Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:4666

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
03-10-2014
Datum publicatie
03-10-2014
Zaaknummer
16.659586-14 en 16.043021-12 (tul) [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

diefstal vernieling spoorwegwerk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Lelystad

Parketnummers: 16.659586-14 en 16.043021-12 (tul) [P]

Vonnis van de meervoudige kamer van 3 oktober 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1984] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in de P.I. Almere Binnen.

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 19 september 2014, waarbij de verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. D.G. Nagel, advocaat te Almere.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.J.A. Colijn en van de standpunten door de raadsvrouw van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is, na een wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 10 juni 2014 te Lelystad, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen 60 meter, althans een (grote) hoeveelheid (koperen) kabel(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan ProRail BV, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn / hun bereik heeft / hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking, namelijk het losknippen, in elk geval vernielen, van voornoemde kabel(s);

2.

Primair

hij op of omstreeks 10 juni 2014 te Lelystad, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk gevaar heeft veroorzaakt voor het verkeer door mechanische kracht over een spoorweg, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk 60 meter, althans een (grote) hoeveelheid (koperen) kabel(s) weggeknipt waardoor in de betreffende spoorsectie de detectie van treinen niet meer functioneerde, waardoor het gevaar is ontstaan dat (een) naderende trein(en) (derhalve) een groen sein krijgt/krijgen terwijl deze(n) een rood sein zouden moeten krijgen en (aldus) treinen in botsing komen en/of (een) trein(en) ontspoort/ontsporen;

Subsidiair

hij op of omstreeks 10 juni 2014 te Lelystad, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en / of onoplettend en / of onachtzaam 60 meter, althans een (grote) hoeveelheid (koperen) kabel(s) heeft weggeknipt waardoor in de betreffende spoorsectie de detectie van treinen niet meer functioneerde, ten gevolge waarvan het aan zijn schuld te wijten is geweest, dat gevaar is ontstaan voor het verkeer door mechanische kracht over een spoorweg, te weten dat (een) naderende trein(en) (derhalve) een groen sein krijgt/krijgen terwijl deze(n) een rood sein zouden moeten krijgen en (aldus) treinen in botsing komen en/of (een) trein(en) ontspoort/ontsporen;

3.

hij op of omstreeks 10 juni 2014 te Lelystad, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk (een) spoorwegwerk(en) en/of elektriciteitswerk(en) ten algemenen nutte gebezigd, te weten: (een) (koperen) kabel(s) in een spoorsectie, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Pro Rail, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk 60 meter, althans een (grote) hoeveelheid (koperen) kabel(s) behorend tot/ten behoeve van het spoorwegnetwerk weggeknipt.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Het standpunt van de officier van justitie

Feit 1 en 3.

De officier van justitie acht de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie heeft daartoe gewezen op de aangifte, de foto’s, de processen-verbaal van bevindingen en de bekennende verklaringen van verdachte.

Feit 2.

De officier van justitie acht het onder 2 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie heeft daartoe gewezen op de bewijsoverwegingen met betrekking tot de diefstal van de kabels en de wijze waarop dit is geschied.

Er is sprake van gevaar, aangezien blijkt dat door het ontbreken van de koperbedrading de detectie van treinen ontbreekt, waardoor het gevaar ontstaat dat een trein die in die spoorsectie rijdt niet wordt gedetecteerd. Daardoor kunnen treinen in botsing komen of ontsporen.

Er is voorts sprake van voorwaardelijk opzet op het veroorzaken van gevaar. Er dient sprake te zijn van een aanmerkelijke kans dat het gevolg, te weten gevaar, zal intreden en dat verdachte die kans bewust heeft aanvaard. Evident is dat een verstoring van signalen een veiligheidsgevaar met zich brengt.

Het standpunt van de verdediging

Feit 1 en 3.

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank omtrent een eventuele bewezenverklaring van de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten.

Feit 2.

De raadsvrouw heeft vrijspraak van het primair en subsidiair ten laste gelegde bepleit.

Er is geen sprake van een aanmerkelijke kans, aangezien het gaat om een klein risico en een combinatie van factoren die zich moet voordoen. Er is geen sprake van het veroorzaken van gevaar. Ten aanzien van de culpoze variant heeft de raadsvrouw eveneens gesteld dat er geen sprake is van het veroorzaken van gevaar.

