Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:4190

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29-08-2014
Datum publicatie
23-09-2014
Zaaknummer
16-652106-13, 16-653197-13, 16-512390-11 (tul), 16-512646-11 (tul) en 16-653334-12 (tul)
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Diefstallen, bedreiging en belediging. Tien weken jeugddetentie, waarvan drie weken voorwaardelijk met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummers: 16-652106-13, 16-653197-13, 16-512390-11 (tul), 16-512646-11 (tul) en 16-653334-12 (tul) (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 29 augustus 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1995],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[woonplaats], [adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 13 mei en 15 augustus 2014. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door

mr. J. Zevenboom, advocaat te Almere. De afzonderlijk aangebrachte zaken met de parketnummers 16-652106-13 en 16-653197-13 zijn ter terechtzitting gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

16-652106-13

feit 1: op 10 januari 2013 samen met anderen heeft ingebroken in een woning aan de [adres] te [plaats] en daarbij goederen heeft weggenomen van [benadeelde 1];

feit 2: op 10 maart 2013 te [plaats] de politieagenten [agent 1] en [agent 2] heeft bedreigd;

feit 3: op 10 maart 2013 te [plaats] voornoemde politieagenten heeft beledigd;

16-653197-13

feit 1: primair op 23 mei 2013 te [plaats] samen met anderen [slachtoffer] met geweld heeft bestolen van haar tas, subsidiair voornoemde tas heeft geheeld in de periode van 23 tot en met 30 mei 2013;

feit 2: op 30 mei 2013 te [slachtoffer] samen met anderen een kentekenplaat heeft gestolen van [benadeelde 2].

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten 1, 2 en 3 van 16-652106-13 en feit 2 van 16-653197-13 heeft begaan en baseert zich daarbij op de inhoud van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

De officier van justitie acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 1 van 16-653197-13 heeft begaan en verzoekt de rechtbank dan ook om de verdachte daarvan vrij te spreken.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van 16-652106-13 bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van de feiten 1 en 2. De verdediging heeft zich voor wat betreft feit 3 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het onder 1 ten laste gelegde feit kan niet wettig en overtuigend worden bewezen, omdat er onvoldoende bewijs is dat verdachte een van de personen is die de inbraak heeft gepleegd. Daarbij komt dat de staande houding van verdachte onrechtmatig was. Dit is een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering en dient te leiden tot uitsluiting van de waarnemingen van de verbalisanten.

Het onder 2 ten laste gelegde feit kan niet wettig en overtuigend worden bewezen, omdat niet kan worden vastgesteld dat bij de betrokken agenten redelijke vrees kon ontstaan dat verdachte hetgeen hij uitte ook daadwerkelijk zou uitvoeren.

De verdediging heef ten aanzien van 16-653197-13 bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van zowel feit 1 als feit 2, omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte een van de personen is die voornoemde feiten heeft gepleegd.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 1 van 16-653197-13 heeft begaan en zal hem daarvan dan ook vrijspreken. Het dossier bevat onvoldoende bewijs dat verdachte een van de personen is geweest die de diefstal met geweld dan wel de heling heeft gepleegd.

4.3.2

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten 1, 2 en 3 van 16-652106-13 en feit 2 van 16-653197-13 heeft begaan en overweegt daartoe het volgende.

Ten aanzien van 16-652106-13, feit 1

Overwegingen ten aanzien van de staande houding van verdachte

De verdediging heeft bepleit dat de staande houding van verdachte onrechtmatig was, omdat er geen redelijk vermoeden van schuld was en omdat deze staande houding geen doel trof nu verdachte reeds herkend was door de politie. Dit is een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering en dient te leiden tot uitsluiting van de waarnemingen van de verbalisanten, aldus de verdediging.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging en overweegt daartoe dat de staande houding niet onrechtmatig was en er aldus geen sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

Voor de stelling van de verdediging dat er geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld, geldt dat de rechtbank van oordeel is dat er op het moment van staande houding wel degelijk een redelijk vermoeden van schuld was. Verbalisanten kregen omstreeks 23.06 uur een melding van een inbraak aan de [adres] te [plaats]. Zeer korte tijd later, om 23.10 uur, zagen zij drie jongens door het tunneltje van de [adres] lopen. Van dit tunneltje is hen ambtshalve bekend dat het vaak wordt gebruikt als vluchtroute voor inbrekers. Voornoemd tunneltje lag bovendien op korte afstand van de [adres].

