Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:4716

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
05-09-2014
Datum publicatie
06-10-2014
Zaaknummer
374449 / HA RK 14-179
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingslocatie Lelystad

Rekestnummer: 374449 / HA RK 14-179

beslissing van 5 september 2014 van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken

op het verzoek in de zin van artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker tot wraking,

gemachtigde: de heer A.C.M. Hopmans,

verder ook te noemen verzoeker.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie na antwoord van 31 juli 2014 met aangehecht het wrakingsverzoek

  • -

    de brief van 1 augustus 2014 van de zijde van verzoeker

  • -

    de schriftelijke reactie van mr. Krepel van 5 augustus 2014

  • -

    de brief van 11 augustus 2014 van de zijde van verzoeker

  • -

    de brief van 19 augustus 2014 van de zijde van verzoeker

  • -

    de pleitnota van de zijde van verzoeker

  • -

    de aantekeningen van de griffier van de behandeling op 22 augustus 2014.

1.2.

Bij de mondelinge behandeling is verzoeker verschenen, bijgestaan door de heer Hopmans. Mr. Krepel is niet verschenen.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. P. Krepel (hierna: de kantonrechter) als kantonrechter in de procedure tussen de stichting Stichting Studenten Huisvesting, handelend onder de naam SSH en [verzoeker].

2.2.

Verzoeker heeft ter onderbouwing van het wrakingsverzoek aangevoerd dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om een conclusie van antwoord te nemen, waardoor hij het gevoel heeft dat er niet gesproken kan worden van een eerlijk proces en een eerlijke beslissing. Hij stelt dat de rechter ten onrechte zijn akten van 9 en 23 juli 2014 als conclusie van antwoord heeft bestempeld en zijn uitstelverzoek voor het indienen van een conclusie van antwoord niet heeft gehonoreerd. Tezamen met het feit dat in het tussenvonnis van 16 juli 2014 wordt vermeld dat het houden van een pleidooi tijdens de comparitiezitting op voorhand wordt verboden, maakt dit dat verzoeker er geen vertrouwen meer in heeft dat hij verweer kan voeren.

2.3.

De kantonrechter heeft de rechtbank bericht dat hij niet berust in het wrakingsverzoek. Hij bevestigt dat hij de stukken die verzoeker heeft overgelegd op de rolzitting van 9 juli 2014 en op 23 juli 2014 als conclusie van antwoord heeft aangemerkt. Hij stelt echter dat verzoeker op de comparitie van partijen had kunnen aangeven dat beide stukken geen conclusie van antwoord waren, waarna besproken had kunnen worden wat de volgende stap zou zijn.

3 De beoordeling

3.1.

Voor de beoordeling van dit wrakingsverzoek is de toepasselijke norm gegeven in artikel 36 Rv. Daarin is bepaald dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Voor de beoordeling van het wrakingsverzoek wordt de toepasselijke norm voorts gegeven door artikel 6 EVRM, in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de rechten van de Mens ontwikkelde criteria. Van een gebrek aan onpartijdigheid kan sprake zijn indien de rechter vanwege een persoonlijke overtuiging vooringenomen is.

Ook kan daarvan sprake zijn indien zich feiten of omstandigheden voordoen die objectief bezien de (subjectieve) vrees bij de rechtzoekende rechtvaardigen dat het de rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt.

3.2.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de hiervoor bedoelde zin dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de partij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.

3.3.

In deze zaak is dat niet het geval. De door verzoeker aangevoerde gronden betreffen geen feiten of omstandigheden die erop wijzen dat de rechterlijke onpartijdigheid van de genoemde rechter schade zou kunnen lijden. Zoals door de kantonrechter naar voren gebracht volgt uit artikel 87 Rv dat een comparitie van partijen in elke stand van het geding kan worden bevolen, dus ook voordat eventueel een conclusie van antwoord (volledig) is genomen. Het feit dat een comparitie van partijen is gelast betekent ook niet dat geen ruimte meer is voor het indienen van nadere schriftelijke stukken. Uit de verklaring van de kantonrechter leidt de rechtbank af dat het zijn bedoeling was om op de comparitie van partijen te gaan bekijken hoe de zaak verder behandeld zou moeten worden. Zeker in het licht van het verzoek van verzoeker om verwijzing naar mediation is de beslissing van de kantonrechter om de zitting door te laten gaan geen onbegrijpelijke beslissing (die getuigt van gebrek aan onpartijdigheid).

3.4.

Ten aanzien van de grief van verzoeker dat er met betrekking tot de beslissing op zijn verzoek om aanhouding een onbehoorlijk onderonsje tussen de kantonrechter en de SSH zou hebben plaatsgevonden, merkt de rechtbank op dat een verzoek tot aanhouding van de comparitie van partijen gedaan vlak voor de zitting, alleen wordt gehonoreerd in bijzondere omstandigheden of als de andere partij daarmee instemt. Om die reden heeft de griffie van de rechtbank, en niet de kantonrechter zelf, over het verzoek contact opgenomen met SSH. Dit is derhalve de normale gang van zaken.

3.5.

Het bovenstaande in ogenschouw nemend is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat de kantonrechter partijdig is dan wel dat de schijn van partijdigheid is gewekt. De rechtbank zal het verzoek dan ook afwijzen.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

wijst het verzoek tot wraking van mr. Krepel af;

4.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker en mr. Krepel, alsmede aan de voorzitter van de afdeling Civiel en de president van deze rechtbank

4.3.

bepaalt dat de procedure tussen verzoeker en SSH dient te worden voorgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.

Deze beslissing is gegeven door de mrs. O.E. Mulder, S.M. van Lieshout, G.J.J.M. Essink in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Weistra en in openbaar uitgesproken op 5 september 2014.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.