Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:466

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
26-02-2014
Datum publicatie
03-03-2014
Zaaknummer
C-16-348641 - HA ZA 13-534
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitleg overeenkomst. Afspraak tot betaling van € 185.000,- is niet afhankelijk van wilsovereenstemming over alle nog te regelen (fiscale en andere) aspecten. Buitenngerechtelijke ontbinding waardoor betalingsverplichting van € 185.000,- weliswaar is vervallen, maar de schade als gevolg van de tekortkoming die heeft geleid tot de ontbinding (de niet-betaling) bedraagt eveneens € 185.000,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/348641 / HA ZA 13-534

Vonnis van 26 februari 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] BEHEER B.V.,

gevestigd te Groningen,

eiseres,

advocaat mr. M.G. Krüger te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] HOLDING B.V.,

gevestigd te Veenendaal,

gedaagde,

advocaat mr. H.A.M. Konings te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  1. het tussenvonnis van 13 november 2013

  2. het proces-verbaal van comparitie van 15 januari 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is een houdstermaatschappij waarvan de aandelen in handen zijn van de heer[A], roepnaam [A], (hierna: [A]) en zijn echtgenote, die allebei bestuurder zijn van deze vennootschap.

2.2.

[X] Holding BV is de aandeelhouder van [gedaagde], die op haar beurt alle aandelen houdt in [Y] Sanitairtechniek BV (hierna: [Y] Sanitairtechniek). Genoemde vennootschappen maken onderdeel uit van [Y], importeur en leverancier van sanitairtechnische producten voor professionele toepassingen in de Benelux. (Indirecte) bestuurders van [gedaagde] zijn de heer[X] (hierna: [X]) en zijn moeder, mevrouw[Z].

2.3.

Op verzoek van [Y] is [A] in 2001 met zijn broer begonnen aan de ontwikkeling van een geautomatiseerd desinfectiesysteem voor douches. In verband daarmee hebben [A] en zijn broer[K] BV (hierna:[K]) en haar dochtervennootschap[M] Control BV (hierna:[M]) opgericht.

2.4.

In mei 2005 zijn [eiseres] en [Y] een joint venture aangegaan met als doel de ontwikkeling en productie van beheer- en registratiesystemen voor sanitaire watervoorzieningen en de exclusieve verkoop daarvan aan [Y]. In het kader van de joint venture heeft [gedaagde] alle aandelen van de broer van [A] in[K] (49,9%) overgenomen. Partijen hebben toen afgesproken dat [gedaagde]/[Y] de ontwikkeling van de producten zou financieren en dat [eiseres] de (technische) knowhow zou inbrengen.

2.5.

In[M] is in eerste instantie het M-Netsysteem ontwikkeld (hierna: M-Net), een geautomatiseerd beheer- en besturingssysteem voor collectieve douche-installaties.[K] is begonnen met de ontwikkeling van het Codexsysteem (hierna: Codex), dat vergelijkbaar is met M-Net. Anticiperend op naar verwachting in de loop van 2009 in te voeren regelgeving voor legionellapreventie in leidingwaterinstallaties is[M] begonnen met de ontwikkeling van een goedkopere variant van M-Net, het M-Guardsysteem (hierna: M-Guard). [Y] heeft in de ontwikkeling van M-Guard ruim € 1 miljoen geïnvesteerd.

2.6.

In 2007 heeft [A] in het kader van de ontwikkeling van M-Guard diverse door [gedaagde] gestelde deadlines niet gehaald. [gedaagde] heeft [A] er herhaaldelijk op aangesproken dat (de ontwikkeling van) M-Guard aanzienlijke kosten ter zake van door [A] gemaakte manuren had meegebracht en dat dit vooralsnog te weinig resultaat had opgeleverd. Eind 2007 zijn de hierdoor ontstane spanningen tussen [eiseres] en [gedaagde] verder opgelopen.

2.7.