Voor de stelling van de verdediging dat de politie reeds wist wat de identiteit van verdachte was, geldt dat de enkele omstandigheid dat een politieman degene herkent die hij voor zich heeft niet met zich brengt dat – indien daartoe aanleiding is, bijvoorbeeld wegens het plegen van een misdrijf – de betrokkene zich niet zou hoeven te legitimeren of de politie naar diens identiteit geen onderzoek zou mogen doen. De rechtbank verwijst daarbij naar een uitspraak van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch met vindplaats ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ4723.

De bewijsmiddelen

Aangeefster [benadeelde 1] heeft verklaard dat zij op 10 januari 2013 omstreeks 23.00 uur hoorde dat er iemand in haar woning aan de [adres] te [plaats] liep. De schuifpui aan de achterzijde van de woning stond open. Zij zag vervolgens dat uit haar woning was weggenomen een laptop van het merk Toshiba, € 55,- euro aan bankbiljetten en een laptoplader.1

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij in de avonduren drie jongens naast de ingang van de achtertuin van [adres] zag staan. Zij zag dat ze in de achtertuin keken. Ze zag dat ze in versnelde pas wegliepen in de richting van de [adres].2

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zagen omstreeks 23.10 uur drie jongens door het tunneltje van de [adres] lopen. Het is hen ambtshalve bekend dat dit tunneltje vaak wordt gebruikt als vluchtroute voor inbrekers. Verbalisant [verbalisant 1] herkende één van de drie als de hem bekende verdachte. Verbalisant [verbalisant 1] voelde dat het shirt onder de jas van verdachte warm en klam aanvoelde. Dit warm en klam aanvoelen gold eveneens voor medeverdachte [medeverdachte]. De drie jongens zijn aangehouden.3

Verbalisant [verbalisant 3] is met zijn diensthond gaan lopen vanaf de achterzijde van de woning. Hierbij zag hij dat de hond een spoor volgde. Langs het pad zag verbalisant dat zijn diensthond bleef staan bij een laptoplader. De diensthond van verbalisant [verbalisant 4] volgde een spoor in dezelfde richting. Het spoor dat zijn diensthond vervolgens volgde kwam uit bij het tunneltje waar eerder de verdachten waren aangehouden.4

Verbalisant [verbalisant 5] heeft onderzoek gedaan rondom de woning aan de [adres]. De tuin werd afgeschermd door een hek met een tuindeur. Ter hoogte van die tuindeur lag een telefoon van het merk Nokia.5

De telefoon werd onderzocht en daarop werden sms-berichten aangetroffen. In een van de inkomende berichten stond dat op 10 januari 2013 tussen 9.15 en 13.00 uur een theoriecursus werd gehouden met aansluitend examen bij het CBR te [plaats].6

Uit onderzoek bij het CBR blijkt dat medeverdachte [medeverdachte] op 10 januari 2013 examen heeft gedaan bij het CBR te [plaats].7

Voorts werd de simkaart, welke in de aangetroffen telefoon zat, onderzocht. Onder ‘papa’ stond het telefoonnummer [telefoonnummer] vermeld. Voornoemd nummer had medeverdachte [medeverdachte] eerder al bij de politie opgegeven als het nummer van zijn vader.8

Nadere bewijsoverwegingen

De rechtbank acht, alle bewijsmiddelen in onderling verband en nauwe samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de woninginbraak samen met anderen heeft gepleegd.

Op de avond van de inbraak zijn drie jongens gezien bij de plaats delict. Zij keken in de achtertuin. Bij de deur van het tuinhek is later een telefoon aangetroffen, waarvan gelet op het onderzoek aan die telefoon, kan worden gesteld dat deze telefoon in gebruik is bij medeverdachte [medeverdachte]. Medeverdachte [medeverdachte] is samen met verdachte en nog een andere medeverdachte enkele minuten na de inbraak in de directe omgeving van de plaats delict aangetroffen. De plaats waar verdachte en de medeverdachten zijn aangetroffen is ook de plaats waar de diensthonden na het volgen van een spoor vanaf de plaats delict uitkwamen. Bij het volgen van het spoor is bovendien een laptoplader aangetroffen, terwijl door aangeefster onder andere een laptoplader is opgegeven als zijnde gestolen.

