Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:4171

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
19-09-2014
Datum publicatie
07-10-2014
Zaaknummer
C-16-374493 - KG ZA 14-560
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vorderingen inzake nakoming concurrentiebeding, relatiebeding, geheimhoudingsbeding, schorsing concurrentiebeding en onrechtmatig handelen nieuwe werkgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0847
AR 2014/733

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

Vonnis in kort geding van 19 september 2014

in de zaak met zaak- en rolnummer: C/16/374493 / KG ZA 14-560 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DENTAL UNION B.V.,

gevestigd te Nieuwegein,

verder te noemen Dental Union,

eiseres,

advocaat mr. P.A.M. Staal te Utrecht,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DENTALAIR PRODUCTS NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

verder te noemen Dentalair,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DENTALBOUW B.V.,

gevestigd te Dordrecht,

verder te noemen Dentalbouw,

3. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats],

verder te noemen [gedaagde 3],

4. [gedaagde 4],

wonende te [woonplaats],

verder te noemen [gedaagde 4],

gedaagden, gezamenlijk verder ook te noemen Dentalair c.s.,

advocaat mr. P.F. van den Brink te Dordrecht,

en in de zaak met zaak- en rolnummer C/16/374716 / KG ZA 14-573 van

[gedaagde 4] ,

wonende te [woonplaats],

verder te noemen [gedaagde 4],

eiser,

advocaat mr. P.F. van den Brink te Dordrecht,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DENTAL UNION B.V.,

gevestigd te Nieuwegein,

verder te noemen Dental Union,

gedaagde,

advocaat mr. P.A.M. Staal te Utrecht.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

in de zaak met zaak- en rolnummer C/16/374493 / KG ZA 14-560

  • -

    de dagvaarding van 12 augustus 2014 met producties 1 tot en met 26;

  • -

    de conclusie van antwoord in kort geding met producties 1 tot en met 8 van Dentalair c.s.;

  • -

    de brief van 3 september 2014 van mr. Staal met producties 27, 28 en 29;

  • -

    de brief van 4 september 2014 van mr. J.L. Sintemaartensdijk (kantoorgenoot mr. Van den Brink) met producties 9 en 10;

  • -

    de akte ter wijziging van eis en overlegging van productie met productie 30 van Dental Union;

  • -

    de (gecombineerde) mondelinge behandeling op 5 september 2014, waarvan aantekeningen zijn gehouden;

  • -

    de pleitnota van Dental Union;

  • -

    de pleitnota van Dentalair c.s.

in de zaak met zaak- en rolnummer C/16/374716 / KG ZA 14-573

  • -

    de dagvaarding van 21 augustus 2014 met producties 1 tot en met 11;

  • -

    de conclusie van antwoord in kort geding met producties 1 tot en met 4;

  • -

    de brief van 4 september 2014 van mr. J.L. Sintemaartensdijk (kantoorgenoot mr. Van den Brink) met productie 12;

  • -

    de (gecombineerde) mondelinge behandeling op 5 september 2014, waarvan aantekeningen zijn gehouden;

  • -

    de pleitnota van Dental Union;

  • -

    de pleitnota van Dentalair c.s.

1.2.

Ten slotte is in beide zaken vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Dental Union drijft een onderneming op het gebied van de in- en verkoop van

tandheelkundige en tandtechnische gebruiks- en verbruiksmaterialen, producten, apparatuur en instrumenten en alle voorwerpen ten dienste van de tandheelkunde en tandtechniek. Dental Union heeft een vestiging in Nieuwegein en in Groningen.

2.2.

De bedrijfsactiviteiten van Dentalair bestaan uit de groothandel in – en de

reparatie van tandtechnische- en medische artikelen en –apparaten alsmede verhuur van vervangende apparatuur.

2.3.

Dentalbouw voert een aannemings- en installatiebedrijf en houdt zich (met name)

bezig met de bouw en verbouw van dentale praktijken.

2.4.

Dentalair en Dentalbouw zijn zustervennootschappen. Het bestuur van beide

vennootschappen wordt gevormd door de heren [A] en [B]. Enig aandeelhouder van beide vennootschappen is Dentalair Group B.V.

2.5.

[gedaagde 4] is van augustus 1994 tot juni 1998 in dienst geweest van Dental

Union in de functie van medewerker project logistiek in de vestiging Nieuwegein. Vanaf 1 maart 2001 is [gedaagde 4] als werknemer van Dental Union werkzaam geweest in de vestiging Groningen, eerst als installatieverkoper en laatstelijk als vestigingsmanager. In de arbeidsovereenkomst van 1 maart 2001 is, voor zover voor de beoordeling relevant, het volgende opgenomen:

“8. Werknemer zal zich voor de duur van deze overeenkomst tot een jaar na afloop hiervan onthouden van het verrichten van werkzaamheden voor derden, gelijk aan of vergelijkbaar met de voor werkgever te verrichten werkzaamheden, van het doen van zaken voor eigen rekening gelijk aan of vergelijkbaar met de zaken van de werkgever, alsmede van elke directe of indirecte betrokkenheid of financiële interesse bij dergelijke werkzaamheden of zaken, een en ander behoudens de uitdrukkelijke voorafgaande schriftelijke toestemming van werkgever zal t.o.v. derden uiterste geheimhouding betrachten betreffende alle bijzonderheden werkgever betreffende of daarmee verband houdende, zulks op straffe van f 5.000,00 t.b.v. werkgever voor ieder geval van overtreding en f 500,00 voor elke dag dat de overtreding voortduurt, onverminderd werkgevers recht een schadevergoeding te vorderen, indien en voor zover de schade het genoemd bedrag van de boeten overtreft.

9. Van de onderhavige overeenkomst maken deel uit de Algemene Bepalingen, die door de medewerker geparafeerd zijn als teken van ontvangst en als akkoordverklaring met de inhoud van de Algemene Bepalingen.”

2.6.

[gedaagde 3] is per 1 juni 2006 bij Dental Union in dienst getreden als commercieel

medewerker buitendienst in de vestiging Nieuwegein. In de arbeidsovereenkomst van 2 juni 2006 zijn, voor zover voor de beoordeling relevant, de volgende bedingen opgenomen:

“8. Bedingen

Geheimhouding

1. Het is de werknemer verboden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de

werkgever gedurende de looptijd en na beëindiging van de arbeidsovereenkomst aan derden informatie te verschaffen over de werkzaamheden, de organisatie en de in- en externe contacten van de werkgever, tenzij dit zou passen in de normale uitoefening van de functie van de werknemer.

2. (…)

Non concurrentie

Het is de werknemer verboden tijdens de duur van de arbeidsovereenkomst en gedurende 1 jaar nadat de arbeidsovereenkomst geheel of gedeeltelijk is geëindigd, in Nederland en/of België een onderneming te vestigen, (mede) te drijven of te doen drijven, die gelijke of soortgelijke activiteiten verricht als werkgever.

Het is de werknemer tevens verboden hetzij direct, hetzij indirect in een dergelijke onderneming een financieel belang te hebben, daarin of daarvoor op enigerlei wijze werkzaam te zijn, hetzij tegen vergoeding, hetzij om niet, of daarin enig aandeel te hebben van welke aard dan ook, tenzij de werknemer daartoe voorafgaande schriftelijke toestemming van werkgever heeft gekregen, aan welke toestemming voorwaarden kunnen worden verbonden.

Relatiebeding

Het is de werknemer eveneens verboden tijdens de duur van de arbeidsovereenkomst en gedurende 1 jaar nadat de arbeidsovereenkomst geheel of gedeeltelijk is geëindigd, direct of indirect aan klanten van de vennootschap voor wie hij tijdens zijn dienstverband bij werkgever werkzaamheden heeft verricht, op welke wijze dan ook producten en/of diensten aan de bieden en/of te leveren, die gelijk of soortgelijk zijn aan producten en/of diensten van werkgever.

