Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:4558

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
08-10-2014
Datum publicatie
23-10-2014
Zaaknummer
C-16-361521 - HA ZA 14-90
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Man is gescheiden van zijn echtgenote. In de verrekening van de huwelijkse voorwaarden wordt aan hem een levensverzekering toegescheiden. Hij wijzigt de begunstiging niet. Hij krijgt een nieuwe relatie. Komt de uitkering toe aan de ex of aan de weduwe?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2015/12
PJ 2015/45 met annotatie van W.M.A. Kalkman, J.J. Rijkels
PFR-Updates.nl 2014-0311
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/361521 / HA ZA 14-90

Vonnis van 8 oktober 2014

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. G. Dik,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. W.W.P. Mei.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 16 april 2014

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 13 augustus 2014

  • -

    de tijdens de comparitie van partijen door [eiseres], tijdig tevoren aan de rechtbank en [gedaagde] toegezonden, genomen akte tot vermeerdering van de (grondslag van) eis genomen, met overlegging van twee producties

  • -

    de brief van 4 september 2014 van mr. Mei met enige opmerkingen bij het proces-verbaal van de comparitie van partijen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] is op huwelijkse voorwaarden gehuwd geweest met [A] (hierna: [A]). Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 30 januari 2008 is de echtscheiding uitgesproken.

2.2.

Tussen [gedaagde] en [A] is onder begeleiding van een echtscheidings-bemiddelingsadvocaat een echtscheidingsconvenant (hierna: het convenant) tot stand gekomen, dat deel uitmaakte van de voornoemde beschikking. Het convenant luidt als volgt:

“(…)

Artikel 2: Afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden

2.1.

Partijen gaan hierbij over tot de afwikkeling van hun huwelijksvoorwaarden, welke huwelijksvoorwaarden onder andere een verrekenbeding van overgespaarde inkomsten omvatten. Gedurende het huwelijk is het verrekenbeding nimmer uitgevoerd.

2.2.

Tijdens het huwelijk is door besparing van onverteerde inkomsten die niet zijn verrekend een vermogen ontstaan. Het te verrekenen vermogen omvat de volgende bestanddelen:

A. de overwaarde die rust op de (…) echtelijke woning (…);

B. de inboedel van de echtelijke woning (…);

C. een recreatiewoning gelegen te (…) Frankrijk) (…);

D. een polis levensverzekering bij Amersfoortse Verzekeringen onder polisnummer [nummer] (op naam van beide partijen);

E. een polis levensverzekering bij Goudse Levensverzekering N.V. onder polisnummer [nummer] (op naam van de man);

(…)”

2.4.

De recreatiewoning (…) wordt zonder nadere verrekening aan de vrouw toegedeeld.

(…)

2.5.

De man behoudt zonder nadere verrekening de hiervoor onder 2.2. sub D en E genoemde polissen, aan hem worden derhalve de uit die polissen voortvloeiende rechten geleverd door ondertekening van dit convenant, gevolgd, voor zover nodig, mededeling daarvan door de man aan de verzekeringsmaatschappij. Partijen verplichten zich alle door de verzekeringsmaatschappij(en) in verband met deze levering verlangde stukken te ondertekenen.

(…)”

2.3.

De recreatiewoning in Frankrijk (hierna: de recreatiewoning) is na de echtscheiding van [A] en [gedaagde] op naam van [gedaagde] komen te staan. De polis bij de Goudse Levensverzekeringsmaatschappij is bij leven aan [A] uitgekeerd.

2.4.

[eiseres] en [A] hebben een affectieve relatie gekregen.

2.5.

[A] is ongeneeslijk ziek geworden.

2.6.

[eiseres] en [A] zijn in april 2013 een geregistreerd partnerschap zonder het maken van partnerschapsvoorwaarden.

2.7.

[A] is op [2013] overleden.

2.8.

Uit de op 30 augustus 2013 door notaris mr. A.S. de Boer te Laren (Noord-Holland) opgestelde verklaring van erfrecht blijkt dat [eiseres] de erfgenaam van [A] is tezamen met [B], dochter van [gedaagde] en [A]. Zij hebben de erfenis zuiver aanvaard.

2.9.

Voorts blijkt uit deze verklaring van erfrecht dat [A] legaten heeft nagelaten aan twee kinderen uit een eerder huwelijk van [gedaagde] met [C] en tevens dat deze kinderen hun legaat niet hebben aanvaard.

2.10.

Verder blijkt uit de verklaring van erfrecht dat [eiseres] bevoegd en gerechtigd is om de goederen behorende tot de door het overlijden van [A] ontbonden partnergemeenschap en nalatenschap te beheren en daarover te beschikken.

