Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:4312

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24-09-2014
Datum publicatie
17-10-2014
Zaaknummer
C-16-359264 - HA ZA 13-1159
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBMNE:2014:7580
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2017:1017, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aandeelhoudersaansprakelijkheid en bestuurdersaansprakelijkheid bij turboliquidatie. Inactieve vennootschap zonder vermogen van enige betekenis maar die wel partij is bij een kredietfaciliteit voor de groep waarvan zij deel uitmaakt, stelt zich hoofdelijk aansprakelijk dan wel borg voor een schuld van een zustervennootschap. De enige aandeelhouder van de vennootschap, die tevens haar enige bestuurder is en aandeelhouder/enige bestuurder van de zustervennootschap, besluit tot ontbinding zonder vereffening van de vennootschap. Een jaar later gaat de zustervennootschap failliet. De aandeelhouder is aansprakelijk voor de schade van de schuldeiser omdat het haar duidelijk was dat juist de mogelijkheid van benutting van het krediet door de vennootschap door de turboliquidatie is gefrustreerd en het scenario dat betaling door de vennootschap ten laste van het krediet nadelig zou zijn voor de andere voor het krediet aansprakelijke groepsvennootschappen al voorzienbaar was op het moment van hoofdelijke aansprakelijkstelling/borgstelling. De bestuurder van de aandeelhouder treft een persoonlijk ernstig verwijt en is ook aansprakelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2014-0364

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/359264 / HA ZA 13-1159

Vonnis van 24 september 2014

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VEBU B.V.,

gevestigd te Driebergen-Rijsenburg,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VEBU HOLDING B.V.,

gevestigd te Driebergen-Rijsenburg,

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

advocaat mr. G. Dietz te Zeist,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats]

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats],

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [vestigingsplaats],

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. F.W. Aartsen te Harderwijk.

Eisers zullen hierna gezamenlijk Vebu c.s. genoemd worden en ieder afzonderlijk Vebu en Vebu Holding. Gedaagden zullen hierna gezamenlijk [gedaagden] genoemd worden en ieder afzonderlijk [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3].

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 12 februari 2014

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 9 juli 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Vebu drijft een onderneming die technische adviezen geeft voor installaties in nieuwbouw- en renovatieprojecten. De aandeelhouder en bestuurder van Vebu is Vebu Holding. De heer [A](hierna: [A]) is de bestuurder van Vebu Holding en samen met zijn echtgenote houdt hij alle aandelen in die vennootschap.

2.2.

Tot april 2011 luidden de statutaire namen van Vebu en Vebu Holding respectievelijk Hebutech B.V. (hierna: Hebutech) en Hebutech Holding B.V. (hierna: Hebutech Holding).

2.3.

[gedaagde sub 1] maakt deel uit van een groep vennootschappen (hierna: het [gedaagde sub 1]) die aan opdrachtgevers uit met name de bouwsector adviezen geven op de gebieden bouwfysica, bouwtechniek, regelgeving, gevels en daken, bouwmanagement, technische installaties duurzaamheid en beheer. Tot mei 2011 luidde de statutaire naam van [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 3] Holding B.V. (hierna: [gedaagde sub 3] Holding). [gedaagde sub 3] is de aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde sub 2]. Tot 29 december 2010 was [gedaagde sub 2] de aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde sub 3] Holding. Op 29 december 2010 zijn [gedaagde sub 3] en de heer[B] (hierna: [B]) de bestuurders van [gedaagde sub 3] Holding geworden. [gedaagde sub 2] was ook na die datum nog wel de aandeelhouder van [gedaagde sub 3] Holding. Op 1 mei 2013 is [gedaagde sub 3] Holding II de aandeelhouder geworden van [gedaagde sub 3] Holding (toen inmiddels [gedaagde sub 1] genaamd).

2.4.

[gedaagde sub 3] Installatietechniek BV (hierna: Installatietechniek) en [C] Technisch Adviesbureau B.V. (hierna: [C]) waren dochtervennootschappen van [gedaagde sub 3] Holding.

2.5.

Met ingang van 1 januari 2008 zijn Hebutech en Installatietechniek de vennootschap onder firma Hebutech V.o.f. aangegaan (hierna: de vof).

2.6.

[gedaagde sub 3] Holding, Installatietechniek, [C] en twee andere groepsvennootschappen - Adviesbureau [gedaagde sub 3] B.V. en [gedaagde sub 3] Consultancy B.V. - hadden een kredietovereenkomst met Deutsche Bank. Op 26 oktober 2010 hebben zij een nieuwe kredietovereenkomst met Deutsche Bank gesloten op grond waarvan zij gezamenlijk een rekening-courantkrediet van ten hoogste € 1,6 miljoen konden opnemen (hierna: de kredietovereenkomst).

2.7.