Boetebeding

1. Indien de werknemer een van de hiervoor omschreven bepalingen overtreedt en/of niet

nakomt, verbeurt hij aan de werkgever een direct opeisbare boete ten bedrage van € 2.269,- voor iedere overtreding, alsmede een bedrag van € 227,- voor iedere dag – ongeacht of hierop gebruikelijk wordt gewerkt of niet – dat de overtreding/niet-nakoming voortduurt. De boete zal verschuldigd zijn door het enkele feit der overtreding of niet-nakoming, maar laat onverminderd het recht van de werkgever nakoming van deze overeenkomst te verlangen en laat onverminderd het recht van de werkgever tot het vorderen van volledige schadevergoeding.

2. Voor zover de boete ziet op overtreding van het geheimhoudingsbeding, is deze rechtstreeks aan de werkgever verschuldigd en strekt deze tot voordeel. Met het bepaalde in dit lid wordt uitdrukkelijk afgeweken van het bepaalde in artikel 7:650 lid 3-5 BW.

(…)

10. Reglement

De medewerker verklaart op de hoogte zijn van en in te stemmen met de bij de werkgever geldende arbeids- en bedrijfsregels.

Van de onderhavige overeenkomst maken dan ook deel uit de Algemene Bepalingen en de Arbo-werkmap die de medewerker tevens heeft ontvangen.”

2.7.

Artikel 1.3 van de Algemene Bepalingen Dental Union Plandent, gedateerd 26

november 2013, luidt:

“1.3 Geheimhouding

Het is de werknemer verboden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de werkgever gedurende de looptijd en na beëindiging van de arbeidsovereenkomst aan derden informatie te verschaffen over de werkzaamheden, de organisatie en de in- en externe contacten van de werkgever, tenzij dit zou passen in de normale uitoefening van de functie van de werknemer. (…)”

2.8.

In de periode vanaf september 2013 tot ultimo 2013 heeft er overleg tussen Dental

Union, Dentalair en [gedaagde 3] plaatsgevonden in verband met het voornemen van [gedaagde 3] om bij Dentalair in dienst te treden.

2.9.

Op 3 januari 2014 is tussen Dental Union en [gedaagde 3] een

beëindigingsovereenkomst (verder te noemen de beëindigingsovereenkomst) tot stand gekomen. In de considerans is, voor zover relevant, opgenomen dat Dental Union en [gedaagde 3] met het sluiten van de onderhavige overeenkomst hebben beoogd een allesomvattende regeling te treffen. Voorts is overeengekomen dat het dienstverband met Dental Union wordt beëindigd per 1 februari 2014 en zijn, voor zover relevant voor de beoordeling, de volgende bepalingen opgenomen:

“2. Werknemer zal uitsluitend ten aanzien van de firma Dental Air niet worden gehouden aan het concurrentiebeding zoals opgenomen in de arbeidsovereenkomst die werknemer is overeengekomen met Dental Union. (…)

3. Werknemer en Dental Union komen overeen dat het relatiebeding zoals opgenomen in de arbeidsovereenkomst met Dental Union in acht wordt genomen door werknemer: “Het is de werknemer eveneens verboden tijdens de duur van de arbeidsovereenkomst en gedurende 1 jaar nadat de arbeidsovereenkomst geheel of gedeeltelijk is geëindigd, direct of indirect aan klanten van de vennootschap voor wie hij tijdens zijn dienstverband bij Dental Union werkzaamheden heeft verricht, op welke wijze dan ook producten en/of diensten aan de bieden en/of te leveren, die gelijk of soortgelijk zijn aan producten en/of diensten van Dental Union.” Bij overtreding treedt het boetebeding in werking zoals opgenomen in de arbeidsovereenkomst met Dental Union.

(…)

8. Werknemer zal ook na het eindigen van de arbeidsovereenkomst strikte geheimhouding in acht nemen ten aanzien van zaken die uit hoofde van zijn functie ter kennis zijn gekomen en waarvan de openbaarmaking in strijd zou zijn met de belangen van Dental Union en/of de zorgvuldigheid en het fatsoen, welke in het maatschappelijk verkeer betamen.

(…)

11. Met inachtneming van het hiervoor bepaalde verlenen Dental Union en werknemer elkaar algehele en finale kwijting over en weer ter zake van al hetgeen te maken heeft (gehad) met de functie, de arbeidsovereenkomst en de beëindiging daarvan, een en ander in de ruimste zin des woords.”

2.10.

Een e-mail van mevrouw [C] van De Drietand (verder te

noemen [C]) van 10 januari 2014 aan [gedaagde 3] luidt, voor zover relevant voor de beoordeling:

“Ik heb een nieuwe prijzenlijst gemaakt en heb geconstateerd dat er bij een hoop producten toch een groot prijsverschil met M2 zit.

Is er een mogelijkheid om na te gaan of jullie wat aan de prijzen kunnen doen zodat we alles bij jullie kunnen bestellen?

(…)”

2.11.

[gedaagde 3] is per 1 februari 2014 als verkoopmedewerker in dienst van

Dentalair getreden.

2.12.

In de loop van 2014 heeft er bij Dental Union een reorganisatie plaatsgevonden en

zijn in dat verband werknemers ontslagen, waaronder de heer [D] (verder te noemen [D]).

2.13.

[D] is per 1 april 2014 in dienst getreden bij Dentalair.

2.14.

Omstreeks april 2014 hebben [gedaagde 3] en [D] een bezoek gebracht aan

Tandheelkundig Centrum De Drietand te Maastricht (verder te noemen De Drietand). Daaraan voorafgaand hadden [gedaagde 3] en De Drietand elkaar in maart 2014 gesproken op een beurs, de Dental Expo in Amsterdam. De Drietand is, althans was destijds een klant van Dental Union.

2.15.

Bij brieven van 2 en 23 mei 2014 van Dental Union aan [gedaagde 3] heeft Dental

Union het standpunt ingenomen dat [gedaagde 3] wegens zakelijk contact met De Drietand het tussen hen geldende relatiebeding heeft overtreden. Dental Union heeft daarbij aanspraak gemaakt op een boete van € 2.269,00 voor deze overtreding en € 227,00 voor elke dag dat de overtreding voortduurt.

2.16.

Bij e-mail van 7 mei 2014 heeft [C] aan de heer [E] van Dental Union

(verder te noemen [E]) een digitale lijst met daarop prijzen van enerzijds Dental Union en anderzijds Dentalair gezonden.

2.17.

[gedaagde 4] heeft op 16 april 2014 zijn arbeidsovereenkomst met Dental Union

per 1 juni 2014 opgezegd. Bij brief van 24 april 2014 heeft Dental Union de opzegging aanvaard, heeft zij [gedaagde 4] vrijgesteld van werkzaamheden en heeft zij zich op het standpunt gesteld dat het met [gedaagde 4] overeengekomen concurrentiebeding aan de door [gedaagde 4] voorgenomen indiensttreding bij Dentalair in de weg staat.

2.18.

Tussen Dental Union en Dentalair heeft overleg plaatsgevonden. Dental Union

heeft Dentalair voorts bij brief van 23 mei 2014 aansprakelijk gesteld voor geleden en nog te lijden schade als gevolg van volgens Dental Union door Dentalair gepleegde dan wel te plegen en aan [gedaagde 3] en [gedaagde 4] gerelateerde onrechtmatige concurrentie.

2.19.

[gedaagde 4] is per 1 juni 2014 in dienst getreden bij Dentalair dan wel

Dentalbouw.

2.20.

Dental Union heeft in juni 2014 jegens [gedaagde 4] – wegens het volgens

Dental Union door [gedaagde 4] overtreden van het tussen hen geldende concurrentiebeding – aanspraak gemaakt op een boete van € 2.269,00 en € 227,00 voor elke dag dat de overtreding voortduurt.

2.21.

[gedaagde 3] heeft medio 2014 contact gehad met tandarts

[F] (verder te noemen [F]) en met tandartspraktijk [G] te [plaats ] (verder te noemen [G]), beiden (voormalige) klanten van Dental Union.

2.22.

Vanaf juni 2014 heeft er tussen (de advocaten van) partijen overleg

plaatsgevonden, hetgeen niet tot overeenstemming heeft geleid.

2.23.

Een (interne) e-mail van 4 augustus 2014 van [E] aan mevrouw [H] van

Dental Union luidt:

“Bijgaand de lijst die De Drietand heeft gekregen van Dental Air.

