Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:4799

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-09-2014
Datum publicatie
31-10-2014
Zaaknummer
C-16-327009 - HA ZA 12-934
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De huurder stelt dat zij niet bekend was met het verstekvonnis waarin zij tot ontruiming is veroordeeld en evenmin met het exploot waarin de ontruiming is aangezegd, waardoor zij overvallen werd door de geplande ontruiming. Was de deurwaarder gelet op de omstandigheden van het geval gehouden om de ontruiming op te schorten? Is de wijze waarop de ontruiming is uitgevoerd onrechtmatig? Bevoegdheid deurwaarder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/327009 / HA ZA 12-934

Vonnis van 17 september 2014

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres (in reconventie),

advocaat mr. M.K.W. van den Berg te Leusden,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AEGON WONINGEN B.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

gedaagde (in reconventie)

advocaat mr. J.A. Trimbach te De Meern.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Aegon genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de rolbeslissing van 28 augustus 2013

  • -

    de akte van 29 januari 2014 van [eiseres]

  • -

    de akte van 26 februari 2014 van Aegon

  • -

    de akte van 26 maart 2014 van [eiseres].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling van het geschil in reconventie

2.1.

De rechtbank gaat er bij beoordeling van dit geschil vanuit dat Aegon aansprakelijk is voor het handelen van de door haar ingeschakelde deurwaarder, nu dit door Aegon niet is weersproken.

2.2.

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwaren heeft bij arrest van 24 december 2013 de op 4 mei 2011 en 24 augustus 2011 door de kantonrechter te Utrecht gewezen verstekvonnissen bevestigd. Voorts heeft het Hof het door de kantonrechter te Utrecht op 4 juli 2012 uitgesproken vonnis, voor zover in conventie gewezen, bevestigd behoudens voor wat betreft de buitengerechtelijke incassokosten. Dit betekent dat thans vaststaat dat Aegon op grond van de vonnissen van de kantonrechter gerechtigd was om tot ontruiming over te gaan.

2.3.

De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of Aegon, gelet op de omstandigheden van het geval, gehouden was om de ontruiming op te schorten. [eiseres] heeft er in de eerste plaats op gewezen dat zij niet bekend was met de verstekvonnissen en ook niet met het exploot waarbij de ontruiming is aangezegd. Zij was door de komst van de deurwaarder op 28 september 2011 dan ook overvallen. De kantonrechter heeft hierover echter reeds eerder geoordeeld, hetgeen door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij arrest van 24 december 2013 is bekrachtigd, dat de omstandigheid dat [eiseres] niet bekend was met de verstekkenvonnissen en de aanzegging van de ontruiming voor haar rekening en risico komt. Het gevolg daarvan, namelijk dat zij door de komst van de deurwaarder met de ontruimingsploeg werd overvallen, kan zij dan ook niet aan Aegon tegenwerpen. Hierin was voor Aegon dan ook geen omstandigheid gelegen om de ontruiming op te schorten.

[eiseres] heeft er voorts op gewezen dat het proces-verbaal van de deurwaarder van 28 september 2011 vermeldt dat de ontruiming werd opgeschort tot 5 oktober 2011, om [eiseres] in de gelegenheid te stellen om via familieleden alsnog voor betaling zorg te dragen. De rechtbank stelt vast dat het proces-verbaal van de deurwaarder inderdaad vermeldt dat de ontruiming om de door [eiseres] genoemde reden voorlopig tot 5 oktober 2011 zou worden opgeschort en dat Aegon niet onderbouwt waarom zij desondanks op 30 september 2011 tot ontruiming overging. De rechtbank ziet in deze ongerijmdheid echter onvoldoende aanleiding om te oordelen dat de ontruiming op 30 september 2011 onrechtmatig was. In de eerste plaats is gesteld noch gebleken dat de deurwaarder [eiseres] op 28 september 2011 heeft meegedeeld dat zij uitstel kreeg tot 5 oktober 2011. In de tweede plaats is niet gesteld dat [eiseres] met behulp van familieleden in staat was geweest om de volledige achterstand voor 5 oktober te voldoen. Uiteindelijk heeft betaling eerst op 12 oktober 2011 plaatsgevonden. Dat betekent dat, ook indien uitstel tot 5 oktober 2011 zijn gegeven, ontruiming zou hebben plaatsgevonden. Dat, zoals [eiseres] aanvankelijk heeft gesteld, de achterstallige uitkering van de Sociale Dienst op korte termijn zou worden overgemaakt is niet juist gebleken. Uit de verklaring de heer [A] van de Sociale Dienst (door [eiseres] als productie 9 overgelegd bij de akte van 19 juni 2013) blijkt immers dat de achterstallige uitkering pas zou worden overgemaakt nadat [eiseres] haar jaarcijfers over 2010 had ingeleverd. Door [eiseres] is niet gesteld dat deze jaarcijfers toen reeds aan de Sociale Dienst ter beschikking waren gesteld. Voor zover [eiseres] zich verder op het standpunt stelt dat haar ziekte voor de deurwaarder aanleiding had moeten zijn om de ontruiming uit te stellen, moet worden geoordeeld dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwaren bij arrest van 24 december 2013 heeft vastgesteld dat [eiseres] de deurwaarder daarvan niet in kennis heeft gesteld en dat [eiseres] zich niet op de onjuistheid van die vaststelling beroept. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat de deurwaarder niet van de gezondheidssituatie van [eiseres] op de hoogte was, zodat dit geen aanleiding kon zijn om de ontruiming uit te stellen.