Op 7 januari 2008 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen [A] en zijn echtgenote namens [eiseres], en [X], diens echtgenote en de bedrijfsadviseur van [Y], notaris mr. A.H.G. Wilod Versprille (hierna: Wilod Versprille) namens [gedaagde]. Tijdens deze bespreking heeft [X] meegedeeld dat het commercieel heel belangrijk was dat M-Guard kon worden gepresenteerd op 11 februari 2008 tijdens de VSK-beurs en dat het systeem daarom voor die tijd afdoende getest moest zijn. [A] heeft dit toen onderschreven en heeft gegarandeerd dat het product uiterlijk 22 januari 2008 testklaar zou zijn. Vervolgens heeft [X] meegedeeld dat [gedaagde] geen vertrouwen had in een verdere samenwerking met [eiseres] nadat M-Guard op de VSK-beurs zou zijn geïntroduceerd en de wens uitgesproken de vennootschappelijke belangen tussen partijen te ontvlechten.

2.8.

Op instructie van [A] heeft[M] de levering van M-Netproducten aan [Y] Sanitairtechniek op 8 januari 2008 gestaakt. Eind januari 2008 bleek dat M-Guard niet op de VSK-beurs kon worden gepresenteerd. Deze omstandigheden leidden er toe dat de verhouding tussen partijen nog verder verslechterde.

2.9.

Omdat beide partijen inzagen dat de situatie tussen hen onwerkbaar was geworden hebben zij vervolgens gesproken over ontvlechting van[K] en[M]. [eiseres] zou alle aandelen in[K] krijgen en [gedaagde] alle aandelen in[M]. In verband hiermee heeft de fiscaal adviseur van [eiseres], de heer mr. G.J.H. Bennink (hierna: Bennink) op

13 februari 2008 een schriftelijk voorstel gezonden aan de bedrijfsadviseur van [eiseres], notaris mr. H. Brouwer (hierna: Brouwer), die dit voorstel heeft doorgestuurd aan Wilod Versprille. In dit voorstel (hierna: de brief van 13 februari 2008), dat nog dezelfde dag voor akkoord is ondertekend door [A] namens [eiseres] en door [X] namens [gedaagde]/[Y], staat het volgende:

“[…] De hoofdlijnen van het voorstel zijn:

3. Ontvlechting[K] &[M] conform mijn eerdere weergave (zonder schulden, financiële verplichtingen). De eigendom van[K] BV komt volledig bij [eiseres] Beheer BV te liggen,[M] Control BV wordt volledig eigendom van [Y] BV [rechtbank: bedoeld is: [gedaagde]]. Beide rechtspersonen bezitten alle intellectuele eigendomsrechten van enerzijds het Codex product ([K] BV) en anderzijds de M-producten ([M] Control BV). De ontvlechting zal waar mogelijk fiscaal optimaal ter hand genomen worden. Ik zeg op voorhand mijn medewerking toe. Uiteraard treed ik ten deze wel op voor mijn opdrachtgever. Ik verwacht dat een eventueel overleg in goede collegiale sfeer zal kunnen plaatsvinden.

4. Nagenoeg volledige personeelsovername per 1-3 a.s. [E], [F] & [G]).[K] BV wordt hun nieuwe werkgever per vermelde datum als betrokkenen daarmee instemmen.

5. Positieve en loyale ondersteuning support van de M-Guard en M-net/M-sense systemen gedurende de komende 3 jaar met zo mogelijk een accent op de komende drie maanden (uurtarieven -excl BTW- €50 voor overige personeelsleden en €100 voor de heer[A]).

6. Een bedrag in contanten ter grootte van € 185.000 (verwerking nader af te stemmen). Het vermelde bedrag dient door [Y] uiterlijk 27 februari 2008 voldaan te worden.

7. Ieder der partijen betaalt zijn/haar eigen adviseurs. […]”

2.10.

Direct na 13 februari 2008 heeft[M] in opdracht van [A] de levering van M-Netproducten aan [Y] Sanitairtechniek hervat.

2.11.

Op 14 februari 2008 heeft Bennink een notitie over de fiscale ontvlechting van[K] en[M] gezonden aan Brouwer, met het verzoek deze notitie door te sturen naar Wilod Versprille en de fiscaal adviseur van [gedaagde]. Tevens bevat deze notitie het voorstel van [A] om de inventaris van[M] over te nemen voor € 15.000,-, om een huurcontract per 1 maart 2008 over te laten nemen door[K] en om een medewerker van[M] over te laten stappen naar[K].

