Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:4284

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
16-07-2014
Datum publicatie
07-11-2014
Zaaknummer
C/16/340529 / HA ZA 13-208
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/340529 / HA ZA 13-208/DJVM4098

Vonnis van 16 juli 2014

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE GEMEENTE UTRECHT,

zetelend te Utrecht,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. O.P. van Tricht,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

OVAST ONTWIKKELING B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

OVAST ONTWIKKELING 2 B.V.,

gevestigd te Utrecht,

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats],

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

OVAST RIJNVLIET B.V.,

gevestigd te Utrecht,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BEHEERMAATSCHAPPIJ DE UTRECHTSE B.V.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagden in conventie,

Ovast Ontwikkeling B.V., Ovast Ontwikkeling 2 B.V. ,[gedaagde sub 3] en Ovast Rijnvliet BV zijn tevens eisers in reconventie,

advocaat mr. M. Stokdijk.

Eiser in conventie, verweerder in reconventie zal hierna de Gemeente worden genoemd. Gedaagde in conventie, eisers in reconventie zullen gezamenlijk Ovast c.s. worden genoemd, dan wel ieder afzonderlijk, Ovast Ontwikkeling, Ovast Ontwikkeling 2, [gedaagde sub 3], Ovast Rijnvliet en Beheermaatschappij genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 30 januari 2013

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 23 april 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 20 september 2004 is tussen de Gemeente en de rechtsvoorgangsters van Ovast Ontwikkeling de Samenwerkingsovereenkomst “Het Zand” tot stand gekomen. Het betreft een ontwikkelings- en realisatieovereenkomst van diverse percelen bouwgrond in het plangebied Leidsche Rijn te Utrecht, deelgebied het Zand.

2.2.

Op 20 september 2004 is tussen de Gemeente en de rechtsvoorgangster van Ovast Ontwikkeling de Samenwerkingsovereenkomst “Leidsche Maan” tot stand gekomen. Het betreft een ontwikkelings- en realisatieovereenkomst van bouwlocatie “Leidsche Maan” in het plangebied Leidsche Rijn te Utrecht, deelgebied het Zand.

2.3.

Beide hiervoor genoemde overeenkomsten zijn gewijzigd bij Wijzigingsovereenkomsten van 8 december 2009.

2.4.

Bij onderhandse akte van geldlening van 21 april 2010 heeft de Gemeente aan Ovast Rijnvliet geleend een bedrag van € 1.800.000,-, uiterlijk terug te betalen op 1 april 2012. Gelijktijdig met het sluiten van deze geldleningsovereenkomst is tussen de Gemeente en Beheermaatschappij een borgtochtovereenkomst tot stand gekomen. Bij aangetekend verzonden brief van 24 mei 2012 aan Ovast Rijnvliet heeft de Gemeente terugbetaling van het geleende bedrag gevorderd vermeerderd met rente.

2.5.

Op 27 april 2011 is tussen de Gemeente en Ovast Ontwikkeling 2 de Uitgifteovereenkomst tot stand gekomen ter zake van de verkoop van diverse bouwrijpe percelen grond in het deelgebied Het Zand Leidsche Rijn (hierna de Uitgifteovereenkomst) voor een koopsom ad € 4.584.500,00 exclusief BTW prijspeil 1 december 2010.

2.6.

Op 27 april 2011 is tussen de Gemeente en Ovast Ontwikkeling, Ovast Ontwikkeling 2 en [gedaagde sub 3] een op de Uitgifteovereenkomst, aanvullende overeenkomst tot stand gekomen, waarin is bepaald dat de door Ovast Ontwikkeling 2 verschuldigde koopprijs voor de gronden genoemd in de Uitgifteovereenkomst € 5.515.396,24 exclusief BTW bedraagt prijspeil 1 december 2010. Ovast Ontwikkeling heeft zich in deze overeenkomst hoofdelijk verbonden tot betaling van de koopprijs. Daarnaast heeft [gedaagde sub 3] zich jegens de Gemeente borg gesteld tot betaling van de koopprijs, bij overeenkomst van borgtocht van 27 april 2011.

2.7.

De Gemeente en Ovast Rijnvliet hebben op 8 december 2008 een Bouwclaimovereenkomst (hierna de Bouwclaimovereenkomst) gesloten, waarbij Ovast Rijnvliet een aantal percelen in het gebied Rijnvliet (deel uitmakend van Leidsche Rijn) in Utrecht aan de Gemeente heeft verkocht en de Gemeente zich heeft verplicht om aan Ovast Rijnvliet bouwrijp gemaakte kavels in dat gebied in erfpacht (terug) te leveren, met de daarbij behorende bouwrechten voor in totaal 1065 woningen. Artikel 18 van deze overeenkomst luidt:

18.1 Een partij verkeert in verzuim indien zij, na deugdelijk in gebreke te zijn gesteld, nalatig is en blijft binnen de gestelde termijn aan haar verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst te voldoen. Iedere ingebrekestelling dient schriftelijk per aangetekende met bericht van ontvangst te geschieden met inachtneming van een termijn van één maand, tenzij de aard van de tekortkoming een kortere termijn rechtvaardigt. Deze termijn kan reeds ingaan vóórdat een partij nalatig is.

18.2

De partij die in verzuim verkeert is ten behoeve van de wederpartij na afloop van de in 18.1 bedoelde termijn voor elke sedertdien verstreken dag tot aan de dag van nakoming een onmiddellijk opeisbare boete verschuldigd van € 5.000,- (zegge vijfduizend euro), onverminderd het recht op aanvullende schadevergoeding en vergoeding van kosten van verhaal. Ook indien de nalatige partij na ingebrekestelling binnen de gestelde termijn alsnog haar verplichtingen nakomt, is zij gehouden de schade te vergoeden die de wederpartij als gevolg van de tekortkoming in de nakoming heeft geleden of zal lijden. Geen verplichting tot schadevergoeding rust op de nalatige partij, aan wie de tekortkoming in de nakoming niet kan worden toegerekend.

