Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:4380

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-09-2014
Datum publicatie
23-09-2014
Zaaknummer
16.659672-13 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich op 03 augustus 2013 te Almere schuldig gemaakt aan zware mishandeling en een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven dan wel met zware mishandeling. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Lelystad

Parketnummer: 16.659672-13 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 4 september 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1976] te [geboorteplaats] (Turkije),

wonende aan de [adres] te [woonplaats].

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden op de openbare terechtzitting van 4 september 2014, waarbij de verdachte niet is verschenen. De raadsman van verdachte, mr. J.T.E. Vis, is ter terechtzitting verschenen. Hij heeft verklaard niet door de verdachte te zijn gemachtigd om hem ter terechtzitting te verdedigen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.J.J.S Visser.

2 TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 03 augustus 2013 te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (meerdere, althans één, litteken(s) in het gelaat), heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer] opzettelijk met kracht een (gevuld) glas in/tegen het gezicht en/of hoofd kapot te slaan;

Subsidiair

hij op of omstreeks 03 augustus 2013 te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met kracht een (gevuld) glas in/tegen het gezicht en/of hoofd kapot heeft geslagen, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

Meer subsidiair

hij op of omstreeks 03 augustus 2013 te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk mishandelend [slachtoffer] met kracht een (gevuld) glas in/tegen het gezicht en/of hoofd kapot heeft geslagen, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 03 augustus 2013 te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, [aangever] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte tegen [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2], beiden hoofdagent van Politie Flevoland en/of [verbalisant 3], agent van Politie Flevoland opzettelijk dreigend de woorden toegevoegd :"ik train door hem nu vijf keer in de week. In mijn dromen snij ik zijn keel open. Als ik [aangever] nu op straat tegen kom dan knal ik hem. Ik

zweer het je. Ik zweer het je. Ik hoop dat hij wat krijgt of dood gaat", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

De rechtbank heeft in de tenlastelegging een aantal kennelijke taal- en/of schrijffouten verbeterd. De verdachte wordt blijkens het onderzoek ter terechtzitting daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

3 VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend te bewijzen hetgeen verdachte onder 1. primair en onder 2. ten laste is gelegd.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken van het onderliggende strafdossier en van hetgeen bij voornoemd onderzoek ter terechtzitting naar voren is gebracht. De rechtbank overweegt ter zake de aan verdachte ten laste gelegde feiten het volgende.

Feit 1.

Op zaterdag 3 augustus 2013 omstreeks 04.10 uur hoorde de verbalisant, [verbalisant 4], luid geschreeuw komen uit een café, [naam]. Tegelijkertijd ontving het team horeca toezicht de melding dat de aanwezigheid van verbalisanten bij het café gewenst was in verband met een mishandeling1. Toen een verbalisant bij het café aankwam zag hij voor het café twee getinte mannen weglopen in de richting van de Koopmanstraat te Almere. De eerste man was ongeveer 30 tot 40 jaar oud, opvallend gespierd, ongeveer 1.65 meter lang en hij had kort opgeschoren zwart haar. Hij droeg een wit hemd zonder mouwen, een donker kleurige schoudertas over zijn linkerschouder en een donkere spijkerbroek. De tweede man had een licht getinte huidskleur, droeg een zwart t-shirt en een spijkerbroek. Een beveiliger van het café vertelde de verbalisant dat de mannen die wegliepen bij de mishandeling betrokken waren. De verbalisant zag naast de ingang van het café, in een trappenportiek, een donker getinte man liggen (naar later bleek [slachtoffer]). De verbalisant zag dat [slachtoffer] boven zijn linker wenkbrauw een bloedende hoofdwond had. De beveiliger van het café, [beveiliger], alsook een vriend van [slachtoffer], [geruige], vertelden beiden aan de verbalisant dat zij hadden gezien dat een man met kracht een glas tegen het hoofd van [slachtoffer] had geslagen. Beiden gaven zij een omschrijving van de dader die overeenkwam met de hiervoor omschreven eerste man.

