Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:4715

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
03-09-2014
Datum publicatie
06-10-2014
Zaaknummer
370206 / HARK 14-126
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingslocatie Lelystad

Zaaknummer: WK2014/15

Rekestnummer: 370206 / HARK 14-126

beslissing van 3 september 2014 van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken

op het verzoek in de zin van artikel 512 Wetboek van Strafvordering van:

[verzoeker],

onder verantwoordelijkheid van FPC Oostvaarderskliniek verblijvende in [naam],

hierna als verzoeker aangeduid.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het proces-verbaal van de zitting van 27 mei 2014

- de e-mail van mr. J.F. Haeck van 13 juni 2014

- het proces-verbaal van de zitting van 20 juni 2014

- de beslissing van de wrakingskamer van 22 juli 2014

- de mondelinge behandeling op 26 augustus 2014.

1.2.

Bij de mondelinge behandeling is verzoeker verschenen. Mr. J.F. Haeck heeft de wrakingskamer bericht niet te zullen verschijnen op 26 augustus 2014.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. J.F. Haeck als voorzitter van de meervoudige strafkamer.

2.2.

Verzoeker heeft aangevoerd dat hij mr. Haeck heeft gewraakt omdat deze hem het woord heeft ontnomen tijdens de mondelinge behandeling en hem niet in de gelegenheid heeft gesteld zijn mening te geven over de vordering van de officier van justitie. Verzoeker is van mening dat mr Haeck de vertegenwoordiger van de Oostvaarderskliniek daarentegen alle gelegenheid heeft gegeven om zijn woord te doen en slechts belangstelling had voor diens visie..

2.3.

Mr. Haeck heeft de rechtbank bericht dat hij niet berust in het wrakingsverzoek.

3 De beoordeling

3.1.

Voor de beoordeling van het wrakingsverzoek wordt de toepasselijke norm gegeven door zowel artikel 512 van het Wetboek van strafvordering als door artikel 6 EVRM, dit alles in samenhang met de door de Hoge Raad en de door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ontwikkelde criteria. Uitgangspunt is dat de verdachte recht heeft op een behandeling van zijn zaak door een onpartijdige rechter. Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien objectief bepaalde feiten of omstandigheden de rechtzoekende grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt.

3.2.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de hiervoor bedoelde zin dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens de verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.

3.3.

In het onderhavige geval is dat niet het geval. De door verzoeker aangevoerde gronden zijn geen feiten of omstandigheden die erop wijzen dat de rechterlijke onpartijdigheid van de genoemde rechter schade zou kunnen lijden. Verzoeker heeft aangevoerd dat hem ter zitting het woord is ontnomen, dat hij niet in de gelegenheid is gesteld zijn mening te geven en dat de belangstelling van de rechter slechts uitging naar de visie van de deskundige. Uit het proces-verbaal van de zitting d.d. 27 mei 2014 blijkt zulks echter niet. Mr. Haeck heeft, toen hij verzoeker in de gelegenheid stelde om te reageren op hetgeen de deskundige naar voren had gebracht en verzoeker daar een aanvang mee maakte, slechts aangegeven dat hij niet toestond dat verzoeker de deskundige, de heer [A], beledigde en verzoeker verzocht zulks niet meer te doen. Daarna heeft verzoeker zijn verzoek tot wraking ingediend, zodat toen geen mogelijkheid meer bestond hem in de gelegenheid te stellen verder te gaan met zijn reactie. De rechtbank zal het verzoek dan ook afwijzen.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

wijst het verzoek tot wraking van mr. Haeck af;

4.2.

bepaalt dat de strafzaak tegen verzoeker dient te worden voorgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.

Deze beslissing is gegeven door de mrs. M.C.P. de Ridder, A. van Holten en C.A. de Beaufort in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Weistra en in openbaar uitgesproken op 3 september 2014.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.