Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:4868

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
08-10-2014
Datum publicatie
28-10-2014
Zaaknummer
C-16-315668 - HA ZA 11-1854
Rechtsgebieden
Internationaal privaatrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank verzoekt in deze zaak aan het Internationaal Juridisch Instituut om antwoord te geven op enkele vragen naar de inhoud van Engels recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/315668 / HA ZA 11-1854

Vonnis van 8 oktober 2014

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] (Verenigd Koninkrijk),

eiser,

advocaat mr. P.M. Keegstra te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TISCALI INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd te Barendrecht,

gedaagde,

advocaat mr. L. Grijpma te Den Haag.

Partijen zullen hierna [eiser] en Tiscali genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 19 juni 2013

  • -

    het vonnis van 31 juli 2013 met een beslissing op het verzoek tot openstelling van tussentijds appel en tot verbetering van het tussenvonnis

  • -

    de akte van [eiser] van 11 september 2013

  • -

    de akte van Tiscali van 6 november 2013

  • -

    de akte van [eiser] van 4 december 2013

  • -

    de akte van Tiscali van 12 februari 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

In het tussenvonnis van 19 juni 2013 (hierna ook: het tussenvonnis) heeft de rechtbank [eiser] in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over:

  • -

    de aan het Internationaal Juridisch Instituut te stellen vragen,

  • -

    de rente die hij zonder wanprestatie van Tiscali over de hoofdsom op de escrowrekening zou hebben ontvangen van 22 augustus 2006 tot en met 5 april 2007,

  • -

    de mogelijkheid om schriftelijk bewijs te leveren van zijn stelling dat hij zich in de hoogste belastingschaal bevindt.

2.2.

Op 31 juli 2013 is een tweede tussenvonnis van de rechtbank gevolgd waarin het verzoek van [eiser] tot openstelling van tussentijds appel en verbetering van het tussenvonnis is afgewezen, en partijen in de gelegenheid zijn gesteld om zich bij dezelfde akten als bedoeld in het tussenvonnis uit te laten over:

- het voornemen van de rechtbank om voor de beantwoording van de fiscale vragen een andere deskundige te benoemen dan het Internationaal Juridisch Instituut, alsmede

- het voornemen van de rechtbank om een kennelijke verschrijving bij de vermelding van data in overweging 4.43 sub 1 van het tussenvonnis aan te passen.

2.3.

Beide partijen hebben meerdere aktes over deze kwesties genomen (zie hiervoor onder 1.1), waarbij zij ook reageren op nieuwe ‘legal opinions’ die van beide zijden zijn overgelegd.

Herstel eerdere verschrijvingen

2.4.

In het vonnis van 31 juli 2013 heeft de rechtbank aangekondigd dat zij van plan is om het vonnis van 19 juni 2013 in die zin aan te passen dat de in overweging 4.43 sub 1 genoemde data van 6 juli 2008 en 6 juli 2007 worden vervangen door 6 april 2008 respectievelijk 6 april 2007, nu deze data kennelijk berusten op een verschrijving.

2.5.

[eiser] heeft zich hierover niet uitgelaten. Tiscali is met de voorgenomen wijziging eens. De rechtbank oordeelt hierbij aldus, waarmee zij dus terugkomt van haar eerdere onjuiste weergave.

2.6.

In zijn akte van 11 september 2013 heeft [eiser] de rechtbank voorts gewezen op een fout in overweging 4.16 van het tussenvonnis van 19 juni 2013, voor zover daarin wordt verwezen naar overwegingen “2.12” en “2.14” van het hof. De rechtbank is met [eiser] van oordeel dat dit een kennelijk fout betreft en dat het een verwijzing naar “4.12” en “4.14” moet zijn. De rechtbank oordeelt hierbij aldus, waarmee zij dus terugkomt van haar eerdere onjuiste weergave.

Verzoeken om terug te komen op tussenvonnis 19 juni 2013

2.7.