De vof leed verlies. In 2010 is besloten om de vof te beëindigen en de ondernemingen van zowel de vof als van Hebutech juridisch en feitelijk te integreren in het [gedaagde sub 1]. Naar aanleiding daarvan zijn beide ondernemingen per 1 januari 2011 overgedragen aan [C]. Ook [A] en zijn echtgenote zijn toen in dienst getreden van [C]. De afspraken die zijn gemaakt in het kader van de overdracht van de ondernemingen zijn neergelegd in een document met de titel ‘Beëindigingsovereenkomst Hebutech V.O.F’ (hierna: de beëindigingsovereenkomst). Deze overeenkomst is op 10 februari 2011 ondertekend door [A] namens Hebutech en Hebutech Holding en door [gedaagde sub 3] namens Installatietechniek en [C].

2.8.

In de beëindigingsovereenkomst, waarin Hebutech is aangeduid als ‘comparant sub 1’, Installatietechniek als ‘comparant sub 2’ en [C] als ‘comparant sub 3’, staat het volgende:

“[…]

1. De vennootschap onder firma Hebutech V.O.F., hierna ook te noemen de vennootschap onder firma, is per 31 december 2010 beëindigd.

2. De gehele onderneming van de vennootschap onder firma is per 1 januari 2011 voortgezet door comparant sub 3.

3. De comparanten sub 1 en 2 hebben hun aandeel in Hebutech V.O.F. per 1 januari 2011 overgedragen aan comparant sub 3.

In dit kader heeft de comparant sub 1 overgedragen aan comparant sub 3 het aandeel van de comparant sub 1 in alle activa van de vennootschap onder firma, bestaande onder andere uit goodwill, inventaris, onderhanden werk, computers, vorderingen, en liquide middelen, onder de verplichting voor comparant sub 3 om:

-per 1 januari 2011 voor haar rekening te nemen het aandeel van de comparant sub 1 in alle passiva van de vennootschap onder firma waaronder de leaseverplichting rustende op de personenauto in gebruik bij comparant sub 1 en de verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het adres […], en

-aan de comparant sub 1 uit te betalen het aandeel van de comparant sub 1 in het kapitaal van de vennootschap onder firma.

Het in de vorige zin bepaalde geldt overeenkomstig voor de comparant sub 2.

[…]

5. De comparant sub 1 krijgt uitbetaald haar aandeel in de vennootschap onder firma per 31 december 2010.[…] De waarde van het aandeel van comparant sub 1 in de vennootschap onder firma per 31 december 2010 hebben partijen definitief vastgesteld op:

kapitaal Hebutech B.V. per 31 december 2010 11,500

bij: goodwill 158,750

totaal 170,250

Van dit bedrag zal comparant sub 3 uiterlijk op 31 januari 2011 een bedrag van € 45.250,00 laten bijschrijven op de bankrekening van comparant sub 1. Het restant ad € 125.000,00 wordt in vier gelijke termijnen van

€ 31.250,00 door comparant sub 3 aan Hebutech Holding B.V. uitbetaald uiterlijk op respectievelijk 31 december 2011, 31 december 2012, 31 december 2013 en 30 september 2014. De comparant sub 2 stelt zich mede hoofdelijk aansprakelijk jegens comparant sub 1 (en Hebutech Holding B.V.) voor de nakoming door comparant sub 3 van de (betalings)verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst. […]”

2.9.

De eerste betalingstermijn is niet, zoals afgesproken, uiterlijk op 31 januari 2011 betaald. Nadat Vebu vervolgens zowel [C] als Installatietechniek tot betaling had gesommeerd heeft [C] op 10 augustus 2011 de eerste termijn van € 45.250,- aan Hebutech betaald. De tweede termijn (€ 31.205,-) is op 23 december 2011, en dus tijdig want voor

1 januari 2012, door [C] betaald aan Hebutech Holding.

2.10.

Installatietechniek heeft na de overdracht van haar aandeel in de vof aan [C] geen ondernemingsactiviteiten meer ontplooid. Op 31 december 2011 is Installatietechniek, die op dat moment geen baten meer had, ontbonden zonder vereffening. Van het besluit tot deze ‘turboliquidatie’ en de uitvoering ervan is [A] niet op de hoogte gesteld.

2.11.

Op 21 december 2012 is [C], waarvan de naam eerder die maand is gewijzigd in Technisch Adviesbureau Putten B.V., failliet verklaard. De curator van [C] heeft Hebutech Holding bij brief van 20 maart 2013 meegedeeld dat haar vordering van € 93.750,- (de drie resterende betalingstermijnen) op de lijst van voorlopig erkende concurrente schuldeisers is geplaatst en dat niet te verwachten valt dat er aan concurrente crediteuren een uitkering gedaan zal kunnen worden.

2.12.