[C] [[C]; toevoeging vzr.] vertelde mij dat [gedaagde 3] de prijzen van Dental Air naast onze prijzen heeft gezet. Zoals je ziet zit Dental Air in veel gevallen onder onze prijzen en in sommige gevallen onder inkoopsprijs.”

2.24.

In een e-mail van 4 september 2014 heeft mevrouw [I] van De Drietand

(verder te noemen [I]) aan [gedaagde 3], voor zover relevant voor de beoordeling, het volgende laten weten:

“Naar aanleiding van de klacht die jij ontving dat er door jouw een vergelijkingsprijslijst gemaakt zou zijn tussen de prijzen van Dental Union en Dentalair het volgende.

Dit is volstrekt niet waar, onze inkoopmedewerkster [C] heeft deze zelf gemaakt in voorbereiding op onderhandelingsgesprekken.

In november 2013 heeft ze deze aan jouw voorgelegd als vergelijking tussen Dental Union en M2, volgens mij was jij toen nog werkzaam bij Dental Union.

Toen jij wegging bij Dental Union, heeft [C] hier diverse keren over gebeld, dat we niks meer hoorden. (…)

(…)

In april 2014 heeft [C] een afspraak gehad met [E] en naar aanleiding hiervan heeft zij hem op 7 mei een aangepaste vergelijkingslijst gemaild.

(…)”

3 Het geschil

in de zaak met zaak- en rolnummer C/16/374493 / KG ZA 14-560

3.1.

Dental Union vordert – na wijziging van eis – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, bij wijze van voorlopige voorziening:

  1. Dentalair en Dentalbouw te verbieden om [gedaagde 4] te werk te stellen of werkzaamheden te laten doen vanaf 24 uur, althans vanaf 2 dagen, na betekening van het vonnis, zulks op straffe van een dwangsom van € 100.000 voor iedere overtreding, alsmede € 25.000 voor elke dag dat de overtreding voortduurt, althans op straffe van verbeurte van dwangsommen per overtreding en/of voor elke dag ter hoogte van door de rechter in goede justitie te bepalen bedragen;

  2. Dentalair en Dentalbouw te verbieden om mondeling en/of schriftelijk contact op te nemen en/of te onderhouden met [J] en/of [K] en/of [L] en/of [M] en/of om (een van) hen te werk te stellen of werkzaamheden te laten doen, vanaf 24 uur, althans vanaf 2 dagen, na betekening van het vonnis, tot 1 jaar daarna, zulks op straffe van een dwangsom van € 100.000 voor iedere overtreding, alsmede € 25.000 voor elke dag dat de overtreding voortduurt, althans op straffe van verbeurte van dwangsommen per overtreding en/of voor elke dag ter hoogte van door de rechter in goede justitie te bepalen bedragen;

  3. Dentalair en Dentalbouw te verbieden om mondeling en/of schriftelijk contact op te nemen en/of te onderhouden met een werknemer van Dental Union en/of om die te werk te stellen of werkzaamheden te laten doen of werk aan te bieden, vanaf 24 uur, althans vanaf 2 dagen, na betekening van het vonnis, tot 1 jaar daarna, zulks op straffe van een dwangsom van € 100.000 voor iedere overtreding, alsmede € 25.000 voor elke dag dat de overtreding voortduurt, althans op straffe van verbeurte van dwangsommen per overtreding en/of voor elke dag ter hoogte van door de rechter in goede justitie te bepalen bedragen;

  4. Dentalair en Dentalbouw te verbieden om producten te leveren aan De Drietand in Maastricht en/of De Vrijhof in Maastricht en/of Tandarts [N] in [plaats ] en/of Tandarts [F] in [plaats ] en/of Tandartspraktijk [G] in [plaats ] en/of Kliniek voor Tandheelkunde [O] in [plaats ] vanaf 24 uur, althans vanaf 2 dagen, na betekening van het vonnis, tot 1 jaar daarna, zulks op straffe van een dwangsom van € 100.000 voor iedere overtreding, alsmede € 25.000 voor elke dag dat de overtreding voortduurt, althans op straffe van verbeurte van dwangsommen per overtreding en/of voor elke dag ter hoogte van door de rechter in goede justitie te bepalen bedragen;

  5. Dentalair en Dentalbouw hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 45.000, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, aan Dental Union als voorschot op schadevergoeding wegens onrechtmatige daad;

  6. [gedaagde 3] primair te veroordelen om aan Dental Union te betalen een bedrag van € 29.960,00 althans een in goede justitie te bepalen bedrag, als voorschot op verbeurde boetes;

  7. [gedaagde 3] subsidiair te veroordelen om aan Dental Union te betalen een bedrag van € 29.960,00 althans een in goede justitie te bepalen bedrag, als voorschot op schadevergoeding;

  8. [gedaagde 3] te veroordelen tot 1 februari 2015 tot nakoming van het relatiebeding luidende:

“het is werknemer eveneens verboden tijdens de duur van de arbeidsovereenkomst en gedurende 1 jaar nadat de arbeidsovereenkomst geheel of gedeeltelijk is geëindigd, direct of indirect aan klanten van de vennootschap voor wie hij tijdens zijn dienstverband bij Dental Union werkzaamheden heeft verricht, op welke wijze dan ook producten en/of diensten aan de bieden en/of te leveren, die gelijk of gelijksoortig zijn aan producten en/of diensten van Dental Union.” Bij overtreding treedt het boetebeding in werking zoals opgenomen in de arbeidsovereenkomst met Dental Union”

zulks op straffe van een dwangsom van € 100.000 voor iedere overtreding, alsmede € 25.000 voor elke dag dat de overtreding voortduurt, indien hij binnen 24 uur na betekening van dit vonnis daarmee in gebreke blijft, althans op straffe van verbeurte van dwangsommen per overtreding en/of voor elke dag ter hoogte van door de rechter in goede justitie te bepalen bedragen;

9. [gedaagde 3] en [gedaagde 4] te veroordelen tot nakoming van het geheimhoudingsbeding luidende:

“het is de werknemer verboden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de werkgever gedurende de looptijd en na beëindiging van de arbeidsovereenkomst aan derden informatie te verschaffen over de werkzaamheden, de organisatie en de in- en externe contacten van de werkgever, tenzij dit zou passen in de normale uitoefening van de functie van de werknemer”

zulks op straffe van een dwangsom van € 100.000 voor iedere overtreding, alsmede € 25.000 voor elke dag dat de overtreding voortduurt, indien zij, of een van hen, binnen 24 uur na betekening van dit vonnis daarmee in gebreke blijven, althans op straffe van verbeurte van dwangsommen per overtreding en/of voor elke dag ter hoogte van door de rechter in goede justitie te bepalen bedragen;

10. [gedaagde 4] te veroordelen tot 1 juni 2015 tot nakoming van het concurrentiebeding luidende:

“werknemer zal zich voor de duur van deze overeenkomst tot een jaar na afloop hiervan onthouden van het verrichten van werkzaamheden voor derden, gelijk aan of vergelijkbaar met de voor werkgever te verrichten werkzaamheden, van het doen van zaken voor eigen rekening gelijk aan of vergelijkbaar met de zaken van werkgever, alsmede van elke directe of indirecte betrokkenheid of financiële interesse bij dergelijke werkzaamheden of zaken, een en ander behoudens de uitdrukkelijke voorafgaande schriftelijke toestemming van werkgever”

zulks op straffe van een dwangsom van € 100.000 voor iedere overtreding, alsmede € 25.000 voor elke dag dat de overtreding voortduurt, indien hij binnen 24 uur na betekening van dit vonnis daarmee in gebreke blijft, althans op straffe van verbeurte van dwangsommen per overtreding en/of voor elke dag ter hoogte van door de rechter in goede justitie te bepalen bedragen;

11. [gedaagde 4] primair te veroordelen om aan Dental Union te betalen een bedrag van € 16.116,00 althans een in goede justitie te bepalen bedrag, als voorschot op verbeurde boetes;

11. [gedaagde 4] subsidiair te veroordelen om aan Dental Union te betalen een bedrag van € 16.116,00 althans een in goede justitie te bepalen bedrag, als voorschot op schadevergoeding;

11. Dentalair c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 2.887,50, althans van € 2.500, wegens een voorschot op de buitengerechtelijke kosten;

11. Dentalair c.s. hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2.

Dentalair c.s. voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de zaak met zaak- en rolnummer C/16/374716 / KG ZA 14-573

3.4.