2.12.

Op 4 maart 2008 heeft Brouwer per e-mail aan Wilod Versprille geschreven:

“[…] In vervolg op ons telefoongesprek vandaag het onderstaande:

Wij bevestigden nogmaals dat beide partijen ernaar streven de ontvlechting -conform afspraak- zo spoedig mogelijk te realiseren. We weten echter dat we deels afhankelijk zijn van de input van de accountant/belastingadviseur van [Y]. Jij zou je gezag aanwenden om enige actie te bewerkstelligen. Zoals je weet is mr Bennink t.a.t. bereid het nodige te doen maar hem ontbreken de actuele cijfers.

Voorts vertelde ik je dat [A] [A] enigszins in praktische problemen raakt omdat hij uiteraard verder wil met[K] en diverse acties moet ondernemen (aannemen van personeel enz). Voor belangrijke zaken heeft hij nu echter nog steeds ook de goedkeuring van [Y] als aandeelhouder nodig.

Ik stel voor om dit in die zin op te lossen dat we er van uit gaan dat in economische zin [A] reeds enig aandeelhouder is van[K] en [Y] van[M] zodat zij beiden binnen het kader van een normale bedrijfsvoering in ieders vennootschap zelfstandig beslissingen kunnen nemen die tot deze normale bedrijfsvoering behoren zonder dat er nog toestemming van de algemene vergadering nodig is. Op deze wijze kan ieder zijn gang gaan. Uiteraard dient ieders handelen te passen in het kader van de gemaakte afspraken.

Zou jij voor zo nodig dit willen afstemmen met jou achterban en mij, mede ter geruststelling van [A] een bevestiging kunnen mailen. Op deze wijze is bij [A] de druk van de ketel en kan hij verder met zijn activiteiten. […]”

2.13.

In verband met onduidelijkheid over de fiscale aspecten ervan is [gedaagde] niet akkoord gegaan met het verzoek van [eiseres] om ervan uit te gaan dat [eiseres] de economische eigenaar was van de aandelen in[K] en [gedaagde] van de aandelen in[M], voorafgaand aan de levering van die aandelen.

2.14.

Per e-mail van 10 maart 2008, verstuurd door Wilod Versprille aan Brouwer, heeft [gedaagde] nadere voorwaarden gesteld aan de ontvlechting van[K] in[M]. Een van die voorwaarden hield een non-concurrentiebeding in ten laste van [A].

2.15.

In een faxbrief van 12 maart 2008 heeft de advocaat van [eiseres] [gedaagde] gesommeerd om a) uiterlijk vrijdag 14 maart 2008 € 185.000,- te betalen, b) te bevestigen dat [gedaagde] de overeenkomst, vastgelegd in de brief van 13 februari 2008, onverkort zou nakomen en c) ermee in te stemmen dat ervan wordt uitgegaan dat [eiseres] de economische eigenaar is van de aandelen in[K] en [gedaagde] van de aandelen in[M].

2.16.

In een brief van 17 maart 2008 van de advocaat van [eiseres] aan de advocaat van [gedaagde] heeft [eiseres] meegedeeld de tussen partijen op 13 februari 2008 gesloten overeenkomst te ontbinden.

2.17.

Bij brief van 20 maart 2008 aan de advocaat van [eiseres] heeft de advocaat van [gedaagde] meegedeeld dat de ontbinding niet door [gedaagde] werd aanvaard, dat moest worden dooronderhandeld teneinde te komen tot een definitieve overeenkomst, en dat het bedrag van € 185.000,- zou worden betaald op het moment van de overdracht van de aandelen.

2.18.

De salariskosten van de werknemers van[K] en[M] kwamen voor de helft voor rekening van [eiseres] en voor de helft voor die van [gedaagde]. De salarisadministratie en de uitbetaling van de salarissen werden uitgevoerd door [gedaagde]. [gedaagde] heeft de salarissen over maart 2008 en daarna niet meer betaald. Naar aanleiding hiervan en omdat het aandelenpakket van [gedaagde] in[K] nog niet was overgedragen aan [eiseres] heeft [A] een nieuwe vennootschap opgericht (Ascalon BV). Het personeel van[K] en[M] is met terugwerkende kracht per 1 maart 2008 in dienst van Ascalon BV en deze vennootschap heeft vanaf 1 maart 2008 bedrijfsruimte gehuurd om haar werknemers te huisvesten.