Het voorgaande leidt ertoe dat de beslissing van de deurwaarder om op 30 september 2011 tot ontruiming over te gaan niet onrechtmatig was. Voor zover [eiseres] vergoeding vordert van schade die een gevolg is van de ontruiming zelf, is deze dan ook niet toewijsbaar. Dat betekent dat de schade die betrekking heeft op investeringen die zij in de woning had gedaan, niet voor toewijzing in aanmerking komen. Datzelfde geldt voor kosten die zij heeft moeten maken voor verblijf elders, zoals hotelkosten. Deze zijn evenmin toewijsbaar.

2.4.

Het voorgaande brengt verder met zich dat [eiseres] gehouden was de executiekosten te voldoen. Voor zover de vordering van [eiseres] gericht is op terugbetaling daarvan is deze dus evenmin toewijsbaar, met uitzondering het volgende. De ontruiming op 30 september 2011 heeft plaatsgevonden onder leiding van twee deurwaarders die elkaar hebben afgelost. Dit heeft ertoe geleid dat er tweemaal een proces-verbaal is opgesteld die beide zijn doorberekend. Naar het oordeel van de kantonrechter dienen de kosten voor het tweede proces-verbaal van € 117,47, die een gevolg lijken van een organisatorische keuze van de deurwaarder, voor rekening van Aegon te blijven. [eiseres] heeft voorts aangevoerd dat de door Aegon berekende executiekosten onjuist zijn. Op de nader te bepalen comparitie dient Aegon op de verweren van [eiseres] in te gaan en de executiekosten waar mogelijk met stukken te onderbouwen.

2.5.

Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of, zoals [eiseres] stelt, de wijze waarop de ontruiming is uitgevoerd onrechtmatig is. Op een verhuurder rust de verplichting om bij de ontruiming van een woning rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van de huurder. Schending van die plicht brengt met zich dat de verhuurder aansprakelijk is voor de daardoor bij de huurder ontstane schade. Daarbij is echter van belang dat, zoals onder 2.2. is overwogen, alleen die schade voor vergoeding in aanmerking komt die een gevolg is van een op onrechtmatige wijze uitgevoerde ontruiming. Met andere woorden, schade die ook zou zijn geleden indien de ontruiming op zorgvuldige wijze zou hebben plaatsgevonden komt niet voor vergoeding in aanmerking.

2.6.

Voorts is van belang dat de executerende deurwaarder op grond van het bepaalde in artikel 556 Rv en de daarop gebaseerde jurisprudentie gerechtigd is om de inboedel uit een woning te verwijderen en aan de openbare weg te plaatsen. De verhuurder, althans de deurwaarder, heeft na plaatsing van de inboedel aan de openbare weg, behoudens zeer bijzondere omstandigheden, geen zorgplicht ten aanzien van de ontruimde inboedel. Het ligt in beginsel op de weg van de eigenaar van de inboedel om de op de openbare weg geplaatste inboedel af te voeren of op te slaan. Indien een verhuurder er echter voor kiest om de inboedel in opslag te nemen of, zoals in dit geval executoriaal beslag te leggen, is er wel sprake van een zorgplicht ten aanzien van de inboedel.

2.7.

[eiseres] stelt zich op het standpunt dat Aegon in het onderhavige geval een grotere mate van zorgvuldigheid had moeten betrachten omdat voorafgaand aan de ontruiming geen contact met haar had plaatsgevonden. Die stelling moet worden verworpen. Ook al heeft er in de fase voorgaand aan de ontruiming geen contact met [eiseres] plaatsgevonden, op 28 en 30 september 2011 was dit contact er wel. [eiseres] was op de hoogte van de ontruiming en was hierbij aanwezig. Dat zij ervoor heeft gekozen om gedurende de ontruiming bij haar buurvrouw te verblijven en niet ter plekke aanwezig te zijn om toezicht te houden, leidt er niet tot dat Aegon bij de ontruiming een grotere mate van zorgvuldigheid zou moeten betrachten dan te doen gebruikelijk. Het betreft hier immers een keuze van [eiseres] zelf.