[gedaagde 4] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, bij wijze van voorlopige voorziening:

primair:

de werking van het concurrentiebeding als opgenomen in de arbeidsovereenkomst tussen Dental Union en [gedaagde 4] met ingang van 1 juni 2014 te schorsen, althans zodanig te beperken dat het [gedaagde 4] is toegestaan om in dienst van Dentalair werkzaamheden te verrichten, waaronder werkzaamheden die gelijk of vergelijkbaar zijn met de werkzaamheden die [gedaagde 4] heeft verricht voor Dental Union;

subsidiair:

voor zover het concurrentiebeding in stand dient te blijven, Dental Union te veroordelen tot betaling aan [gedaagde 4] van een bedrag van het netto-equivalent van € 64.750,00 bruto tegen behoorlijk bewijs van kwijting, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag als voorschot op een in een bodemprocedure vast te stellen vergoeding ex artikel 7:653 lid 4 BW;

zowel primair als subsidiair:

Dental Union te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.5.

Dental Union voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in de zaak met zaak- en rolnummer C/16/374493 / KG ZA 14-560

4.1.

Dental Union heeft in dit kort geding vorderingen ingesteld tegen

achtereenvolgens Dentalair en Dentalbouw, [gedaagde 3] en [gedaagde 4]. De voorzieningenrechter zal in het navolgende eerst het gevorderde sub 6 tot en met 9 jegens [gedaagde 3], dan de vorderingen sub 9 tot en met 12 jegens [gedaagde 4], vervolgens het gevorderde sub 1 tot en met 5 jegens Dentalair en Dentalbouw en tot slot de vorderingen sub 13 en 14 inzake de buitengerechtelijke – en proceskosten bespreken.

4.2.

Vooropgesteld wordt dat het voor toewijzing van een vordering in deze kort

geding procedure – die zich naar zijn aard niet voor uitgebreid feitenonderzoek en bewijslevering leent – in hoge mate waarschijnlijk te zijn dat een gelijkluidende vordering in een te voeren bodemprocedure zal worden toegewezen.

Relatiebeding [gedaagde 3]

4.3.

Het spoedeisend belang van Dental Union bij de vordering sub 8 is met de

aard daarvan gegeven. Van Dental Union kan op dit punt niet worden verlangd dat zij een beslissing daaromtrent in een bodemprocedure afwacht.

4.4.

Dental Union legt aan haar vorderingen het in de beëindigingsovereenkomst

opgenomen en uit de arbeidsovereenkomst overgenomen relatiebeding ten grondslag (zie hiervoor onder 2.9.). Dental Union stelt zich op het standpunt dat [gedaagde 3] contact heeft gehad met klanten van Dental Union voor wie hij tijdens zijn dienstverband bij Dental Union heeft gewerkt en daarmee de overtreding van het relatiebeding met verbeurte van boetes is gegeven, hetgeen het sub 8 gevorderde gebod op straffe van een dwangsom rechtvaardigt. Volgens Dental Union valt de handelwijze van [gedaagde 3] onder de omschrijving ‘op welke wijze dan ook producten en/of diensten aan te bieden en/of te leveren’ als opgenomen in het relatiebeding, omdat partijen bij het aangaan van de beëindigingsovereenkomst hebben bedoeld daarmee uit te sluiten dat [gedaagde 3] (actief) relaties van Dental Union zou benaderen, hetgeen [gedaagde 3] nu juist wel heeft gedaan. Dental Union heeft in dit verband onder meer gewezen op informatie afkomstig van De Drietand, waaruit volgens Dental Union blijkt dat [gedaagde 3] bedrijfsinformatie (prijsstellingen) van Dental Union heeft gebruikt en heeft geopenbaard aan De Drietand, teneinde De Drietand te bewegen de betreffende producten bij Dentalair in plaats van bij Dental Union af te nemen.

4.5.

Dat er na zijn indiensttreding bij Dentalair contact is geweest met klanten van

Dental Union is door [gedaagde 3] deels – wat betreft tandarts Vrijhof, tandarts [N] en Kliniek [O] – gemotiveerd weersproken en is met betrekking tot een aantal klanten – De Drietand, [F] en [G] – erkend. [gedaagde 3] heeft betwist dat de (door hem erkende) contacten onder het relatiebeding vallen. Hij heeft daartoe gesteld dat hij de betreffende bezoeken samen met [D] en op verzoek van de betreffende klant, dus niet op zijn initiatief, heeft afgelegd en er geen sprake is geweest van het door hem aanbieden en/of leveren van producten die ook door Dental Union worden verkocht. [gedaagde 3] heeft betwist dat hij aan De Drietand informatie over de door Dental Union gehanteerde prijzen heeft verstrekt en dat hij voor De Drietand een prijsvergelijking tussen Dental Union en Dentalair heeft gemaakt. Volgens [gedaagde 3] heeft De Drietand deze vergelijking zelf gemaakt. Hij heeft in dit verband gesteld dat deze informatie voor een ieder op de website van Dental Union te vinden is en dus geen bedrijfsvertrouwelijke informatie betreft. Door [gedaagde 3] is niet weersproken dat hij een prijslijst van Dentalair aan De Drietand heeft verstrekt.

4.6.

De kern van het geschil tussen partijen op dit punt betreft de uitleg en

reikwijdte van het relatiebeding, oftewel van de daarin opgenomen omschrijving “direct of indirect aan klanten (…) op welke wijze dan ook producten en/of diensten aan te bieden en/of te leveren, die gelijk of gelijksoortig zijn aan producten en/of diensten van Dental Union”. Het gaat hier om de uitleg van een geschrift waarin de verhouding tussen partijen is geregeld. Die uitleg kan niet alleen worden gegeven op grond van een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen ervan. Het komt daarbij ook aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkanders verklaringen en gedragingen en aan de bepalingen van dat geschrift mochten toekennen en op hetgeen zij in dat verband redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635 (Haviltex)). Uit HR 20 februari 2004 NJ 2005, 493 (DSM / Fox) volgt verder dat bij de uitleg telkens van beslissende betekenis zijn alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen, alsmede dat in praktisch opzicht vaak van groot belang is de taalkundige betekenis van de bewoordingen van het geschrift, gelezen in de context ervan als geheel, die deze in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben.

4.7.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan Dental Union in dit kort geding

niet worden gevolgd in haar stelling dat partijen met het relatiebeding (ook) hebben bedoeld ieder (zakelijk) contact tussen [gedaagde 3] en klanten van Dental Union, ongeacht het doel en resultaat daarvan, uit te sluiten. Dat aan het beding deze verdergaande strekking moet worden toegekend, is op grond van hetgeen partijen in dit kort geding over en weer hebben gesteld en in het licht van de – ten opzichte van de arbeidsovereenkomst niet gewijzigde – bewoordingen van het relatiebeding in de beëindigingsovereenkomst onvoldoende aannemelijk geworden. De voorzieningenrechter zal derhalve van zodanige strekking bij de verdere beoordeling niet uitgaan. Deze uitlegvraag zal in een eventuele bodemprocedure opnieuw aan de orde kunnen komen.

4.8.

Nu Dental Union het door haar gestelde en door [gedaagde 3] betwiste contact tussen

[gedaagde 3] en tandarts Vrijhof en Kliniek [O] in het geheel niet heeft onderbouwd en dit contact daarmee onvoldoende aannemelijk is gemaakt, komt de voorzieningenrechter in zoverre niet toe aan de vraag of voldoende aannemelijk is dat het betreffende contact tot overtreding van het relatiebeding heeft geleid.

4.9.