In hun aktes hebben beide partijen de rechtbank verzocht om op enkele overwegingen van het tussenvonnis van 19 juni 2013 terug te komen. De rechtbank zal die verzoeken hierna beoordelen.

2.8.

Op diverse punten stelt [eiser] zich in zijn aktes op het standpunt dat er geen debat meer mag plaatsvinden over het causaal verband en de schadebeperkingsplicht en dat er dus ook geen deskundige zou moeten worden benoemd voor de beantwoording van vragen over deze kwesties, omdat het hof volgens hem daarover al onherroepelijk heeft geoordeeld. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 19 juni 2013 evenwel anders beslist. Hetgeen [eiser] in reactie op dit tussenvonnis over dit onderwerp naar voren brengt, noopt niet tot de conclusie dat dit oordeel van de rechtbank feitelijk of juridisch onjuist is en dat moet worden gevreesd dat op een ondeugdelijke grondslag uitspraak zal worden gedaan. De rechtbank zal op dit oordeel dan ook niet terugkomen.

2.9.

[eiser] heeft de rechtbank voorts verzocht om terug te komen van haar oordeel in overweging 4.38 van het tussenvonnis van 19 juni 2013, inhoudende dat de schadepost wegens gemaakt expertisekosten van Lawrence Graham ad £ 11.452,58 niet toewijsbaar is, omdat deze post niet door onderliggende stukken is onderbouwd. Volgens haar is de factuur van Graham wel in de procedure overgelegd, en wel door Tiscali als onderdeel van productie 1 bij conclusie van antwoord. Vervolgens heeft [eiser] de factuur nogmaals overgelegd als productie 16.

Tiscali heeft bezwaar gemaakt tegen het terugkomen op voormelde overweging.

2.10.

De rechtbank stelt voorop dat een partij die zich op enig stuk beroept, verplicht is een afschrift van dat stuk bij te voegen, tenzij een afschrift reeds bij een eerder processtuk in dezelfde zaak was gevoegd (artikel 85 lid 1 Rv). Aan deze verplichting heeft [eiser] niet voldaan. De omstandigheid dat de betreffende factuur wel door de wederpartij is overgelegd (als onderdeel van een productie uit een eerdere zaak), maakt dit niet anders, omdat niet van de rechtbank verwacht mag worden dat zij in de stukken op zoek gaat naar de factuur waarop [eiser] zich beroept. Dit gebrek kan ook niet worden geheeld door bij akte deze factuur alsnog te overleggen, nu de door de rechtbank toegestane akte niet bedoeld was om gebreken in de onderbouwing van eerdere stellingen te repareren. Doordat [eiser] het stuk niet bij dagvaarding heeft overgelegd, heeft er geen volledig debat over de toewijsbaarheid van dit onderdeel van de vordering kunnen plaatsvinden, zodat Tiscali door het terugkomen op het eerdere oordeel van de rechtbank op dit punt in haar verdediging zou worden benadeeld. Van een dreiging dat de rechtbank op een ondeugdelijke grondslag uitspraak zou doen, is geen sprake, omdat de overweging van de rechtbank dat de betreffende factuur geen onderdeel uitmaakt van de bij productie 4 bij dagvaarding overgelegde stukken juist is, en toewijsbaarheid van de betreffende vordering - bij het terugkomen op deze overweging - nog niet vast zou staan maar afhankelijk zou zijn van een nader debat tussen partijen, hetgeen in dit stadium niet van Tiscali kan worden gevergd. De rechtbank blijft dan ook bij haar eerdere oordeel op dit punt.

2.11.