18.3

Onverminderd het recht op schadevergoeding als bepaald in het vorige lid, kan de wederpartij van degene die in verzuim verkeert, ook door een rechterlijke uitspraak de gehele of gedeeltelijke ontbinding van deze overeenkomst vorderen.

De Gemeente heeft daarnaast een geldlening, genoemd hiervoor onder 2.4., verstrekt teneinde Ovast Rijnvliet in staat te stellen alsnog een aantal percelen in Rijnvliet, die Ovast Rijnvliet nog niet in eigendom had, te verwerven.

2.8.

Vanaf maart 2010 tot eind december 2011 hebben partijen bij de Bouwclaimovereenkomst in het zogenoemde Projectteam Rijnvliet overleg gevoerd, over – onder meer – het stedenbouwkundige plan Rijnvliet (hierna: SP).

2.9.

In januari 2012 heeft de Gemeente de geplande vervolgbijeenkomsten van dit projectteam afgelast.

2.10.

Ovast Rijnvliet heeft de Gemeente bij memo van 13 februari 2012 het zogeheten Memo 003, haar visie gegeven op het door de Gemeente ontwikkelde SP.

2.11.

De Gemeente heeft bij brief van 8 maart 2012 Ovast Rijnvliet bericht dat zij - de Gemeente - voorlopig niet inhoudelijk zal reageren op dat memo. Ten eerste wil de Gemeente de besluitvorming door het college van B. en W. afwachten, waarbij de Gemeente er op wijst dat een interne discussie gaande is betreffende de prioritering van de te bouwen woongebieden in de gemeente Utrecht. Ten tweede speelt een rol de discussie tussen Ovast Ontwikkeling en de Gemeente over de nakoming van de contractuele afspraken in deelgebied ’t Zand.

2.12.

Het SP is op 17 april 2012 vastgesteld.

2.13.

Bij brief van 26 april 2012 heeft de advocaat van Ovast Rijnvliet de Gemeente bericht dat zij - de Gemeente - op grond van de Bouwclaimovereenkomst een inspanningsverplichting heeft, inhoudende dat partijen door onderlinge samenwerking de ontwikkeling en bebouwing van het woongebied Rijnvliet dienen te realiseren. Voorts bericht Ovast Rijnvliet dat zij geen partij is bij de in 2004 gesloten Samenwerkingsovereenkomsten betreffende de ontwikkeling en bebouwing van woongebied ’t Zand. De Gemeente kan derhalve haar verplichting uit de Bouwclaimovereenkomst niet opschorten, aldus Ovast Rijnvliet in die brief. Tenslotte wordt de Gemeente in deze brief in gebreke gesteld en gemaand het overleg te hervatten in de week van 14 mei 2012.

2.14.

De Gemeente heeft bij brief van 23 mei 2012 aan Ovast Rijnvliet bericht dat zij het overleg niet zal hervatten, omdat de besluitvorming in de prioriteringsdiscussie toch nog niet is afgerond en dat dit nog een rol kan gaan spelen in de besluitvorming rondom de Voorjaarsnota begin juli 2012. Voor het overige stelt de Gemeente in deze brief dat er wat betreft het beroep op opschorting voldoende verband bestaat met de verplichtingen van partij Ovast (Ovast Ontwikkeling, de rechtbank) voortvloeiende uit Samenwerkingsovereenkomsten ‘t Zand en Leidsche Maan, nu deze in die gebieden geen kavels meer afneemt vanwege de stagnerende woningmarkt. Ook heeft Ovast Rijnvliet geen bewijs geleverd dat hetzelfde probleem niet ook bij Ovast Rijnvliet voor het gebied Rijnvliet speelt.

2.15.

Ovast Rijnvliet heeft de Gemeente op 10 augustus 2012 in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter van deze rechtbank en nakoming van het overleg op grond van de Bouwclaimovereenkomst gevorderd. De Gemeente heeft in die procedure in reconventie gevorderd dat Ovast Rijnvliet zal worden veroordeeld tot terugbetaling van de geldlening. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft bij vonnis van 12 oktober 2012 de vorderingen over en weer afgewezen.

2.16.

Ovast Rijnvliet en de Gemeente zijn beide van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof Leeuwarden-Arnhem. Bij arrest in kort geding van 17 december 2013 heeft het hof het vonnis in kort geding van 12 oktober 2012 bekrachtigd. Uit dit arrest blijkt dat partijen ter gelegenheid van de pleitzitting in hoger beroep overeenstemming hebben bereikt over hervatting van het onderlinge overleg in het kader van de Bouwclaimovereenkomst en dat dit zal worden hervat om Ovast Rijnvliet in staat te stellen een Voorlopig Ontwerp en daarna ook een Definitief Ontwerp van het eerste contigent van 100 woningen te maken.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

De Gemeente vordert (samengevat):

a. hoofdelijke veroordeling van Ovast Ontwikkeling, Ovast Ontwikkeling 2 en [gedaagde sub 3] tot betaling van € 1.002.560,20, vermeerderd met rente en kosten (Vordering 1.),

b. hoofdelijke veroordeling van Ovast Ontwikkeling en Ovast Ontwikkeling 2 tot betaling van € 2.446.468,77 vermeerderd met rente en kosten (Vordering 2.),

c. hoofdelijke veroordeling van Ovast Rijnvliet en Beheermaatschappij tot betaling van € 1.800.000,00 vermeerderd met rente en kosten (Vordering 3.).

3.2.

Ovast c.s. voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

Ovast Ontwikkeling, Ovast Ontwikkeling 2 en [gedaagde sub 3] hebben in reconventie gevorderd:

Dat de rechtbank, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

ter zake van Vordering 1.

1.I. artikel 6.2. van de Samenwerkingsovereenkomst Het Zand

Leidsche Rijn te Utrecht te vernietigen dan wel zodanig te wijzigen als de rechtbank zal vermenen te behoren;

1.II. te verklaren voor recht dat Ovast Ontwikkeling, Ovast Ontwikkeling 2 en [gedaagde sub 3] zich rechtens op opschorting van hun verplichtingen uit hoofde van hun verplichtingen uit producties 5, 6, en 10 van de dagvaarding kunnen beroepen;

1.III. de gemeente te veroordelen in de kosten van het geding in reconventie;

Ovast Rijnvliet heeft de volgende voorwaardelijke vordering in reconventie geformuleerd:

dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

4.I.1. de Gemeente zal gebieden binnen twee weken na betekening van het te wijzen vonnis, althans binnen een door de rechtbank te bepalen termijn, het overleg tussen partijen in het projectteam Rijnvliet in samenspraak met Ovast Rijnvliet feitelijk door het houden van een vergadering te hervatten en dit overleg tweewekelijks met voortvarendheid en met inachtneming van de eisen van redelijkheid en billijkheid – althans op de door de rechtbank te bepalen wijze – voort te zetten zodanig dat er zo spoedig mogelijk tenminste duidelijkheid is verkregen, respectievelijk gezamenlijke besluitvorming heeft plaatsgevonden over die onderwerpen waarover naar het oordeel van Ovast Rijnvliet duidelijkheid moet zijn verkregen, respectievelijk gezamenlijke besluitvorming moet hebben plaats gevonden, voordat Ovast Rijnvliet daadwerkelijk kan beginnen met de ontwikkeling van (een) bouwplan(-nen) voor de fase van 100 woningen in Rijnvliet-Zuid, met dien verstande dat tot bedoelde onderwerpen in elk geval worden gerekend de kwestie van de eerste 100 woningen, zoals onder 4.43 (van de conclusie van antwoord in conventie/eis in reconventie) bedoeld;

4.I.2. de Gemeente zal gebieden in het kader van het vorenbedoelde hervatte overleg gezamenlijk met Ovast Rijnvliet een nieuwe overall-planningproductie vast te stellen waarbij wordt uitgegaan van de huidige, actuele situatie en met dien verstande dat Ovast Rijnvliet door met die nieuwe planning in te stemmen, niet geacht kan worden daarmee de reeds opgetreden vertraging ten opzichte van de oorspronkelijk planning te hebben aanvaard en de daardoor opgetreden schade voor haar rekening te hebben genomen;

4.I.3. de Gemeente zal gebieden binnen vier weken na betekening van het te wijzen vonnis, althans binnen een door de rechtbank te bepalen termijn, een aanvang te maken met het bouwrijp maken van de eerste fase van het plangebied;

4.1.4.

de Gemeente zal gebieden, zich te onthouden van het stellen van aanvullende voorwaarden aan de nakoming van haar verplichting tot het bouwrijp maken, zoals het stellen van zekerheid door Ovast Rijnvliet met betrekking tot de afname van de door de Gemeente bouwrijp te maken c.q. gemaakte kavels.

Eén en ander op straffe van een dwangsom.

4.II. de Gemeente zal veroordelen tot betaling van een boetebedrag van € 5.000,00 per kalenderdag vanaf 26 april 2012 tot de dag van behoorlijke nakoming en in ieder geval tot en met 16 oktober 2013 te begroten op € 2.690.000,00, althans een door de rechtbank te bepalen vergoeding, wegens verzuim uit hoofde van artikel 18 lid 2 van de Bouwclaimovereenkomst;

4.III. de Gemeente te veroordelen tot (aanvullende) vergoeding van de door Ovast Rijnvliet geleden c.q. nog te lijden schade door het tekortschieten van de Gemeente in de nakoming van de overeenkomst, deze schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

4.IV. de Gemeente te veroordelen in de (na-)kosten.

3.5.

De Gemeente voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en in reconventie

Vordering 1. (conventie) en de vordering in reconventie tot vernietiging/beroep op opschorting zoals hiervoor onder rechtsoverweging 3.4. weergegeven onder 1.I.-1.III

4.1.

Ter zake van de levering van de in de uitgifte- en aanvullende overeenkomsten van 27 april 2011 bedoelde gronden op 29 april 2011 is in mindering op de koopprijs € 4.584.500,00 voldaan. Na verrekening van subsidiegelden en vermeerderd met de overeengekomen rente staat een nog te betalen bedrag open ad € 1.002.560,20, aldus de Gemeente. Op grond van artikel 3 lid 4 van de aanvullende overeenkomst is dit bedrag op 1 juni 2012 verschuldigd geworden. De Gemeente heeft per brief van 16 mei 2012 aanspraak gemaakt op betaling en heeft 13 juli 2012 haar factuur ingediend. Bij brief van 29 september 2012 heeft de advocaat van de Gemeente nogmaals aanspraak gemaakt op betaling en zijn Ovast Ontwikkeling, Ovast Ontwikkeling 2 en [gedaagde sub 3] in gebreke gesteld. De Gemeente vordert betaling te vermeerderen met de overeengekomen rente, of wel € 219,74 per dag vanaf 1 juni 2012. Aangezien Ovast Ontwikkeling hoofdelijk is verbonden en [gedaagde sub 3] zich borg heeft gesteld voor de betaling, betreft de vordering een vordering tot hoofdelijke veroordeling van alle hier genoemde partijen tot betaling.

4.2.

Ovast c.s. erkennen dat het gevorderde bedrag het onbetaald gebleven gedeelte van de koopsom is voor de van de Gemeente afgenomen gronden. Ovast c.s. voert een drieledig verweer. Ten eerste beroept zij zich op dwaling en vordert zij in reconventie de vernietiging van artikel 6.2 van de Samenwerkingsovereenkomst “Het Zand”van 20 september 2004 (zie rechtsoverweging 2.1., hierna: de Samenwerkingsovereenkomst). In dit artikel is het prijspeil per vierkante meter per 1 januari 2003 vastgesteld op € 285,27 en zijn de te hanteren de indexeringspercentages van die grondprijs per vierkante meter opgenomen vanaf 1 januari 2003, door Ovast c.s. “rentepercentages” genoemd. Volgens Ovast c.s. zijn deze rentepercentage destijds zo afgesproken, omdat de Gemeente had verklaard dat zij bij een grote Nederlandse bank tegen die rentepercentages een financiering had verkregen. Ovast Ontwikkeling 2 heeft nadien echter vernomen dat de gemeente de financiering heeft verkregen tegen een rente van 0,25%. Bij een indexering van eenzelfde percentage zou de grondprijs € 170,- per vierkante meter zijn geweest, aldus Ovast c.s. De Gemeente heeft zodoende de rechtsvoorgangers van Ovast Ontwikkeling misleid en haar - Ovast Ontwikkeling - komt een beroep op dwaling toe, dat dient te leiden tot vernietiging van artikel 6.2. van de Samenwerkingsovereenkomst, zoals gevorderd in reconventie.

