Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:4511

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-09-2014
Datum publicatie
26-09-2014
Zaaknummer
C/16/368625 / HA RK 14-103
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deelgeschil. Letselschade. Verzoek om verlies aan verdienvermogen te bepalen, alsmede een nader voorschot en de rekenrente.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 105
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 150
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2014/146 met annotatie van mr. C.C. Janssen en mr. J.C. van den Dries
VR 2015/140

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/16/368625 / HA RK 14-103

Beschikking van 17 september 2014

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

advocaat mr. R.M.W.H. Bedaux,

tegen

de naamloze vennootschap

ASR SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Utrecht,

verweerster,

advocaat mr. H. van Katwijk.

Partijen worden hierna [verzoeker] en ASR genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift, ter griffie ingekomen op 7 mei 2014;

  • -

    het verweerschrift, ter griffie ingekomen op 4 juli 2014;

  • -

    de mondelinge behandeling op 10 juli 2014, waarvan aantekening is gehouden;

  • -

    het proces-verbaal van behandeling van het verzoekschrift ex artikel 1019w Rv, gehouden op 10 juli 2014.

1.2.

Vervolgens is op verzoek van partijen een eenmalige aanhouding verleend tot 1 september 2014, waarna uitspraak is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

ASR heeft aansprakelijkheid erkend voor het motorongeluk waarbij [verzoeker] op 21 mei 2008 betrokken is geraakt.

2.2.

Ten tijde van het ongeval was bij [verzoeker] sprake van enige pre-existente knieklachten, waardoor sprake was van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. [verzoeker] ontving een periodieke uitkering van het UWV en een aanvullende uitkering van Achmea. Ook had [verzoeker] een inkomen uit werkzaamheden: via uitzendbureau Vimy verrichtte [verzoeker] als lasser/installateur werkzaamheden bij Imtech.

3 Het deelgeschil

3.1.

[verzoeker] verzoekt de rechtbank:

  1. het verlies verdienvermogen te bepalen per 2009 op € 21.450,82;

  2. het verlies verdienvermogen vast te stellen onder voorbehoud van het behoud van de WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80-100%;

  3. een nader voorschot op de materiële en immateriële schade te bepalen van een bedrag van € 100.000,00.

  4. de rekenrente van de toekomstschadeberekening vanaf 2015 te bepalen op maximaal 1% per 2016, gebaseerd op een inflatie van 2% en een rente van maximaal 3%.

  5. ASR te veroordelen tot vaststelling van de verder verschuldigde buitengerechtelijke advocatenkosten gebaseerd op het belang van de zaak en de specialisatiefactor van de advocaat en voorts in de kosten van deze procedure aan de zijde van [verzoeker].

3.2.

Aan zijn vordering legt [verzoeker] het volgende ten grondslag. [verzoeker] is van mening dat zijn verlies aan verdienvermogen moet worden berekend uitgaande van de situatie waarin hij zich in 2008, tijdens het ongeval, bevond, namelijk werkzaam via het uitzendbureau en zoekende naar een vast dienstverband bij de inlenende bedrijven waarvoor hij werkzaamheden verrichtte. [verzoeker] vindt dat het voor wat betreft het verlies aan verdienvermogen redelijk is om uit te gaan van het gemiddelde van hetgeen hij bij Imtech, één van de bedrijven waar hij werkte via Vimy, in loondienst zou hebben verdiend per 1 juli 2008 en hetgeen hij via uitzendbureau Vimy, inclusief de besteedbare winst op onkostenvergoedingen, verdiende. Als uitzendkracht is hij door Vimy regelmatig geplaatst bij (onder andere) Imtech en Dros. Deze bedrijven waren bereid [verzoeker] in vaste dienst aan te nemen. Het inkomen zou in dat geval circa € 400,00 per maand (netto) meer bedragen dan via bemiddeling via het uitzendbureau Vimy. Hoewel sprake was van pre-existente knieklachten was [verzoeker] nauwelijks beperkt door de knieklachten, zodat er vanuit gegaan moet worden dat hij zich een inkomen kon (blijven) verwerven. Naast zijn werk verrichtte hij ook in zijn vrije tijd werkzaamheden bij derden, zodat ook gemiste neveninkomsten moeten worden meegenomen bij het verlies aan verdienvermogen. Volgens [verzoeker] moeten die neveninkomsten bij derden (netto besteedbaar na aftrek van de fictieve belastingdruk) bepaald worden op op € 624,00 per maand over de jaren 2008 tot en met 2010, op € 312,00 vanaf 2011 en op € 156,00 vanaf 60-jarige leeftijd tot 67 jaar. Verder is de ten tijde van het ongeval bestaande UWV uitkering (vanwege de knie) tot en met 2010 bij het fictief besteedbaar inkomen opgenomen, vanaf 2011 niet meer.
Voor wat betreft de rekenrente is [verzoeker] van mening dat uitgegaan moet worden van een percentage van 1%. De rente die [verzoeker] zou kunnen ontvangen bij het wegzetten van een uitgekeerd kapitaal is op dit moment niet hoger dan 2%, terwijl de inflatie de laatste jaren gemiddeld 2,5% is.