2.19.

Kort na 20 maart 2008 heeft in Zwolle overleg plaatsgevonden tussen partijen en zijn zij opnieuw met elkaar gaan onderhandelen. Op 15 april 2008 heeft [A] per brief aan [X] meegedeeld dat hij geen vertrouwen meer had in een goede afloop daarvan en dat hij de functie van bestuurder van[K] en[M] neerlegde.

2.20.

In een brief van 29 mei 2008 heeft de advocaat van [gedaagde] [eiseres] gesommeerd haar volledige medewerking te verlenen aan de uitvoering van hetgeen op

13 februari 2008 is overeengekomen, onder bereidverklaring haar deel van de gemaakte afspraken te voldoen.

2.21.

Bij brief van 11 juni 2008 heeft de advocaat van [gedaagde] [eiseres] meegedeeld de overeenkomst van 13 februari 2008, in deze brief aangeduid als een intentieovereenkomst, buitengerechtelijk te ontbinden.

2.22.

Eind 2008 heeft [Y] Sanitairtechniek bij de rechtbank Assen een dagvaardingsprocedure aanhangig gemaakt tegen [A] en twee anderen. In die procedure is [A] aansprakelijk gesteld op grond van onrechtmatige daad omdat hij een versie van M-Guard had verstrekt aan een in Engeland gevestigde klant van [Y] Sanitairtechniek.

2.23.

Begin 2009 zijn partijen weer met elkaar in onderhandeling getreden. In die onderhandelingen heeft [eiseres] [gedaagde] meegedeeld dat zij bereid was te onderhandelen over een overeenkomst zonder betalingsverplichting van [gedaagde], indien [gedaagde] de hiervoor genoemde procedure tegen [A] zou intrekken. Op 7 januari 2009 heeft Brouwer in een e-mail aan de advocaat van [gedaagde] meegedeeld dat [eiseres] zich wel het recht voorbehield om ter zake van het bedrag van € 185.000,- het oordeel van de rechter te vragen.

2.24.

Tijdens de onderhandelingen in 2009 hebben partijen op bijna alle onderdelen overeenstemming bereikt. Tot ondertekening van een contract is het echter ook toen niet gekomen omdat [A] als uiterste termijn voor ondertekening 14 juli 2009 had gesteld en die termijn niet is gehaald, en omdat [A] een fiscale vrijwaring als voorwaarde had gesteld en [gedaagde] aan die voorwaarde niet heeft willen voldoen.

2.25.

In eind 2010/begin 2011 hebben partijen opnieuw met elkaar gesproken over ontvlechting van[K] en[M]. In dat kader heeft de advocaat van [gedaagde] [eiseres] per e-mail van 23 december 2010 meegedeeld bereid te zijn tegemoet te komen aan de door [eiseres] geuite wens haar rechten voor te behouden ten aanzien van de door [eiseres] gestelde vordering voortvloeiend uit de overeenkomst van 13 februari 2008.

2.26.

Bij vonnis van 16 januari 2013 heeft de rechtbank Assen de vordering van [Y] Sanitairtechniek tegen [A] afgewezen.

2.27.

Op 8 februari 2013 heeft [eiseres] [gedaagde] gesommeerd tot vergoeding van de schade die zij als gevolg van de op 17 maart 2008 ingeroepen ontbinding heeft geleden.

2.28.

In[K] en[M] vinden geen activiteiten meer plaats.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert  samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

8. voor recht verklaart dat [eiseres] op 17 maart 2008 de overeenkomst van 13 februari 2008 rechtsgeldig heeft ontbonden

9. [gedaagde] veroordeelt tot vergoeding van de als gevolg van de ontbinding geleden schade van [eiseres] ter hoogte van € 185.000,-, althans een zodanige bedrag als de rechtbank in goede justitie zal vaststellen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der ontbinding tot de dag der voldoening

10. [gedaagde] veroordeelt tot vergoeding van de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente met ingang van 14 dagen na de datum van het te wijzen vonnis, en tot vergoeding van de nakosten.