In oktober en november 2013 hebben Vebu en Vebu Holding conservatoir beslag gelegd op bankrekeningen van [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3]. Laatstgenoemden hebben vervolgens in kort geding opheffing van de beslagen gevorderd. Deze vordering is afgewezen bij vonnis van 4 december 2013 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

Vebu c.s. vorderen - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot:

  • -

    betaling aan Vebu Holding van € 97.474,27, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente (artikel 6:119a BW), althans de wettelijke rente (artikel 6:119 BW) over € 93.750,- vanaf 1 oktober 2013 tot aan de dag van algehele voldoening,

  • -

    vergoeding van de proceskosten, de beslagkosten daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de 14e dag na de datum van het vonnis tot de dag van algehele voldoening.

3.2.

Aan hun vorderingen leggen Vebu c.s. ten grondslag dat [gedaagde sub 3] Holding, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] in hun hoedanigheid van bestuurder van respectievelijk Installatietechniek, [gedaagde sub 3] Holding en [gedaagde sub 2] persoonlijk onrechtmatig jegens Vebu althans Vebu Holding hebben gehandeld. Dit onrechtmatig handelen bestaat er in de eerste plaats uit dat zij op 10 februari 2011 namens Installatietechniek verplichtingen jegens Vebu c.s. zijn aangegaan - Installatietechniek heeft zich bij de beëindigingsovereenkomst mede hoofdelijk aansprakelijk gesteld jegens Vebu c.s. voor de nakoming door [C] van de betalingsverplichtingen uit hoofde van die overeenkomst - waarvan zij wisten althans moesten begrijpen dat Installatietechniek deze niet, of niet binnen de gestelde termijn zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden voor de schade die Vebu althans Vebu Holding als gevolg van de wanprestatie lijdt. De aansprakelijkheid van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] volgt volgens Vebu c.s. ook uit artikel 2:11 BW. Het onrechtmatig handelen bestaat er volgens Vebu c.s. in de tweede plaats uit dat [gedaagden] Installatietechniek door middel van een turboliquidatie hebben laten verdwijnen om daarmee de verhaalsmogelijkheden van Vebu c.s. te frustreren. [gedaagden] wisten althans hadden redelijkerwijs moeten begrijpen dat de door hen bewerkstelligde turboliquidatie van Installatietechniek tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen en ook geen verhaal meer zou bieden voor als gevolg daarvan optredende schade. In de derde plaats betogen Vebu c.s. dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] als bestuurders mede aansprakelijk zijn voor de schade die Vebu c.s. hebben geleden; [gedaagde sub 2] omdat zij op grond van artikel 3:70 BW moet instaan voor het bestaan en de omvang van haar volmacht om [gedaagde sub 3] Holding te vertegenwoordigen bij het sluiten van de beëindigingsovereenkomst en [gedaagde sub 3] omdat de schijn is gewekt dat hij een toereikende volmacht had om [gedaagde sub 3] Holding bij het sluiten van de beëindigingsovereenkomst te vertegenwoordigen.

3.3.

[gedaagden] voeren verweer en concluderen tot niet-ontvankelijkverklaring van Vebu en Vebu Holding, althans tot ontzegging daarvan, met (hoofdelijke) veroordeling van Vebu c.s. (uitvoerbaar bij voorraad).

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

[gedaagden] vorderen samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    de ten laste van [gedaagden] gelegde beslagen opheft

  • -

    Vebu c.s. hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding van de schade die [gedaagden] hebben geleden als gevolg van de door hen gelegde conservatoire beslagen, nader op te maken bij staat

  • -

    Vebu c.s. hoofdelijk veroordeelt in de kosten van deze procedure.

3.6.

Vebu c.s. voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

Vebu niet-ontvankelijk

4.1.

Op grond van de beëindigingsovereenkomst had Hebutech (thans Vebu) recht op betaling van één termijn (de eerste termijn van € 42.250,-). [C] heeft die termijn betaald. Alle overige vier betalingstermijnen dienden op grond van de beëindigingsovereenkomst te worden betaald aan Hebutech Holding (thans Vebu Holding). Vebu heeft niets aangevoerd op grond waarvan moet worden aangenomen dat zij een (juridisch te respecteren) belang heeft bij de - mede door haar ingestelde - vordering tot betaling aan Vebu Holding. Bij gebrek aan belang is Vebu in haar vorderingen niet ontvankelijk, zodat deze zullen worden afgewezen.

Geldigheid beëindigingsovereenkomst

4.2.

Op 10 februari 2011, de datum van ondertekening van de beëindigingsovereenkomst, was [gedaagde sub 3] Holding de bestuurder van Installatietechniek en [C]. Op 29 december 2010 was [gedaagde sub 2] afgetreden als bestuurder van [gedaagde sub 3] Holding en waren in haar plaats gekomen [gedaagde sub 3] en [B] als bestuurders met uitsluitend gezamenlijke vertegenwoordigingsbevoegdheid. Desondanks heeft alleen [gedaagde sub 3] de beëindigingsovereenkomst ondertekend en staat in de aanhef van de beëindigingsovereenkomst ten onrechte dat hij optrad als bestuurder van [gedaagde sub 2], op haar beurt optredend als bestuurder van [gedaagde sub 3] Holding, op haar beurt optredend als bestuurder van Installatietechniek en [C]. De beëindigingsovereenkomst is dus abusievelijk opgesteld in overeenstemming met de vóór 29 december 2010 geldende situatie. Installatietechniek en [C] hebben echter hierna tegenover Hebutech (Vebu) en Hebutech Holding (Vebu Holding) nooit het standpunt ingenomen dat zij zich niet gebonden achtten aan de beëindigingsovereenkomst op de grond dat zij bij het sluiten daarvan onbevoegd zouden zijn vertegenwoordigd. Ook [gedaagden] betwisten in deze procedure de geldigheid van de beëindigingsovereenkomst niet. Installatietechniek en [C] zijn dus allebei aan de beëindigingsovereenkomst gebonden.

Hoofdelijke aansprakelijkheid of borgtocht Installatietechniek

4.3.

Installatietechniek (‘comparant sub 2’ in de beëindigingsovereenkomst) heeft zich in artikel 5 van die overeenkomst hoofdelijk aansprakelijk gesteld jegens Hebutech (‘comparant sub 1’) en Hebutech Holding voor de nakoming door [C] (‘comparant sub 3’) van de betalingsverplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst (zie 2.8). Partijen verschillen van mening over de aard van deze verbintenis van Installatietechniek. Volgens [gedaagden] heeft Installatietechniek zich borg gesteld voor de betalingsverplichtingen van [C]. Vebu c.s. nemen het standpunt in dat van een borgtocht geen sprake is en dat Installatietechniek hoofdelijk aansprakelijk is geworden.

4.4.

Voor de beoordeling van deze zaak maakt het geen verschil of de verplichting van Installatiechniek kwalificeert als een borgtocht of dat Installatietechniek hoofdelijk aansprakelijk was. In het navolgende laat de rechtbank het antwoord op deze vraag daarom in het midden.

Stelling Vebu c.s.: bestuurdersaansprakelijkheid in verband met schending Beklamel-norm

4.5.

[C] heeft op grond van de beëindigingsovereenkomst de eerste van de vier door haar aan (toen inmiddels geheten) Vebu Holding verschuldigde betalingstermijnen voldaan. Als gevolg van haar faillissement, uitgesproken op 21 december 2012, heeft [C] de overige drie termijnen ter hoogte van in totaal € 93.750,- niet betaald. Installatietechniek heeft dit bedrag hierna ook niet betaald omdat zij al op 31 december 2011 is ontbonden zonder vereffening. Vebu c.s. betogen dat [gedaagde sub 3] Holding als direct bestuurder van Installatietechniek en [gedaagde sub 2] respectievelijk [gedaagde sub 3] als indirecte bestuurders van Installatietechniek onrechtmatig jegens hen hebben gehandeld doordat Installatietechniek bij het aangaan van de beëindigingsovereenkomst op 10 februari 2011 de in artikel 5 van die overeenkomst opgenomen verplichting is aangegaan. Volgens hen wisten deze bestuurders dat Installatietechniek die verplichting niet, of niet binnen de gestelde termijn zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden voor de schade die Vebu Holding als gevolg van de wanprestatie lijdt. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Dit wordt hieronder toegelicht.

4.6.

Naast een vennootschap kan ook de bestuurder van die vennootschap aansprakelijk zijn voor de schade van een derde wanneer die bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Daarvan kan sprake zijn wanneer die bestuurder bij het namens de vennootschap aangaan van een verbintenis wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat de vennootschap haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden (de Beklamel-norm).

4.7.

Met betrekking tot [gedaagde sub 2] geldt dat zij op 10 februari 2011 geen bestuurder van [gedaagde sub 3] Holding meer was en dus ook geen (indirect) bestuurder van Installatietechniek, zodat artikel 2:11 BW toepassing mist en zij alleen al hierom niet aansprakelijk kan zijn voor de gestelde schade.

4.8.

[gedaagde sub 3] Holding en [gedaagde sub 3] moeten op het moment van het sluiten van de beëindigingsovereenkomst hebben geweten dat Installatietechniek geen ondernemingsactiviteiten meer zou ontplooien. Ook moeten zij ervan op de hoogte zijn geweest dat Installatietechniek na de overdracht van haar aandeel in de vof geen activa van betekenis meer zou hebben. Ongeveer een jaar later is Installatietechniek immers ontbonden bij gebrek aan baten. [gedaagde sub 3] Holding en [gedaagde sub 3] stellen wel dat Installatietechniek een vordering kreeg op [C] in verband met de overdracht van haar aandeel in de vof maar de vraag hoe hoog die vordering was konden zij ter zitting niet beantwoorden. Wel hebben zij toen verklaard dat deze vordering is verrekend met een schuld aan [C], waarna nog een schuld aan [C] resteerde van € 35.000,-. Gelet hierop kan niet worden aangenomen dat Installatietechniek over voldoende vermogen beschikte om Vebu en/of Vebu Holding te kunnen betalen. [gedaagde sub 3] holding en [gedaagde sub 3] wisten dus dat Installatietechniek voor de eventuele betaling aan Vebu en/of Vebu Holding aangewezen zou zijn op haar kredietruimte bij de bank (zie 2.6).

4.9.

Volgens [gedaagden] beschikte Installatietechniek op het moment van het sluiten van de beëindigingsovereenkomst over voldoende kredietruimte. In verband daarmee hebben zij bankafschriften overgelegd van alle vijf groepsvennootschappen die partij waren bij de kredietovereenkomst met Deutsche Bank. Onder verwijzing naar de uit die bankafschriften blijkende debetsaldi stellen [gedaagden] dat er op 10 februari 2011 nog ruim € 700.000,- kredietruimte bestond voor Installatietechniek en de overige vennootschappen van het [gedaagde sub 1]. Vebu c.s. voeren naar aanleiding daarvan aan dat zij niet helemaal kunnen uitsluiten dat de stelling dat Installatietechniek over voldoende kredietruimte beschikte onjuist is omdat geen verklaring van Deutsche Bank van die strekking is overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank hebben Vebu c.s. de hiervoor vermelde stelling van [gedaagden] hiermee onvoldoende gemotiveerd betwist, temeer nu zij zich op het standpunt stellen dat als Installatietechniek ongeveer jaar later niet was ontbonden, zij een beroep had kunnen doen op de kredietfaciliteit. De rechtbank gaat daarom uit van een kredietruimte van € 700.000,-. Ook is niet gesteld of gebleken dat het voor [gedaagde sub 3] Holding en [gedaagde sub 3] op het moment van het sluiten van de beëindigingovereenkomst voorzienbaar was dat het resterende krediet in de periode daarna tot eind 2014 (wanneer de laatste betalingstermijn aan Hebutech Holding zou moeten worden betaald) volledig nodig zou zijn voor andere betalingen dan die aan Hebutech Holding. Onder deze omstandigheden kan niet worden aangenomen dat [gedaagde sub 3] Holding en [gedaagde sub 3] wisten of redelijkerwijs behoorden te begrijpen dat Installatietechniek haar verplichtingen niet met behulp van het bankkrediet zou kunnen nakomen. [gedaagde sub 3] Holding en [gedaagde sub 3] treft daarom geen ernstig verwijt van het feit dat Installatietechniek zich hoofdelijk aansprakelijk dan wel borg heeft gesteld.

Stelling Vebu c.s.: aansprakelijkheid [gedaagden] in verband met turboliquidatie Installatietechniek

4.10.

Installatietechniek is op 31 december 2011 bij gebrek aan baten ontbonden zonder vereffening (zie artikel 2:19 lid 4 BW). Niet gesteld of gebleken is dat deze ontbinding het gevolg is van het intreden van een gebeurtenis die volgens de statuten de ontbinding tot gevolg heeft (zie artikel 2:19 lid 1 onder b BW) of van een beschikking van de Kamer van Koophandel als bedoeld in artikel 2:19a BW (zie artikel 2:19 lid 1 onder e BW). Artikel 2:19 lid 1 onder c en d is ook niet van toepassing. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat Installatietechniek is ontbonden door een besluit van de algemene vergadering, in dit geval haar enig aandeelhouder [gedaagde sub 3] Holding, vertegenwoordigd door haar bestuurders [gedaagde sub 3] en [B] (zie artikel 2:19 lid 1 onder a BW).

4.11.

De rechtbank begrijpt de stellingen van Vebu c.s. aldus dat [gedaagde sub 3] Holding in haar hoedanigheid van aandeelhouder van Installatietechniek en [gedaagde sub 3] in zijn hoedanigheid van bestuurder van [gedaagde sub 3] Holding onrechtmatig jegens Vebu Holding hebben gehandeld door Installatietechniek te ontbinden (aan de betalingsverplichting jegens Vebu had [C] inmiddels voldaan). Volgens Vebu c.s. wisten [gedaagde sub 3] Holding en [gedaagde sub 3], althans hadden zij redelijkerwijs moeten begrijpen, dat de door hen bewerkstelligde turboliquidatie van Installatietechniek tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichting uit hoofde van de beëindigingsovereenkomst niet zou kunnen nakomen. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

4.12.

De algemene vergadering heeft het recht tot ontbinding van de vennootschap waarin de aandelen worden gehouden. Wanneer de algemene vergadering bestaat uit één aandeelhouder komt dat recht die aandeelhouder toe. Onder omstandigheden kan het uitoefenen van de bevoegdheid tot ontbinding echter misbruik van recht opleveren, in welk geval sprake is van een onrechtmatige daad. Een bevoegdheid kan worden misbruikt wanneer men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, in redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen (artikel 3:13 lid 2 BW). Ook de bestuurder van de aandeelhouder/rechtspersoon kan aansprakelijk zijn voor die schade indien hem van het misbruik van recht persoonlijk een ernstig verwijt treft.

4.13.

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde sub 3] Holding in haar hoedanigheid van aandeelhouder van Installatietechniek misbruik van recht heeft gemaakt en dat [gedaagde sub 3] als bestuurder van [gedaagde sub 3] Holding daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Dit wordt hierna toegelicht. Daarbij betrekt de rechtbank a) dat [gedaagde sub 3] Holding ook de (enige) bestuurder was van Installatietechniek, b) dat [gedaagde sub 3] Holding ook de aandeelhouder en enige bestuurder was van [C] en c) dat [gedaagde sub 3] als indirect aandeelhouder van [gedaagde sub 3] Holding financieel belanghebbend was.

4.14.

Ter zitting is door [gedaagden] verklaard dat [C] in 2010 een winst had gemaakt van € 4.000,-, in 2011 een verlies van € 65.000,- à € 70.000,- en dat dit verlies kon worden gedragen, gelet op het eigen vermogen van ongeveer € 250.000,-. Ook is verklaard dat op het moment van ontbinding van Installatietechniek de kredietruimte voor de groep

€ 400.000,- bedroeg. Uitgaande van deze cijfers kan niet worden geconcludeerd dat [gedaagde sub 3] Holding op het moment van het besluit tot ontbinding van Installatietechniek ernstig rekening moest houden met insolventie van [C]. Deze omstandigheid legt echter onvoldoende gewicht in de schaal. In haar hoedanigheid van bestuurder van Installatietechniek heeft [gedaagde sub 3] Holding haar handtekening gezet onder de beëindigingsovereenkomst, daarbij vertegenwoordigd door [gedaagde sub 3]. Installatietechniek heeft zich toen hoofdelijk aansprakelijk dan wel borg gesteld voor de schuld van [C]. Daarmee is gegeven dat het de bedoeling van partijen was dat dit Installatietechniek zekerheid bood en daaraan is inherent dat partijen rekening hebben gehouden met eventuele insolventie van [C], in welk geval [C] niet meer zou kunnen betalen (ook niet door gebruikmaking van de kredietfaciliteit) en Vebu en/of Vebu Holding vanaf dat moment uitsluitend zouden zijn aangewezen op de mogelijkheid van benutting van het krediet door Installatietechniek. Het was voor [gedaagde sub 3] Holding en [gedaagde sub 3] duidelijk dat juist die mogelijkheid door de turboliquidatie van Installatietechniek zou worden gefrustreerd.

4.15.

Als Installatietechniek niet was ontbonden en zij Vebu Holding ten laste van het krediet had betaald, zou deze betaling ten nadele zijn gekomen van de andere voor het krediet aansprakelijke groepsvennootschappen. De totale kredietruimte zou dan immers met € 93.750,- zijn verminderd, terwijl door die betaling uiteindelijk mogelijk een regresschuld van Installatietechniek aan de overige deelnemers van het krediet zou zijn gecreëerd. Installatietechniek, een inactieve vennootschap zonder activa van enige betekenis (zie 4.8) zou deze regresschuld niet hebben kunnen voldoen. De vraag of op [gedaagde sub 3] Holding in haar hoedanigheid van aandeelhouder van Installatietechniek en op [gedaagde sub 3] in hoedanigheid van bestuurder van [gedaagde sub 3] Holding de verplichting rustte om Installatietechniek te laten voortbestaan en daarmee betaling door Installatietechniek aan Vebu Holding te faciliteren, in het voordeel van Vebu Holding maar in het nadeel van de overige kredietnemers, beantwoordt de rechtbank bevestigend. Het zojuist beschreven scenario was immers voor [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 3] Holding, die tevens aan het hoofd stond van de overige kredietnemers, al voorzienbaar op het moment waarop zij mede namens Installatietechniek de beëindigingsovereenkomst ondertekenden.

4.16.

Op grond van het voorgaande luidt de conclusie dat [gedaagde sub 3] Holding en [gedaagde sub 3] onrechtmatig hebben gehandeld jegens Vebu Holding door te besluiten Installatietechniek te ontbinden. De vraag of Vebu Holding door deze ontbinding schade heeft geleden zal hierna worden beantwoord.