2.11.

De polis van [A] en [gedaagde] bij Amersfoortse Levensverzekering Maatschappij N.V. (hierna: De Amersfoortse), die is genoemd in punt 2.2 van dit vonnis onder artikel 2.2 aanhef en sub D van het convenant (hierna: de polis), vermeldde [A] en [gedaagde] beiden als verzekerden, [A] als eerste en [gedaagde] als tweede verzekeringnemer. Als begunstigden staan vermeld:

“(…)

  1. De eerste verzekeringnemer en de tweede verzekeringnemer, een ieder in verhouding tot diens aandeel in de verzekerde uitkering en of bij ontstentenis van de eerste verzekeringnemer

  2. de tweede verzekeringnemer of bij diens ontstentenis

  3. de wettige erfgenamen van de eerste verzekeringnemer.

(…)”

2.12.

Bij e-mail van 24 juli 2012 heeft [A] De Amersfoortse geschreven:

“(…)

Met betrekking tot ref polis wil ik de begunstiging wijzigen. Gaarne ontvang ik van u aanwijzingen hoe in deze te handelen.

(…)”

2.13.

Op de in punt 2.12 genoemde e-mail heeft [A] op 27 augustus 2012 van De Amersfoortse antwoord gekregen, waarin is vermeld hoe hij diende te handelen.

2.14.

[A] heeft naar aanleiding van de in 2.13 genoemde e-mail van De Amersfoortse niet verzocht de begunstiging van de polis te wijzigen.

2.15.

De Amersfoortse heeft op de polis een bedrag van € 58.266,70 aan [gedaagde] uitgekeerd.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert samengevat – na wijziging van de (grondslag ) van eis dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde] zal veroordelen tot betaling aan haar van

  1. € 58.266,70, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de betaling

  2. € 1.355,-- wegens buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de betaling

  3. de kosten van de procedure, de kosten van het gelegde beslag daaronder begrepen.

3.2.

[eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag primair dat [gedaagde] jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld dan wel wanprestatie heeft gepleegd door de uitkering van De Amersfoortse te aanvaarden en niet aan haar, [eiseres], te betalen.

Subsidiair stelt zij dat [gedaagde] door het incasseren van de uitkering ongerechtvaardigd is verrijkt zonder dat voor die verrijking een redelijke grond bestaat. [eiseres] is voor datzelfde bedrag verarmd.

Meer subsidiair legt [eiseres] aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] door het incasseren van de uitkering misbruik heeft gemaakt van de door haar gepretendeerde bevoegdheid op grond van de begunstiging op de polis door de uitkering te vragen en in ontvangst te nemen.

3.3.

[gedaagde] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kernvraag in dit geding is of de uitkering van De Amersfoortse aan [gedaagde] toekomt, dan wel dat deze aan [eiseres] toekomt. Voor haar beoordeling neemt de rechtbank, naast de vastgestelde feiten, de volgende feiten en omstandigheden in acht:

  1. in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden hebben [A] en [gedaagde] vermogensrechtelijke afspraken gemaakt, eenvoudig gezegd erop neerkomend dat aan [gedaagde] de recreatiewoning in Frankrijk werd toegedeeld en in ruil daarvan aan [A] de rechten op de twee levensverzekeringen.

  2. [A] heeft gedurende zijn ziekte met zowel [eiseres] als met [gedaagde] gesprekken gevoerd over de vraag wat met zijn vermogen moest gebeuren na zijn overlijden.

4.2.

De rechtbank oordeelt dat van wanprestatie van [gedaagde] jegens [eiseres] geen sprake kan zijn, nu tussen hen geen contractuele relatie bestaat.

De rechtbank laat in het midden of sprake is van een onrechtmatige daad van [gedaagde] jegens [eiseres]. Dat geldt ook voor de vraag of [gedaagde] ten koste van [eiseres] ongerechtvaardigd is verrijkt en de vraag of [gedaagde] misbruik van enige bevoegdheid heeft gemaakt. Zoals tijdens de comparitie van partijen door de rechter is vermeld zal de rechtbank, de rechtsgronden daartoe ambtshalve aanvullend, beoordelen of de uitkering aan [gedaagde] kan blijven, dan wel of dat niet kan omdat zulks naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid maatschappelijk onaanvaardbaar zou zijn. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

4.3.