Tiscali heeft de rechtbank verzocht om terug te komen van hetgeen zij in rechtsoverweging 4.27 van het tussenvonnis van 19 juni 2013 heeft overwogen, omdat (1) [eiser] wel degelijk rente heeft kunnen ontvangen in de periode van 22 augustus 2006 tot en met 5 april 2007, (2) [eiser] zijn vordering alleen heeft beperkt voor zover het gaat om het toepasselijke belastingtarief, maar niet ten aanzien van de omvang van de in te voeren rente en (3) de overweging over het beperken van het rentebedrag niet strookt met de daaraan voorafgaande overweging, te weten dat het rentebedrag juist vermeerderd moet worden.

2.12.

De rechtbank stelt voorop dat met de zinsnede “rente…. zou hebben ontvangen” in overweging 4.27 niet is beoogd om een beslissing te geven over het al dan niet ontvangen van rente in de periode van 22 augustus 2006 tot en met 5 april 2007, maar tot uitdrukking te brengen dat ervan wordt uitgegaan dat die rente is ontvangen. Immers, [eiser] wordt aan het einde van die overweging in de gelegenheid gesteld om zich over de hoogte van deze rentepost uit te laten. Dat zou geen enkel doel dienen, indien [eiser] over die periode door de wanprestatie van Tiscali in het geheel geen rente ontvangen zou hebben. Uit de context van deze zinsnede blijkt duidelijk dat bedoeld is dat een bedrag van £ 114.000,-- vermeerderd moet worden met de rente die [eiser] zonder wanprestatie van Tiscali op de aparte escrowrekening zou hebben ontvangen. Nu deze verduidelijking voor de verdere beoordeling niet relevant is, ziet de rechtbank geen aanleiding om op de inhoud van overweging 4.27 terug te komen.

Hetgeen Tiscali hiervoor onder punten (2) en (3) heeft betoogd, berust op een verkeerde lezing van overweging 4.27. Met de zinsnede “[eiser] heeft zijn vordering overigens ook dienovereenkomstig beperkt.” wordt niet gedoeld op de eiswijziging die [eiser] ter gelegenheid van het pleidooi heeft gedaan, maar op de beperking die [eiser] reeds in punt 9 van zijn dagvaarding heeft aangebracht in het totale bedrag aan rente dat hij over de hoofdsom heeft ontvangen (namelijk tot de tot en met 5 april 2007 opgebouwde rente).

De fiscale vragen (4.43 sub 1 en 2)

2.13.

Tussen partijen staat vast dat indien [eiser] de tot 6 april 2007 over de hoofdsom geaccumuleerde rente vóór 6 april 2008 in Engeland zou invoeren en de Engelse belastingdienst deze rente zou aanmerken als “inkomen”, [eiser] daarover geen belasting verschuldigd zou zijn. Uit de nieuwe door beide partijen overgelegde ‘legal opinions’ blijkt dat de door beide partijen ingeschakelde deskundigen het erover eens zijn dat de Engelse belastingdienst de geaccumuleerde rente ook nadat deze door een fout van Tiscali was samengevloeid met de hoofdsom (en daarmee dus een ‘mixed fund’ vormde) als inkomen had kunnen beschouwen. Zij verschillen alleen van mening over de omvang van het risico dat de Engelse belastingdienst de ingevoerde rente niet als inkomen zou beschouwen, en tot belastingheffing zou overgaan. Volgens Franks (de door [eiser] ingeschakelde deskundige) is dat risico zeker aanwezig, omdat de kwalificatie van het ingevoerde bedrag als “inkomen” afhangt van de feiten van het specifieke geval en de Engelse belastingdienst zoveel mogelijk zal proberen om tot belastingheffing over te gaan. Volgens Bird&Bird LLP (de deskundige van Tiscali) is dat risico niet aanwezig, aangezien volgens haar de Engelse belastingdienst het vermoeden hanteert dat ingevoerde gelden die afkomstig zijn uit een ‘mixed fund’, volledig bestaan uit inkomen, tenzij zij bewijs heeft van het tegendeel.

2.14.