2.8.

De deurwaarder is, zoals hiervoor is overwogen, gerechtigd om de in de woning aanwezige inboedel op de openbare weg te plaatsen. Het is de deurwaarder echter niet toegestaan om deze in een afvalcontainer te plaatsen, tenzij de bewoner daar uitdrukkelijk toestemming voor geeft. Aegon stelt dat daarvan sprake was. Dit wordt door [eiseres] echter gemotiveerd weersproken. De rechtbank overweegt dat uit hetgeen de deurwaarders hierover in de processen-verbaal en in hun latere verklaringen hebben verklaard, namelijk dat [eiseres] bij de ontruiming aanwezig was en dat met haar gesproken is, niet kan worden afgeleid dat zij uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven om de niet in beslag genomen inboedel af te doen voeren naar de gemeentereiniging. Het enkele feit dat [eiseres] hiertegen niet heeft geprotesteerd is onvoldoende om aan te nemen dat zij met verwijdering instemde, temeer nu onbetwist is dat zij door de ontruiming was aangedaan en zich niet in staat voelde deze bij te wonen. Zij verbleef immers in de woning van de buurvrouw. Dat de verwijdering van een deel van de inboedel met instemming van [eiseres] heeft plaatsgevonden kan dan ook niet worden aangenomen. Dat betekent dat de schade die daardoor is ontstaan in beginsel voor rekening van Aegon komt. Het ligt echter op de weg van [eiseres] om te bewijzen of in elk geval tot op zekere hoogte aannemelijk te maken dat, en zo ja, welke zaken in de container zijn verdwenen en wat de waarde daarvan was, waarbij niet moet worden uitgegaan van de nieuwwaarde maar van de gebruikswaarde.

2.9.

Daarnaast moet worden beoordeeld of Aegon, althans de deurwaarder, de inbeslaggenomen inboedel op onzorgvuldige wijze heeft vervoerd dan wel opgeslagen. Voor de vraag welke zaken in beslag zijn genomen is in beginsel het proces-verbaal van beslaglegging dat op ambtseed is opgemaakt doorslaggevend. Uit het proces-verbaal blijkens onder meer dat de Bosch koel-vriescombinatie in beslag is genomen. Tegenover deze ambtsedige deurwaardersverklaring legt de verklaring van de heer [B] dat hij heeft gezien dat deze koel/vriescombinatie is weggegooid onvoldoende gewicht in de schaal. Datzelfde geldt voor het tweepersoonsbed van de zoon van [eiseres]. Uit het proces-verbaal blijkt niet duidelijk of ook het bijbehorende matras in beslag is genomen. Ten aanzien van het matras kan dan ook niet worden uitgesloten dat dit is weggegooid. De rechtbank verwijst echter naar hetgeen hierover onder 2.6 is overwogen. [eiseres] heeft onvoldoende argumenten aangevoerd waaruit zou kunnen blijken dat het proces-verbaal van de deurwaarder met betrekking tot de inbeslagname onjuist zou zijn. Dit proces-verbaal zal dan ook als uitgangspunt hebben te gelden.

2.10.

[eiseres] stelt dat een deel van de inbeslaggenomen inboedel was verdwenen. Voor zover zij echter zaken noemt die niet in het proces-verbaal worden genoemd zal daaraan voorbij gegaan worden. Daarvan kan immers niet worden vastgesteld dat deze in beslag zijn genomen. Voor zover deze aanwezig zijn geweest in de woning van [eiseres], moet worden aangenomen dat deze in container zijn gegaan. De rechtbank verwijst daaromtrent naar hetgeen daarover onder 2.6 is overwogen.

2.11.

[eiseres] stelt voorts ten aanzien van een aantal zaken die in het proces-verbaal zijn genoemd dat zij deze niet heeft aangetroffen toen de inboedel werd vrijgegeven. Het betreft hier onder meer de koel-vriescombinatie, keukengerei en een gouden collier. Het ligt op de weg van de deurwaarder om te stellen en bij betwisting te bewijzen dat de in beslaggenomen zaken zijn teruggegeven. Ten aanzien van het gouden collier overweegt de kantonrechter dat uit het proces-verbaal van inbeslagname blijkt dat ‘een verhuisdoos met alle sieraden’ in beslag is genomen, zonder dat is gespecificeerd om welke sieraden het ging. Het ligt op de weg van Aegon om te stellen, en bij betwisting te bewijzen, dat alle in beslaggenomen sieraden zijn teruggegeven. Indien dit niet mogelijk is doordat niet is vastgelegd om welke sieraden het ging, komt dit voor rekening en risico van Aegon.