Verbalisant [verbalisant 5], heeft verklaard2 dat zij op 3 augustus 2013 belast was met horecatoezicht. Omstreeks 04.05 uur hoorde zij geschreeuw komen uit de richting van de Grote Markt te Almere. De verbalisant is op het geschreeuw afgegaan en zij zag dat een getinte jongen met een zwart t-shirt aan (naar later bleek [B]) aan het schreeuwen was. Hij werd door vier jongens vastgehouden. Op het moment dat de verbalisant [B] wilde gaan aanhouden ontving zij via de portofoon een melding dat de verdachte van de mishandeling bij [naam] niet de jongen was die het zwarte t-shirt droeg ([B]), maar dat de verdachte een gespierde jongen was en dat hij een wit singlet droeg. De verbalisant zag tussen de vrienden van [B] een jongen staan die aan dat signalement voldeed. Zij heeft aan haar collega’s doorgegeven dat de jongen met het witte singlet (naar later bleek [verdachte]) aangehouden moest worden. De verbalisant zag dat verdachte een wit singlet aan had en dat daar bloedvlekken op zaten. Voorts zag de verbalisant dat verdachte een spijkeroverhemd bij zich had waar ook bloedvlekken op zaten. Tevens zag de verbalisant dat verdachte bloed op zijn handen had.

Op 3 augustus 2013 heeft [slachtoffer] aangifte3 gedaan van mishandeling. Aangever heeft verklaard dat hij op 3 augustus 2013 samen met een vriend bij [naam] was. Hij zag dat twee mannen ruzie kregen. Aangever heeft toen een van de twee mannen weggeleid. Aangever stond met die man een stukje van de dj af toen hij plotseling een scherp voorwerp tegen zijn hoofd voelde komen. Hij hoorde het voorwerp op de grond vallen en hij hoorde glasgerinkel. Toen het glas hem geraakt had heeft aangever meteen gekeken wie het glas naar hem had gegooid. Hij zag dat het een man was die kaal was dan wel kort haar had, blank of licht getint was en een breed postuur had. Aangever kon zien dat de man naar de sportschool ging. De man had een overwegend witte tanktop aan. Aangever bedoelt met tanktop een T-shirt zonder mouwen. Aangever’s hoofd bloedde en hij is naar het ziekenhuis afgevoerd door een ambulance. In het ziekenhuis is zijn hoofd met meerdere hechtingen gehecht.

Getuige [beveiliger] heeft verklaard4 dat hij werkzaam is als beveiliger bij café [naam]. Op 3 augustus 2013 was hij omstreeks 4.10 uur aan het werk. Hij zag dat vlakbij de dj een discussie ontstond tussen een aantal mensen en dat dat escaleerde. Hij is er toen tussen gaan staan. Vervolgens zag hij dat een donker getinte jongen met een glas tegen zijn hoofd werd geslagen. Hij zag dat de jongen werd geslagen door een licht getinte man met een gespierd postuur. De man die sloeg was ongeveer 1.65 meter lang, had kort zwart haar en hij droeg een tasje om een van zijn schouders. [beveiliger] zag dat deze man een glas in zijn rechterhand vasthield en dat hij zijn hand naar achteren haalde en vervolgens naar het hoofd van de negroïde man bracht. Hij zag dat de negroïde man door het glas geraakt werd en daardoor een wond op zijn hoofd had bij zijn wenkbrauw.

Getuige [geruige] heeft verklaard5 dat hij met aangever in [naam] was. Er was een opstootje en aangever probeerde een van de jongens bij het opstootje weg te halen. Hij zag vervolgens dat een jongen naar aangever liep en een glas op het hoofd van aangever kapot sloeg. Aangever is vervolgens door een ambulance naar het ziekenhuis gebracht. Magielsen is toen ook naar het ziekenhuis gelopen en heeft daar in de wachtruimte van de spoedeisende hulp op aangever gewacht. Hij zag op een gegeven moment dat de dader van het slaan met het glas door de politie het ziekenhuis werd binnengebracht. De dader moest gehecht worden aan zijn hand. De man die het ziekenhuis binnenkwam zag er precies zo uit als de man in [naam]. De man die met het glas op het hoofd van aangever heeft geslagen was van Arabische afkomst, hij had een licht getinte huidskleur, hij was overdreven breed gespierd, hij had kort zwart haar, een platte neus, hij droeg een witte tanktop en hij had een schoudertas schuin om.

Uit een geneeskundige verklaring van een forensisch arts van GGD Flevoland van 8 augustus 20136 blijkt dat bij aangever op het voorhoofd het navolgende letsel is waargenomen: “boven linker wenkbrauw bevindt zich een winkelhaak-vormige rode streep van 1 mm breed met hechtingen. De lange zijde is 4 cm, de korte zijde 1 cm. (..) Midden op het voorhoofd en iets links daarvan bevinden zich, in elkaars verlengde, twee rode korstjes van 1 mm bij 1 cm lengte, (..) Op het voorhoofd links bevinden zich tevens enkele mm grote rode streepjes, (..).”