In paragraaf 2.4 van haar advies van 5 november 2013 heeft Bird&Bird LLP verwezen naar de richtlijnen die de Engelse belastingdienst hanteert om te bepalen of ingevoerde gelden moeten worden aangemerkt als inkomen dan wel als vermogen. Het relevante gedeelte van de betreffende richtlijn heeft de rechtbank hieronder opgenomen:

“The principle followed is, therefore, that in the absence of any evidence to the contrary, where capital and income have been paid into a single fund overseas so that they are no longer distinguishable, remittances to the UK out of the fund will be presumed to be income to the extent that there is income existing in the fund at the time that the remittance was made.”

2.15.

Uit deze richtlijn blijkt dat de Engelse belastingdienst het vermoeden hanteert dat indien vermogen en inkomen in een mixed fund buiten Engeland terecht zijn gekomen, en een deel van het in dat mixed fund aanwezige geld wordt ingevoerd in Engeland, sprake is van invoer van inkomen en niet van vermogen, mits:

  1. er in het betreffende mixed fund inkomen aanwezig was tot het ingevoerde geldbedrag op het moment dat het geld werd ingevoerd,

  2. er geen bewijs van het tegendeel aanwezig is.

Deze richtlijn is gebaseerd op Engelse jurisprudentie (Scottish Provident v Allan), waarin:

  • -

    dat vermoeden is aangenomen met als reden dat geen redelijk handelend persoon vermogen aanwendt voor het doen van investeringen (in Engeland), als hij inkomen tot zijn beschikking heeft dat nog niet is geïnvesteerd, en

  • -

    is bepaald dat het vaststellen van de aard van een ingevoerd bedrag moet plaatsvinden op basis van de feiten, zo nodig met het achterhalen van die feiten en/of het afleiden van onbekende feiten uit wel bestaande feiten.

In het (kennelijk gezaghebbende) boek Taxation of Foreign Domiciliaries van James Kessler QC wordt zowel in de versie 2010/2011 die bij conclusie van antwoord is overgelegd, alsmede de nieuwe versie 2012-2013 die door [eiser] is overgelegd bij akte van 11 september 2013, geen andere uitleg voorgestaan. Schrijver Kessler betoogt weliswaar dat er geen algemene regel is dat het invoeren van geld dat afkomstig is uit een mixed fund bestaande uit inkomen en vermogen altijd behandeld wordt als inkomen, maar dat is in lijn met hetgeen hiervoor is overwogen. Immers, als de belastingdienst bewijs heeft dat een ingevoerde geldsom ‘in substance’ vermogen betreft, zal het de ingevoerde geldsom alsnog behandelen als vermogen. Zowel uit het beleid van de Engelse belastingdienst als uit de hiervoor bedoelde jurisprudentie blijkt dat de persoon die tot invoer van geld uit een mixed fund in Engeland overgaat, wel het vermoeden mee heeft dat gaat om invoer van inkomen.

2.16.

Nu vaststaat tussen partijen dat aan het onder 2.15 als eerste gestelde vereiste is voldaan, zou de Engelse belastingdienst alleen tot belastingheffing kunnen overgaan, indien zij bewijs zou hebben dat het in te voeren geldbedrag bestond uit vermogen, en niet uit inkomen. [eiser] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die als zodanig bewijs zouden kunnen kwalificeren. Integendeel, uit de feitelijke gang van zaken in het onderhavige geval blijkt duidelijk dat het mixed fund bestond uit zowel inkomen als vermogen, alsmede tot welke bedragen dit mixed fund uit inkomen en vermogen bestond. Immers, voordien stonden deze onderdelen op uitdrukkelijk verzoek van [eiser] op aparte (escrow-)rekeningen. Indien hetzelfde bedrag dat voorheen op een aparte rekening stond waarop slechts rente werd bijgeschreven, in Engeland zou zijn ingevoerd, zou de Engelse belastingdienst niets in handen hebben om te betogen dat sprake was van invoer van vermogen. De enkele stelling van [eiser] dat het feit dat hij over dat betreffende inkomen nog geen belasting zou hebben voldaan, rechtvaardigt niet de conclusie dat de Engelse belastingdienst alsnog tot belastingheffing zou kunnen overgaan. Ten eerste heeft de belastingdienst onder de vóór 2008 geldende ‘source ceasing rules’ geaccepteerd dat inkomen dat vóór 6 april 2007 is gegenereerd met betrekking tot een bron die is opgehouden te bestaan, en vervolgens vóór 6 april 2008 in Engeland wordt ingevoerd, belastingvrij blijft (zie het hiervoor bedoelde boek van Kessler versie 2010/2011 pagina’s 294 en 295). Ten tweede is voor een dergelijke belastingheffing - zoals uit de richtlijn van de Engelse belastingdienst blijkt - concreet bewijs nodig van het feit dat het ingevoerde bedrag bestaat uit vermogen en niet uit inkomen. Gelet op het ontbreken van dergelijke feiten moet er - bij gebreke van aanknopingspunten die op het tegendeel duiden - van worden uitgegaan dat de Engelse belastingdienst niet in dit bewijs zou slagen. Absolute zekerheid hierover zou weliswaar alleen kunnen worden verkregen door het bedrag feitelijk in te voeren in Engeland, maar uit het standpunt van [eiser] blijkt dat hij daar niet eerder toe zal overgaan dan nadat de rechter over de onderhavige kwestie heeft geoordeeld dat Tiscali aansprakelijk is voor de schade die [eiser] zal lijden bij invoer van het betreffende bedrag in Engeland. Daarmee staat het handelen van [eiser] in de weg aan het bereiken van deze absolute zekerheid, zodat dat niet aan Tiscali kan worden tegengeworpen.

2.17.

Het voorgaande betekent dat er geen noodzaak meer aanwezig is om een deskundige te benoemen om de door de rechtbank als eerste en tweede vraag voorgestelde vragen te beantwoorden, zodat de rechtbank daarvan - onder (analoge) toepassing van Hoge Raad 11 juli 2008, NJ 2008, 401 - alsnog afziet.

De overige vragen (4.43 sub 3 tot en met 15)

2.18.

Beide partijen hebben in hun aktes inhoudelijke opmerkingen gemaakt over de formulering van vragen 3 tot en met 15.

2.19.

Tiscali heeft verzocht een vraag toe te voegen die luidt als volgt:

“Welke regels en voorwaarden gelden onder Engels recht met betrekking tot ‘remoteless of loss’ ten aanzien van toekomstige belastingschade? Op welke wijze zouden deze regels/voorwaarden van toepassing zijn op de onderhavige zaak?”

2.20.

De rechtbank begrijpt dat de betreffende ‘remoteness’-test geldt voor het vaststellen van de voorzienbaarheid van de schade. Naar het oordeel van de rechtbank maakt die kwestie al onderdeel uit van de vragen 3 tot en met 5, zodat zij niet de toegevoegde waarde ziet van de door Tiscali gestelde vraag. Deze vraag zal dan ook niet worden overgenomen.

2.21.

