Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:4727

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-09-2014
Datum publicatie
07-10-2014
Zaaknummer
376007 / HA RK 14-199
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingslocatie Utrecht

Rekestnummer: 376007 / HA RK 14-199

Zaaknummer: WK2014/28

beslissing van 23 september 2014 van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken

op het verzoek in de zin van artikel 512 Wetboek van Strafvordering van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats]

verzoeker tot wraking,

gemachtigde: mr. J. Zevenboom,

verder ook te noemen verzoeker.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de brief van mr. J. Zevenboom d.d. 31 juli 2014

  • -

    de reactie daarop van mr. A.M.G. de Klerk, officier van justitie, d.d. 6 augustus 2014

  • -

    het proces-verbaal van de openbare terechtzitting van de politierechter op 11 augustus 2014, met als bijlage een pleitnota van verzoeker

  • -

    de ongedateerde schriftelijke reactie van mr. E.W. Akkerman

  • -

    de pleitnota van de zijde van verzoeker

  • -

    de aantekeningen van de griffier van de behandeling op 9 september 2014.

1.2.

Bij de mondelinge behandeling is mr. Zevenboom namens verzoeker verschenen, verzoeker zelf is niet verschenen. Mr. Akkerman en mr. De Klerk zijn beiden met bericht van afwezigheid niet verschenen.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. E.W. Akkerman (hierna: de politierechter) als behandelend rechter in de strafzaak, met parketnummer 07/660386-12, tegen verzoeker.

2.2.

Verzoeker is tot wraking overgegaan vanwege de afwijzing van zijn nadere onderzoekswensen - het horen van drie getuigen - door mr. Akkerman op de openbare terechtzitting van 11 augustus 2014. Verzoeker is van oordeel dat de enkele verwijzing naar de brief van 6 augustus 2014 van de officier van justitie aan de raadsman, waarin zij gemotiveerd aangeeft waarom zij opgegeven getuigen niet zal oproepen reeds blijk geeft van vooringenomenheid. Daarnaast is die motivering voor het niet horen van die getuigen, in het licht van de jurisprudentie omtrent het verdedigingsbelang als te hanteren criterium, dermate onbegrijpelijk dat daaruit ook vooringenomenheid van de politierechter af te leiden valt. Immers: [A] is aangever en heeft proces-verbaal opgemaakt, waarin innerlijk tegenstrijdige onderdelen voorkomen, [B] heeft een belastende verklaring voor verzoeker afgelegd en [C] heeft als ooggetuige een verklaring afgelegd. Daarbij komt dat het horen van de getuige [B] afgewezen is, omdat de verklaring van verzoeker niet bevestigd wordt door de verklaringen van getuigen, onder wie [B]. Daarmee neemt de politierechter stelling in over de betrouwbaarheid van de verklaring van verzoeker en wekt hij de schijn van partijdigheid.

2.3.

De politierechter heeft de rechtbank bericht dat hij niet berust in het wrakingsverzoek. Voor de zitting van 11 augustus 2014 heeft verzoeker zich tot de officier van justitie gewend met het verzoek een aantal getuigen te horen, de officier heeft dit verzoek schriftelijk en gemotiveerd afgewezen. Ter zitting heeft verzoeker zijn verzoek herhaald en toegelicht. De politierechter heeft besloten om de zaak eerst inhoudelijk te behandelen en daarna op het verzoek te beslissen. Na een korte schorsing heeft de politierechter, toetsend aan het verdedigingsbeginsel, besloten de getuigen niet te horen. Daarbij heeft de politierechter aangegeven dat hij zich kon vinden in de motivering zoals de officier die heeft gegeven. De politierechter kan niet inzien waarom deze verwijzing vooringenomenheid op zou leveren. Dat de motivering afkomstig is van de officier van justitie maakt dit niet anders.

3 De beoordeling

3.1.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van rechterlijke onpartijdigheid in de zin van artikel 512 Sv en artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.

3.2.

Er zijn geen feiten en/of omstandigheden gesteld dan wel gebleken op grond
waarvan thans geoordeeld dient te worden dat sprake is van persoonlijke vooringenomenheid van de gewraakte rechter jegens verzoeker. Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde of overigens naar voren gekomen omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees dat de gewraakte rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is.


3.3. De wrakingskamer wenst voorop te stellen dat een voor een partij onwelgevallige beslissing of zelfs een onjuiste beslissing van een rechter op zichzelf geen grond voor wraking oplevert. Dat kan alleen anders zijn indien een omstreden beslissing zozeer onbegrijpelijk is, dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat de beslissing door vooringenomenheid is ingegeven. De beoordeling van de vraag of de verdediging een belang heeft bij bepaalde, (nog) niet verrichte onderzoekshandelingen is een waardering door de rechter die de zaak inhoudelijk behandelt. De wrakingskamer heeft hier niet anders in te treden dan langs de weg van de hiervoor omschreven toets.

3.4.

In casu heeft de politierechter de onderzoekswensen van verzoeker afgewezen. De politierechter heeft dit gedaan uitgaande van het verdedigingsbeginsel en onder verwijzing naar de schriftelijke motivering van de officier van justitie van 6 augustus 2014. Zonder in de vraag te treden of de bestreden beslissing van de politierechter een juiste beslissing betreft is de wrakingskamer van oordeel dat de beslissing tot het afwijzen van de onderzoekswensen - ook indien dit wordt bezien in het licht van geldende jurisprudentie over de inhoud en strekking van het verdedigingsbelang - op zichzelf niet een zodanig onbegrijpelijke beslissing is geweest, dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat deze door vooringenomenheid is ingegeven. De motivering van deze beslissing onder verwijzing naar de argumenten van een andere procesdeelnemer, in dit geval de officier van justitie, maakt naar het oordeel van de wrakingskamer niet dat de beslissing getuigt van vooringenomenheid. Evenmin maakt dit dat bij verzoeker objectief gezien de gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid kon ontstaan.

3.5.

Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van de wrakingskamer niet worden geoordeeld dat de gewraakte rechter blijk heeft gegeven van vooringenomenheid jegens verzoeker dan wel dat de vrees daartoe objectief gerechtvaardigd is.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

wijst het verzoek tot wraking van mr. E.W. Akkerman af;

4.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, mr. Zevenboom en de gewraakte rechter, alsmede aan de voorzitter van de afdeling strafrecht en de president van deze rechtbank;

4.3.

bepaalt dat de strafzaak met parketnummer 07/660386-12 dient te worden voorgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.

Deze beslissing is gegeven door de mrs. L. Verschoor, H.A. Gerritse, C.A. de Beaufort in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. van Gaal en in openbaar uitgesproken op 23 september 2014.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.