Uit het convenant en uit hetgeen [gedaagde] tijdens de comparitie van partijen heeft verklaard leidt de rechtbank af dat het de bedoeling van [A] en [gedaagde] bij het sluiten van het convenant was een uitruil van vermogensbestanddelen. [gedaagde] heeft in punt 3 van haar verklaring gezegd:

“We hebben nadat het convenant was ondertekend gekeken naar de waarde van de polissen en het huis in Frankrijk. Ons uitgangspunt was toen om de waarde van deze gemeenschappelijke vermogensbestanddelen op te tellen en door tweeën te delen, zodat ieder van ons een even groot aandeel toegescheiden zou krijgen. Toen bleek dat het huis wat meer waard was dan waarvan we waren uitgegaan heb ik de heer [A] nog een bedrag betaald ter compensatie.”

Deze verklaring ligt in het verlengde van hetgeen in het convenant is overeengekomen tussen [gedaagde] en [A] en levert de basis voor het uitgangspunt dat [A] en [gedaagde] de wil hadden dat aan [A] alle rechten uit de polissen toekwamen, met name de uitkeringsrechten, en aan [gedaagde] de recreatiewoning, zodat deze partijen ieder een (nagenoeg) gelijk aandeel uit de te verrekenen vermogens toegedeeld kregen. Van enig voorbehoud is niet gebleken. De recreatiewoning is, in lijn met het convenant, op naam van [gedaagde] komen te staan.

4.4.

Tijdens de ziekte van [A] heeft deze met [gedaagde], met wie goede verhoudingen zijn blijven bestaan, naar mededeling van [gedaagde], onder meer gesproken over de vraag of hij hun dochter op enigerlei wijze na zijn overlijden een geldbedrag zou nalaten. In dat kader is volgens [gedaagde] de begunstiging van de polis ter sprake geweest. Volgens [gedaagde] heeft [A] steeds geaarzeld over de wijziging van de begunstiging ten gunste van [eiseres].

[A] heeft ook gesprekken met [eiseres], die zijn levenspartner was, gevoerd over de vraag op welke wijze zijn vermogen na zijn overlijden zou moeten worden verdeeld. Volgens [eiseres] hebben deze gesprekken geleid tot de conclusie dat zij, [eiseres], enig erfgename zou worden. Dit heeft ertoe geleid dat zij en [A] een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan zonder het opstellen van partnerschapsvoorwaarden. Op die wijze zouden immers hun beider vermogens samensmelten, zodat de afwikkeling van de erfenis eenvoudiger zou worden. [eiseres] heeft voorts (in punt 2 van het haar verklaring tijdens de comparitie van partijen) verklaard dat zij pas na het overlijden van [A] bekend werd met het testament van [A] en met de polis.

4.5.

De rechtbank kan de inhoud van de gesprekken tussen [A] enerzijds en onderscheidenlijk [eiseres] en [gedaagde] anderzijds niet vaststellen. Alleen [eiseres] en [gedaagde] kunnen daarover verklaren. Er is geen ondersteunend bewijs, zoals partijen tijdens de comparitie van partijen ook hebben verklaard. De rechtbank zal dan ook geen bewijs over dit onderwerp opdragen aan partijen.

De rechtbank oordeelt dat wel kan worden vastgesteld dat [A] en [eiseres] het geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, met het gevolg dat de vermogens van [eiseres] en [A] zijn samengesmolten in een gemeenschappelijk vermogen. Dat had voorts als gevolg dat alle rechten van [A] na zijn overlijden (mede) op [eiseres] zouden overgaan, mits zij de erfenis van [A] (zuiver) zou aanvaarden. Dat laatste is gebeurd.

4.6.

De rechtbank oordeelt voorts, op grond van hetgeen in punt 4.5 van dit vonnis is vastgesteld, dat, gelet op de verrichte en vastgestelde handelingen van [A] het het meest aannemelijk is dat [A] heeft beoogd zijn vermogen samen te laten smelten met dat van [eiseres], zonder een onmiddellijke voorziening voor zijn dochter [B] te treffen. Uit geen van de objectief vast te stellen handelingen is een andere conclusie te trekken.

4.7.

De Amersfoortse heeft de uitkering aan [gedaagde] uitbetaald en dat is, gezien vanuit de positie van De Amersfoortse, gebeurd als gevolg van het feit dat [A] de begunstiging op de polis nimmer heeft gewijzigd. Dit feit speelt, anders dan [gedaagde] lijkt aan te voeren, evenwel op zichzelf geen rol in de beoordeling van de onderhavige zaak. Immers, bij deze beoordeling is uitgangspunt het huwelijksvermogensrechtelijke doel dat [A] en [gedaagde] bij het sluiten van het convenant voor ogen hadden. De rechtbank heeft hierover reeds geoordeeld en geconcludeerd dat het de bedoeling van die partijen was dat de rechten uit de polis en daarmee de uitkering in het kader van hun uitruil van vermogensbestanddelen aan [A] toekwamen. Dat [A] de begunstiging in de polis niet heeft gewijzigd doet daaraan niet af. Het kan zeker als nalatig van [A] worden aangemerkt, maar dit nalaten is niet doorslaggevend voor de vermogensrechtelijke bedoelingen van [A] en [gedaagde] in hun onderlinge relatie.