3.2.

Aan haar vordering tot betaling van € 185.000,- legt [eiseres] artikel 6:277 BW ten grondslag. Volgens [eiseres] heeft zij recht op het positief contractsbelang.

3.3.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiseres] in haar vorderingen, althans tot ontzegging daarvan, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van het geding (uitvoerbaar bij voorraad). [gedaagde] verweert zich, samengevat, als volgt:

- partijen hadden op 13 februari 2008 op een groot aantal punten nog geen overeenstemming bereikt, zodat van een obligatoire overeenkomst geen sprake is

- [eiseres] heeft haar rechten verwerkt om aanspraak te maken op de inhoud van de brief van 13 februari 2008

- als de ontbinding rechtsgeldig is, is de betalingsverplichting van € 185.000,- vervallen

- kennelijk vordert [eiseres] schadevergoeding in verband met het onrechtmatig afbreken van onderhandelingen, maar van afbreken van onderhandelingen is geen sprake

- voor zover er al sprake is van het onrechtmatig afbreken van de onderhandelingen komt alleen het negatief contractbelang voor vergoeding in aanmerking, maar [eiseres] heeft nagelaten haar schade te specificeren.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In februari 2008 hebben [eiseres] en [gedaagde] afgesproken[K] en[M] te ontvlechten, in die zin dat alle aandelen[K] in handen zouden komen van [eiseres] en dat [gedaagde] alle aandelen[M] zou verkrijgen. Voorts hebben zij toen afgesproken dat deze ontvlechting in overleg tussen partijen fiscaal zo optimaal mogelijk zou plaatsvinden, dat personeel van[M] per 1 maart 2008 in dienst zou treden van[K], dat de werknemers van[K] en [A] zelf[M] gedurende drie jaar zouden ondersteunen op het gebied van M-Guard en M-Net, dat [gedaagde] uiterlijk 27 februari 2008 € 185.000,- aan [eiseres] zou betalen en dat iedere partij haar eigen adviseurs zou betalen. Deze afspraken zijn neergelegd in de brief van 13 februari 2008 (zie 2.9).

4.2.

Anders dan [gedaagde] aanvoert, brengt de omstandigheid dat [eiseres] tijdens de onderhandelingen in 2009 geen aanspraak heeft gemaakt op een bedrag van € 185.000,- niet mee dat zij die aanspraak heeft laten varen. Aan het begin van de in 2009 gevoerde onderhandelingen heeft [eiseres] zich immers uitdrukkelijk haar rechten ten aanzien van dat bedrag voorbehouden (zie 2.23) en in 2011 heeft [eiseres] dat voorbehoud herhaald (zie 2.25). Onder deze omstandigheden is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar dat [eiseres] nu een beroep doet op de in de brief van 13 februari 2008 vermelde afspraak tot betaling van € 185.000,-. Van rechtsverwerking is ten aanzien van dit onderdeel dus geen sprake.

4.3.

Volgens de tekst van de brief van 13 februari 2008 had [gedaagde] het bedrag ter hoogte van € 185.000,- uiterlijk op 27 februari aan [eiseres] moeten betalen. [gedaagde] neemt echter het standpunt in dat van een overeenkomst geen sprake is. Volgens haar hadden partijen op een groot aantal punten nog geen overeenstemming bereikt en mocht [eiseres] er niet zonder meer op vertrouwen dat zij aanspraak kon maken op betaling van

€ 185.000,-. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

4.4.

Voor de beoordeling van de vraag of er een overeenkomst is en zo ja, wat partijen bedoeld hebben, komt het niet alleen aan op de letterlijke tekst van de brief van 13 februari 2008 maar is ook van belang wat beide partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid.

4.5.