Ten aanzien van 16-652106-13, feit 2 en feit 3

De bewijsmiddelen

Op 10 maart 2013 waren verbalisanten [agent 1], brigadier van de politie, en [agent 2], aspirant van de politie, belast met de noodhulp in de gemeente [plaats] (O). Verbalisant [agent 2] ging over tot aanhouding van een manspersoon en hoorde dat die man zei: ‘kankerlijer, ik steek je neer’. Verbalisant [agent 1] kwam ter plaatse. [agent 1] hoorde dat de man zei: ‘stelletje kankerwouten, ik neuk jullie moeder, ik steek jullie neer’.9

De man bleek verdachte te zijn.10

Nadere overwegingen ten aanzien van de bedreiging

De verdediging heeft bepleit dat niet kan worden vastgesteld dat bij de betrokken agenten redelijke vrees kon ontstaan dat verdachte hetgeen hij uitte ook daadwerkelijk zou uitvoeren.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging en overweegt daartoe het volgende. Volgens vaste jurisprudentie is voor een veroordeling ter zake van bedreiging vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde redelijke vrees kan ontstaan dat het misdrijf waarmee is gedreigd werd ook zou worden gepleegd. De rechtbank is van oordeel dat daarvan in dit geval sprake was, zeker nu uit de bevindingen van de verbalisanten blijkt dat verbalisanten in de veronderstelling waren dat verdachte mogelijk in het bezit was van een mes.

Ten aanzien van 16-653197-13, feit 2

De bewijsmiddelen

Aangever [benadeelde 2] heeft verklaard dat hij zijn bromfiets van het merk Peugeot had geparkeerd aan de [adres] te [plaats]. Op 30 mei 2013 kwam hij bij zijn bromfiets en zag hij dat de blauwe kentekenplaat met nummer [kenteken] niet meer op zijn bromfiets zat.11

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij op 30 mei 2013, omstreeks 16.25 uur, op de [adres] twee jongens op een blauwe brommer zag. Hij zag dat de jongens afstapten, dat de bestuurder naar een geparkeerde brommer keek en dat de bijrijder naar de geparkeerde brommer liep en de kentekenplaat van deze brommer haalde. Getuige zag dat beide jongens om zich heen keken. Één van de jongens deed de kentekenplaat op de brommer waarmee ze waren gekomen. De bestuurder droeg een zwarte trainingsbroek met twee witte strepen aan de buitenzijden van de broekspijpen en een zwarte trui. De bijrijder droeg een grijze capuchontrui.12

Verbalisant [verbalisant 6] zag omstreeks 16.50 uur twee donker geklede personen op een blauwpaarse scooter. Verbalisant zag even later alleen de bestuurder met de scooter en herkent de bestuurder ambtshalve als verdachte. Verdachte was gekleed in een zwarte Adidas trainingsbroek met witte verticale strepen op de broekspijpen en een zwarte trui. Op het voetpad waarover verdachte reed zag hij ook een jongen met een grijze capuchontrui. Verbalisant zag een blauwe kentekenplaat op de scooter.13

Verbalisant [verbalisant 7] zag om 16.55 uur dat een jongen naar hem, verbalisant, toe kwam lopen en zag dat hij een blauw kentekenplaatje vasthield. Hij hoorde de jongen zeggen dat de kentekenplaat afkomstig was van de scooter van de jongen die een collega op dat moment vast had, te weten verdachte. De kentekenplaat was voorzien van het kenteken [kenteken] op naam van [benadeelde 2].14

Nadere bewijsoverwegingen

De rechtbank acht, alle bewijsmiddelen in onderling verband en nauwe samenhang bezien, mede gelet op de zeer korte tijdspanne, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de diefstal samen met een ander heeft gepleegd.

De verdachte heeft verklaard dat hij enkel een rondje had gereden op de scooter en dat hij niets te maken had met de diefstal van de kentekenplaat. De rechtbank acht dit, gelet op de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen, niet geloofwaardig.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

16-652106-13

feit 1

op 10 januari 2013 te [plaats], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, uit een woning gelegen aan de [adres], heeft weggenomen een laptop van het merk Toshiba, een laptoplader en ongeveer 55 euro, toebehorende aan [benadeelde 1];

feit 2

op 10 maart 2013 in de gemeente [plaats] (O), [agent 1] en [agent 2], respectievelijk brigadier en aspirant van politie, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [agent 1] en [agent 2] dreigend de woorden toegevoegd: ‘ik steek je neer’, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

feit 3

op 10 maart 2013 in de gemeente [plaats] (O), opzettelijk beledigend twee ambtenaren,

te weten [agent 1], brigadier van politie, en [agent 2], aspirant van politie, gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun/diens tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden ‘kankerlijer’ en ‘kankerwouten, ik neuk jullie moeder’, althans woorden van gelijke beledigende aard of strekking;

16-653197-13

feit 2

op 30 mei 2013 te [plaats], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen van een bromfiets (merk: Peugeot) een blauwe kentekenplaat, toebehorende aan [benadeelde 2].