De overige opmerkingen van partijen zien met name op de wijze van formulering van de vragen. Voor zover de rechtbank zich in die opmerkingen kan vinden, heeft zij dat in de (her)formulering in het dictum tot uitdrukking gebracht. De rechtbank formuleert de vragen in het dictum aldus, dat de deskundige, in eerste instantie, ten aanzien van een aantal onderwerpen wordt gevraagd om de betreffende vragen slechts te beantwoorden indien deze naar zijn mening relevant zijn voor de beoordeling van het geschil (vragen over schadebeperkingsplicht slechts indien er naar de mening van de deskundige mogelijk causaal verband is, vragen over schade slechts indien er naar de mening van de deskundige mogelijk schadeplichtigheid is). De rechtbank tekent hierbij aan, volledigheidshalve, dat die mening van de deskundige voor haar niet bindend is. Deze procedure sluit dus niet uit dat indien de deskundige in eerste instantie aan bepaalde vragen niet toekomt, een ander oordeel van de rechtbank ertoe kan leiden dat alsnog (nader) deskundigenbericht dient te worden bevolen over de volgende vragen. Dit zou ertoe kunnen leiden, afhankelijk van de inhoud van de beantwoording, dat de procedure langer duurt dan wanneer alle vragen ineens zouden worden gesteld. Daartegenover staat echter het belang van beheersing van de kosten (in eerste instantie geen tijd en geld besteden aan onderwerpen die naar het oordeel van de deskundige zelf niet relevant zijn). De rechtbank weegt dit laatste belang in dit geval zwaarder.

De persoon van de ‘deskundige’

2.22.

De rechtbank begrijpt dat Tiscali kan instemmen met het laten beantwoorden van vragen 3 tot en met 15 (hernummerd tot 1 tot en met 13) door het Internationaal Juridisch Instituut te Den Haag (I.J.I), en dat [eiser] alleen ten aanzien van de fiscale vragen voorstelt om een Queens Counsel te benoemen. Nu de fiscale vragen geen beantwoording meer behoeven door een deskundige, ziet de rechtbank geen aanleiding om een andere deskundige te benoemen dan het I.J.I. Voor zover [eiser] heeft beoogd ook de Queens Counsel voor te stellen als deskundige voor de overige vragen, geldt dat het I.J.I. over voldoende kennis en ervaring beschikt om als deskundige op te treden op het gebied van Engels recht. Bovendien dienen de kosten van een dergelijk onderzoek ten laste te komen van de rechtbank (omdat de Nederlandse rechter wordt geacht zelf het buitenlandse recht te kennen), en uit ambtshalve verricht onderzoek door de rechtbank blijkt dat de Queens Counsels zeer hoge honoraria in rekening kunnen brengen, zodat het ook om die reden niet voor de hand ligt om reeds op voorhand een Queens Counsel als deskundige te benoemen. Indien het I.J.I. (nadere) advisering door een Queens Counsel toch noodzakelijk zou achten, kan het dit in het kader van haar onderzoek altijd nog te berde brengen. De rechtbank blijft dan ook bij haar voornemen om het I.J.I. te verzoeken de overige vragen te beantwoorden.

Omvang rente over periode 22 augustus 2006 tot en met 5 april 2007 + belastingschaal

2.23.

De rechtbank heeft [eiser] ook in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de omvang van de rente die hij zonder wanprestatie van Tiscali over de hoofdsom (op de escrowrekening) zou hebben ontvangen in de periode van 22 augustus 2006 tot met 5 april 2007 alsmede over de mogelijkheid om schriftelijk bewijs leveren van zijn stelling dat hij zich in de hoogste belastingschaal bevindt.

2.24.

De rechtbank stelt voorop dat hetgeen partijen op dit punt naar voren hebben gebracht, alleen relevant is, indien op basis van de te verkrijgen inlichtingen over de inhoud van Engels recht geoordeeld moet worden dat een deel van de door [eiser] gevorderde belastingschade toewijsbaar is. De rechtbank zal haar oordeel op dit punt dan ook aanhouden totdat hierover duidelijkheid bestaat.

