Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:4800

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-09-2014
Datum publicatie
28-10-2014
Zaaknummer
2847563 EXPL UC 14-5981
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overeenkomst tot de verlening van een doorlopend krediet. Achterstallige betaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 2847563 UC EXPL 14-3496 DJ/1067

Verstekvonnis van 10 september 2014

inzake

de vennootschap naar buitenlands recht

Hoist Kredit AB,

gevestigd te Stockholm, Zweden,

verder te noemen Hoist Kredit,

eisende partij,

gemachtigde: mr. R. Zegers, werkzaam bij NDA Incasso B.V. te Amersfoort,

tegen:

1 [gedaagde 1],

2. [gedaagde 2],

beiden wonende te [woonplaats],

verder te noemen [gedaagden],

gedaagde partij,

niet verschenen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 23 juni 2014

  • -

    de comparitie van 12 augustus 2014 waarvan aantekening is gehouden.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 7 juni 2009 is tussen Santander Consumer Finance Benelux B.V. (hierna: Santander) en [gedaagden] een schriftelijke overeenkomst tot stand gekomen met betrekking tot de verlening van een doorlopend krediet door Santander aan [gedaagden] tot een maximum van € 37.996,- tegen een variabele rente die bij het aangaan van de overeenkomst 8,3% op jaarbasis bedroeg. Van dit bedrag is € 32.000,- aangewend voor de aankoop van een auto, te weten een Audi A6, bouwjaar 2005 met kenteken [kenteken]. [gedaagden] hebben Santander een pandrecht op de auto verstrekt. Santander heeft daarnaast een bedrag van € 5.000,- aan [gedaagden] uitbetaald.

2.2.

Op de overeenkomst zijn de Algemene Voorwaarden Doorlopend Krediet van Santander van 1 mei 2009 van toepassing. Deze algemene voorwaarden bevatten - voor zover van belang - de volgende bepalingen.

“(…)

Artikel 6. Opeisbaarheid

Indien cliënt:

gedurende tenminste twee maanden achterstallig is in de betaling van een vervallen termijnbedrag, na in gebreke te zijn gesteld, nalatig blijft in de nakoming van verplichtingen, of

(…)

dan is al hetgeen door cliënt aan Santander Consumer Finance Benelux BV is verschuldigd, vermeerder met eventuele vertragingsvergoedingen ineens opeisbaar en zal cliënt gehouden zijn dit integraal aan Santander Consumer Finance Benelux BV te voldoen zodra Santander Consumer Finance Benelux BV dit verlangt.

(…)

Artikel 8. Vertragingsvergoeding

Indien cliënt bij overschrijding van de kredietlimiet niet of niet tijdig de vervallen termijnen betaalt zal cliënt, na ingebrekestelling, een vertragingsvergoeding schuldig zijn. Berekening vindt plaats op basis van het aan deze overeenkomst ten grondslag liggende effectieve kredietvergoedingspercentage op jaarbasis, over vervallen doch op de dag na die waarop de bij ingebrekestelling gestelde termijn is verstreken. Deze vergoeding wordt berekend op dagbasis over het niet of niet geheel betaalde termijnbedragen.

Artikel 9. Rentevaststelling

Santander Consumer Finance Benelux BV is bevoegd het kredietvergoedingspercentage aan te passen overeenkomstig de ontwikkeling van het algemene renteniveau.

(…).”

2.3.

Op grond van de kredietovereenkomst waren [gedaagden] gehouden om maandelijks € 569,94 aan Santander te voldoen. Met ingang van 14 januari 2011 is het maandbedrag vastgesteld op € 372,-. [gedaagden] zijn met deze verplichting gedurende een periode van meer dan twee maanden in gebreke gebleven. Santander heeft [gedaagden] in gebreke gesteld, hetgeen niet tot betaling heeft geleid, waarna Santander het gehele saldo ineens heeft opgeëist.

2.4.

Santander heeft haar vordering op [gedaagden] vervolgens gecedeerd aan Hoist Kredit.

3 De vordering

3.1.

