding door de reclassering, heeft schone urinecontroles, volgt een leefstijltraining, ontvangt begeleiding bij zijn financiën door Stadsring 51 en ontvangt begeleiding door een re-integratiecoach.

De verdediging heeft voorts verzocht om het tijdsverloop in deze zaak te verdisconteren in de strafmaat en wijst erop dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetheling van een grote hoeveelheid gestolen sieraden. De gestolen sieraden vertegenwoordigen een totale nieuwwaarde tussen de
€ 18.000,- en € 24.065,-. Dergelijke feiten dragen bij aan het in stand houden van een afzetmarkt voor gestolen voorwerpen, en daarmee aan het voortduren van diefstal en verduistering van sieraden en andere waardevolle voorwerpen. Verdachte heeft kennelijk alleen gedacht aan zijn eigen financiële gewin. De rechtbank weegt mee dat verdachte een kleinere rol heeft gehad dan medeverdachte [medeverdachte 3]. Daar waar [medeverdachte 3] afnemers zoekt voor en onderhandelt namens degene die de sieraden heeft gestolen, is verdachte ‘slechts’ één van de afnemers.

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 24 september 2014. Daaruit blijkt dat verdachte meerdere malen eerder is veroordeeld voor vermogensdelicten: driemaal in de vijf jaar voorafgaand aan het bewezenverklaarde feit. Na juni 2013 is verdachte nog vier maal veroordeeld voor vermogensdelicten. Dit strafblad roept, in combinatie met het reclasseringsrapport waarin wordt geschetst dat verdachte zegt delicten te plegen om in een luxe leefwijze te voorzien, een beeld op van iemand met een procriminele houding. Gezien de justitiële documentatie van verdachte is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gerechtvaardigd. Omdat het gestelde in artikel 63 Wetboek van Strafrecht meermalen van toepassing is, dient de op te leggen straf echter substantieel gematigd te worden.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op de e-mail van [A] van Reclassering Victas van 1 oktober 2014. Daaruit blijkt dat verdachte inmiddels in behandeling is bij de forensische polikliniek van Victas. Zeer binnenkort zal de opgelegde EMDR behandeling van start gaan. Verdachte volgt daarnaast de leefstijltraining. De urinecontroles van verdachte zijn tot op heden alle negatief. Verdachte komt zijn afspraken met de reclassering voldoende na.

Gelet op het feit dat verdachte thans in twee proeftijden loopt, waaraan bijzondere voorwaarden zijn gekoppeld, acht de rechtbank het niet nodig om nogmaals een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken passend. In die strafmaat is zowel met de recidive als met artikel 63 rekening gehouden. Gelet op de relatief beperkte duur van de gevangenisstraf is geen sprake van een structurele doorkruising van de ingezette hulpverlening, hoogstens van een tijdelijke opschorting.

9 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Ten aanzien van 23/005283-12

Bij de stukken bevindt zich de op 11 maart 2014 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Utrecht in de zaak met parketnummer 23/005283-12, betreffende het onherroepelijk geworden arrest d.d. 16 december 2013 van het gerechtshof Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 200 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 100 dagen hechtenis, met bevel dat een gedeelte van deze straf, te weten 60 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 dagen hechtenis, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De rechtbank wijst de vordering af, nu het onderhavige feit is gepleegd voor de veroordeling door het Hof op 16 december 2013. Het feit is derhalve niet in de proeftijd gepleegd.

Ten aanzien van 16/281752-11

Bij de stukken bevindt zich de op 11 maart 2014 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Utrecht in de zaak met parketnummer 16/281752-11, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 3 februari 2012 van de rechtbank Utrecht, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf toe te wijzen en deze om te zetten in een werkstraf van 28 uren.

De verdediging heeft verzocht om de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf om te zetten in een werkstraf.