Dit oordeel leidt ertoe dat de uitkering in de onderlinge verhouding tussen [A] en [gedaagde] geacht moet worden te behoren tot het vermogen van [A]. [gedaagde] had en heeft in deze verhouding geen recht op de uitkering.

4.8.

De rechtbank oordeelt dat, gelet op alle hiervoor vermelde feiten en omstandigheden, het naar maatstaven van redelijkheid en de billijkheid onaanvaardbaar is dat het uitgekeerde bedrag aan [gedaagde] toekomt. Uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden kan immers slechts worden afgeleid dat (a) [gedaagde] en [A] het oog hebben gehad op het toedelen van de rechten op de polis aan [A] in ruil voor de toedeling van de recreatiewoning aan [gedaagde] en (b) dat de objectief vastgestelde handelingen van [A] waren gericht op het doen samenvloeien van zijn vermogen met dat van [eiseres], gezien het aangaan van het geregistreerd partnerschap van deze twee personen, zonder het aangaan van partnerschapsvoorwaarden. Indien [gedaagde] de uitkering zou mogen behouden, zou dat ertoe leiden dat in weerwil van deze objectief vastgestelde feiten aan [gedaagde] enig bedrag zou toekomen, dat op grond van die feiten aan haar niet toebehoort. Daar komt nog het volgende bij.

Het handelen van [A] en [eiseres] ligt in de lijn van hetgeen de wetgever heeft beoogd met de invoering van het (nieuwe) erfrecht in 2003, waarbij uitgangspunt is dat de erfenis zou vervallen aan, kort gezegd, de langstlevende echtgenoot/geregistreerd partner. Bij dat uitgangspunt past niet dat een vermogensbestanddeel, een legaat daargelaten, aan de ex-echtgenoot van de overledene toekomt. Dat die ex-echtgenoot niet het oogmerk had, zoals [gedaagde] heeft verklaard, het betreffende vermogensbestanddeel voor zichzelf te houden, maar ten goede te laten komen aan haar kinderen (met name de dochter die zij met [A] had en in mindere mate haar kinderen uit een eerder huwelijk), doet daar niet aan af. Immers, de kinderen uit het eerdere huwelijk hebben niet – zonder meer – recht op een deel van het vermogen van hun vader en voor zover zij dat hadden, hebben zij hun legaat verworpen. Wat de dochter van [A] en [gedaagde] betreft, merkt de rechtbank op dat het niet [gedaagde] die over de nalatenschap mede kan beschikken, maar nu juist [eiseres]. De rechtbank merkt nog op dat de uitkering vanuit verzekeringsrechtelijk oogmerk na zijn overlijden mogelijk niet tot het vermogen van [A] behoorde, maar de hiervoor vermelde overwegingen zien op de onderlinge relatie tussen [A] en [gedaagde] in het kader van de door hen overeengekomen huwelijksvermogensrechtelijke afwikkeling van hun huwelijkse voorwaarden en de daarin tot stand gekomen “uitruil” van vermogensbestanddelen. De rechtbank verwijst naar de opmerkingen van H. Drion in WPNR 5403 en 5505.

In het hier geschetste kader dient het behouden van het bedrag van de uitkering door [gedaagde] als onaanvaardbaar te worden gekenmerkt, zoals bedoeld in artikel 6:248 lid 2 BW.

4.9.

De vordering van [eiseres] dient te worden toegewezen, inclusief de gevorderde wettelijke rente, nu deze vordering niet is betwist. De rechtbank zal de gevorderde buitengerechtelijke kosten afwijzen, nu [eiseres] op geen enkele wijze dit deel van haar vordering heeft onderbouwd.

4.10.

De rechtbank acht, gelet op de aard van de zaak en de relatie tussen partijen, termen aanwezig de proceskosten tussen hen te compenseren, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.11.

[eiseres] vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering zal als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen, omdat [eiseres] heeft verzuimd de beslagstukken in het geding te brengen.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 58.266,70 (achtenvijftig duizendtweehonderdzesenzestig euro en zeventig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag vanaf 11 december 2013 (de dag van de dagvaarding) tot de dag van volledige betaling,

5.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.3.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.S. Penders en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2014.1

1 type: asp/4213 coll: