Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:4179

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
15-09-2014
Datum publicatie
15-09-2014
Zaaknummer
C/16/376249 / JE RK 14-2034
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Op 29 augustus 2014 oordeelde de kinderrechter op een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming, dat er een crisissituatie was waardoor de kinderen voorlopig onder toezicht moesten worden gesteld en uit huis moesten worden geplaatst.

Vandaag vond de zitting naar aanleiding van die beslissing van de kinderrechter plaats. De Raad voor de Kinderbescherming vroeg op zitting om de voorlopige ondertoezichtstelling in stand te houden en de uithuisplaatsing met vier weken te verlengen.

De rechtbank heeft de maatregelen die eerder waren genomen, ingetrokken. Dat betekent dat er nu geen voorlopige ondertoezichtstelling meer is en geen machtiging uithuisplaatsing. Drie van de vier ouders zijn weer thuis, zodat zij beschikbaar zijn om de kinderen te verzorgen. De ouders en kinderen hebben op dit moment geen geldige paspoorten zodat zij niet kunnen reizen. Los daarvan heeft de rechtbank bij het ene gezin geconcludeerd dat er geen enkele aanwijzing is dat zij zullen vertrekken. Het andere gezin heeft aangegeven dat er emigratieplannen zijn, maar niet nu en zeker niet naar Syrië. De Raad voor de Kinderbescherming zegt dat ouders en hun kinderen kunnen onderduiken maar daarvoor is, zegt de rechtbank, geen enkele aanwijzing.

De Raad voor de Kinderbescherming heeft niet gemeld dat er zorgen zijn over de kinderen, hoe de kinderen worden opgevoed of dat er andere onveilige omstandigheden zijn. Er zijn geen redenen aangevoerd op grond waarvan er nu overheidstoezicht op de kinderen moet zijn. Wel gaat de Raad onderzoek doen; de ouders hebben aangegeven daaraan mee te zullen werken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Familierecht

Locatie Utrecht

Zaak-/rolnummer: C/16/376249 / JE RK 14-2034

Voorlopige ondertoezichtstelling en (verlenging) machtiging uithuisplaatsing

Beschikking van de kinderrechter d.d. 8 september 2014 met betrekking tot de minderjarige:

[minderjarige], geboren op [2013] te [geboorteplaats],

nader te noemen: [minderjarige].

De kinderrechter merkt naast de verzoeker als belanghebbenden aan:

- [de vader],

wonende te [woonplaats],

nader te noemen: de vader,

- [de moeder],

wonende te [woonplaats],

nader te noemen: de moeder.

Het ouderlijk gezag wordt uitgeoefend door de ouders [de moeder] en [de vader].

1 Verloop van de procedure

1.1.

Op 29 augustus 2014 heeft de Raad voor de Kinderbescherming, vestiging Utrecht (hierna: de Raad), telefonisch en vervolgens op 1 september 2014 schriftelijk verzocht [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van één jaar en alvast een voorlopige ondertoezichtstelling uit te spreken voor de duur van drie maanden. Daarnaast heeft de Raad verzocht om onmiddellijk een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor de duur van drie maanden.

1.2.

Bij beschikking van 29 augustus 2014 is [minderjarige] reeds voorlopig onder toezicht gesteld van de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Holland (hierna: BJZ), met ingang van

29 augustus 2014 tot 29 november 2014. Het verzoek is voor het overige aangehouden.

1.3.

Tevens is bij beschikking van 29 augustus 2014 een crisismachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] ‘in een voorziening voor verblijf pleegouder 24 uurs’ verleend, voor de duur van vier weken, met ingang van 29 augustus 2014 tot derhalve 26 september 2014. De kinderrechter heeft de beslissing voor het overige aangehouden.

1.4.

Op 5 september 2014 is een indicatiebesluit ingekomen.

1.5.

Op 8 september 2014 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De griffier heeft van de inhoud daarvan aantekening gehouden. Bij de behandeling zijn verschenen:

- de vader;

- de moeder;

- mr. J.D. van der Heijden, de advocaat van de ouders;

- de heer[A] en mevrouw [B], namens de Raad;

- mevrouw [C] en mevrouw [D], namens BJZ.

Voorts waren bij de zitting aanwezig de moeder van de moeder en de ouders van de vader. Met instemming van de belanghebbenden is aan hen bijzondere toegang verleend.

2 Vaststellingen en overwegingen

2.1.

Namens de Raad is toegelicht dat (alleen) het ambtsbericht van de AIVD ten grondslag ligt aan de voorlopige ondertoezichtstelling en crisismachtiging uithuisplaatsing. De Raad vindt de informatie zeer zorgelijk en heeft er onvoldoende zicht op of de thuissituatie veilig genoeg is voor [minderjarige]. Dat de ouders nu weer thuis zijn, maakt volgens de Raad niet dat de maatregelen niet meer nodig zijn omdat de kans bestaat dat de ouders met het kind zullen onderduiken. De Raad gaat daar niet vanuit, maar wil nu zoveel mogelijk de veiligheid van [minderjarige] waarborgen. Voordat [minderjarige] terug kan naar huis, zal volgens de Raad eerst verder onderzocht moeten worden op welke wijze dat veilig en verantwoord kan en zal een veiligheidsplan moeten worden opgesteld, waarbij bijvoorbeeld wordt gedacht aan inzet van ambulante spoedhulp en de betrokkenheid van wijkagenten. De Raad verzoekt daartoe de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen met vier weken.

2.2.

De ouders voeren verweer tegen de verzoeken. Zij betwisten de inhoud van het ambtsbericht en betogen dat het ambtsbericht op zich ook onvoldoende grond biedt voor de ingrijpende maatregelen die zijn genomen. Er is en was volgens de ouders geen onmiddellijk dreigend gevaar voor [minderjarige] en de Raad heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat dat er is. De ouders begrijpen dat de Raad de veiligheid van [minderjarige] voor ogen heeft en wil waarborgen, maar zij benadrukken dat een uithuisplaatsing een uiterste middel is en dat er minder verstrekkende oplossingen voorhanden waren en zijn. Zij benadrukken dat zij niet alleen geen plannen hebben om te vertrekken naar Syrië, maar dat zij nu ook niet meer kunnen afreizen omdat hun paspoorten zijn ingenomen.

De ouders hebben op 5 september j.l. met de Raad en BJZ gesproken om tot een veiligheidsplan te komen en de ouders waren het eens met de voorstellen van de Raad en BJZ. Aan de zijde van de Raad en BJZ waren zorgen geuit over de veiligheid, desalniettemin waren zij bereid om [minderjarige] bij de grootouders te plaatsen. Na het weekend zou een mogelijke thuisplaatsing bekeken worden. Dat gaf de ouders het vertrouwen. Het verbaasde de ouders dan ook dat de Raad binnen enkele uren op die beslissing terugkwam, kennelijk op grond van een tweede ambtsbericht over de grootvader. Dat is echter niet terecht. De ouders hebben aangetoond dat zij bereid zijn om samen te werken met de Raad en BJZ en zij staan open voor de hulp zoals de Raad die voorstelt.

Op grond van vorenstaande verzoeken de ouders om afwijzing van de voorlopige ondertoezichtstelling en met klem om afwijzing van de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing.

2.3.

De rechtbank stelt voorop dat een minderjarige op grond van artikel 1:254 van het Burgerlijk Wetboek onder toezicht kan worden gesteld indien hij zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig wordt bedreigd en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of zullen falen. Op grond van artikel 261 van boek 1 Burgerlijk Wetboek kan de kinderrechter een machtiging verlenen om een minderjarige uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige.

2.4.

Allereerst dient de rechtbank te beoordelen of op 29 augustus 2014 terecht een voorlopige ondertoezichtstelling en een crisismachtiging tot uithuisplaatsing zijn uitgesproken.