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

16-652106-13, feit 1, en 16-653197-13, feit 2: telkens, diefstal door twee of meer verenigde personen;

16-652106-13, feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

16-652106-13, feit 3: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot tien weken jeugddetentie, met aftrek van voorarrest, waarvan drie weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank kan volstaan met jeugddetentie, waarvan de duur gelijk is aan de duur van het reeds door verdachte ondergane voorarrest. Indien de rechtbank van oordeel is dat daarnaast een voorwaardelijk strafdeel aan de verdachte moet worden opgelegd, verzoekt de verdediging de rechtbank om daarbij geen bijzondere voorwaarden op te leggen.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de feiten zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verdachte heeft met de diefstallen, waaronder een diefstal uit een woning, aangetoond geen respect te hebben voor de eigendommen van een ander. Verdachte is ten behoeve van zijn eigen gewin volledig voorbij gegaan aan het leed dat en de angst die hij daarmee bij anderen veroorzaakt.

Verdachte heeft met de bedreiging en belediging van politieagenten voorts het respect en het gezag ten aanzien van de ambtenaren die een publieke taak verrichten ondermijnd. Ook heeft hij hen in hun goede eer en naam aangetast.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 1 juli 2014, waaruit blijkt dat verdachte meermalen eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. In het bijzonder heeft de rechtbank overeenkomstig het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte op 14 maart 2013 is veroordeeld tot een werkstraf van 40 uur en nu opnieuw wordt schuldig verklaard aan een strafbaar feit vóór die datum gepleegd.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank tevens rekening gehouden met een hem betreffend rapport van Reclassering Nederland d.d. 13 augustus 2014, opgesteld door M. van der Horst, reclasseringswerker, waarin wordt geadviseerd om aan de verdachte een – gedeeltelijk – voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht op te leggen met een meldplicht, met de verplichting tot het verlenen van medewerking aan een persoonlijkheidsonderzoek en – indien geïndiceerd – een behandeling en met het hebben van adequate dagbesteding.

De rechtbank acht, gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden, jeugddetentie van tien weken, met aftrek van voorarrest, passend en geboden. De rechtbank zal een deel van deze straf, namelijk drie weken jeugddetentie, voorwaardelijk opleggen. Met deze voorwaardelijke straf poogt de rechtbank de verdachte ervan te weerhouden om in de toekomst wederom strafbare feiten te plegen. Voorts zal de rechtbank, anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, als bijzondere voorwaarde reclasseringscontact opleggen. Uit het onderzoek ter terechtzitting blijkt dat verdachte op een aantal leefgebieden problemen ondervindt waarvoor hij externe hulp en bijstand nodig heeft. Verdachte erkent dit, maar lijkt weinig gemotiveerd om zich te houden aan de voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd. Wel heeft de rechtbank ter terechtzitting de indruk gekregen dat verdachte de wens heeft om geen strafbare feiten meer te plegen maar een opleiding te volgen, een beroep te leren en de kost te gaan verdienen. Derhalve zal de rechtbank verplicht reclasseringscontact opleggen als bijzondere voorwaarde, omdat de rechtbank het noodzakelijk acht dat toezicht wordt gehouden op verdachte en verdachte een aanspreekpunt heeft waar hij terecht kan met zijn hulpvragen.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] in zijn geheel – hoofdelijk – kan worden toegewezen. De benadeelde partij [benadeelde 2] dient volgens de officier van justitie niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering, omdat de kentekenplaat aan hem is teruggegeven.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat beide benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft een bedrag van € 226,00 gevorderd als vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van feit 1 onder 16-652106-13, ter zake van materiële schade.

De behandeling van de vordering van de benadeelde partij levert niet een onevenredige belasting van het strafgeding op. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank acht deze schade voldoende onderbouwd en waardeert deze op € 226,00 (tweehonderdzesentwintig euro), ter zake van materiële schade, en acht verdachte hoofdelijk aansprakelijk voor die schade, omdat de schade – kort gezegd – door een groep is toegebracht. De vordering zal dan ook tot dat bedrag – hoofdelijk – worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente, vanaf het tijdstip waarop de schade is veroorzaakt, te weten 10 januari 2013, tot aan de dag der algehele voldoening.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.