Dat laatste geldt eveneens ten aanzien van het door Dental Union gestelde en door

[gedaagde 3] betwiste contact met tandarts [N], nu onvoldoende aannemelijk is geworden dat dit contact er is geweest. Anders dan Dental Union meent, kan de door haar overgelegde, naar eigen zeggen incomplete, e-mail van [N] aan [gedaagde 3] van 18 juni 2014 op het e-mailadres van [gedaagde 3] bij Dental Union (productie 13 bij dagvaarding) niet de conclusie dragen dat [gedaagde 3] na zijn indiensttreding bij Dentalair nog zakelijk contact heeft gehad met deze tandarts.

4.10.

Met betrekking tot het door [gedaagde 3] erkende contact met De Drietand, [F]

en [G] overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Met betrekking tot de twee laatsten heeft [gedaagde 3] de aard en strekking van het betreffende contact uitvoerig toegelicht en daarbij uitdrukkelijk betwist dat daarbij sprake is geweest van het (direct dan wel indirect) aanbieden en/of leveren van producten en/of diensten gelijk of gelijksoortig aan producten en/of diensten van Dental Union. Nu gesteld noch gebleken is dat dit laatste, op welke wijze en in welke vorm dan ook, wel heeft plaatsgevonden, is daarmee onvoldoende aannemelijk dat het bezoek van [gedaagde 3] aan [F] respectievelijk [G] tot overtreding van het relatiebeding heeft geleid. Dat [gedaagde 3] met deze handelwijze en zijn hierna te bespreken handelen met betrekking tot De Drietand wantrouwen bij Dental Union heeft opgewekt, is in het licht van de omstandigheden weliswaar begrijpelijk, maar dit kan niet de conclusie dragen dat uit de contacten met [F] en [G] enige aanbieding en/of levering is voortgekomen.

4.11.

Dit ligt anders in het geval van De Drietand. Vast staat dat De Drietand in mei

2014 over een prijsopgave van Dentalair beschikte. [gedaagde 3] heeft niet weersproken dat hij De Drietand opgave heeft gedaan van de door Dentalair gehanteerde prijzen, zoals uit de e-mail van 4 augustus 2014 van [E] aan mevrouw [H] (zie onder 2.23.) volgt. Naar de oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat [gedaagde 3] daarmee wordt geacht aan De Drietand, zijnde een klant van Dental Union voor wie [gedaagde 3] tijdens zijn dienstverband bij Dental Union heeft gewerkt, producten en/of diensten gelijk of gelijksoortig aan producten en/of diensten van Dental Union te hebben aangeboden en daarmee dus het relatiebeding te hebben overtreden. De vraag of [gedaagde 3] in dat kader aan De Drietand een interne voorraadlijst en prijzen van Dental Union aan De Drietand heeft verstrekt en of hij dan wel [C] een vergelijking tussen de prijzen van Dental Union en Dentalair heeft opgesteld, kan in dit verband onbeantwoord blijven. Deze vraag zal hierna in het kader van het geheimhoudingsbeding nog worden behandeld.

4.12.

Nu op grond van het voorgaande voldoende aannemelijk is dat er sprake is

(geweest) van overtreding van het relatiebeding door [gedaagde 3] jegens Dental Union met betrekking tot De Drietand, heeft Dental Union daarmee een gerechtvaardigd belang bij het door haar gevorderde gebod tot nakoming van het relatiebeding op straffe van een dwangsom. De opmerking van de advocaat van [gedaagde 3] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling dat [gedaagde 3] gedurende de resterende looptijd van het relatiebeding geen bezoek meer zal brengen aan een klant van Dental Union, waaraan [gedaagde 3] zich naar de voorzieningenrechter aanneemt zal houden, neemt dit belang van Dental Union niet (geheel) weg en vormt dan ook onvoldoende reden om de vordering op dit punt af te wijzen. Daarmee ligt de vordering onder 8 voor toewijzing gereed, waarbij de voorzieningenrechter ten aanzien van de gevorderde dwangsom nog het volgende overweegt.

4.13.

Gezien de hiervoor weergegeven inhoud en strekking van het relatiebeding,

waarbij niet van een voortdurende maar wel van een herhaalde overtreding sprake zal kunnen zijn, acht de voorzieningenrechter toewijzing van een bedrag per tijdseenheid (dag) als dwangsom, naast een bedrag per overtreding, niet aangewezen. De voorzieningenrechter ziet aanleiding de dwangsom vast te stellen op een bedrag van € 50.000,00 per overtreding, met een maximum van € 250.000,00.

Geheimhoudingsbeding [gedaagde 3]

4.14.

Aan de vordering onder 9 jegens [gedaagde 3], waarbij Dental Union gezien de aard

ervan op zichzelf een spoedeisend belang heeft, legt Dental Union ten grondslag dat [gedaagde 3] het op hem rustende geheimhoudingsbeding heeft overtreden door De Drietand en Dentalair te voorzien van een aangepaste voorraadlijst van Dental Union.

4.15.

[gedaagde 3] betwist dat. Daarbij stelt [gedaagde 3] zich voorts primair op het

standpunt dat als overeengekomen geheimhoudingsbeding het bepaalde in artikel 8 van de beëindigingsovereenkomst (zonder boetebeding) heeft te gelden, hetgeen in de plaats is gekomen van de geheimhoudingsbepalingen in artikel 8 van de arbeidsovereenkomst van 2 juni 2006. Subsidiair, voor het geval het bepaalde in artikel 8 van de arbeidsovereenkomst nog wel mocht gelden, beroept [gedaagde 3] zich op nietigheid van het in dit verband in de arbeidsovereenkomst opgenomen boetebeding wegens strijd met artikel 7:651 lid 1, tweede zin en lid 2 BW. Op dit laatste zal de voorzieningenrechter, indien nodig, terugkomen bij de bespreking van de vorderingen onder 6 en 7.

4.16.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft Dental Union niet aannemelijk

gemaakt dat [gedaagde 3] op enig moment in strijd met een op hem rustende geheimhoudingsplicht vertrouwelijke gegevens van Dental Union aan De Drietand dan wel aan Dentalair heeft verstrekt. Bij gebreke van een nadere toelichting valt niet in te zien dat de door Dental Union als productie 29 overgelegde lijst met producten van Dental Union, door Dental Union aangeduid als voorraadlijst, op zichzelf als bedrijfsvertrouwelijke informatie heeft te gelden. In die lijst is immers geen andere informatie opgenomen dan een omschrijving van de door Dental Union leverbare producten en de prijs daarvan zoals Dental Union die hanteert, welke informatie ook volgens Dental Union voor een ieder op internet, via de daar te vinden prijslijst van Dental Union, beschikbaar is. Daar komt bij dat in de verklaring van mevrouw [I], praktijkmanager van De Drietand van 4 september 2014 (zie onder 2.24) is uiteengezet dat en hoe [C] in mei 2014 op basis van de eerder door haar opgestelde vergelijkingsprijslijst met betrekking tot Dental Union en M2 (vgl. de door Dental Union overgelegde e-mail van 10 januari 2014 van [C] aan [gedaagde 3]; zie onder 2.10.) en na een bespreking in juni 2014 met [E] van Dental Union tot een nieuwe vergelijkingslijst tussen Dental Union en Dentalair is gekomen. Dat in dat verband door [gedaagde 3] informatie is verstrekt betreffende Dental Union is door Dental Union onvoldoende aannemelijk gemaakt.

4.17.

Dat er (zoals hiervoor in het kader van het relatiebeding reeds besproken) door

[gedaagde 3] namens Dentalair een prijsopgave is gedaan, die vervolgens door De Drietand is vergeleken met de prijzen van Dental Union staat genoegzaam vast. Dit betekent echter niet, anders dan Dental Union kennelijk meent, dat [gedaagde 3] daarmee (ook) vertrouwelijke bedrijfsinformatie van Dental Union aan De Drietand zal hebben verstrekt.

4.18.

Aldus is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit kort geding

onvoldoende aannemelijk geworden dat [gedaagde 3] in strijd met enige geheimhoudingsplicht jegens Dental Union heeft gehandeld en bestaat om die reden geen grond voor toewijzing van het door Dental Union onder 9 gevorderde gebod.

Voorschot boete/schadevergoeding [gedaagde 3]

4.19.