Hoist Kredit vordert dat de kantonrechter [gedaagden] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. hoofdelijk zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 37.210,90, vermeerderd met de overeengekomen kredietvergoeding, althans de vertragingsvergoeding, althans de wettelijke rente over € 37.158,10 vanaf 5 februari 2014 tot de voldoening,

  2. zal veroordelen tot onmiddellijke afgifte van de auto met machtiging van Hoist Kredit om deze afgifte bij gebreke hiervan zelf, met behulp van de sterke arm, te bewerkstelligen en terug te (doen) nemen, met bepaling dat na terugname door Hoist Kredit de waarde van de personenauto zal worden vastgesteld door een objectieve deskundige taxateur, en de aldus vastgestelde waarde dan wel de werkelijke opbrengst van het object na verkoop ervan door Hoist Kredit, in mindering zal strekken op hetgeen door [gedaagden] uit hoofde van de kredietovereenkomst aan Hoist Kredit verschuldigd zijn;

  3. [gedaagden] hoofdelijk zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten.

3.2.

Hoist Kredit legt aan haar vordering - kort weergegeven - het volgende ten grondslag.

  • -

    Bij een kredietovereenkomst betreffende het verstrekken van doorlopend krediet wordt een kredietvergoeding berekend over het gehele openstaande saldo. Dit vloeit voort uit de aard en de strekking van de overeenkomst.

  • -

    [gedaagden] zijn toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van de kredietovereenkomst. Santander is op 20 september 2013 overgegaan tot opeising van de totaal verschuldigde kredietsom die op dat moment € 36.778,79 bedroeg.

  • -

    In de algemene voorwaarden is bepaald dat vertragingsrente over het gehele saldo wordt berekend. Dat vertragingsvergoeding over het gehele saldo mag worden berekend blijkt bovendien uit de uitspraken van het Hof Den Bosch van 18 september 1995 en 4 december 1995 (LJN: AB8970).

3.3.

[gedaagden] hebben geen verweer gevoerd. Tegen hen is verstek verleend.

4 De beoordeling

4.1.

Nu Hoist Kredit een rechtspersoon naar vreemd recht is en haar vordering uit dien hoofde een internationaal karakter draagt, dient allereerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen. De kantonrechter beantwoordt die vraag bevestigend en wel op grond van artikel 2 van de in deze toepasselijke Verordening (EG) nr. 44/2001 “Brussel I”, nu gedaagde partij woonachtig is in Nederland. Ten aanzien van het op de onderhavige vordering toepasselijke recht overweegt de kantonrechter, dat uit de onweersproken stellingen van eisende partij volgt dat op de vordering het Nederlands recht van toepassing is.

4.2.

Op de tussen partijen gesloten overeenkomst is de Wet op het Consumentenkrediet (WCK), zoals deze tot 25 mei 2011 gold, van toepassing, aangezien het een consumentenkrediet betreft dat voor 25 mei 2011 tot stand is gekomen.

4.3.

In artikel 1, aanhef en onder j. van de WCK is het begrip ‘kredietvergoeding’ gedefinieerd als ‘alle beloningen en vergoedingen in welke vorm ook die de kredietgever (…) ter zake van een krediettransactie bedingt, in rekening brengt of aanvaardt’.

In artikel 34 WCK is bepaald dat het de kredietleverancier verboden is enige andere vorm van kredietvergoeding te bedingen, in rekening te brengen of te aanvaarden dan:

  1. een vergoeding die verschuldigd is bij afwikkeling overeenkomstig de betalingsregeling van de transactie (ook wel genoemd de kredietvergoeding in enge zin)

  2. een vergoeding die verschuldigd wordt ingeval de kredietnemer, na ingebrekestelling, nalatig blijft in zijn verplichting tot betaling ingevolge de transactie (ook wel de vertragingsvergoeding genoemd)

  3. een vergoeding die verschuldigd wordt indien de kredietgever vervroegd aflost (ook wel boeterente genoemd).

4.4.

Artikel 35 WCK bepaalt dat de ten hoogste toegelaten kredietvergoeding bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld waarbij tevens regels worden gegeven betreffende de tijdstippen waarop de kredietvergoeding in rekening wordt gebracht. Deze bepaling is uitgewerkt in het Besluit Kredietvergoeding. Artikel 4 van het Besluit Kredietvergoeding bepaalt dat voor de berekening van de ten hoogste toegelaten kredietvergoeding bij regelmatige afwikkeling de wettelijke rente verhoogd met 12 procentpunten als het ten hoogste toegelaten effectieve kredietvergoedingspercentage op jaarbasis geldt.

4.5.

De regels omtrent consumentenkredietovereenkomsten moeten, voor zover deze zien op de bescherming van de consument, ambtshalve worden toegepast.

4.6.