In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte – eveneens hoofdelijk – opgelegd.

Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft een bedrag van € 31,50 gevorderd als vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van feit 2 onder 16-653197-13, ter zake van materiële schade.

De behandeling van de vordering van de benadeelde partij levert niet een onevenredige belasting van het strafgeding op. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de kentekenplaat inmiddels aan de benadeelde partij is teruggegeven. Hierdoor is komen vast te staan dat de benadeelde partij geen schade heeft overgehouden aan het bewezen geachte feit. De benadeelde partij zal om die reden dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.

10 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

10.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat alle vorderingen tot tenuitvoerlegging moeten worden toegewezen.

10.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich niet uitgelaten over de vorderingen tot tenuitvoerlegging.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van 16-512390-11

Bij de stukken bevindt zich de op 26 maart 2014 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Midden-Nederland in de zaak met parketnummer 16-512390-11, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 2 februari 2012 van de kinderrechter te Utrecht, waarbij verdachte is veroordeeld tot een werkstraf van 30 uren, subsidiair vijftien dagen jeugddetentie, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Voornoemde proeftijd is op 30 oktober 2012 met een jaar verlengd.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van de werkstraf van 30 uur, subsidiair vijftien dagen jeugddetentie, te gelasten.

Ten aanzien van 16-512646-11

Bij de stukken bevindt zich de op 26 maart 2014 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Midden-Nederland in de zaak met parketnummer 16-512646-11, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 10 april 2012 van de kinderrechter te Utrecht, waarbij verdachte is veroordeeld tot een werkstraf van 30 uren, subsidiair vijftien dagen jeugddetentie, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van de werkstraf van 30 uur, subsidiair vijftien dagen jeugddetentie, te gelasten.

Ten aanzien van 16-653334-12

Bij de stukken bevindt zich de op 26 maart 2014 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Midden-Nederland in de zaak met parketnummer 16-653334-12, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 30 oktober 2012 van de kinderrechter te Utrecht, waarbij verdachte is veroordeeld tot een werkstraf van 40 uren, subsidiair twintig dagen jeugddetentie, met aftrek van voorarrest en met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van de werkstraf van 40 uur, subsidiair twintig dagen jeugddetentie, te gelasten.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 63, 77a, 77g, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77dd, 77gg, 267, 285 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen.

12 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

De rechtbank:

verklaart feit 1 van 16-653197-13 niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde oplevert:

16-652106-13, feit 1, en 16-653197-13, feit 2: telkens, diefstal door twee of meer verenigde personen;

16-652106-13, feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

16-652106-13, feit 3: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezene strafbaar;

verklaart verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 10 (tien) weken;

beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering zal worden gebracht;

bepaalt dat een gedeelte, te weten 3 weken, van deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren niet aan de hem opgelegde voorwaarden houdt;

stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

* zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken en/of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

* zich op de datum van het onherroepelijk worden van het vonnis uiterlijk om 17.00 uur moet melden bij Reclassering Nederland aan het Vivaldiplantsoen 200 te Utrecht en zich daarna moet blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dat nodig acht;

* zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens die reclasseringsinstelling;

geeft opdracht aan die reclasseringsinstelling om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

wijst – ten aanzien van 16-652106-13, feit 1 – de vordering van [benadeelde 1] toe tot € 226,00 (tweehonderdzesentwintig euro), ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 10 januari 2013 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan de benadeelde partij voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald;

veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 1], aan de Staat € 226,00 (tweehonderdzesentwintig euro) te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander of anderen is betaald, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door jeugddetentie van 4 dagen (de toepassing van die jeugddetentie heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op);

bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen;

verklaart – ten aanzien van 16-653197-13, feit 2 – de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in zijn vordering;

gelastten aanzien van 16-512390-11 – de tenuitvoerlegging van de bij genoemd vonnis van 2 februari 2012 opgelegde voorwaardelijke straf, namelijk een werkstraf van 30 uur, subsidiair 15 dagen jeugddetentie;

gelastten aanzien van 16-512646-11 – de tenuitvoerlegging van de bij genoemd vonnis van 10 april 2012 opgelegde voorwaardelijke straf, namelijk een werkstraf van 30 uur, subsidiair 15 dagen jeugddetentie;

gelastten aanzien van 16-653334-12 – de tenuitvoerlegging van de bij genoemd vonnis van 30 oktober 2012 opgelegde voorwaardelijke straf, namelijk een werkstraf van 40 uur, subsidiair 20 dagen jeugddetentie;

heft op het, reeds geschorste, bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.A.E. Somsen, voorzitter en tevens kinderrechter,

mrs. P.P.C.M. Waarts en E.A. Messer, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. G.C. van de Ven-de Vries, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 augustus 2014.

BIJLAGE: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

16-652106-13

1.

hij op of omstreeks 10 januari 2013 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening, uit een woning gelegen aan de [adres], heeft weggenomen een

laptop merk Toshiba en/of een laptoplader en/of ongeveer 55 euro, in elk geval

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1], in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s);

2.

hij op of omstreeks 10 maart 2013 in de gemeente [plaats] (O), althans in het

arrondissement Oost-Nederland, in elk geval in Nederland, [agent 1] en/of

[agent 2], respectievelijk brigadier en aspirant van politie, heeft

bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware

mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [agent 1] en/of

[agent 2] dreigend de woorden toegevoegd: "ik steek je neer", althans woorden van

gelijke dreigende aard of strekking;

3.

hij op of omstreeks 10 maart 2013 in de gemeente [plaats] (O), althans in het

arrondissement Oost-Nederland, opzettelijk beledigend (een) ambtena(a)r(en),

te weten [agent 1], brigadier van politie, en/of [agent 2], aspirant

van politie, gedurende en / of ter zake van de rechtmatige uitoefening van

hun/zijn bediening, in hun/diens tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd

de woorden "kankerlijer" en/of "kankerwouten, ik neuk jullie moeder", althans

woorden van gelijke beledigende aard en / of strekking;

16-653197-13

1.

Primair

hij op of omstreeks 23 mei 2013 te [plaats], althans in het arrondissement

Midden-Nederland, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening heeft weggenomen een hand(tas) met inhoud in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd

voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met

geweld tegen voornoemde [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor

te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad

aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij

de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij en/of

zijn mededader(s)

op een (rijdende) bromfiets/snorfiets voornoemde [slachtoffer] (gezeten op haar

fiets) van achteren heeft/hebben benaderd en/of (vervolgens) die [slachtoffer] (bij

het passeren/inhalen) met kracht heeft/hebben geduwd, ten gevolge waaarvan

die [slachtoffer] is gevallen;

Subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 23 mei 2013 tot en met 30 mei 2013 te

Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, een (hand)tas met inhoud heeft verworven, voorhanden

heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten

tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voornoemde (hand)tas

wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moet(en) vermoeden dat het (een)

door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

2.

hij op of omstreeks 30 mei 2013 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening heeft weggenomen van een bromfiets (merk: Peugeot) een (blauwe)

kentekenplaat, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[benadeelde 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of

zijn mededader(s).

1 Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1], opgenomen op pagina 63-64, van het proces-verbaal met nummer PL091A 2013008796, van politie regio Utrecht, in de wettelijke vorm opgemaakt en doorgenummerd van pagina 1 tot en met 165.

2 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1], in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 71-72.

3 Het proces-verbaal van bevindingen, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 74-75.

4 Het proces-verbaal van bevindingen, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 77-78.

5 Het proces-verbaal van bevindingen, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 76.

6 Het proces-verbaal van bevindingen, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, p. 88.

7 Het proces-verbaal van bevindingen, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, p. 127.

8 Het proces-verbaal van bevindingen, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, p. 120.

9 Het proces-verbaal van bevindingen, opgenomen op pagina 5-6, van het proces-verbaal met nummer PL05QB 2013024068, van politie regio Twente, in de wettelijke vorm opgemaakt en doorgenummerd van pagina 1 tot en met 14.

10 Het proces-verbaal van strafrechtelijk minderjarige, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder 9 genoemde proces-verbaal, p. 11.

11 Het proces-verbaal van aangifte [benadeelde 2], opgenomen op pagina 42, met goederenbijlage op pagina 44, van het proces-verbaal met nummer PL091A-2013185321, van politie regio Utrecht, in de wettelijke vorm opgemaakt en doorgenummerd van pagina 1 tot en met 82.

12 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2], in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder 9 genoemde proces-verbaal, p. 24-25.

13 Het proces-verbaal van bevindingen, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder 11 genoemde proces-verbaal, p. 76-77.

14 Het proces-verbaal van bevindingen, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder 11 genoemde proces-verbaal, p. 91.