Dental Union vordert onder 6 en 7 van [gedaagde 3] een bedrag van € 29.960 als

voorschot op verbeurde boetes dan wel als voorschot op schadevergoeding. De voorzieningenrechter overweegt dat voor de toewijsbaarheid van een geldvordering in kort geding de volgende drie voorwaarden gelden:

a. er moet een spoedeisend belang bij een onmiddellijke voorziening zijn;

b. het bestaan van de vordering moet voldoende aannemelijk zijn;

c. in de afweging van de belangen van partijen moet het risico van de onmogelijkheid van terugbetaling ingeval van een toewijzing van de vordering worden betrokken.

4.20.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter wordt aan voormelde criteria niet

voldaan. Een voldoende spoedeisend belang bij deze vordering is gesteld noch gebleken. Daarnaast is de omvang van de vordering mede gelet op hetgeen hierboven is overwogen onvoldoende aannemelijk. Daarmee komt de voorzieningenrechter aan een belangenafweging niet toe en dient deze vordering van Dental Union in kort geding te worden afgewezen.

Concurrentiebeding [gedaagde 4]

4.21.

Het spoedeisend belang van Dental Union bij de vordering sub 10 is met de aard

daarvan gegeven.

4.22.

Dental Union legt aan deze vordering het in artikel 8 van de arbeidsovereenkomst

met [gedaagde 4] opgenomen concurrentiebeding ten grondslag (zie hiervoor onder 2.5.).

4.23.

[gedaagde 4] stelt primair dat het concurrentiebeding zijn werking heeft verloren

wegens het aanmerkelijk zwaarder gaan drukken daarvan en voorts, voor het geval het nog wel tussen partijen van kracht mocht zijn, dat het met zijn indiensttreding bij Dentalbouw – in afwachting van een oplossing – in ieder geval niet is overtreden, terwijl het overigens ook aan de enkele indiensttreding bij Dentalair niet in de weg staat. Nu er bij Dentalbouw geen geschikte werkzaamheden voor hem zijn en hij op korte termijn bij Dentalair in dienst wil treden om werkzaamheden te verrichten vergelijkbaar met de werkzaamheden die hij voor Dental Union heeft verricht, hetgeen op grond van het concurrentiebeding niet is toegestaan, vordert hij zelf in kort geding schorsing van het concurrentiebeding.

4.24.

De voorzieningenrechter overweegt dat het door Dental Union onder 10

gevorderde gebod alleen dan toewijsbaar is indien Dental Union daarbij een rechtens relevant belang heeft. Daartoe dient voldoende aannemelijk te zijn dat het concurrentiebeding tussen partijen van kracht is en sprake is (geweest) van overtreding daarvan door [gedaagde 4]. Dit is naar het oordeel van de voorzieningenrechter op grond van de navolgende overwegingen niet het geval.

4.25.

De vraag of het beding zijn werking heeft verloren, laat de voorzieningenrechter

vooralsnog in het midden. Er vanuit gaande dat het beding tussen partijen van kracht is, geldt het navolgende.

4.26.

Op grond van het concurrentiebeding dient [gedaagde 4] zich te ‘onthouden van

het verrichten van werkzaamheden voor derden, gelijk aan of vergelijkbaar met de voor werkgever te verrichten werkzaamheden, van het doen van zaken voor eigen rekening

gelijk aan of vergelijkbaar met de zaken van werkgever, alsmede van elke directe of indirecte betrokkenheid of financiële interesse bij dergelijke werkzaamheden of zaken’.

Van overtreding zal eerst sprake kunnen zijn indien er – door [gedaagde 4] dan wel door een ander met betrokkenheid daarbij van [gedaagde 4] – werkzaamheden worden verricht die gelijk aan of vergelijkbaar met de door [gedaagde 4] voor Dental Union verrichte werkzaamheden zijn.

4.27.

Als door [gedaagde 4] gesteld en door Dental Union niet gemotiveerd

weersproken, moet het er voor worden gehouden dat [gedaagde 4] thans niet bij Dentalair maar bij Dentalbouw in dienst is. Naar de voorzieningenrechter het standpunt van Dental Union begrijpt, stelt zij dat daarmee sprake is van ‘directe of indirecte betrokkenheid of financiële interesse bij dergelijke werkzaamheden of zaken’. Dat standpunt volgt de voorzieningenrechter niet. Niet betwist is dat de bedrijfsactiviteiten van Dentalbouw geen werkzaamheden betreffen die gelijk aan of vergelijkbaar zijn met de door [gedaagde 4] voor Dental Union verrichte werkzaamheden. Voorts leidt het enkele feit dat Dentalair en Dentalbouw zustervennootschappen zijn, nog niet tot betrokkenheid van werknemers van Dentalbouw bij werkzaamheden die binnen Dentalair worden verricht en die gelijk aan of vergelijkbaar zijn met de door [gedaagde 4] voor Dental Union verrichte werkzaamheden. Dat [gedaagde 4], in dienst zijnde van Dentalbouw, tot op heden feitelijk voor Dentalair dergelijke werkzaamheden heeft verricht, is niet aannemelijk geworden.

4.28.

Nu aldus niet aannemelijk is dat [gedaagde 4] het concurrentiebeding heeft

overtreden, zal het onder 10 gevorderde gebod bij gebrek aan belang daarbij van Dental Union worden afgewezen.

Geheimhoudingsbeding [gedaagde 4]

4.29.

Naast nakoming van het concurrentiebeding vordert Dental Union onder 9

nakoming van het geheimhoudingsbeding op straffe van een dwangsom. Bij deze vordering heeft Dental Union gezien de aard ervan op zichzelf een spoedeisend belang.

4.30.

Tussen partijen is in dit verband gediscussieerd over de vraag welk

geheimhoudingsbeding tussen hen geldt: het in artikel 8 van de arbeidsovereenkomst – als onderdeel van het concurrentiebeding – opgenomen beding dan wel de in artikel 1.3 van de door Dental Union overgelegde algemene bepalingen neergelegde bepaling. Ook is tussen partijen gedebatteerd over de geldigheid van het aan het geheimhoudingsbeding gekoppelde boetebeding. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan in dit kort geding aan deze discussie worden voorbijgegaan, nu – ongeacht de tussen partijen geldende bepalingen – zonder nadere feitelijke toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien dat [gedaagde 4] in strijd heeft gehandeld met een op hem rustende geheimhoudingsplicht. Door Dental Union is enkel gesteld dat de geheimhouding is geschonden, zonder evenwel toe te lichten uit welke feiten en omstandigheden die schending volgt, zodat deze dan ook niet aannemelijk is geworden.

4.31.

De vordering onder 9 zal derhalve worden afgewezen.

Voorschot boete/schadevergoeding [gedaagde 4]

4.32.

Ook de vorderingen onder 11 en 12 zullen worden afgewezen. Gezien het

voorgaande is niet voldaan aan de voor toewijzing geldende voorwaarden, zoals reeds hiervoor onder 4.19. weergegeven.

Onrechtmatig handelen Dentalair en Dentalbouw

4.33.

Aan de vorderingen onder 1 tot en met 5 legt Dental Union onrechtmatig handelen

van Dentalair en Dentalbouw ten grondslag. Volgens Dental Union handelen Dentalair en Dentalbouw in de eerste plaats onrechtmatig door [gedaagde 4] in strijd met diens concurrentiebeding werkzaamheden te laten verrichten en daarmee van diens wanprestatie jegens Dental Union te profiteren. Voorts wordt er onrechtmatig gehandeld door ook andere werknemers van Dental Union (met een concurrentiebeding) te benaderen en hen te bewegen over te stappen naar Dentalair (‘los te weken’). Dentalair en Dentalbouw zijn gericht en stelselmatig bezig om het bedrijfsdebiet van Dental Union aan te tasten, aldus Dental Union.

4.34.

Dentalair en Dentalbouw voeren gemotiveerd verweer. Volgens hen heeft

Dentalbouw andere, niet concurrerende bedrijfsactiviteiten zodat alleen al om die reden de vorderingen jegens Dentalbouw moeten worden afgewezen. Wat betreft Dentalair wordt betwist dat er jegens Dental Union onrechtmatig wordt gehandeld. Dentalair weerspreekt dat zij actief (voormalig) werknemers van Dental Union benadert (‘ronselt’). Volgens Dentalair hebben deze zich zelf bij haar gemeld en heeft Dentalair vervolgens contact gezocht met Dental Union voor overleg, welk overleg niet tot overeenstemming heeft geleid. Er bestaat geen rechtsgrond voor toewijzing van de gevorderde verboden en toewijzing zal in strijd zijn met mededingingsrecht, aldus Dentalair en Dentalbouw.