Ten tweede, voor zover haar beroep op dwaling faalt, heeft Ovast c.s. ter terechtzitting een beroep gedaan op artikel 17 van de Samenwerkingsovereenkomst. Dit artikel bevat, vanwege de lange duur van de samenwerking, een hardheidsclausule, die inhoudt dat in redelijkheid geen strikte nakoming kan worden gevergd van de overeenkomst indien toekomstige feiten of omstandigheden daartoe aanleiding geven. Deze feiten en omstandigheden zijn, aldus Ovast c.s., de door de werking van indexering extreem gestegen grondprijs tegenover de scherpe renteval in de markt en de drastisch gedaalde vraag naar nieuwbouwappartementen in de markt, die niet was te voorzien toen partijen de Samenwerkingsovereenkomst sloten. Voor zover nodig beroept Ovast c.s. zich in dit verband ook op artikel 6:258 BW. Ook op deze gronden dient artikel 6.2. van de Samenwerkingsovereenkomst te worden vernietigd, aldus Ovast c.s.

Ten derde stelt Ovast c.s. dat haar een beroep op opschorting toekomt, zolang de Gemeente vasthoudt aan de hierna te behandelen Vordering 2., welke volgens Ovast c.s. is gebaseerd op een nietige overeenkomst. Door dit alles heeft de Gemeente Ovast Ontwikkeling en Ovast Ontwikkeling 2 schade berokkend, omdat het project niet meer financieel haalbaar is en Ovast Ontwikkeling en Ovast Ontwikkeling 2 geen opbrengsten meer kunnen genereren en in betalingsonmacht zijn geraakt.

4.3.

De Gemeente heeft ter terechtzitting nader verklaard dat zij geld leent op concernniveau, dat wil zeggen op basis van de gehele financiële behoefte van de Gemeente. Vervolgens leent de Afdeling Treasury van de Gemeente de gelden uit voor de verschillende programmaonderdelen, tegen een rente die strookt met de eigen rentevisie van de Gemeente. De Gemeente heeft uitdrukkelijk betwist dat zij tegen een rentetarief van 0,25% gelden heeft geleend voor dit project. Daar komt nog bij dat de rentetarieven in 2004 aanmerkelijk hoger waren dan thans het geval is.

4.4.

Volgens artikel 6:228 lid 1 onder a. BW is een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en die bij een juiste voorstelling niet zou zijn gesloten vernietigbaar, indien de dwaling te wijten is aan een inlichting van de wederpartij (i.c. de Gemeente), tenzij de wederpartij mocht aannemen dat de overeenkomst ook zonder die inlichting zou zijn gesloten. Op Ovast c.s. rust de stelplicht en de bewijslast dat de Gemeente haar verkeerde informatie heeft verstrekt, nu Ovast c.s. zich op het rechtsgevolg daarvan beroept. In het licht van de weergave door de Gemeente van de wijze waarop zij voorziet in haar financieringsbehoefte, heeft Ovast c.s. onvoldoende feiten en/of omstandigheden gesteld, die indien bewezen zouden kunnen leiden tot het oordeel dat de rechtsvoorgangers van Ovast c.s. dwaalden toen zij instemden met de indexeringspercentages in artikel 6.2 van de Samenwerkingsovereenkomst. Het beroep op dwaling faalt.

4.5.

Wat betreft het beroep op de hardheidsclausule in artikel 17 van de Samenwerkingsovereenkomst in verbinding met artikel 6: 258 BW overweegt de rechtbank als volgt. Ter zitting is aan Ovast c.s. voorgehouden de laatste zin van artikel 10.4 van de Samenwerkingsovereenkomst. Deze houdt in dat bij gewijzigde marktomstandigheden de Ontwikkelaar (lees de rechtsvoorgangers van Ovast Ontwikkeling, de rechtbank) gehouden is de bouwgrond van de Gemeente af te nemen tegen de overeengekomen prijs en op het overeengekomen tijdstip. Volgens Ovast c.s. wordt deze bepaling overruled door artikel 17 van de Samenwerkingsovereenkomst indien er omstandigheden zijn waardoor nakoming in redelijkheid niet meer mogelijk is. Ovast c.s. heeft daarvoor echter geen onderbouwing aangedragen. De rechtbank is van oordeel dat uit de tekst van de Samenwerkingsovereenkomst slechts kan worden afgeleid de laatste regel van artikel 10.4 van de Samenwerkingsovereenkomst moet worden beschouwd als een specialis ten opzichte van de algemeen geformuleerde hardheidsclausule van artikel 17 van de Samenwerkingsovereenkomst. Dit betekent dat artikel 17 geen ruimte biedt om op basis van de door Ovast c.s. geschetste marktontwikkelingen de uit de samenwerkingsovereenkomst voortvloeiende betalingsverplichtingen te wijzigen.

Het beroep van Ovast c.s. op artikel 6:258 BW faalt evenzeer. Volgens dit artikel kan de rechter op verlangen van een partij de gevolgen van een overeenkomst wijzigen of deze geheel of gedeeltelijk ontbinden op grond van onvoorzien omstandigheden welke van dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Deze bepaling is op de voet van artikel 6:250 BW van dwingend recht, maar dient door de rechter met terughoudendheid te worden toegepast. De door Ovast c.s. naar voren gebrachte omstandigheden zijn naar het oordeel van de rechtbank niet van dien aard dat deze een ontbinding of wijziging van artikel 6.2 van de Samenwerkingsovereenkomst kunnen rechtvaardigen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het hier gaat om een projectontwikkelingsovereenkomst ter zake van een grootschalig project tussen meerdere professionele partijen, met de daarbij behorende en te dragen risico’s over en weer.