Vaststaat dat [gedaagden] in het kader van een doorlopend krediet bedragen hebben opgenomen waarover op grond van de kredietovereenkomst kredietvergoeding is berekend. De kredietvergoeding is vervolgens deel gaan uitmaken van het openstaande saldo en is daarmee tevens rentedragend geworden. Dit blijkt uit de Nota van Toelichting op het Besluit Kredietvergoeding, zoals dit gold vanaf 14 november 1991. De Nota van Toelichting luidt op dit punt als volgt:

“Ter verdere toelichting dient voorts dat met het begrip ‘in rekening brengen’ wordt gedoeld op het feitelijk bijboeken van de kredietvergoeding op het uitstaande saldo en daarmee het verschuldigd worden van de kredietvergoeding, ook wel aangeduid als valutering. In dit verband zij tevens verwezen naar de definitie van uitstaand saldo in de WCK (artikel 1, onder h en i). Het verschuldigd worden van de kredietvergoeding heeft tot gevolg dat de kredietvergoeding zelve, omdat deze dan deel gaat uitmaken van het uitstaande saldo, rentedragend wordt.”

Dit brengt met zich dat de gevorderde hoofdsom, inclusief de tot de datum van opeising (20 september 2013) verschuldigde kredietvergoeding, toewijsbaar is.

4.7.

In artikel 6 van de door Santander gehanteerde algemene voorwaarden is bepaald dat het openstaande saldo ineens opeisbaar is indien de kredietnemer gedurende tenminste twee maanden achterstallig is in de betaling van een vervallen termijnbedrag en na in gebreke te zijn gesteld nalatig blijft in de volledige nakoming van zijn verplichtingen. Bij brief van 20 september 2013 heeft Santander het openstaande saldo opgeëist.

Indien de kredietgever het uitstaande saldo vervroegd opeist met instandhouding van de overeenkomst, waarvan in dit geval sprake is, moet worden afgerekend op dezelfde wijze als bij tussentijdse beëindiging. Artikel 44 lid 2 WCK is weliswaar geschreven voor de situatie waarin de kredietovereenkomst wordt ontbonden maar deze verdient ook toepassing bij vervroegde opeising (Hof Den Bosch 4 december 1995, NJ 1996, 575). Dit, in samenhang met het bepaalde in artikel 34 WCK, brengt met zich dat de kredietnemer de overeengekomen kredietvergoeding vanaf dat moment niet meer verschuldigd is. Voor zover Hoist Kredit kredietvergoeding vordert over het openstaande saldo vanaf de datum van opeising is dit dus niet toewijsbaar.

4.8.

Het Hof Den Bosch heeft in eerdergenoemd arrest voorts bepaald dat de kredietverstrekker kan bedingen dat, indien na vervroegde opeising niet prompt wordt betaald, tot de dag van daadwerkelijke betaling vertragingsrente verschuldigd wordt die even hoog is als de kredietvergoeding die verschuldigd zou zijn bij regelmatige afwikkeling van de overeenkomst.

Ter beoordeling ligt de vraag voor of dit is bedongen. Naar het oordeel van de kantonrechter dient een dergelijk beding in duidelijke, voor de consument begrijpelijke bewoordingen in de algemene voorwaarden te zijn opgenomen. Uit de door Santander gehanteerde algemene voorwaarden blijkt weliswaar dat vertragingsrente verschuldigd is indien de kredietnemer nalatig is met betaling van de maandtermijnen maar niet dat na opeising van het gehele saldo vertragingsvergoeding over het geheel verschuldigd is. Daarbij moet worden opgemerkt dat artikel 8 van de algemene voorwaarden een onleesbare zin bevat waarin klaarblijkelijk een woord is weggevallen. Het is de kantonrechter echter niet op het eerste gezicht duidelijk welk woord dat is geweest.

Gelet op het voorgaande kan niet worden geconcludeerd dat op voor [gedaagden] voldoende duidelijke wijze vertragingsvergoeding over het gehele saldo na opeising is bedongen. Hoist Kredit is op grond daarvan dan ook niet gerechtigd is om vertragingsvergoeding over het gehele bedrag in rekening te brengen.

4.9.

Voorts zal worden beoordeeld of wellicht uit het wettelijk systeem zelf voortvloeit dat vertragingsvergoeding verschuldigd is over het opgeëiste bedrag. Artikel 44 lid 2 WCK bepaalt het volgende:

“Indien bij ontbinding van een zodanige overeenkomst een der partijen in een betere vermogenstoestand zou geraken dan bij het in stand blijven van die overeenkomst en afwikkeling overeenkomstig de betalingsregeling, vindt volledige verrekening plaats.”

Zoals onder 4.6 is overwogen ziet deze bepaling ook op de situatie waarin de kredietgever het openstaande saldo ineens opeist. De kantonrechter overweegt dat voor de beantwoording van de vraag of uit de ratio van dit artikel volgt dat van rechtswege vertragingsrente in rekening mag worden gebracht tevens acht moet worden geslagen op het bepaalde in titel 6.5.5 BW met betrekking tot de wederkerige overeenkomsten. In artikel 6:271 BW wordt bepaald dat de ontbinding partijen bevrijdt van de daardoor getroffen verbintenissen en dat voor partijen een verbintenis tot ongedaanmaking ontstaat van de reeds door hen ontvangen prestaties. Artikel 6:277 BW bepaalt vervolgens dat de partij wier tekortkoming een grond voor ontbinding heeft opgeleverd, verplicht is haar wederpartij de schade te vergoeden die deze lijdt doordat geen wederzijdse nakoming plaatsvindt. Beoordeeld moet dus worden welke schade Hoist Kredit lijdt doordat [gedaagden] hun verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst niet zijn nagekomen. Bij de vaststelling daarvan is van belang dat [gedaagden] op grond van artikel 12 van de algemene voorwaarden gerechtigd zijn om de overeenkomst kosteloos te beëindigen. [gedaagden] zouden op grond daarvan de mogelijkheid hebben gehad om het openstaande saldo ineens af te lossen zonder dat hen kosten in rekening worden gebracht. Daaruit volgt dat in het geval waarin de kredietverstrekker het saldo ineens opeist zij alleen kosten in rekening mag brengen voor zover dat gerechtvaardigd is vanwege de omstandigheid dat die opzegging plaatsvindt vanwege de wanprestatie van de wederpartij. Indien de overeenkomst door [gedaagden] door betaling van het gehele bedrag zou zijn beëindigd zou Santander geen contractuele rente in rekening hebben kunnen brengen. In de onderhavige situatie waarin een aanzienlijk bedrag openstaat lijdt Hoist Kredit inderdaad schade doordat zij rente derft. Zij kan echter geen recht doen gelden op contractuele rente maar op wettelijke rente. Dit betekent dat over het verschuldigde bedrag van € 36.778,79 wettelijke rente toewijsbaar is vanaf 20 september 2013 tot de voldoening.

4.10.

De vordering met betrekking tot de teruggave van de auto, die niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt is toewijsbaar, met dien verstande dat zal worden bepaald dat de auto binnen twee dagen na betekening van het vonnis moet worden afgegeven.

4.11.

[gedaagden] zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Hoist Kredit worden begroot op:

- dagvaarding € 97,74

- griffierecht € 923,00

- salaris gemachtigde € 400,00 (1 punt x tarief € 400,00)

Totaal € 1.420,74

De gevorderde nakosten zijn toewijsbaar als na te melden.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, in die zin dat wanneer de een betaalt de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd, om aan Hoist Kredit tegen bewijs van kwijting te betalen € 36.778,79 met de wettelijke rente daarover vanaf 20 september 2013 tot de voldoening;

5.2.

voordeelt [gedaagden] om het verpande object, te weten de personenauto, merk Audi A6, bouwjaar 2005 met kenteken [kenteken] binnen 2 dagen na betekening van dit vonnis aan Hoist Kredit af te geven en machtigt Hoist Kredit, voor het geval [gedaagden] niet aan deze veroordeling voldoen, om het verpande object zelf, met behulp van de sterke arm, terug te (doen) nemen;

5.3.

bepaalt dat de waarde van de personenauto na terugname door Hoist Kredit dient te worden vastgesteld door een objectieve deskundige taxateur, en dat de aldus vastgestelde waarde van het object na verkoop ervan door Hoist Kredit, in mindering zal strekken op hetgeen [gedaagden] uit hoofde van het onder 5.1 bepaalde aan Hoist Kredit verschuldigd zijn;

5.4.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, in die zin dat wanneer de een betaalt de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd, tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Hoist Kredit, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.420,74, waarin begrepen € 400,- aan salaris gemachtigde;

5.5.

veroordeelt [gedaagden], onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door Hoist Kredit volledig aan dit vonnis voldoen, hoofdelijk, in die zin dat wanneer de een betaalt de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 100,- aan salaris gemachtigde;

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis;

5.6.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Krepel, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 10 september 2014.