Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:5273

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-10-2014
Datum publicatie
28-10-2014
Zaaknummer
16-701750-13 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

medeplegen van het handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, strafbaar gesteld bij artikel 55, lid 3, sub a van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd en medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, strafbaar gesteld bij artikel 55, lid 3, sub a van de Wet wapens en munitie en medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, lid 1 van de Wet wapens en munitie. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 1 maand voorwaardelijk en een werkstraf van 120 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/701750-13 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 28 oktober 2014.

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1954] te [geboorteplaats] (Marokko),

wonende te [adres] te [woonplaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2014, 15 juli 2014, 2 oktober 2014, 6 oktober 2014 en 14 oktober 2014. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. F.P. Slewe, advocaat te [plaats].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

samen met een ander meerdere wapens en munitie voorhanden heeft gehad.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden op grond van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen en de in het schriftelijk requisitoir omschreven gronden. De verklaring van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] dat verdachte niet wist dat [medeverdachte 1] de wapens in haar woning heeft gelegd acht de officier van justitie niet geloofwaardig en niet consistent.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden.

De verdediging heeft aangevoerd dat er gerede twijfel is over de vraag of verdachte op de hoogte was van het feit dat de wapens in haar woning lagen. Verdachte, medeverdachte [medeverdachte 1], medeverdachte [medeverdachte 2] en de zus van verdachte verklaren allen dat verdachte niet wist dat [medeverdachte 1] de wapens in haar huis heeft gelegd. Ook het feit dat in dezelfde kast als waar de wapens zijn aangetroffen sieraden van verdachte zijn aangetroffen, maakt niet dat verdachte op de hoogte was van de wapens in haar huis. Voorts kende medeverdachte [medeverdachte 1] de bergplaats waar de wapens zijn aangetroffen.

De verdediging heeft daarnaast aangevoerd, indien de rechtbank de overtuiging heeft dat verdachte geweten heeft van de aanwezigheid van de wapens in haar woning, dat verdachte geen enkele beschikkingsmacht had over de wapens. Verdachte lijkt voor een voldongen feit te zijn geplaatst. Verdachte was immers bang voor medeverdachte [medeverdachte 1] en heeft daarom niet anders gehandeld en ook niet kunnen handelen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Uit het proces-verbaal van relaas blijkt – zakelijk weergegeven – het volgende:

Het adres [adres] te [plaats] is het GBA-adres van [verdachte].2

Verbalisant [verbalisant 1] heeft – zakelijk weergegeven - het volgende gerelateerd:

Op 21 juni 2013 werd een onderzoek gedaan naar sporen en of goederen in het perceel [adres] te [plaats]. Ik trof in de hal van de woning twee ingebouwde kasten aan. In de eerste kast trof ik een rode plastic zak aan. In deze rode zak trof ik twee doosjes aan met daarin munitie van het kaliber 7.65, alsmede enkele magazijnen, waaronder één met patronen/munitie gevuld magazijn. In de tweede kast trof ik een oranje plastic zak aan, met daarin een op een vuurwapen gelijkend wapen van het merk “Scorpion”. Vervolgens werd in die kast een witte plastic zak aangetroffen, waarin zich een andere plastic zak bevond met daarin een op een pistool gelijkend wapen. Het wapen was van het merk “FN”. Hierop trof ik een stoffen zak aan met daarin een aanzienlijke hoeveelheid munitie van verschillende kaliber en merken. Vervolgens trof ik een stoffen zak aan met daarin een automatisch vuurwapen gelijkend aan het merk Kalasnikov type AK-47.3 De door mij aangetroffen wapens en munitie zijn in beslag genomen.4

Verbalisant [verbalisant 2] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:

Op 21 juni 2013 vond er een doorzoeking plaats in een woning aan de [adres] te [plaats]. Tijdens de doorzoeking werden op verschillende plaatsen in deze woning wapens en munitie aangetroffen. Onder meer werd in de keuken van deze woning een patroonhouder aangetroffen. Deze patroonhouder werd in een tas onder een houten kast aangetroffen.5

Uit de kennisgeving van inbeslagneming blijkt – zakelijk weergegeven – het volgende:

Plaats: [adres], 1057 ZR [plaats].

Datum: 21 juni 2013.

- Vuurwapen (machinegeweer) merk Scorpion: AAGG2032NL.