De rechtbank kan voornoemde maatregelen uitspreken als er sprake is van feiten en omstandigheden die vereisen dat er dringend en onverwijld wordt ingegrepen, en het verhoor van de belanghebbenden niet afgewacht kan worden zonder dat het een onmiddellijk en ernstig gevaar voor het kind oplevert. De rechtbank overweegt hierover het volgende. Uit de informatie van de Raad, die volledig gebaseerd is op een ambtsbericht van de AIVD, blijkt dat er sterke aanwijzingen waren dat de ouders samen met [minderjarige] van plan waren op zeer korte termijn naar Syrië te vertrekken om zich daar te vestigen. Gelet op de strekking van dit bericht en het gegeven dat het voor [minderjarige] een ernstige ontwikkelingsbedreiging zou vormen als zij met haar ouders zou afreizen naar een oorlogsgebied, komt de rechtbank tot het oordeel dat de maatregelen destijds terecht zijn uitgesproken.

2.5.

Vervolgens dient beoordeeld te worden of naar aanleiding van hetgeen op de hoorzitting door alle belanghebbenden naar voren is gebracht de voorlopige ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing in stand gehouden moeten worden.

2.6.

De Raad heeft ter zitting aangegeven dat er nog steeds sprake is van een bedreiging van de ontwikkeling van [minderjarige], wat maakt dat een ondertoezichtstelling en een uithuisplaatsing nog steeds nodig zijn. De Raad heeft daartoe gesteld dat de mogelijkheid bestaat dat de ouders gaan onderduiken. De zorgen van de Raad vinden echter geen enkele steun in concrete feiten of omstandigheden, maar zijn alleen terug te voeren op het ambtsbericht waarvan de inhoud door de ouders is weersproken. Er is geen informatie naar voren gekomen over de huidige thuissituatie van [minderjarige], over haar ontwikkeling en over de verzorging en opvoeding door de ouders. Dat maakt dat naar het oordeel van de rechtbank nu onvoldoende duidelijk is dat er op dit moment getwijfeld dient te worden aan de veiligheid van [minderjarige]. Daarbij is van belang dat de ouders in vrijheid zijn gesteld en weer beschikbaar zijn om voor [minderjarige] te gaan zorgen, dat zij nu niet beschikken over reisdocumenten en bereid zijn om mee te werken aan het onderzoek van de Raad en om met de Raad en BJZ afspraken te maken. Onder die omstandigheden is er naar het oordeel van de rechtbank niet langer sprake van een situatie waarin het noodzakelijk is dat [minderjarige] uit huis geplaatst blijft. Nu de ouders in een vrijwillig kader willen meewerken aan een onderzoek door de Raad en aan eventuele hulpverlening, zijn er ook geen redenen meer om de voorlopige ondertoezichtstelling te handhaven.

2.7.

De rechtbank trekt daarom met ingang van heden de voorlopige ondertoezichtstelling en de crisismachtiging tot uithuisplaatsing in. Het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van vier weken wijst de rechtbank af.

2.8.

De Raad zal nog verder onderzoek doen en te zijner tijd zal beoordeeld moeten worden of een ondertoezichtstelling geboden is. Aan de Raad wordt verzocht om tijdig vóór 10 december 2014 aan de rechtbank te laten weten of het verzoek wordt gehandhaafd, gewijzigd of wordt ingetrokken.

3 Beslissing

De rechtbank

3.1.

trekt met ingang van heden de voorlopige ondertoezichtstelling in;

3.2.

trekt met ingang van heden de crisismachtiging tot uithuisplaatsing in;

3.3.

wijst af het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing.

Deze beschikking is gegeven door mr. A. Muller, mr. P. Dondorp en mr. A.M. Crouwel, (kinder-)rechters, in tegenwoordigheid van W.S. Weng, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2014.

Tegen deze uitspraak kan beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze uitspraak is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening van de uitspraak of nadat de uitspraak hun op andere wijze bekend is geworden.