Het oordeel van de rechtbank 1

Feit 1 en 3.

Uit de aangifte van [aangever] namens ProRail2, het proces-verbaal van bevindingen3 en de bekennende verklaring van verdachte4 blijkt genoegzaam dat verdachte op 10 juni 2014 te Lelystad tezamen en in vereniging met zijn medeverdachte [medeverdachte] 60 meter koperen kabels heeft weggenomen door middel van braak. De koperen kabels zijn losgeknipt/weggeknipt waardoor tevens een spoorwegwerk ten algemene nutte gebezigd is vernield.

De rechtbank acht het onder 1 en 3 ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Op grond van het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, volstaat de rechtbank met een opgave van voornoemde bewijsmiddelen.

Feit 2.

Uit het proces-verbaal blijkt dat [A], voorman van de buitengewoon opsporingsambtenaren bij ProRail, op 10 juni 2014 heeft verklaard dat het verwijderen van de koper kabel geen gevaar opleverde.5

Vervolgens blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen dat een medewerker van ProRail op 11 juni 2014 het volgende heeft verklaard: “Door het ontbreken van de koper bedrading ontbreekt de detectie van de treinen, daardoor kan het gevaar ontstaan dat er een trein die in de sectie staat niet gedetecteerd is. Hierdoor kan een volgende trein een groen sein krijgen terwijl hij een rood sein zou moeten krijgen. Hierdoor kunnen de treinen in botsing komen of ontsporen.”6

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat “gevaar” als bedoeld in de artikelen 164 en 165 van het Wetboek van Strafrecht bestaat zodra voor een ongeluk kan worden gevreesd. Echter, anders dan de officier van justitie, is de rechtbank voorts van oordeel dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel “gevaar” de kans op een ongeluk reëel c.q. aanmerkelijk moet zijn. Een potentiële kans op een ongeluk is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om het bestaan van gevaar aanwezig te achten.

In een mailbericht van 13 juni 2014 geeft ir. [B] (tracémanager bij Pro Rail) het volgende aan:

De gestolen kabel op station Swifterbant betrof een brokenraildetectorkabel. Met deze kabel wordt gezorgd dat detectie van treinen geborgd blijft nadat zich eventueel een spoorstaafbreuk in het wissel voordoet. Een stilstaande trein kan zich deels in een spoorwissel bevinden zonder dat deze gedetecteerd wordt. (…) Uitval van detectie in het wissel ontstaat doordat zonder kennis van de machinist er een spoorbreuk in het wissel aanwezig is. Als een andere trein door het wissel heen wil dan kan zich een (flank)aanrijding voordoen met de niet-gedetecteerde trein. De passerende trein wordt ongewenst toegelaten in het wissel. Als een trein niet wordt gedetecteerd in het wissel dan krijgt een opvolgende trein een groen seinbeeld om het wissel in te rijden met een aanrijding tot gevolg. Dit scenario geldt nadrukkelijk alleen als er een spoorbreuk in het wissel aanwezig is. In feite is de kabel bedoeld om een combinatie van factoren (stilstaande trein in wisseltak + gebroken wisselspoor + passerende trein) te voorkomen als veiligheidsincident. Resumerend heeft de kabel primair het doel treindetectie te garanderen in geval van een spoorstaafbreuk in de wisseltak. In feite is het een fail-safe mechanisme om een relatief klein risico (gezien de combinatie van factoren) met grote gevolgen te voorkomen.7

Uit voornoemde mail leidt de rechtbank af dat er wel in potentie een kans op een ongeluk is ontstaan door het wegknippen van de kabels door verdachte en zijn medeverdachte, maar dat het zich voordoen van daardoor daadwerkelijke/concreet veroorzaakt gevaar ook nog afhankelijk is van een combinatie van drie andere factoren, te weten een stilstaande trein in een wisseltak, een gebroken wisselspoor en een passerende trein. Geen van deze aanvullende factoren, zo constateert de rechtbank, is echter daadwerkelijk beïnvloed door het wegnemen van de kabels door verdachte en zijn medeverdachte.