In de brief van 13 februari 2008 is vermeld dat personeel van[M] per 1 maart 2008 in dienst zou treden van[K]. Uit die brief blijkt ook dat de daarin vermelde afspraken de hoofdlijnen vormen van een voorstel dat namens [eiseres] is gedaan. Nadere uitwerking was dus nog noodzakelijk, zoals ook blijkt uit de notitie die Bennink een dag later, op 14 februari 2008 heeft verstuurd (zie 2.11). Partijen hadden met name nog behoefte aan fiscaal advies teneinde in verband met de fiscale gevolgen afspraken te maken. Voorts heeft [A] ter zitting onweersproken verklaard dat alles eind februari 2008 geregeld had kunnen zijn en dat beide partijen op 13 februari 2008 niet wisten dat het fiscale aspect ingewikkeld zou blijken te zijn.

4.6.

Uit het voorgaande volgt dat partijen op 13 februari 2008 zijn overeengekomen dat zij elk het noodzakelijke zouden doen om te komen tot ontvlechting van[K] en[M], in die zin dat alle aandelen[K] in handen zouden komen van [eiseres] en dat [gedaagde] alle aandelen[M] zou verkrijgen. Ook volgt daaruit dat zij er vanuit gingen dat over alle nog te regelen punten uiterlijk eind februari 2008 wilsovereenstemming zou zijn bereikt. Dit leidt echter niet dwingend tot de conclusie dat partijen ook hebben bedoeld de betaling van € 185.000,- afhankelijk te maken van die volledige wilsovereenstemming. In de eerste plaats duidt de tekst van de brief van 13 februari 2008 daar niet op. Aan de betalingsverplichting is in die brief immers niet de voorwaarde gesteld van wilsovereenstemming over alle nog te regelen (fiscale en andere) aspecten. Van groot belang acht de rechtbank voorts de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat beide partijen ervan overtuigd zijn geraakt dat de situatie onwerkbaar was geworden en dat zij tegenover elkaar hebben uitgesproken dat[K] en[M] moesten worden ontvlecht. [gedaagde] had op 7 januari 2008 het vertrouwen in [eiseres] opgezegd. [A], kennelijk hierdoor ontstemd geraakt, besloot vervolgens de levering door[M] van M-Netproducten aan [Y] Sanitairtechniek te staken, wat weer tot boosheid van [gedaagde] heeft geleid. Op 11 februari 2008 kon M-Guard niet worden gepresenteerd op de VSK-beurs, waardoor de boosheid bij [gedaagde] verder toenam. Gedreven door deze omstandigheden hebben partijen de afspraken gemaakt, neergelegd in de brief van 13 februari 2008.

4.7.

Partijen verkeerden op 13 februari 2008 dus in de veronderstelling dat ontvlechting van[K] en[M] onontkoombaar was, ook indien eind februari 2008 nog geen wilsovereenstemming zou zijn bereikt over alle (fiscale en andere) aspecten. Onder de hiervoor genoemde omstandigheden heeft [eiseres] er dan ook gerechtvaardigd op vertrouwd dat [gedaagde] uiterlijk 27 februari 2008 € 185.000,- zou betalen. Voor zover [gedaagde] er ondanks de onvoorwaardelijk geformuleerde tekst van de betalingsverplichting vanuit ging dat die betaling afhankelijk was van het bereiken van volledige wilsovereenstemming, had zij dat in de gegeven omstandigheden aan [eiseres] duidelijk moeten maken, bijvoorbeeld door een uitdrukkelijke mondelinge mededeling, door wijziging van de tekst van de brief van 13 februari 2008 in de door haar bedoelde zin, of door die brief niet te ondertekenen. Dat het ook de bedoeling van [gedaagde] was om de samenwerking definitief te beëindigen en de vennootschappen te ontvlechten blijkt overigens ook uit het feit dat zij eind maart 2008 de salarisbetalingen van de werknemers van[K] en[M] heeft gestaakt.

4.8.

Het voorgaande leidt tot de tussenconclusie dat partijen op 13 februari 2008 onvoorwaardelijk zijn overeengekomen dat [gedaagde] uiterlijk 27 februari 2008 € 185.000,- aan [eiseres] diende te betalen. Die vordering is op 28 februari 2008 opeisbaar geworden en [gedaagde] is in verband met de overeengekomen termijn voor betaling op grond van artikel 6:83 onder a BW met de nakoming van die verbintenis op laatstgenoemde datum in verzuim geraakt. [eiseres] had dan ook nakoming door [gedaagde] van die verbintenis kunnen vorderen, of schadevergoeding op grond van artikel 6:74 BW omdat [gedaagde] tekortgeschoten is in de nakoming van die betalingsverplichting. In plaats daarvan heeft [eiseres] op 17 maart 2008 de buitengerechtelijke ontbinding van de op 13 februari 2008 gesloten overeenkomst ingeroepen.