3.3.

ASR voert gemotiveerd verweer.

3.4.

De rechtbank zal hierna op de standpunten van partijen, indien en voor zover nodig, nader ingaan.

4 De beoordeling

4.1.

Partijen hebben buiten rechte over een aantal punten reeds overeenstemming bereikt. In dit deelgeschil verzoekt [verzoeker] te beslissen over het verlies aan verdienvermogen. Partijen verschillen daarbij vooral van mening over de hypothetische situatie waarvan bij de bepaling van de omvang van het verlies aan verdienvermogen moet worden uitgegaan. De rechtbank zal daarop hierna ingaan, waarna vervolgens het verzochte nadere voorschot alsmede de rekenrente zullen worden besproken.

4.2.

Bij de beoordeling van het verzoek met betrekking tot het verlies aan verdienvermogen stelt de rechtbank het volgende voorop. De vraag of een door een ongeval getroffene als gevolg van het ongeval schade heeft gelden door verlies van toekomstige inkomsten uit arbeid moet worden beantwoord door vergelijking van de feitelijke inkomenssituatie na het ongeval met de hypothetische situatie bij wegdenken van het ongeval. Bij zo’n vergelijking komt het aan op een redelijke verwachting omtrent toekomstige ontwikkelingen. Daarbij geldt tevens dat aan een benadeelde die blijvende letselschade heeft opgelopen, geen strenge eisen mogen worden gesteld met betrekking tot het te leveren bewijs van schade wegens het derven van arbeidsinkomsten die de benadeelde in de toekomst zou hebben genoten in de hypothetische situatie dat het ongeval niet zou hebben plaatsgehad; het is immers de aansprakelijke veroorzaker van het ongeval die aan de benadeelde de mogelijkheid heeft ontnomen om zekerheid te verschaffen omtrent hetgeen in die hypothetische situatie zou zijn geschied.

Bij de vaststelling van het hypothetische inkomen moet dus een inschatting worden gemaakt van goede en kwade kansen over hoe de toekomst er uit zou hebben gezien indien het ongeval niet zou zijn gebeurd. Hoewel er dus geen strenge eisen mogen worden gesteld ten aanzien van het bewijs, moet het standpunt dat een slachtoffer van een verkeersongeval op dit onderdeel inneemt wel voldoende aannemelijk zijn. In dit kader geldt veelal als aanknopingspunt de situatie zoals die feitelijk was op het moment van het ongeval.

4.3.