Werkzaamheden [gedaagde 4]

4.35.

De voorzieningenrechter overweegt dat, ingevolge vaste rechtspraak van de Hoge

Raad, het handelen met iemand terwijl men weet dat deze laatste door dat handelen een door hem met een derde gesloten overeenkomst schendt, op zichzelf jegens die derde niet onrechtmatig is. Van onrechtmatigheid is pas sprake indien die aangesproken partij weet of behoort te weten dat zijn wederpartij door dat handelen, kort gezegd, wanprestatie pleegt jegens een derde, en bovendien sprake is van bijkomende omstandigheden (zie o.a. HR 26 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1084 en vgl. HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:740).

4.36.

Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor met betrekking tot de indiensttreding van

[gedaagde 4] bij Dentalbouw onder 4.23. en volgende is overwogen, is niet aannemelijk dat op dit moment sprake is van een schending door [gedaagde 4] van zijn met Dental Union overeengekomen concurrentiebeding. Voorts is onvoldoende aannemelijk dat een zodanige schending dreigt, nu Dentalair en [gedaagde 4] uitdrukkelijk hebben gesteld dat [gedaagde 4] zich vooralsnog van concurrerende werkzaamheden zal onthouden en door [gedaagde 4] in verband daarmee in de andere kort geding procedure schorsing van het concurrentiebeding wordt gevorderd, welke vordering hierna zal worden behandeld. Dat leidt er toe dat reeds om die reden geen aanleiding bestaat voor toewijzing van het onder 1 gevorderde verbod.

Benaderen werknemers Dental Union

4.37.

Dat Dentalair en Dentalbouw actief werknemers van Dental Union aan het

‘ronselen’ zijn, waardoor sprake zou zijn van de hiervoor onder 4.35. bedoelde vereiste bijkomende omstandigheden en (de dreiging van) onrechtmatig handelen van Dentalair en/of Dentalbouw is in dit kort geding naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk geworden. Het blijft vooralsnog bij de enkele stelling van Dental Union dat dit zo is, maar een feitelijke onderbouwing van die stelling ontbreekt.

4.38.

Dit leidt er toe dat ook het gevorderde onder 2 en 3 geheel zal worden afgewezen.

Leveren producten aan klanten Dental Union

4.39.

Onder 4 vordert Dental Union een algemeen gesteld verbod voor Dentalair en

Dentalbouw om aan (voormalig) klanten van Dental Union producten te leveren. Deze vordering is dermate ruim en onbepaald gesteld, dat deze alleen al om die reden niet voor toewijzing vatbaar is.

Voorschot op schadevergoeding

4.40.

Nu op grond van hetgeen hiervoor is overwogen niet aannemelijk is dat er sprake

is van onrechtmatig handelen van Dentalair en/of Dentalbouw dient het onder 5 gevorderde voorschot op schadevergoeding reeds daarom te worden afgewezen.

Conclusie

4.41.

Het voorgaande leidt er toe dat de vorderingen van Dental Union zullen worden

afgewezen, behoudens het onder 8 jegens [gedaagde 3] gevorderde gebod op straffe van een dwangsom, een en ander als hierna in het dictum zal zijn bepaald.

Buitengerechtelijke – en proceskosten

4.42.

In verband met het bovenstaande zullen de gevorderde buitengerechtelijke kosten

eveneens worden afgewezen.

4.43.

Nu Dental Union en Dentalair c.s. over en weer deels in het gelijk en deels in het

ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.

in de zaak met zaak- en rolnummer C/16/374716 / KG ZA 14-573

4.44.

[gedaagde 4] is niet meer werkzaam bij Dental Union, is thans in dienst van

Dentalbouw en wil op korte termijn voor Dentalair werkzaamheden gaan verrichten. Het vereiste spoedeisend belang van [gedaagde 4] bij diens vordering tot schorsing van het concurrentiebeding is daarmee gegeven.

Gelding concurrentiebeding

4.45.

Niet in geschil is dat het concurrentiebeding zoals opgenomen in artikel 8 van de

arbeidsovereenkomst tussen [gedaagde 4] en Dental Union in 2001 geldig (schriftelijk) is overeengekomen als bedoeld in artikel 7:653 lid 1 BW. [gedaagde 4] stelt zich primair op het standpunt dat het concurrentiebeding haar werking heeft verloren, zodat het hem vrijstaat voor Dentalair werkzaam te zijn. Daartoe heeft hij aangevoerd dat hij de eerste jaren bij Dental Union als installatieverkoper heeft gewerkt om vervolgens in 2005 in de functie van vestigingsmanager te worden benoemd. Als vestigingsmanager maakte hij deel uit van het management team van Dental Union en was hij naast zijn verkoopwerk verantwoordelijk voor ongeveer 13 medewerkers. Hierdoor is het concurrentiebeding volgens [gedaagde 4] aanmerkelijk zwaarder gaan drukken. Nu het concurrentiebeding niet opnieuw is besproken en overeengekomen, heeft dit beding haar geldigheid niet behouden en kan Dental Union daar thans geen beroep op doen, aldus [gedaagde 4].

4.46.

Dental Union stelt zich op het standpunt dat de functiewijziging van [gedaagde 4]

voorzienbaar was en dat deze niet zo ingrijpend was dat daardoor het concurrentiebeding zwaarder is gaan drukken. Volgens Dental Union had [gedaagde 4] als vestigingsmanager een beperkte, coördinerende rol en hield zijn functie eigenlijk niet meer in dan de vorige functie van installatieverkoper, hetgeen [gedaagde 4] ook zelf heeft gesteld. [gedaagde 4] was voor 95% werkzaam in de verkoop en voor 5% in coördinerende taken, aldus Dental Union. Dental Union stelt dat ook indien wel sprake zou zijn van een ingrijpende gewijzigde functie, het concurrentiebeding daardoor niet zwaarder is gaan drukken.

4.47.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat voor toewijzing van de gevraagde

voorziening het in hoge mate waarschijnlijk moet zijn dat een zodanige vordering in een te voeren bodemprocedure zal worden toegewezen. Ter beantwoording van de vraag of een concurrentiebeding geheel of gedeeltelijk zijn geldigheid heeft verloren en opnieuw schriftelijk had moeten worden overeengekomen, dient te worden onderzocht (1) of sprake is van een wijziging van de arbeidsverhouding van ingrijpende aard en (2) of, en zo ja op grond waarvan, die wijziging meebrengt dat het concurrentiebeding aanmerkelijk zwaarder gaat drukken. Daarbij komt betekenis toe aan de mate waarin de wijziging van de arbeidsverhouding redelijkerwijze was te voorzien voor de werknemer toen deze het beding aanvaardde. Voorts is de enkele vaststelling, dat zich een ingrijpende wijziging van de arbeidsverhouding heeft voorgedaan, in het algemeen onvoldoende voor het aannemen van het oorzakelijk verband met het aanmerkelijk zwaarder gaan drukken van het beding. Bij de beoordeling of van dit laatste sprake is moet worden onderzocht of, en zo ja in hoeverre en in welke mate, die wijziging, na beëindiging van het dienstverband van de werknemer, bij handhaving van het concurrentiebeding een belemmering voor hem zal vormen om een nieuwe, gelijkwaardige werkkring hetzij in loondienst hetzij als zelfstandig ondernemer te vinden (Hoge Raad 5 januari 2007, LJN: AZ2221).

4.48.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [gedaagde 4] tegenover het

gemotiveerde standpunt van Dental Union in dit kort geding onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van een zodanige ingrijpende functiewijziging dat om die reden de hiervoor onder 4.47. bedoelde eerste vraag in een bodemprocedure bevestigend zal worden beantwoord. Vast staat dat er sprake is van een functiewijziging, maar dat is niet voldoende. [gedaagde 4] heeft onvoldoende onderbouwd waarom deze functiewijziging als ingrijpend en niet voorzienbaar moet worden gekwalificeerd.