2.12.

[eiseres] stelt verder dat een deel van de inboedel was beschadigd. Zij noemt in haar conclusie van de repliek de eettafel, de salontafel, de grenen servieskast en de vleugel. [eiseres] heeft echter nagelaten om haar stelling deugdelijk te onderbouwen. Zij heeft nagelaten om foto’s of andere bewijzen te overleggen waaruit de schade blijkt. Dat de wijze waarop de spullen waren opgeslagen blijkens de foto’s een enigszins rommelige indruk maakt, leidt op zichzelf niet tot de conclusie dat schade aan de inboedel is ontstaan. Ten aanzien van de vleugel overweegt de rechtbank het volgende. In haar conclusie van repliek stelt [eiseres] dat schade aan de vleugel is ontstaan doordat deze op de zijkant is geplaatst. Een foto daarvan bevindt zich in het dossier. Een foto, waaruit blijkt dat hierdoor schade aan de buitenkant van de vleugel is ontstaan, ontbreekt echter. Dat schade aan de buitenkant van de vleugel is ontstaan doordat deze op de zijkant is gezet blijkt evenmin uit de verklaring van de pianostemmer, [C]. Hij doet geen mededelingen over schade aan de buitenzijde. Wel verklaart hij dat de vleugel ‘schor’ is geworden doordat deze in een niet-geklimatiseerde ruimte heeft gestaan. Dit is door [eiseres] echter niet eerder gesteld. Voorts kan het feit dat [C] op 13 juni 2013, ruim anderhalf jaar nadat de inboedel is vrijgegeven, heeft vastgesteld dat de vleugel vochtschade heeft niet tot de conclusie leiden dat deze schade tijdens de opslag door Aegon ontstaan. Gegevens omtrent de kwaliteit van de vleugel kort voor de opslag en kort daarna ontbreken immers.

2.13.

Alvorens partijen met een bewijsopdracht te belasten zal een comparitie van partijen worden gelast. [eiseres] dient ter voorbereiding op deze comparitie een duidelijk overzicht in het geding te brengen van de zaken die niet in het proces-verbaal van inbeslagneming zijn genoemd en die volgens haar ten onrechte in de container zijn beland. Daarbij moet zij per item vermelden wanneer zij dit ongeveer heeft aangeschaft, van welke kwaliteit het was en welke waarde het had. Aegon dient ter voorbereiding op de comparitie te onderbouwen wanneer en op welke wijze teruggave van de inbeslaggenomen inboedel aan [eiseres] heeft plaatsgevonden. Indien daarvan een proces-verbaal is opgemaakt dient Aegon dit in het geding te brengen. Tijdens de comparitie zal de mogelijkheid van een schikking uitdrukkelijk aan de orde worden gesteld.

2.14.

Wellicht ten overvloede wijst de rechtbank erop dat de vraagpunten die reeds zijn beoordeeld ter comparitie niet meer aan de orde zullen komen.

3 De beslissing

De rechtbank:

in reconventie

3.1.

beveelt partijen, in persoon (rechtspersonen rechtsgeldig vertegenwoordigd), desgewenst vergezeld van een gemachtigde, om voor de rechtbank te verschijnen in verband met het geven van inlichtingen op een nader, in overleg met partijen, vast te stellen dag en tijdstip;

3.2.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen 2 weken na vonnisdatum voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de vijf maanden vanaf de opgave, bij welke opgave zij ten minste vijftien dagdelen vrij dienen te laten waarop de comparitie zou kunnen plaatsvinden, waarna dag en uur van comparitie zullen worden bepaald;

3.3.

bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de comparitie zelfstandig zal bepalen;

3.4.

bepaalt dat na vaststelling van het tijdstip van de comparitie dit in beginsel niet zal worden gewijzigd;

3.5.

wijst partijen er op, dat voor de zitting anderhalf uur zal worden uitgetrokken;

3.6.

draagt partijen op om de het vonnis bedoelde stukken uiterlijk één week vóór de zittingsdatum aan de rechtbank en aan de wederpartij toe te zenden;

3.7.

bepaalt dat, indien partijen stukken in het geding willen brengen, zij deze ten minste één week voor de comparitie in kopie aan de rechtbank en aan de wederpartij dienen toe te zenden;

3.8.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Krepel, en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2014.