Op het moment van het ongeval op 21 mei 2008 was [verzoeker] als uitzendkracht werkzaam. [verzoeker] wil voor wat betreft de hypothetische situatie dat het ongeval hem niet zou zijn overkomen echter uitgaan van een vast dienstverband, naar de rechtbank begrijpt, bij Imtech, per 1 juli 2008 althans met ingang van het jaar 2009. Met ASR is de rechtbank van oordeel dat daarvoor op dit moment onvoldoende aanwijzingen zijn. Uit de overgelegde stukken volgt namelijk geenszins de gestelde bereidheid van Imtech (dan wel Dros) om [verzoeker] in vaste dienst te nemen. De in dit kader als productie 6 en 7 overgelegde verklaringen van de stiefzoon en partner van [verzoeker] vormen daartoe onvoldoende bewijs. Dit geldt ook voor de als productie 3 overgelegde verklaring van de heer [A]. [A] is immers werkzaam bij Dros. Uit zijn verklaring kan zodoende geen bereidheid van Imtech worden afgeleid. Indien en voor zover daaruit een bereidheid van Dros moet worden afgeleid, geldt het volgende. [A] verklaart, voor zover hier relevant, slechts dat hij overleg heeft gehad met zijn chef, de heer [B], of het niet mogelijk was om [verzoeker] een vast dienstverband aan te bieden vanwege zijn kwaliteiten. Daarbij is vanzelfsprekend niet gezegd dat die bereidheid er ook daadwerkelijk was. Het dossier bevat verder geen stukken waaruit de gestelde bereidheid van Imtech (dan wel Dros) kan worden afgeleid. Ook de eigen stelling van [verzoeker] dat hij (al) vanaf 8 mei 2006 als uitzendkracht bij Vimy werkte, maakt het minder aannemelijk dat er betrekkelijk kort na het ongeval per 1 juli 2008 dan wel vanaf 2009 sprake zou zijn geweest dat [verzoeker] in loondienst zou zijn gaan werken. Omdat evenmin de gestelde neveninkomsten bij derden en de winst op onkostenvergoedingen van een afdoende onderbouwing zijn voorzien en er voorts bovendien in cijfermatig opzicht onvoldoende duidelijkheid bestaat over het arbeidsverleden van [verzoeker], kan de rechtbank het verzoek van [verzoeker] het verlies van verdienvermogen per 2009 te bepalen op € 21.450,82 niet toewijzen. Voor (nadere) bewijslevering is in een deelgeschilprocedure immers in beginsel geen plaats, terwijl het in voorkomend geval ook niet zou gaan om een overzichtelijke, eenvoudige bewijskwestie op grond waarvan de rechtbank aanleiding zou zien op dat uitgangspunt een uitzondering te maken.

4.4.

Gezien de samenhang met het eerste verzoek en omdat het vaststellen van het verlies aan verdienvermogen onder het voorbehoud van het behoud van een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80-100% (op zelfstandige wijze, los van het eerste verzoek waarop afwijzend wordt beslist) niet bijdraagt aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst, zal de rechtbank ook het tweede verzoek afwijzen. Bovendien zou een beslissing hierop de modaliteiten waarbinnen partijen tot een regeling kunnen komen, beperken, hetgeen de rechtbank niet raadzaam voorkomt.

4.5.

Ten aanzien van het door [verzoeker] verzochte voorschot van € 100.000,00 overweegt de rechtbank als volgt. Anders dan ASR is de rechtbank van oordeel dat in het kader van een deelgeschilprocedure een verzoek tot het bepalen van een voorschot kan worden gedaan. Uit de Parlementaire Geschiedenis van de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade (Kamerstukken II, 2007-2008, 31 518, nr. 3, p. 14 en 19 alsmede Kamerstukken II, 2008-2009, 31 518, nr. 8, p. 2) volgt dat het verzoek kan zien op vaststellingen over de materiële rechtsverhouding tussen partijen, terwijl het ook gericht kan zijn op het verkrijgen van een rechterlijk oordeel over de wijze waarop partijen zich bij het regelen van de schade dienen te gedragen. Onder deze laatste categorie, aspecten van het schaderegelingsproces, valt een beslissing over de toekenning van een (aanvullend) voorschot. De aard van de deelgeschilprocedure brengt evenwel met zich mee dat de deelgeschilrechter zoveel mogelijk uitdrukkelijk en zonder voorbehoud oordeelt. Dit stelt dus andere eisen aan de beoordeling van een verzoek over een (aanvullend) voorschot dan indien een voorschot in kort geding of provisionele eis in een bodemprocedure zou worden gevorderd (waarin alsdan voorlopige oordelen worden geformuleerd). Dit betekent dat op basis van de thans in het geding gebrachte stukken vastgesteld moet kunnen worden dat [verzoeker] een aanspraak heeft op schadevergoeding ter zake van verschenen schade die de reeds door ASR betaalde voorschotten (significant) overstijgt. Voor (nadere) bewijslevering is in een deelgeschilprocedure immers in beginsel geen plaats, zoals de rechtbank hiervoor reeds overwoog. ASR heeft reeds € 87.000,00 bevoorschot. Naar de rechtbank begrijpt zijn partijen een smartengeldvergoeding overeengekomen van € 50.000,00, terwijl niet in geschil is dat [verzoeker] inkomensschade lijdt. De rechtbank acht het, ondanks dat op dit moment geen duidelijkheid bestaat over de verdiensten van [verzoeker] in het verleden en over waarvan getalsmatig uit gegaan moet worden voor wat betreft de hypothetische situatie ten aaanzien van de toekomst, aannemelijk dat [verzoeker] in ieder geval enige inkomensschade lijdt. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat sprake is van een 80-100% arbeidsongeschiktheid. Onvoldoende is gebleken dat sprake is van verschenen schade tot op een bedrag van € 100.000,00. De rechtbank zal, in het licht van het vooroverwogene, een nader voorschot bepalen van € 50.000,00. De omvang van de door ASR tijdens de buitengerechtelijke onderhandelingen aan [verzoeker] voorgestelde slotbetaling rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank dat aannemelijk te achten is dat reeds inkomensschade (van deze omvang) is geleden.