4.9.

Uit de gedragingen van partijen na 17 maart 2008 blijkt dat [eiseres] afstand heeft gedaan van een gedeelte van de met de ontbinding beoogde rechtsgevolgen, en wel voor zover het betreft het vervallen van de (ook) op haar rustende verplichting om het noodzakelijke te doen teneinde te komen tot ontvlechting van[K] en[M]. Dat geldt ook ten aanzien van de door [gedaagde] op 11 juni 2008 ingeroepen buitengerechtelijke ontbinding. Partijen hebben immers tussen 20 maart 2008 en 15 april 2008, tussen 7 januari 2009 en 14 juli 2009 en eind 2010/begin 2011 over die ontvlechting opnieuw met elkaar onderhandeld. Hieruit leidt de rechtbank af dat de overeenkomst van 13 februari 2008 slechts gedeeltelijk moet worden geacht te zijn ontbonden op 17 maart 2008. Als gevolg daarvan is de verplichting van [gedaagde] tot betaling van € 185.000,- weliswaar vervallen, maar de schade van [eiseres] als gevolg van de tekortkoming van [gedaagde] die heeft geleid tot de ontbinding (de niet-betaling) bedraagt eveneens € 185.000,-. Op grond van artikel 6:277 BW heeft [eiseres] recht op vergoeding van die schade.

4.10.

Voor zover [gedaagde] heeft bedoeld dat het - ook voor zover haar beroep op rechtsverwerking wordt afgewezen - gelet op de omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [eiseres] een beroep doet op de in de brief van 13 februari 2008 vermelde verplichting tot betaling van € 185.000,-, wordt dit verweer afgewezen. [A] heeft ter zitting immers onweersproken verklaard dat het bedrag van

€ 185.000,- is bedoeld als beloning voor de werkzaamheden die hij, via [eiseres], heeft verricht ten behoeve van[K] en[M]. Bovendien is [A] sinds 15 april 2008 geen bestuurder meer van die vennootschappen en verrichten zij geen enkele activiteit meer, zodat [eiseres] geen inkomsten uit deze vennootschappen heeft kunnen verwerven. Voorts is niet gesteld of gebleken dat [eiseres] zich tijdens de onderhandelingen zo onredelijk heeft opgesteld dat de omstandigheid dat partijen nooit volledige wilsovereenstemming hebben bereikt over de ontvlechting van de vennootschappen, geheel of in overwegende mate aan haar kan worden toegerekend.

4.11.

De gevorderde verklaring voor recht en de vordering tot schadevergoeding zullen dan ook met inachtneming van het hetgeen de rechtbank in 4.9 heeft overwogen worden toegewezen. De wettelijke rente zal eveneens worden toegewezen zoals gevorderd. De verplichting om[K] en[M] te ontvlechten rust gelet op het voorgaande nog steeds op zowel [eiseres] als [gedaagde].

4.12.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- griffierecht € 3.715,00

- salaris advocaat 2.842,00 (2,0 punten × tarief € 1.421,00)

Totaal €  6.557,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat de overeenkomst van 13 februari 2008 gedeeltelijk is ontbonden, in zoverre dat de op [gedaagde] rustende verplichting tot betaling van € 185.000,- is vervallen,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] tot vergoeding van de als gevolg van de ontbinding geleden schade ter hoogte van € 185.000,- (honderdvijfentachtigduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van ontbinding (17 maart 2008) tot aan de dag van voldoening,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 6.557,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis, tot de dag van volledige betaling,

5.4.

veroordeelt [gedaagde], onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [eiseres] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:
- € 131,00 aan salaris advocaat,
- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.J. van den Boom en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2014.1

1 type: JvdB4223coll: JWF