- Vuurwapen (machinegeweer) merk Kalashnikov AK47: AAGG2033NL.6

- Vuurwapen (pistool) merk Fn: AAGG2031NL.7

- Munitie, verschillende kaliber.8

Verbalisant [verbalisant 3] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:

Naar aanleiding van de aangetroffen, inbeslaggenomen voorwerpen, werd door mij in het kader van de Wet wapens en munitie een nader onderzoek aan deze voorwerpen ingesteld, waarbij het onderstaande werd bevonden.

1.

SIN : AAGG2032NL

Wapen : pistoolmitrailleur

Categorie : II sub 2

Verbodsartikel : artikel 26 lid 1 WWM

Bovenvermeld voorwerp is een pistoolmitrailleur, merk onbekend, model Scorpion.9

2.

SIN : AAGG2033NL

Wapen : machinegeweer

Categorie : II sub 2

Verbodsartikel : artikel 26 lid 1 WWM.

Bovengenoemd voorwerp is een machinegeweer, merk onbekend, model AK47, kaliber 7,62x39mm.

3.

SIN : AAGG2031NL

Wapen : pistool

Categorie : III sub 1

Verbodsartikel : artikel 26 lid 1 WWM.

Bovengenoemd voorwerp is een pistool van het merk Browning.10

4.

Wapen : patroonmagazijn

Categorie : III sub 1/II sub 2

Verbodsartikel : artikel 26 lid 1 WWM.

A: Patroonmagazijn, merk Walther, kaliber .22LR. Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie.

B: 2 patroonmagazijnen, gevuld met scherpe patronen kaliber 7,65mm. Categorie II onder 2 van de Wet wapens en munitie.

5.

Munitie : scherpe patronen

Categorie : III

Verbodsartikel : artikel 26 lid 1 WWM.

A: 7 en 13 scherpe patronen kaliber 7,65mm, merk Geco

B: Doosje inhoudende 19 scherpe patronen kaliber 7,65mm, merk Geco (18 stuks) en merk HP (1 stuk);

C: Doosje inhoudende 15 scherpe patronen kaliber 7,65mm, merk Geco;

D: Doosje inhoudende 6 scherpe patronen kaliber 7,65mm, merk Geco en 1 scherpe patroon kaliber .32 auto merk nny;

E: 7 scherpe patronen kaliber 7,65mm merk HP.11

Uit het proces-verbaal van uitwerking OVC-gesprek blijkt – zakelijk weergegeven – het volgende:

Gesprek gevoerd op 17-6-2013.

[medeverdachte 2]: Heb je die rollen liggen bij [bijnaam]?

(…)

[medeverdachte 1]: … ik heb op dit moment ff geen plek man. Ik moet het ook weghalen dat weet ik ook.

[medeverdachte 2]: het is gewoon lullig. Als er wat gebeurt en de smeris vindt het, ga je gewoon met handboeien mee.

[medeverdachte 1]: ja nee dat mag ook niet gebeuren man.12

(…)

De gespreksdeelnemers [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn respectievelijk [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1].13

Uit het proces-verbaal van uitwerking OVC-gesprek blijkt – zakelijk weergegeven – het volgende:

Gesprek gevoerd op 17-6-2013

[medeverdachte 1]: (…) Die raketten liggen onder de vloer weejje.

[medeverdachte 2]: Wat ga je ermee doen eigenlijk?

(…)

[medeverdachte 1]: Maar ik ga er wel snel werk van maken om dat ff uit mn huis… en al die andere troep eh.. sowieso… ik was sowieso met ding voor [bijnaam] was ik bezig. Het zijn alleen die wapens zijn het eigenlijk. Maar dat is meer als genoeg. Maggen ze nooit vinden.

[medeverdachte 2]: nee, helemaal niet daar.

[medeverdachte 1]: nee, dat klopt.

(…)

[medeverdachte 2]: Ik heb het nog liever in mijn eigen huis dan bij mijn ex en mijn kind. (…)

[medeverdachte 1]: Het mag niet fout gaan. (…) ja jij weet het, [bijnaam] weet het.

[medeverdachte 2]: Maar als er wat gebeurt en ze doen huiszoeking daaro. (…)

[medeverdachte 1]: Maar… kijk… ik leef niet met haar.14

(…)

[medeverdachte 2]: dus je loopt gewoon risico dat ze daar kijken als er wat met jou gebeurd.

[medeverdachte 1]: Nee, maar ik haal het ook snel weg.

(…)

[medeverdachte 1]: Ik zei tegen haar, waarom zeg je dat dr, tegen hem, tegen iedereen. Ik zeg tegen dr dat moet je gewoon stil houden. Er is niks aan de hand nu.