4.6.

Op het verzoek de rekenrente te bepalen op 1% zal de rechtbank niet beslissen. De hoogte van de rekenrente wordt namelijk (mede) bepaald door de looptijd van de (toekomst)schade. Daarover bestaat op dit moment nog geen duidelijkheid. De rechtbank merkt evenwel op dat in de huidige economische omstandigheden, meer in het bijzonder de ontwikkeling van de rente en de inflatie in de laatste jaren, een aanwijzing kan worden gevonden de rekenrente in ieder geval vast te stellen op een lager percentage dan de 3% die gewoonlijk gehanteerd wordt (werd).

4.7.

De rechtbank dient op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de procedure te begroten en daarbij de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking te nemen, ook indien een verzoek niet wordt toegewezen. Bij de begroting van de kosten dient de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets te hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen.

[verzoeker] maakt aanspraak op een bedrag van € 9.518,80 (35,92 uur tegen een uurtarief van € 265,00 exclusief BTW.

Anders dan ASR is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een volstrekt onnodig of onterecht ingediend verzoek. Voor het oordeel dat de gemaakte kosten niet voor begroting in aanmerking komen moet sprake zijn van misbruik van het processuele middel van een verzoekschrift ex artikel 1019w Rv. Een dergelijk misbruik acht de rechtbank niet aanwezig.
ASR heeft geen (afzonderlijk) verweer gevoerd tegen het aantal uren, terwijl zij met betrekking tot het uurtarief aanvoert dat een bedrag van € 200,00 per uur volstaat voor een kwestie als deze. Daarnaast voert ASR aan dat dit deelgeschil slechts zeer beperkte kosten rechtvaardigt. Hier is een incompleet deelgeschil voorgelegd, dat heeft consequenties voor de kosten en past bovendien niet bij het gehanteerde uurtarief.
De onderhavige zaak betreft naar het oordeel van de rechtbank een voor wat betreft de omvang en complexiteit ervan beperkt en overzichtelijk deelgeschil. Het aan het deelgeschil bestede en opgegeven aantal uren is daarmee naar het oordeel van de rechtbank niet in overeenstemming, zeker gezien het ontbreken van een onderbouwing met stukken van de ingenomen standpunten. Het gehanteerde uurtarief komt de rechtbank op zichzelf niet ongebruikelijk of te hoog voor, maar rechtvaardigt dan niet tevens het in rekening gebrachte aantal uren. De met de opstelling van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak gemoeide, redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de rechtbank daarom worden begroot op 20 uren x € 265,00 exclusief BTW, derhalve op € 5.300,00 exclusief BTW, te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 868,00.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt ASR tot betaling aan [verzoeker] van een nader voorschot op de materiële en immateriële schade van een bedrag van € 50.000,00;

5.2.

begroot de kosten van het deelgeschil op € 5.300,00 exclusief BTW, te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 868,00;

5.3.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. D. Wachter en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2014.1

1 type: LMv(M coll: DW