Daarnaast heeft verbalisant, [verbalisant 6], verklaard7 dat op 25 juni 2014 littekens in het aangezicht van aangever zichtbaar zijn.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het voorgaande, is komen vast te staan dat verdachte een glas tegen het hoofd van [slachtoffer] heeft stukgeslagen. Het daarmee door verdachte toegebrachte letsel moet als zwaar lichamelijk letsel worden aangemerkt. Uit de letselverklaring volgt namelijk dat de verwonding zich midden op het voorhoofd van [slachtoffer] bevindt. Daarnaast volgt uit de verklaring van verbalisant [verbalisant 6] dat er op 25 juni 2014 nog steeds littekens zichtbaar zijn in het aangezicht van [slachtoffer]. Littekens op het hoofd zijn een blijvende ontsiering. De rechtbank acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de primair tenlastegelegde zware mishandeling van [slachtoffer] heeft begaan.

Feit 2

De verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 3] en [verbalisant 2] hebben verklaard8 dat verdachte op 3 augustus 2013 constant over hun collega [aangever] sprak. Zij hebben verdachte horen zeggen: “Ik haat [aangever]. Hij heeft anderhalve jaar onterecht zijn hond, [naam], op mij afgestuurd bij de Autoradam. Door hem is mijn hele leven veranderd. Ik train door hem vijf keer in de week. In mijn dromen snij ik zijn keel open. Als ik [aangever] nu op straat tegen kom dan knal ik hem. Ik zweer het je. Ik zweer het je. Ik hoop dat hij wat krijgt of dood gaat. Echt.”

Op 3 augustus 2013 heeft [aangever] aangifte9 gedaan van bedreiging met de dood door verdachte. Aangever heeft verklaard dat verdachte in de nacht van 3 augustus 2013 is aangehouden door collega’s van hem. Na zijn aanhouding heeft verdachte een medische behandeling gehad in het ziekenhuis. In het ziekenhuis werd verdachte bewaakt door een drietal collega’s van aangever. Van hen hoorde aangever dat verdachte hem meerdere malen met de dood had bedreigd toen hij in het ziekhuis was.

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [aangever] heeft bedreigd met de dood en met zware mishandeling.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1. primair en 2. ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

1.

hij op 03 augustus 2013 te Almere aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, meerdere littekens in het gelaat, heeft toegebracht door voornoemde [slachtoffer] opzettelijk met kracht een glas tegen het hoofd kapot te slaan;

2.

hij op 03 augustus 2013 te Almere [aangever] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte tegen [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden hoofdagent van Politie Flevoland en [verbalisant 3], agent van Politie Flevoland opzettelijk dreigend de woorden toegevoegd :"ik train door hem nu vijf keer in de week. In mijn dromen snij ik zijn keel open. Als ik [aangever] nu op straat tegen kom dan knal ik hem. Ik zweer het je. Ik zweer het je. Ik hoop dat hij wat krijgt of dood gaat".

Van het onder 1. primair en 2. meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Feit 1.:

Zware mishandeling.

Feit 2.:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht althans zware mishandeling.

7 STRAFBAARHEID

De bewezen verklaarde feiten en de verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van de door hem onder 1. primair 2. bewezen geachte feiten te veroordelen tot een gevangenisstraf van 6 maanden.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling en een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven dan wel met zware mishandeling.

Bij het bepalen van de straf en de strafmaat laat de rechtbank meewegen dat mishandeling en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven dan wel met zware mishandeling ernstige strafbare feiten zijn. Verdachte heeft bij zijn handelen geen rekening gehouden met de gevolgen van zijn handelen voor zijn slachtoffers, voor wie dergelijke feiten gevoelens van angst en onveiligheid met zich brengen. Daarnaast overweegt de rechtbank dat het handelen van verdachte in het algemeen gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij teweeg brengt. De rechtbank neemt daarbij in het bijzonder in aanmerking dat de mishandeling heeft plaatsgevonden in het openbaar in een uitgaansgelegenheid, in aanwezigheid van andere mensen.

Uit het de verdachte betreffende uittreksel justitiële documentatie van 24 juli 2014 blijkt dat verdachte in de afgelopen 5 jaar reeds eerder is veroordeeld ter zake van geweldsdelicten, te weten door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Arnhem op 19 februari 2014 en door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Leeuwarden op 13 september 2011. De rechtbank zal daarom ten aanzien van de mishandeling uitgaan van de situatie dat sprake is van recidive.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat na te melden straf passend en geboden is.