(…)

[medeverdachte 1]: Ze had het via die neef van haar had ze het ook gespeeld weejje. Ze had gevraagd of hij het wou meenemen weejje.15

De gespreksdeelnemers [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1], zijn respectievelijk [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1].16

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:

Ik heb de wapens en munitie in de woning van [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte [verdachte]) verborgen.17

Verdachte [verdachte] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:

U, voorzitter, vraagt mij of medeverdachte [medeverdachte 1] mij [bijnaam] noemt? Ja, hij noemt mij [bijnaam]. Ik woon op het adres [adres], in [plaats]. Ook mijn dochter, die ik heb samen met [medeverdachte 1], woont daar.

4.3.2

Bewijsoverweging

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte niet op de hoogte was van de aanwezigheid van de wapens in haar woning. De rechtbank overweegt als volgt. De wapens zijn aangetroffen in de woning van verdachte. Verdachte kende de bergplaats, zij had er immers zelf sieraden opgeborgen, die zij ook wel eens uit de bergplaats heeft gehaald en weer terug heeft gestopt. Voorts werd in de keuken van de woning van verdachte onder een kastje een patroonhouder aangetroffen. De rechtbank stelt vast dat dit ruimtes zijn die door verdachte gebruikt werden. Voorts blijkt uit het OVC-gesprek van 17 juni 2013 tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] dat verdachte geweten heeft dat de wapens in haar woning lagen. [medeverdachte 1] zegt in dat gesprek: “ik was sowieso met ding voor [bijnaam] was ik bezig. Het zijn alleen die wapens zijn het eigenlijk. Maar dat is meer als genoeg. Maggen ze nooit vinden” en vervolgens “[bijnaam] weet het”. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat medeverdachte [medeverdachte 1] haar ‘[bijnaam]’ noemt. De rechtbank acht op grond van het voorgaande bewezen dat verdachte wist dat de wapens en munitie in haar woning lagen.

De verdediging heeft daarnaast gesteld dat verdachte geen beschikkingsmacht had over de wapens. De verdediging stelt echter een verdergaande eis aan het begrip ‘beschikkingsmacht’ dan in de jurisprudentie wordt aangenomen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte wel een zekere beschikkingsmacht had over de wapens. Verdachte kon feitelijk over de wapens beschikken, doordat deze in haar woning lagen op voor haar toegankelijke plaatsen. De omstandigheid dat zij bang was voor medeverdachte [medeverdachte 1] en in haar beleving niet anders kon handelen, maakt dat niet anders.

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 21 juni 2013 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk voorhanden hebben van wapens en munitie.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 21 juni 2013 te [plaats], tezamen en in vereniging met een ander, wapens van categorie II, te weten een pistoolmitrailleur merk onbekend, model Skorpion en een machinegeweer merk onbekend, model AK47 en een patroonmagazijn kaliber 7.65 mm en wapens van categorie III, te weten een pistool, merk Browning, en een patroonmagazijn, merk Walther kaliber .22LR en munitie van categorie III, te weten twintig scherpe patronen kaliber 7.65 mm, merk Geco en negentien scherpe patronen, kaliber 7.65 mm en eenentwintig scherpe patronen, kaliber 7.65 mm, merk Geco en een scherpe patroon, kaliber .32 auto merk nny en zeven scherpe patronen, kaliber 7.65 mm merk HP, voorhanden heeft gehad;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. De rechtbank beschouwt de tenlastegelegde categorisering van de patroonmagazijnen als een kennelijke verschrijving. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

medeplegen van het handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, strafbaar gesteld bij artikel 55, lid 3, sub a van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd; en

medeplegen van het handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, strafbaar gesteld bij artikel 55, lid 3, sub a van de Wet wapens en munitie; en

medeplegen van het handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, lid 1 van de Wet wapens en munitie.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot:

- een geldboete van € 10.000,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 85 dagen;

- een werkstraf van 240 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de werkstraf niet naar behoren (heeft) verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 4 maanden en

- een gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Subsidiair heeft de verdediging verzocht om artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht toe te passen, in verband met het standpunt dat verdachte vermoedelijk een weerloos slachtoffer is geweest.

Meer subsidiair heeft de verdediging verzocht een geheel voorwaardelijke werkstraf op te leggen.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het bezit van meerdere wapens en een relatief grote hoeveelheid munitie. In de woning waar de wapens zijn aangetroffen woont verdachte met haar 13-jarige dochter. De wapens betroffen gedeeltelijk volautomatische wapens. Deze goederen vormen een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen. Tegen het ongecontroleerde bezit van wapens en munitie dient dan ook streng te worden opgetreden.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 24 september 2014 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte een weerloos slachtoffer is geweest van medeverdachte [medeverdachte 1] en zij daarom niet anders heeft gehandeld. De rechtbank stelt vast dat de wapens afkomstig waren van medeverdachte [medeverdachte 1]. Hij heeft de wapens in de woning van verdachte gelegd. [medeverdachte 1] is de ex-partner van verdachte en zij hebben samen een dochter van 13 jaar. Verdachte heeft verklaard dat zij bang is voor [medeverdachte 1]. Gezien de relatie tussen verdachte en [medeverdachte 1], zoals die uit het dossier blijkt, zal dit van invloed zijn geweest op de mogelijkheden die verdachte zelf zag om een einde te maken aan de situatie waarin de wapens en munitie zich in haar huis bevonden. Dit maakt haar echter niet geheel straffeloos. Zij had anders moeten en kunnen handelen. Gelet op de ernst van het feit vindt de rechtbank een schuldig verklaring zonder oplegging van straf of maatregel niet aan de orde.

Een hoge geldboete, zoals door de officier van justitie is geëist, acht de rechtbank evenmin aan de orde. Verdachte leeft van een uitkering en zou de sieraden die zij heeft geërfd en/of gekregen van familieleden moeten verkopen om de geldboete te kunnen voldoen. Dit acht de rechtbank niet opportuun. De rechtbank is derhalve van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank acht een werkstraf voor de duur van 120 uren (subsidiair twee maanden hechtenis) en één maand voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van 2 jaren passend. De voorwaardelijke straf moet verdachte ervan weerhouden in de toekomst wederom een keuze te maken zoals zij nu gedaan heeft.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van het handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, strafbaar gesteld bij artikel 55, lid 3, sub a van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, strafbaar gesteld bij artikel 55, lid 3, sub a van de Wet wapens en munitie en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, lid 1 van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

- Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 1 maand.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit.

- Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 120 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van twee maanden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G. Perrick, voorzitter,

mrs. H.A. Brouwer en A.R. Creutzberg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. van Elk, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 oktober 2014.

BIJLAGE : De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

zij op of omstreeks 21 juni 2013 te [plaats], althans in Nederland, tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer

wapen(s) van categorie II, te weten een pistoolmitrailleur (merk onbekend,

model Skorpion) en/of een machinegeweer (merk onbekend, model AK47) en/of een

patroonmagazijn, merk Walther kaliber .22LR en/of een of meer wapen(s) van

categorie III, te weten een pistool, merk Browning, en/of twee, althans een,

patroonmagazijn(en) kaliber 7.65mm en/of munitie van categorie III, te weten

twintig, althans een of meer, scherpe patro(o)n(en) kaliber 7.65 mm, merk Geco

en/of negentien, althans een of meer, scherpe patro(o)n(en), kaliber 7.65 mm

en/of eenentwintig, althans een of meer, scherpe patro(o)n(en), kaliber 7.65

mm, merk Geco en/of een scherpe patroon, kaliber .32 auto merk nny en/of

zeven, althans een of meer, scherpe patro(o)n(en), kaliber 7.65 mm merk HP,

voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 47 lid 1 ahf en onder 1 wetboek van strafrecht

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier met nummer 1310111105 (09BREIFEL) bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van relaas, d.d. 21 januari 2014, p. 2633.

3 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van sporenonderzoek met fotobijlage, d.d. 21 juni 2013, p. 1636.

4 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van sporenonderzoek met fotobijlage, d.d. 21 juni 2013, p. 1637.

5 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 1 november 2013, p. 1121.

6 Een schriftelijk bescheid, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, d.d. 21 juni 2013, p. 2818.

7 Een schriftelijk bescheid, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, d.d. 21 juni 2013, p. 2819.

8 Een schriftelijk bescheid, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, d.d. 21 juni 2013, p. 2820-2821.

9 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 26 juni 2013, p. 1656.

10 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 26 juni 2013, p. 1657.

11 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 26 juni 2013, p. 1658.

12 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van uitwerking OVC-gesprek, d.d. 27 augustus 2013, p. 1111.

13 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van uitwerking OVC-gesprek, d.d. 27 augustus 2013, p. 1112.

14 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van uitwerking OVC-gesprek, d.d. 4 september 2013, p. 1113.

15 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van uitwerking OVC-gesprek, d.d. 4 september 2013, p. 1114.

16 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van uitwerking OVC-gesprek, d.d. 4 seuptember 2013, p. 1115.

17 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] d.d. 1 juli 2013, p. 394.