Uit een ander proces-verbaal van bevindingen blijkt bovendien:

Tevens komen deze zogenaamde broken rail kabels uiteindelijk samen in een schakelkast, die direct naast het spoor is gelegen. Waardoor als de kabel gebroken is er vanuit deze kast een signaal zou moeten gaan naar de rode stoplichten op het spoor. Waardoor de trein met machinist, moet stoppen. Dit omdat er een veiligheid probleem is.8

De rechtbank leidt uit voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, af dat door het uitgebreide veiligheidsmechanisme dat in het spoorwegwerk is ingebouwd de kans op een ongeluk in dit concrete geval weliswaar potentieel is, maar niet reëel c.q. aanmerkelijk. De rechtbank is derhalve van oordeel dat er onvoldoende bewijs is dat er door het ten laste gelegde handelen van verdachte en zijn medeverdachte gevaar is ontstaan.

Gelet op voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende bewijs aanwezig is voor het onder 2 primair dan wel subsidiair ten laste gelegde.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij op 10 juni 2014 te Lelystad, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 60 meter (koperen) kabels, toebehorende aan ProRail BV, waarbij verdachte en zijn mededader het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak, namelijk het losknippen van voornoemde kabels.

3.

hij op 10 juni 2014 te Lelystad, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en wederrechtelijk een spoorwegwerk ten algemenen nutte gebezigd, te weten: (koperen) kabels in een spoorsectie, toebehorende aan Pro Rail, heeft vernield immers hebben verdachte en zijn mededader opzettelijk 60 meter (koperen) kabels behorend tot/ten behoeve van het spoorwegwerk weggeknipt.

De rechtbank heeft in de bewezenverklaring een aantal kennelijke schrijffouten verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Van het onder 1 en 3 meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Feit 1.

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Feit 3.

Spoorwegwerken, welke werken ten algemenen nutte gebezigd worden, opzettelijk vernielen.

7 STRAFBAARHEID

De feiten en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot de plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders (verder: ISD-maatregel) voor de duur van 2 jaar.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor het opleggen van een ISD-maatregel gelet op de richtlijnen van het openbaar ministerie. Uit het uittreksel justitiële documentatie blijkt immers niet of de opgelegde straffen zijn geëxecuteerd.

De raadsvrouw heeft bepleit een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden onder meer behandeling bij [X]. Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen met als bijzondere voorwaarden reclasseringsbegeleiding en behandeling bij [X]. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit bij de oplegging van een ISD-maatregel een tussentijdse toetsing te gelasten na een jaar om te beoordelen of de hulpverlening daadwerkelijk tot stand is gekomen.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft zich, samen met zijn medeverdachte, schuldig gemaakt aan het wegnemen van koperen kabels behorende bij een treinspoor. Hierdoor is grote materiële schade veroorzaakt, die vele malen hoger is dan de waarde van het koper. Het ging hierbij om koper, dat onderdeel uitmaakte van het spoorwegwerk, dat als gevolg van die diefstal is beschadigd. Hoewel geen sprake was van concreet gevaar (zoals ten laste gelegd onder 2) had er potentieel gevaar kunnen ontstaan door het handelen van verdachte. Verdachte heeft geen oog gehad voor het feit dat de kabels een beveiliging bieden voor de spoorweg. Verdachte heeft enkel oog gehad voor eigen financieel gewin.

Met de op te leggen straf beoogt de rechtbank duidelijk te maken dat deze gedragingen onacceptabel zijn en dat hiervoor aanzienlijke straffen worden opgelegd.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het uittreksel justitiële documentatie d.d. 5 augustus 2014 blijkt dat verdachte zich zeer regelmatig schuldig heeft gemaakt aan vooral vermogensdelicten. Deze feiten veroorzaken grote overlast voor de samenleving en brengen schade toe aan de direct getroffenen. Voorts blijkt uit voornoemd uittreksel dat verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het onderhavige door hem begane misdrijf ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of taakstraf is veroordeeld. Hoewel uit het strafblad van verdachte niet voor al deze onherroepelijke veroordelingen nadrukkelijk blijkt dat de daarbij opgelegde straffen of maatregelen ten uitvoer zijn gelegd, blijkt uit het strafblad wel dat ten minste drie van de daarbij opgelegde straffen/maatregelen ten uitvoer zijn gelegd, zodat is voldaan aan het vereiste dat onderhavig feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen of maatregelen.

Uit de rapportage van [D] verslavingszorg d.d. 8 augustus 2014, opgesteld door R. Meindertsma, reclasseringswerker, blijkt onder meer dat het risico dat verdachte zal recidiveren als hoog ingeschat moet worden. Er dient derhalve ernstig rekening mee te worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Er is sprake van problematiek op vrijwel ieder levensgebied. Verdachte heeft moeite zich te houden aan regels en wetgeving en hanteert zijn eigen regels. Daarbij lijkt verdachte, buiten het bestaan van een financieel motief, opwinding en risico’s niet te schuwen. Verdachte beschikt over een negatief sociaal netwerk. Dit negatieve sociale netwerk draagt bij aan het delictgedrag en het problematische drugsgebruik. Verdachte vermijdt dit negatieve sociale netwerk niet. Verdachte heeft in detentie meegewerkt aan een intake bij [X], maar hoefde vanwege zijn detentie dus niet zelf op een afspraak te komen. Daarbij komt dat verdachte onvoldoende openheid heeft getoond over zijn middelengebruik tegenover [X]. Er is bij verdachte sprake van antisociaal gedrag en hij bagatelliseert zijn aandeel in problemen en vergoelijkt zijn gedrag. Ondanks de status van verdachte als veelpleger blijft hij recidiveren. Verdachte geeft binnen het huidige reclasseringstoezicht geen volledige openheid van zaken. Deze houding bemoeilijkt – zo niet maakt het onmogelijk – om dit toezicht uit te voeren en om te werken aan het verminderen van recidive. Er is een strenger juridisch kader nodig om de problematiek van verdachte aan te pakken en te trachten het recidiverisico te verlagen. Er is verdachte meermaals hulpverlening aangeboden die uiteindelijk niet tot de beoogde gedragsverandering en overlastvermindering heeft geleid. Geadviseerd wordt verdachte de ISD-maatregel op te leggen, gelet op het ingeschatte hoge recidiverisico, de maatschappelijke overlast die verdachte teweeg brengt, de instabiele dynamische criminogene factoren en het tot op heden afwezig blijven van betekenisvolle responsiviteit en ontvankelijkheid voor begeleiding.



De rechtbank neemt de opvatting met betrekking tot de recidivekans en alle overige bevindingen uit genoemd rapport over en maakt die tot de hare. Op basis hiervan is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van goederen de oplegging van de ISD-maatregel eist.

Nu, zoals uit het hiervoor overwogene blijkt, is voldaan aan de wettelijke vereisten ex artikel 38m, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, zal de rechtbank verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders opleggen. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het advies in de rapportage. De rechtbank zal verdachte de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen. De rechtbank is van oordeel dat juist binnen de ISD-maatregel het voor verdachte vereiste maatwerk in de aanpak van zijn (onderliggende) problematiek mogelijk is. De rechtbank ziet geen aanleiding om de ISD-maatregel voorwaardelijk op te leggen.

De rechtbank ziet om voornoemde redenen geen aanleiding om de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht in mindering te brengen op de duur van de ISD-maatregel. Zij acht het van belang dat verdachte ten volle van de gebruikelijke duur van de maatregel kan profiteren.

De rechtbank acht het in dit geval aangewezen om de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel tussentijds – negen maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel – te beoordelen als bedoeld in artikel 38s, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht en zal dienovereenkomstig beslissen.

9 DE BENADEELDE PARTIJ

Voor aanvang van de terechtzitting heeft ProRail B.V. – daartoe vertegenwoordigd door [C] – zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1 en 3 ten laste gelegde. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van

€ 7.425,91.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen tot een bedrag van € 1.485,00, hoofdelijk, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. Voor het overige heeft de officier van justitie gevorderd de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, aangezien de vordering ziet op 300 meter, terwijl de verdachten blijkens de tenlastelegging enkel verantwoordelijk zijn voor 60 meter weggenomen koper.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit de vordering van de benadeelde partij te matigen, aangezien de vordering ziet op 300 meter, terwijl de verdachten blijkens de tenlastelegging enkel verantwoordelijk zijn voor 60 meter weggenomen koper. Daarnaast blijkt dat de storingsmonteur in dienst is bij ProRail B.V., aangezien bij de diensten van Strukton geen kosten staan vermeld. De loonkosten voor de storingsmonteur zouden derhalve hoe dan ook zijn gemaakt, waardoor deze niet voor rekening komen van verdachte.