9 BENADEELDE PARTIJEN

Benadeelde partij [slachtoffer]

Voor aanvang van de terechtzitting heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van de door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1. primair ten laste gelegde feit. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 1.799,70, bestaande uit € 1.350,00 immateriële schade en € 449,70 materiële schade.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij in het geheel kan worden toegewezen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het onder 1. primair bewezen verklaarde feit. De hoogte van die schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 1.799,70, vermeerderd met de kosten die - tot op heden - worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij zal de rechtbank overeenkomstig artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom ten behoeve van de benadeelde partij.

Benadeelde partij [aangever]

Voor aanvang van de terechtzitting heeft [aangever] zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van de door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 2. ten laste gelegde feit. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 750,00 immateriële schade.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij [aangever] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het onder 2. bewezen verklaarde feit. De hoogte van die schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 250,00 vermeerderd met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil.

De benadeelde partij [aangever] dient voor wat het meer gevorderde betreft in zijn vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij zal de rechtbank overeenkomstig artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom ten behoeve van de benadeelde partij.

10 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 36f, 57, 63, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1. primair en 2. ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat onder 1. primair en 2. meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar en kwalificeert deze zodanig als hierboven onder 6 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Benadeelde partij [slachtoffer]

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] wonende te Almere van een bedrag van € 1.799,70 (zegge: duizendzevenhonderdnegenennegentig euro en zeventig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 3 augustus 2013, tot die van de voldoening;

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan de verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1.799,70 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 27 dagen hechtenis;

- bepaalt dat, indien de verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen;

Benadeelde partij [aangever]

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever] wonende te Lelystad van een bedrag van € 250,00 (zegge: tweehonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 3 augustus 2013, tot die van de voldoening;

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan de verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 250,00 ten behoeve van het slachtoffer [aangever] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 dagen hechtenis;

- bepaalt dat, indien de verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [aangever] (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [aangever] daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij [aangever] voor wat het meer gevorderde betreft in zijn vordering niet-ontvankelijk is en dat hij zijn vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.G. van de Streek, voorzitter, mrs. A. van Holten en C.W. Couperus-van Kooten, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.F. Hammerle, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 september 2014.

Mr. C.W. Couperus-van Kooten is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, nr. PL2541-2013057205-6, opgemaakt door [verbalisant 4], hoofdagent van Politie Midden Nederland, en gesloten op 3 augustus 2013, houdende een verklaring van voornoemde verbalisant (p. 26-27)

2 het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, nr. PL2542-2013057205-7, opgemaakt door [verbalisant 5], agent van Politie Flevoland, en gesloten op 3 augustus 2013, houdende een verklaring van voornoemde verbalisant (p. 28-29)

3 het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal aangifte, nr. PL2542-2013057205-1, met foto bijlage, opgemaakt door [verbalisant 6], hoofdagent van Politie Flevoland, en gesloten op 3 augustus 2013, houdende een verklaring van aangever [slachtoffer] (p. 32-37)

4 het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal verhoor getuige, nr. PL2541-2013057205-12, opgemaakt door [verbalisant 4], hoofdagent van Politie Flevoland, en gesloten op 3 augustus 2013, houdende een verklaring van getuige [beveiliger] (p. 42-43)

5 het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal verhoor getuige, nr. PL2541-2013057205-21, opgemaakt door [verbalisant 7], hoofdagent van Politie Flevoland, en gesloten op 3 augustus 2013, houdende een verklaring van getuige [geruige] (p. 50-52)

6 Een geneeskundige verklaring d.d. 8 augustus 2013 (p. 38)

7 het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, nr. PL2500-2013057205-34, met foto bijlage, opgemaakt door [verbalisant 6], hoofdagent van Politie Flevoland, en gesloten op 5 juli 2014, houdende een verklaring van voornoemde verbalisant (p. 50-52

8 het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, nr. PL2544-2013057205-13, opgemaakt door [verbalisant 1], hoofdagent van Politie Flevoland, [verbalisant 3], agent van Politie Flevoalnd en [verbalisant 2] , hoofdagent van Politie Flevoland, houdende een verklaring van voornoemde verbalisanten (p. 30-31)

9 het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal aangifte, nr. PL2542-2013057205-14, opgemaakt door [verbalisant 8], agent van Politie Flevoland, en gesloten op 3 augustus 2013, houdende een verklaring van aangever [aangever] (p. 40-41)