3 De beslissing

De rechtbank

de vragen

3.1.

verzoekt het Internationaal Juridisch Instituut (I.J.I.) te Den Haag om antwoord te geven op de volgende vragen (onder voorbehoud van een conveniërende begroting (3.2-3.4)):

ten aanzien van de (toekomstige) belastingschade

1. a. Welke vereisten gelden er naar Engels recht voor het bestaan van causaal verband tussen een wanprestatie en door een gelaedeerde geleden schade?

b. Kan een vrijwillig doen of nalaten van de zijde van de gelaedeerde volgend op de wanprestatie (zoals i.c.: het nalaten om alsnog vóór 6 april 2008 de tot en met 5 april 2007 opgebouwde rente in Engeland in te voeren) het causaal verband beïnvloeden? Zo ja, onder welke omstandigheden en op welke wijze?

c. Is voor het antwoord onder b. relevant of er aan het vrijwillig doen of nalaten van de gelaedeerde risico’s of nadelen verbonden zijn?
Bv. het risico dat de gelaedeerde kosten voor professionele bijstand moet maken om het intreden van die schade te voorkomen, en het risico dat - ondanks het maken van die kosten - de schade alsnog intreedt of zelfs groter wordt.
Bv. het nadeel dat de gelaedeerde volledige openheid aan de Engelse belastingdienst moet geven met als (mogelijk) gevolg stress en verlies van tijd en privacy.
Zo ja, hoe groot moeten die risico’s/nadelen zijn om invloed te kunnen hebben op het bestaan van causaal verband?

De volgende vragen 2-12 alleen beantwoorden, indien naar uw mening naar Engels recht in een geval als het onderhavige mogelijk causaal verband tussen wanprestatie en schade bestaat:

2. a. Bestaat er naar Engels recht een plicht voor de gelaedeerde om schade te beperken of te matigen? Zo ja, hoe wordt die verplichting toegepast?

b. Kan deze plicht voor een geval als het onderhavige meebrengen dat een gelaedeerde als [eiser] (a) de tot en met 5 april 2007 opgebouwde rente in Engeland had moeten invoeren en/of (b) bij afzien van het tijdig (vóór 6 april 2008) invoeren van het ‘vervuilde’ rentebedrag, het bedrag buiten Engeland had moeten aanwenden, indien hem dat minder nadeel oplevert dan de belastingdruk bij invoer in Engeland na 6 april 2008?

c. Kunt u hierbij aangeven of, en zo ja in hoeverre, het bestaan en de omvang van de bij vraag 1 bedoelde risico’s een rol kunnen spelen bij het aannemen van een schadebeperkingsplicht?

3. Indien vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: wat is het gevolg van het niet in acht nemen van deze plicht? Kan dit leiden tot het in het geheel niet dan wel slechts gedeeltelijk verhaalbaar zijn van de schade op de aansprakelijke persoon? Zo ja, op welke wijze wordt de toepasselijke sanctie bepaald en in het bijzonder de omvang van een eventuele vermindering van de schadevergoeding?

De volgende vragen 4-12 alleen beantwoorden, indien naar uw mening naar Engels recht in een geval als het onderhavige mogelijk schadeplichtigheid bestaat:

4. Op welke wijze wordt de omvang van toekomstige schade in een geval als het onderhavige vastgesteld? Mag de rechter daarbij een inschatting maken van de kans dat de toekomstige schade zal worden geleden? Zo ja, onder welke omstandigheden mag de rechter een dergelijke inschatting maken en op basis van welke criteria wordt deze toekomstige schade vastgesteld?

5. Kan een door een gelaedeerde door een wanprestatie genoten voordeel (in casu bestaande uit na de wanprestatie ontvangen rente) in mindering worden gebracht op (of anderszins in ogenschouw worden genomen bij het vaststellen van) de schadevergoedingsplicht? Zo ja, welke vereisten gelden hiervoor?

6. Kan een schadevergoedingsplicht worden gematigd op basis van één van de volgende door Tiscali aangevoerde omstandigheden:

1) dat [eiser] de schade had kunnen voorkomen door de ‘vervuilde’ rente vóór 6 april 2008 in Engeland in te voeren of deze had kunnen beperken door een deel van de hoofdsom in Engeland in te voeren,

2) dat [eiser] jarenlang rente heeft genoten van het ‘vervuilde’ rentebedrag,

3) dat [eiser] de rente niet in Engeland hoeft in te voeren en onzeker is of hij daartoe zal overgaan en

4) dat er slechts sprake was van een relatief onschuldige fout aan de zijde van Tiscali?