4.6.

Nu het beroep van Ovast c.s. op artikel 17 van de Samenwerkingsovereenkomst faalt en, zoals hierna zal blijken, Vordering 2. zal worden toegewezen, kan het beroep op opschorting niet slagen. De hoofdsom van Vordering 1., of wel € 1.002.560,20 zal derhalve worden toegewezen. De daarnaast gevorderde rentevergoeding per dag vanaf 1 juni 2012 dient echter te worden verlaagd. In de door de Gemeente berekende hoofdsom1 tot 1 juni 2012 zijn reeds twee rentevergoedingen verdisconteerd van in totaal € 333.496,58 inclusief 19% BTW. Aangezien het een contractuele rentevergoeding van 8 % per jaar betreft, dient deze enkelvoudig te worden toegewezen. Het door de Gemeente berekende bedrag per dag betreft echter de samengestelde rente. Na aftrek van het rentedeel in de hoofdsom, resteert een saldo van € 669.063,70. De dagrente daarover is € 146,64. De vorderingen in reconventie op dit onderdeel zullen worden afgewezen

Vordering 2 (conventie)

4.7.

De Gemeente vordert nakoming van de in artikel 5 in de Aanvullende overeenkomst van 27 april 2011 opgenomen ”Betaling Afkoopregeling sociale sector. Schuldoverneming; instemming Gemeente”. Deze is door de Gemeente berekend op € 2.446.468,77 te betalen door Ovast Ontwikkeling 2.

De achtergrond van deze regeling is dat Ovast Ontwikkeling 2 in het gebied het Zand geen sociale woningbouw wenste te realiseren en deze verplichting wenste af te kopen. Volgens de Aanvullende overeenkomst zijn Ovast Ontwikkeling en Ovast Ontwikkeling 2 hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling. Bij brief van 16 mei 2012 heeft de Gemeente aanspraak gemaakt op betaling en zij heeft op 8 juni 2012 haar factuur ter zake gezonden. Bij brief van 29 september 2012 heeft de advocaat van de Gemeente nogmaals aanspraak gemaakt op betaling en worden Ovast Ontwikkeling, Ovast Ontwikkeling 2 in gebreke gesteld. De Gemeente vordert betaling van de hoofdsom ad € 2.446.468,77 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 1 juni 2012. Subsidiair vordert de gemeente dat de koopprijs wordt verhoogd met € 2.446.468,77 te vermeerderen met de handelsrente vanaf 1 juni 2012. Volgens de Gemeente gaat het hier om een bijstelling van de koopprijs. De destijds overeengekomen koopprijs van € 285,00 per vierkante meters was een gemiddelde koopprijs waarbij er van uit werd gegaan, dat een deel van de grond (30%) zou worden aangewend voor sociale woningbouw. Wanneer de verplichting tot sociale woningbouw komt te vervallen, zoals Ovast Ontwikkeling 2 wenste, dan zou zij de grond geheel kunnen aanwenden voor bouw in de vrije sector. De grondprijs per vierkante meter voor bouwen van vrije sector woningen is echter hoger, namelijk destijds € 350,- tot € 400,- per vierkante meter, of wel een verschil van € 65,- tot € 115,- per vierkante meter. De afkoopregeling ziet op dat verschil, aldus de Gemeente

4.8.

Het verweer van Ovast c.s. komt - kort gezegd - neer op het volgende. Tot 1 juli 2008 was het op grond van de Wet op de ruimtelijke ordening en de daarop gebaseerde jurisprudentie niet geoorloofd dat gemeenten hun beleidsdoelstellingen op het terrein van sociale woningbouw vertaalden in een bestemmingsplan. Op grond van de door haar aangehaalde jurisprudentie in de conclusie van antwoord/eis concludeert Ovast c.s. dat het de Gemeente ook niet was toegestaan om langs privaatrechtelijke weg haar beleidsdoelstelling op het gebied van sociale woningbouw door te voeren. Dit brengt met zich, aldus Ovast c.s., dat de op dat beleid gebaseerde artikel 11 van de Samenwerkingsovereenkomsten uit 2004 (zie rechtsoverwegingen 2.1. en 2.2.), waarin partijen de mogelijkheid hebben geschapen om de verplichting tot sociale woningbouw af te kopen, nietig is. Daarnaast betoogt Ovast c.s. onder verwijzing naar jurisprudentie van vóór 1 juli 2008 dat de afkoopregeling nietig is, omdat deze moet worden gekwalificeerd als een exploitatiebijdrage die geen grondslag vindt in de destijds geldende Exploitatieverordening en voorts sterke overeenkomst vertoond met een belastingheffing waarvoor een wettelijke grondslag ontbreekt.

4.9.

De rechtbank stelt voorop dat de het als gevolg van een wijziging in de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro) sinds 1 juli 2008 wel aan gemeenten is toegestaan om hun beleidsdoelstellingen op het gebied van sociale woningbouw te vertalen in een bestemmingsplan. Ter terechtzitting heeft de Gemeente aangetoond dat in het bestemmingsplan Leidsche Rijn 1999 en de daarbij behorende planvoorschriften reeds als uitgangspunt is vastgesteld dat 30% van de woningbouw binnen de sociale sector moet worden gerealiseerd. Ovast c.s. heeft ter terechtzitting erkend dat het bestemmingsplan voorziet in een woonprogramma met 30% sociale woningbouw, maar zij vraagt zich af of de Samenwerkingsovereenkomst wel voldoet aan de huidige bepalingen van de Wro, omdat de Gemeente dat niet heeft gesteld. De Gemeente heeft ter terechtzitting vervolgens verklaard dat de Samenwerkingsovereenkomst voldoet aan de eisen van de Wro. Dit heeft Ovast c.s. niet, gemotiveerd, bestreden. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat er op dit moment een rechtsgeldige planologische basis is voor het voorschrift waarop de afkoopsom is gebaseerd.

Partijen hebben de Wijzigingsovereenkomst op 8 december 2009 ondertekend, dus na de wijziging van de Wro en daarmee de regeling met betrekking tot de afkoopsom zoals die is verwoord in artikel 11 van de Samenwerkingsovereenkomsten gewijzigd. Voor zover het bepaalde in artikel 11 van de Samenwerkingsovereenkomst nietig zou zijn geweest, had het op de weg van Ovast c.s. gelegen een beroep op deze nietigheid te doen. Ovast c.s. heeft dat niet gedaan, maar uitdrukkelijk ingestemd met een wijziging van het bepaalde in artikel 11 van de Samenwerkingsovereenkomst in één afkoopregeling, vervat in een nieuwe overeenkomst die binnen het toen geldende planologische kader was toegestaan. Dit betekent dat het verweer van Ovast c.s. dat sprake is van een destijds bedongen ontoelaatbare exploitatiebijdrage geen hout (meer) snijdt. Van een verkapte vorm van belastingheffing is, gelet op de door de Gemeente gegeven toelichting, evenmin sprake. Dit betekent dat het beroep op nietigheid van Ovast c.s. faalt. Vordering 2 is derhalve toewijsbaar.

Vordering 3 (conventie)

4.10.

De Gemeente vordert terugbetaling van de door haar bij onderhandse akte aan Ovast Rijnvliet verstrekte geldlening van 21 april 2010 groot € 1.800.000,-- met een rente vergoeding van 10% per jaar, vanaf 1 april 2012. Deze lening had een looptijd tot 1 april 2012 en diende op die datum afgelost te zijn. Ovast Rijnvliet heeft de lening op die datum niet afgelost. De Gemeente heeft bij brief van 24 mei 2012 de lening vermeerderd met de rente opgeëist.

4.11.

Ovast Rijnvliet erkent het bedrag te hebben geleend, maar beroept zich wat betreft de terugbetaling op opschorting omdat zij door toedoen van de Gemeente geen revenuen uit de Bouwclaimovereenkomst ontvangt, waardoor zij de lening niet kan terugbetalen. Tussen de geldlening en de Bouwclaimovereenkomst bestaat daarvoor voldoende samenhang, aldus Ovast Rijnvliet. Subsidiair beroep Ovast Rijnvliet zich op verrekening met de boete die de Gemeente inmiddels op grond van artikel 18.2 van de Bouwclaimovereenkomst heeft verbeurd en waarvoor zij ook een reconventionele vordering heeft ingesteld .

4.12.

Vast staat dat de geldlening op 1 april 2012 diende te zijn terugbetaald. De vertraging die in de uitvoering van de Bouwclaimovereenkomst is ontstaan en waarop het beroep op opschorting is gebaseerd, is van latere datum, zodat reeds daarom het beroep op opschorting niet kan slagen. Het beroep op verrekening kan niet slagen, omdat artikel 8 van de geldleningsovereenkomst een beroep op verrekening uitsluit. De Gemeente heeft zich ter terechtzitting uitdrukkelijk op dit artikel beroepen. Nu Beheermaatschappij zich borg heeft gesteld voor de terugbetaling van de lening, is zij hoofdelijk verbonden. Vordering 3 ligt voor toewijzing gereed.

Hervatten overleg; vordering in reconventie onder 4.I.1.

4.13.

De vordering op dit onderdeel is in kort geding, in twee instanties, behandeld en afgewezen. De Gemeente heeft betoogd dat Ovast Rijnvliet geen belang meer heeft bij deze vordering, nu partijen hun overleg hebben hervat, op grond op de pleitzitting in het hoger beroep gemaakte afspraken. Ter zitting heeft Ovast Rijnvliet erkend dat het overleg is hervat op 25 november 2013, maar dat dit “in de praktijk nogal tegen valt en niet alle aspecten betreft waarover overleg noodzakelijk is”.

4.14.

Hoewel de bodemrechter niet gebonden is aan een in kort geding gegeven beslissing, ziet de rechtbank geen gronden aanwezig om anders te beslissen, ook niet over de wijze waarop het overleg moet worden ingevuld volgens Ovast Rijnvliet. Vast staat dat het overleg waarop de vordering betrekking heeft, weer is hervat, zodat Ovast Rijnvliet geen meer belang heeft bij haar vordering. De rechtbank begrijpt, zoals het hof ook signaleert in het arrest in kort geding van 17 december 2013, dat de kwestie achterpaden/brandgangen, waarin partijen diametraal tegen over elkaar staan, nog steeds speelt. Nu partijen dit geschilpunt niet hebben voorgelegd aan de bodemrechter, kan in deze zaak daarover niet worden beslist. De vordering op dit onderdeel zal worden afgewezen.

Bevel om nieuwe planning vast te stellen; vordering in reconventie onder 4.I.2

4.15.

Ovast Rijnvliet vordert dat de rechtbank zal gebieden in het kader van het hervatte overleg gezamenlijk met Ovast Rijnvliet een nieuwe overall planning vast te stellen.

4.16.

Het verweer van de Gemeente houdt in dat elke een grondslag voor deze vordering ontbreekt. Daarnaast stelt de Gemeente dat er door de Gemeente al een voorstel voor een globale planning is gedaan. De Gemeente stelt voorts de planning van tijd tot tijd te zullen actualiseren, zoals gebruikelijk is, maar dat zolang niet duidelijk is wanneer Ovast Rijnvliet in staat zal zijn een aanvang te maken met de bouw, het aanpassen van de planning niet goed mogelijk is.

4.17.

Ovast Rijnvliet heeft na het verweer van de Gemeente, niet aangegeven op welke grondslag haar vordering berust. Evenmin heeft zij betwist dat de Gemeente al een planning heeft voorgesteld. Ook heeft Ovast Rijnvliet niet betwist dat het actualiseren van de planning wordt bemoeilijkt door het uitblijven van een beslissing over de aanvang van de bouw, noch heeft zij aangegeven wanneer zij met de bouw wenst te starten. De rechtbank komt op grond van het bovenstaande tot het oordeel dat de vordering op dit onderdeel als zijnde ongegrond moet worden afgewezen.