Het oordeel van de rechtbank

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij ProRail B.V. rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het onder 1 en 3 bewezen verklaarde.

De vordering ziet op een totaal weggenomen hoeveelheid koper van 300 meter, maar blijkens de bewezenverklaring acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en zijn mededader 60 meter koper kabel hebben weggenomen. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de materiaalkosten dienen te worden gematigd tot een vijfde deel. De hoogte van de materiaalkosten is derhalve € 1.031,14 (een vijfde deel van de gevorderde € 5.155,70).

De kosten voor de storingsmonteur acht de rechtbank geheel toewijsbaar. Blijkens de vordering en de aangifte namens ProRail B.V. is er naar aanleiding van de diefstal door verdachte en zijn mededader een storingsmonteur van Strukton in de nachtelijke uren tewerk gesteld, zodat deze kosten volledig voor rekening van verdachte en zijn mededader komen.

De hoogte van die schade is daarmee genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 3.301,35, vermeerderd met de wettelijke rente en met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De vordering van de benadeelde partij levert naar het oordeel van de rechtbank voor wat betreft het meer gevorderde een onevenredige belasting op van het strafgeding. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in de vordering voor dat deel niet-ontvankelijk is en dat de vordering ter zake dit deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij zal de rechtbank overeenkomstig artikel 36 f van het Wetboek van Strafrecht de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom ten behoeve van de benadeelde partij.

10 DE VORDERING TENUITVOERLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen, aangezien zij dit niet opportuun acht in verband met het verzoek tot oplegging van de ISD-maatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen, dan wel de proeftijd te verlengen met één jaar.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan nieuwe strafbare feiten en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop kan de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

De rechtbank acht echter redenen aanwezig de vordering tot tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 16.043021-12 door de meervoudige strafkamer in deze rechtbank bij vonnis d.d. 18 april 2014 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden af te wijzen. De rechtbank is van oordeel dat de tenuitvoerlegging niet opportuun is, aangezien de verdachte een ISD-maatregel zal worden opgelegd.

11 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 36f, 38m, 38n, 38s, 57, 310, 311 en 351 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart niet bewezen hetgeen onder 2 primair en 2 subsidiair aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 en 3 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat onder 1 en 3 meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar en kwalificeert deze zoals hierboven onder 6 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- gelast de plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaar;

- gelast de tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van deze maatregel na negen maanden na het begin van de tenuitvoerlegging van de maatregel;

Benadeelde partij

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij ProRail B.V. te Utrecht, van een bedrag van € 3.301,35 (zegge: drieduizenddriehonderd en één euro en vijfendertig cent), hoofdelijk met dien verstande dat indien en voor zover verdachtes mededader betaalt, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd, vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 10 juni 2014, tot die van de voldoening;

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan de verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 3.301,35 , vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 10 juni 2014, tot die van de voldoening, ten behoeve van het slachtoffer ProRail B.V. voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 43 dagen hechtenis;

- bepaalt dat, indien de verdachte en/of zijn mededader (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij ProRail B.V. (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte en/of zijn mededader (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij ProRail B.V., daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij ProRail B.V. voor wat het meer gevorderde betreft in de vordering niet-ontvankelijk is en dat ProRail B.V. de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

Vordering tenuitvoerlegging

- wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 16.043021-12 door de meervoudige strafkamer in deze rechtbank bij vonnis d.d. 18 april 2014 voorwaardelijk aan verdachte opgelegde straf.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A.C. Koster, voorzitter, mr. E.C. Ruinaard en mr. G. Blomsma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.G. Dees, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 oktober 2014.

Mrs. Ruinaard en Blomsma zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer 2014149631, doorgenummerd 1 tot en met 124.

2 Pagina 62 e.v.

3 Pagina 84.s

4 Pagina’s 56 en 57.

5 Pagina 84.

6 Pagina 91.

7 Pagina’s 92 en 93.

8 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen met nummer PL0900-2014149631-43, houdende het relaas van verbalisant [verbalisant].