Zo ja, op welke wijze wordt de omvang van een dergelijke matiging vastgesteld?

7. Op welke partij rust naar Engels recht de stelplicht en de bewijslast terzake van de hiervoor genoemde kwesties?

ten aanzien van de kosten voor het afsluiten van een kredietfaciliteit

8. Stelt het Engelse recht vereisten aan het causaal verband tussen een schadepost bestaande uit gevolgschade (in casu: de kosten voor het afsluiten van een kredietfaciliteit) en een wanprestatie als het onderhavige? Zo ja, welke?

9. In hoeverre is voor de verhaalbaarheid van dergelijke gevolgschade van belang of de gelaedeerde de betreffende schade had kunnen voorkomen en de laedens de schadepost had kunnen voorzien?

ten aanzien van de kosten wegens juridische bijstand

10. Kunnen naar Engels recht de (volledige) kosten van juridische bijstand van een partij worden verhaald op de wederpartij? Zo ja, op welke gronden en welke omstandigheden zou een Engelse rechter daarbij in acht nemen?

10. Op welke wijze stelt de Engelse rechter vast of bepaalde onderdelen van de kosten verhaalbaar zijn op de wederpartij?

10. Wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen kosten van juridische bijstand die zijn gemaakt vóór of gedurende een aanhangige gerechtelijke procedure? Zo ja, op welke wijze?

ten aanzien van alle onderwerpen

13. Heeft u nog overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang zouden kunnen zijn?

de kosten

3.2.

verzoekt het I.J.I. om binnen 2 weken na heden een begroting van haar kosten en de voor haar onderzoek benodigde tijd te sturen aan de rechter die dit vonnis wijst,

3.3.

bepaalt dat het I.J.I. de begroting als goedgekeurd mag beschouwen, indien zij 2 weken nadien geen andersluidende reactie van de rechtbank heeft ontvangen,

3.4.

verzoekt het I.J.I. om de rechter die dit vonnis wijst, tijdig op de hoogte te stellen van een dreigende overschrijding van de begroting,

3.5.

bepaalt dat de kosten van het onderzoek van het I.J.I. ten laste komen van de rechtbank,

3.6.

verzoekt het I.J.I. om bij haar definitieve rapport een factuur te voegen met een specificatie van haar werkzaamheden (het aantal uren, het uurtarief en de overige kosten),

de werkwijze

3.7.

bepaalt dat het I.J.I. bij het onderzoek partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen,

3.8.

bepaalt dat het I.J.I. een concept van het rapport aan partijen zal toezenden en hen in de gelegenheid zal stellen om opmerkingen over het concept te maken,

3.9.

verzoekt het I.J.I. om haar definitieve rapport aan de griffier te sturen,

3.10.

bepaalt dat uit dit definitieve rapport moet blijken of aan partijen de gelegenheid is geboden om verzoeken te doen en opmerkingen te maken, terwijl in het rapport tevens melding dient te worden gemaakt van de inhoud van zodanige verzoeken en opmerkingen, en verzoekt het I.J.I. om in het rapport te reageren op de opmerkingen van partijen,

overige beslissingen

3.11.

draagt de griffier op een afschrift van dit vonnis toe te sturen aan het I.J.I.,

3.12.

draagt [eiser] op om een kopie van het complete procesdossier toe te sturen aan het I.J.I.,

3.13.

draagt de griffier op na ontvangst van het definitieve rapport :

- een afschrift daarvan aan partijen toe te sturen,

- de zaak op een termijn van 4 weken weer op de rol te plaatsen voor het nemen van een conclusie na rapport aan de zijde van [eiser] en om partijen daarvan bericht te doen,

3.14.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Frieling, bijgestaan door mr. W.A. Visser als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2014.1

1 type: JWF 4231