De rechtbank oordeelt als volgt. Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf te gelasten. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte, te weten het ingezette hulpverleningstraject, echter aanleiding om de gevangenisstraf om te zetten in een werkstraf van 28 uren.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47, 63, 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van primair:

medeplegen van opzetheling.

Strafbaarheid

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 weken.

Ten aanzien van de vordering na voorwaardelijke veroordeling met parketnummer 23/005283-12

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij genoemd arrest van 16 december 2013 opgelegde voorwaardelijke straf.

Ten aanzien van de vordering na voorwaardelijke veroordeling met parketnummer 16/281752-11

Gelast de tenuitvoerlegging van de bij genoemd vonnis van 3 februari 2012 opgelegde voorwaardelijke straf, namelijk een gevangenisstraf van 2 weken en zet deze om in een werkstraf van 28 uren, te vervangen door 14 dagen hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G. Perrick, voorzitter,

mrs. H.A. Brouwer en A.R. Creutzberg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. van Elk, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 oktober 2014.

BIJLAGE : De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

Primair

hij in of omstreeks de periode van 06 juni 2013 tot en met 11 juni 2013 te

Amersfoort en/of Soesterberg en/of Vinkeveen, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een

aantal/hoeveelheid Budda2Budda sieraden onder meer

- ( een) armband(en), te weten een (model) edwin voor heren en/of een (model)

esther small en/of twee, althans een, (model) kadek small en/of drie, althans

een of meer, (model) chain big en/of een (model) ben xl en/of

- ( een) ring(en), te weten drie, althans een of meer, (model) ellen en/of zes,

althans een of meer, (model) nathalie, heeft verworven, voorhanden heeft gehad

en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van

het verwerven of het voorhanden krijgen van die Budda2Budda sieraden wist(en)

dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 06 juni 2013 tot en met 11 juni 2013 te

Amersfoort en/of Soesterberg en/of Vinkeveen, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een

aantal/hoeveelheid Budda2Budda sieraden onder meer

- ( een) armband(en), te weten een (model) edwin voor heren en/of een (model)

esther small en/of twee, althans een, (model) kadek small en/of drie, althans

een of meer, (model) chain big en/of een (model) ben xl en/of

- ( een) ring(en), te weten drie, althans een of meer, (model) ellen en/of zes,

althans een of meer, (model) nathalie) heeft verworven, voorhanden heeft gehad

en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van

het verwerven of het voorhanden krijgen van die Budda2Budda sieraden

redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen

goed(eren) betrof;

art 417bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier met nummer 1401310930.ZD.HELING (09BREIFEL) bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van aangifte door [aangever], d.d. 26 juni 2013, p. 26.

3 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van verhoor aangever [aangever], d.d. 27 juni 2013, p. 29.

4 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 24 juli 2013, p. 40.

5 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van observeren, d.d. 7 juni 2013, p. 119.

6 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van observeren, d.d. 7 juni 2013, p. 120.

7 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van observeren, d.d. 7 juni 2013, p. 121.

8 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 15 augustus 2013, p. 49.

9 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 15 augustus 2013, p. 50.

10 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 4 december 2013, 128.

11 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 4 december 2013, p. 129.

12 Een schriftelijk bescheid, te weten een bijlage bij het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 4 december 2013, p. 140.

13 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 4 december 2013, p. 217.

14 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 4 december 2013, p. 218.

15 Een schriftelijk bescheid, te weten een bijlage bij het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 4 december 2013, p. 150.

16 Een schriftelijk bescheid, te weten een bijlage bij het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 4 december 2013, p. 151.

17 Een schriftelijk bescheid, te weten een bijlage bij het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 4 december 2013, p. 185.

18 Een schriftelijk bescheid, te weten een bijlage bij het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 4 december 2013, p. 191.

19 Een schriftelijk bescheid, te weten het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte], d.d. 23 december 2013, p. 241.

20 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte], d.d. 23 december 2013, p. 242.

21 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 27 december 2013, p. 245.