Stelling Vebu c.s.: artikel 3:70 BW ([gedaagde sub 2])

4.17.

De stellingen van Vebu c.s. dat [gedaagde sub 2] aansprakelijk is voor de gestelde schade op grond van artikel 3:70 BW slaagt niet. Installatietechniek heeft immers jegens Vebu c.s. nooit het standpunt ingenomen dat zij bij het sluiten van de beëindigingsovereenkomst onbevoegd was vertegenwoordigd (omdat [gedaagde sub 2] toen geen indirect bestuurder meer was van Installatietechniek of omdat [gedaagde sub 3] alleen gezamenlijk met [B] bevoegd was) en dat zij zich daarom niet aan de beëindigingsovereenkomst gebonden achtte. Dat Vebu Holding geen bedrag ter hoogte van € 93.750,- heeft ontvangen is dus geen gevolg van een bij [gedaagde sub 2] ontbrekende vertegenwoordigingsbevoegdheid.

Stelling [gedaagden]: geen causaal verband

4.18.

Volgens [gedaagden] zou Vebu Holding ook zonder het onrechtmatig handelen van [gedaagde sub 3] Holding en [gedaagde sub 3] als gevolg van het faillissement van [C] onbetaald zijn gelaten en zou Installatietechniek ‘op dat moment’ onvoldoende verhaal hebben geboden. Voor zover [gedaagden] hiermee bedoelen te stellen dat het causaal verband tussen het onrechtmatig handelen en de schade van Vebu Holding ontbreekt, faalt dit verweer. De rechtbank licht dit als volgt toe.

4.19.

[C] is failliet verklaard op 20 december 2012. Ter zitting is door [gedaagden] verklaard dat in oktober 2012 van de kredietfaciliteit van Deutsche Bank, die toen

€ 1.600.000,- bedroeg, € 1.200.000,- was genomen, dat Deutsche Bank het krediet toen heeft verlaagd naar € 1,1 miljoen en dat per 1 januari 2013 de kredietlimiet is verlaagd naar € 1 miljoen. ‘Op dat moment’, direct na het faillissement van [C], zou Installatietechniek dus inderdaad geen geld uit de kredietfaciliteit hebben kunnen opnemen. Hierna is echter weer kredietruimte ontstaan. Immers, op 17 oktober 2013 heeft Vebu Holding ten laste van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] conservatoir derdenbeslag gelegd onder Deutsche Bank, naar aanleiding waarvan [gedaagden] in het kader van hun reconventionele vordering zelf aanvoeren dat de kredietruimte hierdoor is beperkt en als gevolg daarvan extern geld moest worden geleend. Niet gesteld of gebleken is dat de kredietruimte minder dan

€ 93.750,- bedraagt. Gelet op deze omstandigheden gaat de rechtbank er vanuit dat Installatietechniek, in de situatie dat zij niet was ontbonden, op enig moment na 1 januari 2013 weer over voldoende kredietruimte zou hebben beschikt om haar schuld aan Vebu Holding te kunnen voldoen.

Conclusie

4.20.

De conclusie luidt dat [gedaagde sub 1] (voorheen [gedaagde sub 3] Holding) en [gedaagde sub 3] aansprakelijk zijn voor de schade van Vebu Holding (voorheen Hebutech Holding), zodat zij hoofdelijk zullen worden veroordeeld tot betaling aan Vebu Holding van de hoofdsom ter hoogte van € 93.750,-. De gevorderde wettelijke handelsrente (artikel 6:119a BW) is niet toewijsbaar nu de hoofdsom betrekking heeft op de vergoeding van schade. Wettelijke rente (artikel 6:119 BW) is wel toewijsbaar. Daarbij wordt in beginsel aansluiting gezocht bij de data waarop de betalingstermijnen op grond van de beëindigingsovereenkomst opeisbaar zouden zijn geworden. De door [C] per 31 december 2012 verschuldigde betalingstermijn had echter niet direct na die datum bij Installatietechniek kunnen worden geïncasseerd omdat er op dat moment geen kredietruimte was. Het op 17 oktober 2013 gelegde beslag onder Deutsche Bank heeft wel doel getroffen. Bij gebrek aan een ander aanknopingspunt ten aanzien van de per 31 december 2012 verschuldigde termijn zal de wettelijke rente over dat bedrag (€ 31.250,-) worden toegewezen met ingang van 17 oktober 2013 tot en met 31 december 2013. Over € 62.500,- wordt de wettelijke rente toegewezen met ingang van

1 januari 2014 tot en met 30 september 2014 en over € 93.750,- met ingang van 1 oktober 2014.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.21.

Vebu c.s. stellen buitengerechtelijke kosten gemaakt te hebben en vorderen hoofdelijke veroordeling tot vergoeding daarvan tot een bedrag van € 1.712,50. De rechtbank toetst de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn aan de eisen voor dergelijke vorderingen zoals deze zijn geformuleerd in het Rapport BGK-integraal. Voldaan dient te worden aan het vereiste dat alleen redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt kunnen worden toegewezen. In dit geval is niet gebleken dat niet aan dit vereiste is voldaan, zodat de rechtbank de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal toewijzen.

Beslagkosten

4.22.

Vebu c.s. vorderen [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar, met uitzondering van de explootkosten ter zake van de ten laste van [gedaagde sub 2] gelegde beslagen (€ 273,13), nu de vorderingen tegen die vennootschap zullen worden afgewezen. De beslagkosten worden begroot op € 1.265,16 voor verschotten (€ 676,16 explootkosten en

€ 589,- griffierecht) en € 1.421,00 voor salaris advocaat (1 rekest x € 1.421,00); in totaal

€ 2.686,-. De gevorderde wettelijke rente over de beslagkosten zal worden toegewezen op de wijze zoals vermeld in het dictum.

Proceskosten

4.23.

Nu [gedaagde sub 2] niet afzonderlijk griffierecht heeft betaald en dezelfde advocaat heeft als [gedaagde sub 3] Holding en [gedaagde sub 3] zullen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partijen hoofdelijk in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Vebu Holding worden begroot op:

- dagvaarding € 76,71

- griffierecht 1.247,00 (€ 1.836,00 - € 589,00 voor het beslagrekest)

- salaris advocaat 2.842,00 (2,0 punten × tarief € 1.421,00)

Totaal € 4.165,16

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen op de wijze zoals vermeld in het dictum.

in reconventie

4.24.

[gedaagden] vorderen opheffing van de ten laste van hen gelegde beslagen en hoofdelijke veroordeling tot vergoeding van de schade die zij als gevolg van de beslagen hebben geleden, nader op te maken bij staat. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

4.25.

Bijzondere omstandigheden daargelaten is de beslaglegger wiens beslag ten onrechte blijkt te zijn gelegd, aansprakelijk uit onrechtmatige daad jegens degene op wiens recht het beslag inbreuk heeft gemaakt. Op een beslaglegger rust een risicoaansprakelijkheid voor de gevolgen van het door hem gelegde beslag, indien de vordering waarvoor beslag is gelegd geheel ongegrond blijkt. Hieraan doet niet af dat de beslaglegger, op verdedigbare gronden van het bestaan van zijn vorderingsrecht overtuigd, bij het leggen van het beslag niet lichtvaardig heeft gehandeld.

4.26.

De omstandigheid dat de vorderingen waarvoor beslag is gelegd in conventie met betrekking tot [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] zullen worden toegewezen brengt mee dat de ten laste van hen gelegde beslagen niet zullen worden opgeheven. In conventie zullen de vorderingen tegen [gedaagde sub 2] echter worden afgewezen. Het ten laste van [gedaagde sub 2] gelegde beslag onder Deutsche Bank zal dan ook worden opgeheven. Ook moet worden geconcludeerd dat Vebu c.s. door het leggen van beslag onrechtmatig jegens [gedaagde sub 2] hebben gehandeld en dat Vebu c.s. aansprakelijk zijn voor de schade die [gedaagde sub 2] als gevolg daarvan heeft geleden.

4.27.

[gedaagde sub 2] betoogt dat zij als gevolg van het beslag niet over geld kan beschikken en extern geld heeft moeten lenen en dat zij ook andere kosten heeft moeten maken die het directe gevolg zijn van de beslaglegging. Vebu c.s. hebben dit niet weersproken zodat voldoende aannemelijk is dat [gedaagde sub 2] als gevolg van het beslag schade heeft geleden. De vordering tot vergoeding van schade van [gedaagde sub 2], op te maken bij staat, zal dan ook worden toegewezen.

4.28.

Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan Vebu Holding te betalen een bedrag van € 95.462,50 (vijfennegentig duizendvierhonderdtweeënzestig euro en vijftig eurocent; dit is inclusief € 1.712,50 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over € 31.250,- met ingang van 17 oktober 2013 tot en met 31 december 2013, over € 62.500,- met ingang van 1 januari 2014 tot en met 30 september 2014 en over € 93.750,- met ingang van 1 oktober 2014 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 2.686,16, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de vijftiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van Vebu Holding tot op heden begroot op € 4.165,16, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de vijftiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.6.

heft op het ten laste van [gedaagde sub 2] gelegde beslag onder Deutsche Bank,

5.7.

veroordeelt Vebu en Vebu Holding hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, tot vergoeding van de schade die [gedaagde sub 2] heeft geleden als gevolg van het door hen gelegde conservatoire beslag, nader op te maken bij staat,

5.8.

verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.9.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.10.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.J. van den Boom en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2014.1

1 type: JvdB/4223 coll: JWF/4231