Bevel om gronden thans bouwrijp te maken; vordering in reconventie onder 4.I.3

4.18.

Ovast Rijnvliet vordert dat de Gemeente zal worden verplicht om te starten met het bouwrijp maken van de grond.

4.19.

Het meest verstrekkende verweer van de Gemeente komt er op neer dat zij voor het bouwrijp maken van de grond minder tijd nodig zal hebben dan Ovast Rijnvliet nodig zal hebben om de bouw voor te bereiden. De tijd die de Gemeente nodig zal hebben voor het bouwrijp maken is maximaal 12 maanden. De tijd die Ovast Rijnvliet nog nodig heeft om een aanvang te kunnen maken met de bouw, berekent de Gemeente op een kleine twee jaar. Dit betekent aldus de Gemeente dat wanneer zij begin/medio 2015 begint met het bouwrijp maken, zij nog ruimschoots op tijd zal zijn. Daarnaast betoogt de Gemeente dat van haar thans niet kan worden gevergd 20 miljoen euro uit te geven voor het bouwrijp maken van de grond, zonder dat duidelijk is wanneer en of Ovast Rijnvliet de verplichtingen tot realisering van de bouwclaims zal nakomen.

4.20.

De vordering op dit onderdeel is in kort geding, in twee instanties, behandeld en afgewezen. Ook hier ziet de rechtbank geen gronden aanwezig om anders te beslissen dan het Gerechtshof in kort geding heeft gedaan, nu ook in de bodemzaak onbestreden is gebleven dat de voorbereidingstijd van Ovast Rijnvliet voor de bouw aanzienlijk langer zal zijn dat het bouwrijp maken van de grond en Ovast Rijnvliet heeft nagelaten concrete mededelingen te doen over de duur van haar voorbereidingstraject. Ovast Rijnvliet heeft derhalve niet inzichtelijk gemaakt dat zij voldoende belang heeft bij het door haar gevorderde bevel. De vordering op dit onderdeel wordt afgewezen.

Gebod om zich te onthouden van het stellen van voorwaarden aan bouwrijp maken; vordering in reconventie onder 4.I.4

4.21.

Ovast Rijnvliet heeft haar vordering op dit onderdeel niet, althans onvoldoende toegelicht. Daarnaast is het gevorderde verbod in algemene bewoordingen geformuleerd en daardoor te weinig concreet om tot een toewijzing te kunnen komen.

Boete; vordering in reconventie onder 4.II

4.22.

Ovast Rijnvliet stelt dat de Gemeente tekort is geschoten in de uitvoering van de Bouwclaimovereenkomst door, ondanks de sommatie van Ovast Rijnvliet daartoe, niet over te gaan tot hervatting van het projectteamoverleg. Door de ingebrekestelling van 26 april 2012 is de Gemeente in verzuim geraakt en verbeurt zij op grond van artikel 18 van de Bouwclaimovereenkomst een boete van € 5.000,- per dag vanaf de datum van het intreden van het verzuim tot aan de datum dat het overleg is hervat, dat is vanaf 26 april 2012 tot 25 november 2013.

4.23.

De Gemeente stelt dat de ingebrekestelling van 26 april 2012 niet kan hebben geleid tot het verbeuren van een enige boete, omdat in deze brief een te korte termijn voor de nakoming wordt gehanteerd, namelijk 10 dagen. Artikel 18.1 van de Bouwclaim stelt deze termijn op een maand. Daarnaast stelt de Gemeente dat Ovast Rijnvliet in haar vordering tot hervatting van het overleg te ver voerende randvoorwaarden stelt, waarmee zij - Ovast Rijnvliet - miskent, wat partijen contractueel hebben geregeld en op welke wijze partijen de verantwoordelijkheden hebben afgebakend. Tenslotte betoogt de Gemeente dat de vordering is achterhaald, omdat partijen over de hervatting van het overleg een regeling hebben getroffen ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep, en dat Ovast Rijnvliet toen geen voorbehoud heeft gemaakt ter zake van haar boetevordering. Subsidiair verzoekt de Gemeente de boete te matigen tot nihil.

4.24.

Vast staat dat partijen vanaf maart 2010 tot eind december 2011 overleg hebben gevoerd en dat de Gemeente de in januari 2012 geplande overlegbijeenkomst van het projectteam Rijnvliet heeft afgelast en, ondanks verzoeken van Ovast Rijnvliet daartoe, heeft geweigerd het overleg op dat moment te hervatten, op de gronden die de Gemeente heeft aangevoerd in haar brief van 23 mei 2012. Vast staat dat het overleg inmiddels is hervat, met ingang van 25 november 2013. De vraag die hier voor ligt, is of de Gemeente op de gronden die zij heeft aangevoerd in haar brieven van 8 maart en 23 mei 2012 het voordien tot eind 2011 gevoerde overleg heeft mogen opschorten en, zo nee, of de Gemeente in verzuim is gekomen en de boete heeft verbeurd. Niet van belang is derhalve welke eisen partijen nadien hebben gesteld aan het hervatten/gestaakt houden van het overleg.

Op dezelfde gronden als door de voorzieningenrechter van deze rechtbank opgesomd onder rechtsoverweging 4.6. van het vonnis in kort geding van 12 oktober 2012, komt de rechtbank tot het oordeel dat de Gemeente toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de op grond van de in de Bouwclaimovereenkomst op haar rustende inspanningsverplichting de bouwclaims te realiseren. Het moge zo zijn dat de Gemeente gerechtigd was het overleg tijdelijk te schorsen in afwachting van de vaststelling van het SP, maar nadat dit was vastgesteld op 17 april 2012, diende het overleg te worden hervat. De Gemeente heeft niet, althans onvoldoende toegelicht welke belemmeringen er waren om het overleg na 17 april 2012 gestaakt te houden. Het beroep op opschorting van de Gemeente in haar brieven van 8 maart en 23 mei 2012 faalt. Voor opschorting van de verbintenissen als de onderhavige is noodzakelijk dat er voldoende verband bestaat tussen de vordering die de gemeente stelt te hebben op Ovast Rijnvliet en de onderhavige vordering van Ovast Rijnvliet (artikel 6:52 BW). De Gemeente onderbouwt dit verband slechts door te verwijzen naar de verplichtingen die voortvloeien uit de Samenwerkingsovereenkomsten. Bij deze overeenkomsten is Ovast Rijnvliet echter geen partij, net zo min als Ovast Ontwikkeling (de contractspartij bij de Samenwerkingsovereenkomst en haar rechtsvoorgangers) partij zijn bij de Bouwclaimovereenkomst. Een ander verband als bedoeld in artikel 6:52 BW is door de Gemeente niet geschetst. De rechtbank overweegt in dit verband voor de goede orde dat het enkele feit dat [gedaagde sub 3] indirect bestuurder en aandeelhouder is van alle betrokken besloten vennootschappen, onvoldoende is om dit verband aan te nemen.

Juist is de stelling van de Gemeente dat artikel 18.1 van de Bouwclaimovereenkomst een ingebrekestellingstermijn kent van één maand. Anders dan de Gemeente betoogt, heeft dit niet tot gevolg dat de brief van 26 april 2012 geen in gebreke stellende kracht heeft, maar wel dat de Gemeente de boete is gaan verbeuren vanaf een latere datum, namelijk 26 mei 2012. Op 25 november 2013 is het overleg hervat, zodat vast staat dat het overleg gedurende 547 dagen heeft stil gelegen. De Gemeente heeft derhalve een boete verbeurd van (547 x € 5.000,00 =) € 2.735.000,00. Het feit dat Ovast Rijnvliet bij het maken van de afspraken om het overleg te hervatten geen voorbehoud heeft gemaakt ter zake van de boete, betekent niet zonder meer dat Ovast Rijnvliet daarmee het recht op de contractuele boete zou hebben prijsgegeven. De Gemeente voert geen feiten of omstandigheden aan, waaruit blijkt dat Ovast Rijnvliet afstand heeft gedaan van haar aanspraken op de boete. De Gemeente heeft evenmin voldoende aangevoerd op grond waarvan kan worden geoordeeld dat in de gegeven omstandigheden de billijkheid klaarblijkelijk eist dat de boete moet worden gematigd. Toewijsbaar op dit onderdeel is derhalve een som groot € 2.735.000,00.

Schadestaat; vordering in reconventie onder 4.III;

4.25.

Zoals hiervoor geoordeeld en beslist is de Gemeente toerekenbaar te kort geschoten in de nakoming van haar verplichting uit de Bouwclaimovereenkomst. Op grond daarvan is aannemelijk dat door het gestaakt houden van het overleg een vertraging in de uitvoering van de Bouwclaimovereenkomst is opgetreden. Aannemelijk is ook dat Ovast Rijnvliet daardoor mogelijk schade heeft geleden. Deze is echter thans niet te begroten, zodat een verwijzing naar de schadestaat voor de hand ligt en zal worden toegewezen.

De proceskosten

4.26.

Wat betreft de conventie zal Ovast c.s. zal als de nagenoeg geheel in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de proceskosten van het geschil in conventie. Deze kosten worden als volgt begroot:

  • -

    dagvaarding € 94,70

  • -

    vast recht € 3.715,00

  • -

    salaris advocaat € 6.422,00 (2 punten tarief VII a € 3.211,00 per punt).

Totaal € 10.234,79

4.27.

Wat betreft de reconventie zal de Gemeente als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten. Deze kosten worden als volgt begroot:

- salaris advocaat € 6.422,00 (2 punten tarief VII a € 3.211,00 per punt).

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

veroordeelt Ovast Ontwikkeling, Ovast Ontwikkeling 2 en [gedaagde sub 3] hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de Gemeente te voldoen € 1.002.560,20, te vermeerderen met de contractuele rente van 8% per jaar over € 669.063,70 vanaf 1 juni 2012 tot aan de dag der voldoening.

5.2.

veroordeelt Ovast Ontwikkeling, Ovast Ontwikkeling 2 hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de Gemeente te voldoen € 2.446.468,77 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 1 juni 2012 tot de dag van voldoening.

5.3.

veroordeelt Ovast Rijnvliet en Beheersmaatschappij hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de Gemeente te voldoen € 1.800.000,00 te vermeerderen met de contractuele rente van € 493,00 per dag vanaf 1 april 2012 tot de dag van voldoening.

5.4.

veroordeelt Ovast c.s. in de proceskosten aan de zijde van de Gemeente begroot op € 10.234,79.

5.5.

veroordeelt Ovast c.s., onder voorwaarde dat hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door de Gemeente niet volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 131,00 aan salaris advocaat.

in reconventie

5.6.

veroordeelt de Gemeente om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Ovast Rijnvliet te voldoen € 2.735.000,00.

5.7.

veroordeelt de Gemeente om aan Ovast Rijnvliet te voldoen de door Ovast Rijnvliet geleden en nog te lijden (aanvullende) schade als gevolg het staken en gestaakt houden van het overleg in de periode 26 mei 2012 tot 25 november 2013, welke schadevergoeding nader is op te maken bij staat.

5.8.

veroordeelt de Gemeente in de proceskosten aan de zijde van Ovast Rijnvliet begroot op € 6.422,00.

5.9.

veroordeelt de Gemeente, onder voorwaarde dat hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door Ovast Rijnvliet niet volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 131,00 aan salaris advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving.

in conventie en reconventie

5.8.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

5.9.

wijst af hetgeen anders of meer is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.W.J. van Veen, mr. D.C.P.M. Straver en mr. D.J. van Maanen en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2014.2

1 Zie productie 10 bij de dagvaarding

2 type: DJvM/4098coll: rwjvv en dcpms