Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:4756

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
07-10-2014
Datum publicatie
23-10-2014
Zaaknummer
16-659358-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gewapende overval door minderjarige. Verdachte bekent.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16-659358-14 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 23 september 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1994],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[woonplaats], [adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2014. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. D.C. Dorrestein, advocaat te Utrecht.

De zaak is tegelijk, maar niet gevoegd, behandeld met de zaak tegen verdachte onder parketnummer 16-659202-14.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 21 januari 2011 te [plaats] een overval heeft gepleegd op [naam], primair ten laste gelegd als afpersing van [slachtoffer] en subsidiair ten laste gelegd als diefstal met geweld tegen die [slachtoffer].

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair aan hem ten laste gelegde feit heeft begaan en baseert zich daarbij op de inhoud van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is evenals de officier van justitie van mening dat het primair ten laste gelegde feit kan worden bewezen.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair aan hem ten laste gelegde feit heeft begaan.

Aangezien verdachte het feit heeft bekend en de verdediging niet een vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank met toepassing van het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de bewijsmiddelen.

De rechtbank acht het feit bewezen gelet op:

  • -

    het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer], opgenomen op pagina 138-140 van het proces-verbaal met nummer PL1406-2012050381, van politie Gooi en Vechtstreek, in de wettelijke vorm opgemaakt en doorgenummerd van pagina 1 tot en met 157;

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 23 september 2014.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

primair

op 21 januari 2011 te [plaats], met het oogmerk om zich wederrechtelijk te

bevoordelen, door bedreiging met geweld, [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van geld, toebehorende aan [naam], welke bedreiging met geweld hierin bestond

dat hij, verdachte:

- met een panty over het hoofd die [naam] binnen is gegaan en

- dreigend een mes heeft getoond.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

primair: afpersing.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd een werkstraf van 60 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de werkstraf niet naar behoren (heeft) verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 30 dagen.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangegeven zich te kunnen vinden in de eis van de officier van justitie.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het feit zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Het spreekt voor zich dat een dergelijke gewapende overval voor het slachtoffer een bijzonder traumatische ervaring moet zijn geweest. Verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan de gevoelens van onveiligheid die bij het slachtoffer in het bijzonder en bij de maatschappij in het algemeen door dergelijke feiten worden gewekt. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van een gewapende overval nog lange tijd angstgevoelens kunnen ondervinden. Met dit alles heeft de verdachte destijds kennelijk geen enkele rekening gehouden. Het heeft hem er in ieder geval niet van weerhouden om op deze manier, ten koste van een ander, snel aan geld te komen.

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat hij spijt heeft van wat hij heeft gedaan en dat hij inmiddels persoonlijk en met een bos bloemen zijn excuses heeft aangeboden aan de medewerksters van de kapsalon en de financiële schade heeft vergoed, waaronder de kosten van psychologische hulp voor een van de medewerksters.

Met betrekking tot de persoon van verdachte houdt de rechtbank rekening met:

  • -

    een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 24 juli 2014, waaruit blijkt dat verdachte voorafgaand aan de afpersing niet eerder was veroordeeld voor een strafbaar feit, maar – mede in verband met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht – dat verdachte daarna laatstelijk op 2 september 2013 in verband met een aantal diefstallen is veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden;

  • -

    een de verdachte betreffend rapport 2B van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 15 september 2014, ter terechtzitting d.d. 23 september 2014 namens de Raad voor de Kinderbescherming toegelicht door I. de Visser, waarbij wordt geadviseerd om aan de verdachte geheel voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, met als bijzondere voorwaarde een maatregel van Hulp en Steun, ook als dat inhoudt: meewerken aan behandeling door een psycholoog en meewerken aan een sociale vaardighedentraining. Daarnaast wordt een werkstraf geadviseerd.

Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank ook rekening met de omstandigheid dat verdachte bij vonnis van heden, onder parketnummer 16-659202-14, voor een soortgelijk feit wordt veroordeeld tot een werkstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen jeugddetentie, en dat daarnaast geheel voorwaardelijke jeugddetentie met de door de Raad voor de Kinderbescherming geadviseerde bijzondere voorwaarde wordt opgelegd.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden een werkstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende jeugddetentie, passend en geboden is.

Gelet op de persoon van verdachte zal de rechtbank voorts bepalen dat deze vervangende jeugddetentie – ook nu verdachte inmiddels de leeftijd van achttien heeft bereikt – niet ten uitvoer zal worden gelegd als vervangende hechtenis, maar dat verdachte ook dan in aanmerking komt voor vervangende jeugddetentie.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 63, 77a, 77g, 77m, 77n en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

De rechtbank:

verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde oplevert:

primair: afpersing;

verklaart het bewezene strafbaar;

verklaart verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 60 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 30 dagen;

bepaalt dat bij tenuitvoerlegging van voormelde vervangende jeugddetentie, ook nu verdachte de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt, verdachte in aanmerking komt voor vervangende jeugddetentie.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.A.A. van Kalveen, voorzitter en tevens kinderrechter,

mrs. A.R. Creutzberg en G.V.M. Veldhoen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. G.C. van de Ven-de Vries, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 september 2014.

BIJLAGE: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

Primair

hij op of omstreeks 21 januari 2011 te [plaats], althans in het arrondissement

Midden-Nederland, met het oogmerk om zich en / of een ander wederrechtelijk te

bevoordelen door geweld en / of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft

gedwongen tot de afgifte van geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [naam], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte, welk geweld en / of welke bedreiging met geweld

hierin bestond(en)

dat hij, verdachte,

- met een panty over het hoofd, althans met enige gezichtsbedekking, die

[naam] binnen is gegaan en/of

- ( dreigend) een mes heeft getoond en/of met dat mes in de lucht heeft

gezwaaid;

Subsidiair

hij op of omstreeks 21 januari 2011 te [plaats], althans in het arrondissement

Midden-Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft

weggenomen geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[naam], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

welke

diefstal werd voorafgegaan en / of vergezeld en / of gevolgd van geweld en /

of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die

diefstal voor te bereiden en / of gemakkelijk te maken en / of om bij

betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken,

hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en / of welke

bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte,

- met een panty over het hoofd, althans met enige gezichtsbedekking, [naam]

binnen is gegaan en/of

- ( dreigend) een mes heeft getoond en/of met dat mes in de lucht heeft gezwaaid.