4.49.

Nu op grond van het voorgaande onvoldoende aannemelijk is dat in een

bodemprocedure zal worden geoordeeld dat aan de eerste voorwaarde van een ingrijpende en niet voorzienbare wijziging in de arbeidsverhouding is voldaan, komt de kantonrechter aan beantwoording van de tweede vraag of, en zo ja op grond waarvan, aannemelijk is dat die wijziging vervolgens meebrengt dat het concurrentiebeding aanmerkelijk zwaarder is gaan drukken niet toe en kunnen de in dat kader door partijen naar voren gebrachte stellingen onbesproken blijven. Dit maakt dat in dit kort geding als uitgangspunt bij de verdere beoordeling geldt dat het concurrentiebeding zijn werking niet heeft verloren.

Belangenafweging

4.50.

[gedaagde 4] heeft zijn vordering subsidiair gebaseerd op zijn stelling dat hij door

het concurrentiebeding onbillijk wordt benadeeld. Volgens hem was zijn functie door Dental Union uitgehold en teruggebracht naar die van verkoopadviseur en bestond er voor hem geen enkel vooruitzicht op verbetering van zijn positie binnen Dental Union. Dat hij zijn dienstverband heeft opgezegd komt voor rekening en risico van Dental Union. De kans op een functie buiten de branche waarin Dental Union en Dentalair zich bevinden, is gezien zijn ruime specifieke werkervaring binnen deze branche zeer klein. [gedaagde 4] wil voor Dentalair werkzaamheden gaan verrichten vergelijkbaar met ‘de werkzaamheden die hij voor Dental Union verrichtte’ en zijn belang daarbij weegt zwaarder dan het belang van Dental Union bij handhaving van het concurrentiebeding, aldus [gedaagde 4]. Volgens [gedaagde 4] is het belang van Dental Union er niet meer, nu hij al vanaf april 2014 op de markt buiten beeld is.

4.51.

Dental Union heeft in dit verband toegelicht dat Dentalair een directe concurrent is

die bovendien al meerdere voormalige werknemers van Dental Union in dienst heeft en Dental Union een groot bedrijfsbelang heeft bij de handhaving van het concurrentiebeding jegens [gedaagde 4]. Dit belang weegt volgens Dental Union zwaarder dan de belangen van [gedaagde 4], nu [gedaagde 4] er zelf voor heeft gekozen om, ondanks de mogelijkheden binnen Dental Union, de arbeidsovereenkomst met Dental Union op te zeggen, wetende dat hij aan een concurrentiebeding is gebonden en wetende dat Dentalair een directe concurrent is. Er zijn volgens Dental Union voor Van den Hoek zowel buiten als ook binnen de branche mogelijkheden voor Van den Hoek. Met betrekking tot een overstap van [gedaagde 4] binnen de branche is Dental Union naar haar zeggen nog steeds bereid tot overleg.

4.52.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Dat Dentalair een directe concurrent

is van Dental Union is genoegzaam gebleken. Voorts is voldoende aannemelijk dat [gedaagde 4] over concurrentiegevoelige kennis en ervaring beschikt en Dental Union dus belang heeft bij handhaving van het concurrentiebeding. Tegenover dit belang van Dental Union staat het belang van [gedaagde 4] om reeds voor het verstrijken van de looptijd van het concurrentiebeding (voor 1 juni 2015) bij Dentalair in dienst te kunnen treden. Dit belang weegt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet op tegen het belang van Dental Union. [gedaagde 4] heeft niet toegelicht dat en hoe zijn arbeidspositie met de beoogde overstap naar Dentalair ten opzichte van zijn positie bij Dental Union zal worden verbeterd en dat hij binnen Dental Union geen verdere mogelijkheden tot positieverbetering had. Daarbij is van belang dat Dental Union een uitgebreide schets heeft gegeven van de positie en het toekomstbeeld van de vestiging in Groningen en de mogelijkheden daarbinnen voor [gedaagde 4]. In dat licht gaat de voorzieningenrechter voorbij aan de stelling van [gedaagde 4] dat zijn opzegging aan Dental Union moet worden toegerekend. Voorts is onvoldoende aannemelijk dat er voor [gedaagde 4] buiten Dentalair geen mogelijkheden zijn om een passende functie te vinden. Van een zodanig door Dental Union geweigerd verzoek van [gedaagde 4] met betrekking tot een andere onderneming binnen deze branche is (nog) geen sprake. Bovendien is vooralsnog onvoldoende aannemelijk dat [gedaagde 4] gezien zijn kennis en ervaring, in ieder geval gedurende de looptijd van het concurrentiebeding dus tot 1 juni 2015, geen passende functie zal kunnen vinden in een functie buiten deze branche. Dat dit mogelijk gepaard zal gaan met een wijziging van arbeidsvoorwaarden maakt dit niet anders. [gedaagde 4] is uiteindelijk op eigen initiatief bij Dental Union vertrokken en dit komt op grond van de omstandigheden zoals deze in dit kort geding naar voren zijn gekomen voor zijn rekening en risico. De termijn van een jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst is in de gegeven omstandigheden evenmin onbillijk. Dat Van den Hoek vanaf eind april 2014, dus een maand voordat de arbeidsovereenkomst eindigde, geen werkzaamheden meer voor Dental Union heeft verricht, doet daar niet aan af.

4.53.

Nu zich aldus geen omstandigheden voordoen die een schorsing van het

concurrentiebeding rechtvaardigen, betekent dit dat de primaire vordering van [gedaagde 4] zal worden afgewezen.

Vergoeding

4.54.

[gedaagde 4] heeft subsidiair als billijke vergoeding als bedoeld in artikel 7:653 lid

4 BW een bedrag gelijk aan het netto equivalent van het bruto jaarsalaris bij Dentalair, zijnde € 64.750,00 bruto, inclusief vakantietoeslag gevorderd

4.55.

Dental Union heeft deze vordering weersproken en heeft daartoe gesteld dat niet is

voldaan aan het vereiste van artikel 7:653 lid 4 BW dat er sprake moet zijn van een ernstige belemmering van [gedaagde 4] om anders dan in dienst van Dental Union werkzaam te zijn.

4.56.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om vooruitlopend op een

bodemprocedure aan [gedaagde 4] (een voorschot op) een billijke vergoeding toe te kennen. Vooralsnog is onvoldoende aannemelijk dat er voor [gedaagde 4] buiten Dental Union en Dentalair, in die branche dan wel daarbuiten, geen mogelijkheden zijn om gedurende de looptijd van het concurrentiebeding een passende functie te vinden.

Proceskosten

4.57.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde 4] in de proceskosten

worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Dental Union worden begroot op:

- griffierecht € 1.892,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 2.708,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

in de zaak met zaak- en rolnummer C/16/374493 / KG ZA 14-560

5.1.

veroordeelt [gedaagde 3] om tot 1 februari 2015 het tussen hem en Dental Union overeengekomen relatiebeding na te komen, welk relatiebeding luidt:

“het is werknemer eveneens verboden tijdens de duur van de arbeidsovereenkomst en gedurende 1 jaar nadat de arbeidsovereenkomst geheel of gedeeltelijk is geëindigd, direct of indirect aan klanten van de vennootschap voor wie hij tijdens zijn dienstverband bij Dental Union werkzaamheden heeft verricht, op welke wijze dan ook producten en/of diensten aan de bieden en/of te leveren, die gelijk of gelijksoortig zijn aan producten en/of diensten van Dental Union.” Bij overtreding treedt het boetebeding in werking zoals opgenomen in de arbeidsovereenkomst met Dental Union”

zulks op straffe van een dwangsom van € 50.000,00 voor iedere overtreding, met als maximum € 250.000,00;

5.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in de zaak met zaak- en rolnummer C/16/374716 / KG ZA 14-573

5.5.

wijst het gevorderde af;

5.6.

veroordeelt [gedaagde 4] in de proceskosten, aan de zijde van Dental Union tot op heden begroot op € 2.708,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.M. de Laat en in het openbaar uitgesproken op 19 september 2014.1

1 type: HV1325 coll: