Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:416

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-02-2014
Datum publicatie
06-02-2014
Zaaknummer
16/700817-13 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Midden-Nederland heeft een 61-jarige man uit Nijmegen veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar voor grootschalige hennepteelt in een ondergrondse kwekerij in Zeist. De rechtbank acht bewezen dat de verdachte (mede)eigenaar en exploitant van de hennepkwekerij was en zich jarenlang schuldig heeft gemaakt aan de teelt van een groot aantal hennepplanten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/700817-13 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 6 februari 2014.

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres] in [woonplaats],

thans verblijvende in Huis van Bewaring Wolvenplein te Utrecht.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

De onderzoeken ter terechtzitting hebben plaatsgevonden op 12 november 2013 en 23 januari 2014. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. M.W.J. Rosendaal, advocaat te Nijmegen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is, zoals gewijzigd en toegestaan ter zitting, als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Beroeps- of bedrijfsmatig samen met anderen in de periode van 31 december 2005 tot en met 7 maart 2013 een groot aantal hennepplanten heeft gekweekt.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie is van mening dat het ten laste gelegde feit bewezen kan worden verklaard. Zij verwijst hierbij naar de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. Daarbij merkt ze op dat uit de luchtfoto’s is gebleken dat de zeecontainers zijn ingegraven vanaf het moment dat verdachte eigenaar werd van het perceel, dat verdachte onder een valse naam goederen kocht die gezamenlijk kunnen worden gezien als aankopen om de kwekerij te onderhouden en dat met zijn toestemming iemand op het perceel woonde die werkzaamheden verrichte op de kwekerij.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit en voert daartoe het volgende aan.

Schending artikel 6 EVRM

De verklaringen van cliënt afgelegd in 2004, welke zich in het strafdossier bevinden, dienen te worden uitgesloten van het bewijs omdat hij destijds niet is gewezen op zijn consultatierecht. De Hoge Raad heeft, gebaseerd op jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, geoordeeld dat cliënt dan is geschonden in zijn recht op een eerlijk proces. Hieruit vloeit voort dat de desbetreffende verklaringen op grond van artikel 6 EVRM onrechtmatig zijn verkregen en uitgesloten dienen te worden van het bewijs onder verwijzing naar artikel 359a Wetboek van Strafvordering.

Onrechtmatig betreden van het terrein van verdachte

Daarnaast is de verdediging van mening dat het perceel aan [perceel] in Zeist onrechtmatig is betreden omdat er geen redelijk vermoeden van schuld was en de toestemming die volgens verbalisanten door de heer[A] is gegeven, die zich op het perceel bevond, is onacceptabel. De verbalisanten verklaren zelf dat zij niet zeker weten of[A] hen wel heeft begrepen nu hij de Nederlandse en Engelse en zelfs Duitse taal niet machtig zegt te zijn. Met het betreden zonder redelijk vermoeden is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Wetboek van Strafvordering en het hieruit verkregen bewijs dient te worden uitgesloten.

Betrokkenheid cliënt

Cliënt ontkent iedere betrokkenheid bij de hennepkwekerij. Niet kan worden uitgesloten dat de kwekerij zich al in de grond bevond, op het moment dat cliënt in 2004 eigenaar van het perceel werd. Uit het dossier volgt niet dat het terrein is veranderd nadat hij het heeft aangekocht of dat hij degene is geweest die veranderingen heeft aangebracht, zoals de aarden wal waar de officier van justitie over spreekt. De PVC leidingen die in de kwekerij aanwezig waren, zijn gefabriceerd ver voordat de heer [verdachte] eigenaar is geworden van het perceel en uit niets blijkt dat hij degene is geweest die deze pijpen heeft gekocht.

Daarnaast is de verdediging van mening dat de politie suggereert dat cliënt de aankopen die hij heeft gedaan bij[bedrijf], voor de hennepkwekerij heeft gebruikt. Naar de mening van de verdediging kan dit niet volgen uit het dossier. Ook het aankopen van grote hoeveelheden smeerolie en diesel kan worden verklaard omdat woonvoorzieningen op het terrein draaiend gehouden moest worden en cliënt zijn schip moest onderhouden en een deel automaterialen betrof voor zijn Mercedessen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal hieronder allereerst ingaan op de verweren die de raadsman heeft gevoerd met betrekking tot de bewijsuitsluitingen op grond van artikel 359a Wetboek van Strafvordering.

Schending artikel 6 EVRM

De rechtbank constateert dat in het strafdossier verklaringen zijn opgenomen van verdachte, die hij heeft afgelegd in een eerdere strafzaak die reeds is afgedaan. De rechtbank zal de verklaringen die verdachte in deze strafzaak die meer dan 10 jaar geleden heeft gespeeld, geen enkele rol laten spelen in onderhavige zaak. Reeds hierom worden deze verklaringen niet in de beoordeling betrokken en behoeft dit verweer verder geen bespreking.

Onrechtmatig betreden

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging. Het perceel dat in eigendom is geweest bij verdachte, is betreden op basis van artikel 9 lid 1 onder b van de Opiumwet. Op basis van deze bepaling hebben opsporingsambtenaren, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is, toegang tot de plaatsen waar een overtreding van de Opiumwet wordt gepleegd of waarvan redelijkerwijs vermoed kan worden dat daar zodanige overtreding wordt gepleegd. Dit is een ruimere bevoegdheid dan die het Wetboek van Strafvordering schept. In casu is de politie, op grond van CIE-melding in januari 2013, op 5 maart 2013 bij bospercelen aan [perceel] in Zeist gaan kijken. Op één van de percelen brandde licht in een caravan en liep een waakhond op een afgerasterd terrein. Dit bleek het perceel waar later de hennepkwekerij is aangetroffen. Twee dagen daarna is de politie weer gaan kijken bij dit perceel. Zij zien een man van vermoedelijk Aziatische afkomst wegrennen. Pas daarna hebben de agenten het terrein betreden. De informatie uit de melding, onder meer inhoudende dat zich in een bosperceel aan [perceel] in Zeist hennep bevindt en dat er Chinezen in de caravan zitten, in combinatie met de bevindingen van de verbalisanten bij het bosperceel aan [perceel], waarbij zij een Aziatisch uitziende persoon zien, hetgeen overeenkomt met informatie uit de CIE-melding, maakt de informatie zo specifiek en tot op zekere hoogte controleerbaar juist, dat op dat moment sprake was van een redelijk vermoeden van overtreding van de Opiumwet. Hiermee was het betreden van het terrein niet onrechtmatig. De toestemming van[A] doet daarbij niet ter zake. Het verkregen bewijsmateriaal kan derhalve voor het bewijs worden gebruikt.

Bewijsmiddelen

De rechtbank zal hieronder uiteenzetten op grond van welke feiten en omstandigheden zij concludeert tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.1

Aantreffen kwekerij

Op 7 maart 2013 wordt op [perceel] in Zeist door de politie onderzoek ingesteld naar de mogelijke aanwezigheid van een hennepkwekerij. Ter plaatse wordt door de politie een persoon gezien die met een zaklamp in zijn hand begint te rennen als hij de verbalisanten in de gaten krijgt.2 Deze persoon blijkt later [A] te zijn.3 Op het politiebureau blijkt dat hij vlekken op zijn kleding heeft en zijn handen onder het vet zitten.4 Op het terrein vindt men een houten schuurtje met een deur die toegang geeft naar een ondergrondse ruimte.5 In een andere ruimte op het terrein, die in eerste instantie lijkt op een hondenhok, treft een verbalisant een houten plaat op de grond aan, waaronder hij een gat in de grond aantreft.6 Verbalisanten gaan door het gat naar beneden, waar zij een ruimte aantreffen met transformatoren, schakelkasten en wietplanten.7 Na een rondje over het perceel te hebben gemaakt treffen zij naast de ingang van het perceel een container met diverse vaten diesel aan. Daarnaast staat een pomp met een slang erin, die loopt naar een lager gelegen ruimte. In deze lagere ruimte staan twee aggregaten met daarop de tekst ‘[firma] aggregaten’. Uit het tweede aggregaat loopt een dikke stroomkabel naar een stroompaddenstoel. Het aggregaat voelt warm aan en vermoed wordt dat het kort tevoren is uitgeschakeld.8 Er worden onder de grond vier ruimtes aangetroffen waar in totaal 2.273 wietplanten staan.9 De plantjes worden voorzien van vloeistof door een irrigatiesysteem.10 Op een pvc-pijp van de kwekerij staat de datum 1 september 2003.11 Als het zojuist genoemde aggregaat wordt gestart, gaat de elektrische apparatuur in de kwekerijen in alle vier de ruimtes in werking.12 Om het perceel wordt een aarden wal aangetroffen. Bij de gemeente worden luchtfoto’s opgevraagd van het terrein met betrekking tot de jaren 1998 tot 2012. Hieruit blijkt dat tussen 2005 en 2012 de aarden wal zichtbaar werd, die er voor 2002 duidelijk nog niet was.13 Er zijn geen foto’s van de jaren 2003 en 2004.

Uit navraag bij het kadaster blijkt dat verdachte [verdachte] sinds 22 juni 2004 de eigenaar van het desbetreffende perceel aan [perceel] in Zeist is.14 Hij heeft het terrein in maart 2012 aan de stichting BBL verkocht en het zou op 1 mei 2013 schoon opgeleverd worden.15 Verdachte heeft er 6 jaar gewoond, tot hij in 2011 met de boot begon. Hij kwam naar eigen zeggen de laatste tijd nog eenmaal per week op het terrein, maar twee keer per week kan ook wel kloppen.16

Verklaringen getuigen

De man die op het terrein wordt aangetroffen,[A], verklaart dat hij op het terrein verblijft met toestemming van de man die daar ook woont. Deze man heeft hem de oliepompen laten zien toen hij wegging. Ook verklaart hij wel eens onder de grond water in de droge potten met wietplantjes te hebben gesproeid.17

Omdat op het terrein goederen worden aangetroffen van de firma [firma], wordt een medewerker van dat bedrijf gehoord. Deze medewerker, [C], herkent het blauwe aggregaat en de twee rode aggregaten die op het terrein zijn gevonden als aggregaten die van de firma [firma] afkomstig zijn.18 Het blauwe aggregaat functioneert niet meer volgens [C] en het is niet meer te traceren wie deze heeft aangeschaft of gehuurd. Het rode aggregaat met daarop het productieplaatje [nummer] is verkocht aan de heer [verdachte].19 Verdachte heeft verklaard dat hij het aggregaat dat nog werkte heeft gekocht en in het bosperceel heeft neergezet.20

Op 8 maart 2013 komt de buurman van het perceel aan [perceel], [D], zich melden bij de politie naar aanleiding van het aantreffen van de kwekerij. Hij vertelt dat het perceel in eigendom is bij [verdachte] en dat hij hem rond de jaarwisseling nog op het terrein heeft zien lopen.21 De buurman die woont op nummer 17, [E], bevestigt dat het perceel van [verdachte] is en verklaart op 27 maart 2013 dat hij [verdachte] tot kort daarvoor nog ongeveer twee keer per week op het terrein zag lopen.22

Aankoop goederen

Naar aanleiding van de verdenking wordt een huiszoeking gedaan op het woonadres van verdachte aan de [adres] in [woonplaats]. Daar worden betaalde facturen over de periode 2007 tot 2010 ten name van bedrijf[bedrijf] in Zeist aangetroffen en facturen op naam van [naam].23 Naar aanleiding van het aantreffen van de genoemde facturen wordt contact gezocht met het bedrijf[bedrijf] in Zeist. Daar wordt de heer[F] gehoord, werkzaam bij[bedrijf]. Deze verklaart dat [naam] in ieder geval al 5 jaar bij de firma spullen koopt. Hij kocht voornamelijk onderdelen voor aggregaten, oliefilters en olie en rekende vrijwel altijd contant af. De getuige verklaart dat [naam] een grote klant was en in het afgelopen jaar ongeveer 500 liter smeerolie heeft afgenomen in vaten van 60 liter. Getuige verklaart dat verdachte een bestelling had geplaatst die in de week van het ontdekken van de kwekerij kon worden opgehaald. De bestelling is echter niet opgehaald en[F] heeft verdachte helemaal niet meer gezien sindsdien.24 Verbalisant toont de getuige een foto van verdachte en vraagt hem of dit de persoon is die hij kent onder de naam [naam]. De getuige bevestigt dat dit inderdaad de persoon is die hij kent onder de naam [naam] en ongeveer twee keer in de maand spullen kwam kopen.25 Dat verdachte in ieder geval in de periode 2010 tot 2013 zo vaak spullen kocht bij[bedrijf], blijkt ook uit de verkoopgegevens van het bedrijf.26 Verdachte verklaart zelf dat hij bij[bedrijf] bekend stond onder de naam [naam].27 Ook is uit de gevonden facturen gebleken dat bij de firma [firma] aggregaten zijn aangeschaft28 en dat verdachte vaak diesel kwam halen bij tankstation [tankstation] in Kockengen, waar men verdachte ook kent.29

Aanvang kwekerij en aantal oogsten

In de kwekerij zijn pvc leidingen aangetroffen die als fabricagedatum 1 september 2003 hebben.30 Er worden onder meer wortelresten aangetroffen in de grond van het perceel, die helemaal zacht en sponzig aanvoelt, grote hoeveelheden potgrond, koolstoffilters en ventilatoren zijn vervuild en in een caravan worden droognetten aangetroffen.31 Uit de eerder genoemde luchtfoto’s is gebleken dat in 2002 een bosperceel te zien is en dat in 2005 een aarden wal het perceel lijkt te omringen, kennelijk aangebracht om de uitgegraven grond te verdelen over het terrein. Op grond hiervan wordt in het dossier een startdatum van de kwekerij van 1 mei 2005 aannemelijk geacht. Tot het moment van het aantreffen van de kwekerij op 7 maart 2013 gaat het in totaal om 427 weken en, daarmee, volgens het BOOM rapport, dat uitgaat van 1 oogst per 10 weken, 42 oogsten.32

Bewijsoverwegingen

De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij inderdaad eigenaar is van het perceel aan [perceel] in Zeist en dat het ook klopt dat hij alle aankopen bij [firma],[bedrijf] en het tankstation heeft gedaan. Verdachte stelt echter dat die niet waren bedoeld voor het exploiteren van een hennepkwekerij, maar voor het onderhouden van zijn camping en zijn schip waarmee hij tegen betaling pleziervaarten maakt. De verdachte benadrukt ter zitting dat hij geen weet heeft gehad van de aanwezigheid van de hennepkwekerij onder de grond op zijn perceel.

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de feiten die onomstotelijk vaststaan, te weten: verdachte was eigenaar van het perceel waarop de hennepteelt is aangetroffen, hij heeft er gewoond, hij kwam er nog wekelijks, hij heeft het aggregaat gekocht (en in het bosperceel neergezet) dat aldaar, ten tijde van de ontdekking, de hennepkwekerij van stroom voorzag, en hij heeft grote hoeveelheden brandstof en onderhoudsmiddelen gekocht geschikt voor de voeding en het onderhoud van dergelijke apparaten.

Om aannemelijk te achten dat verdachte desondanks niets van een hennepteelt wist, had het op zijn weg gelegen om plausibele verklaringen te geven voor onder meer de aankoop van het industriële aggregaat en de plaatsing hiervan in het bos, de door hem aangeschafte grote hoeveelheden diesel, smeer- en reinigingsmiddelen en ten slotte de herkomst van grote bedragen contant geld waarmee hij (deze) aankopen deed. De verklaringen die verdachte hiervoor heeft gegeven acht de rechtbank niet aannemelijk omdat ze door een volledig gebrek aan nadere gegevens oncontroleerbaar zijn ten aanzien van de herkomst van contanten, elkaar tegenspreken ten aanzien van de aankoop van grote hoeveelheden rode diesel en ongeloofwaardig zijn ten aanzien van de reden om een dergelijk groot aggregaat (tijdelijk) op een bosperceel te plaatsen en om vaatjes afgewerkte olie, volgens verdachte afkomstig van de boot, naar het bos te brengen.

Gezien het bovenstaande kan de rechtbank niet anders concluderen dan dat verdachte (mede) eigenaar en exploitant was van de hennepkwekerij en hij zich jarenlang schuldig heeft gemaakt aan het hem ten laste gelegde.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

in de periode van 31 december 2005 tot en met 7 maart 2013 te Zeist tezamen en in vereniging met een ander of anderen, telkens opzettelijk in de uitoefening van een beroep of bedrijf heeft geteeld in een ondergrondse ruimte in/op/onder een bosperceel op [perceel] telkens een hoeveelheid van in totaal ongeveer 2273 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als:

tezamen en in vereniging handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 11 lid 3 van de Opiumwet.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaar met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van de strafmaat geen verweer gevoerd.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Het kweken van een softdrug als hennep is een strafbaar feit dat overlast veroorzaakt en schade voor de maatschappij oplevert. Softdrugs zijn immers stoffen die bij (langdurig) gebruik kunnen leiden tot schade voor de gezondheid. In dit geval is daarbij bosgrond vervuild met schadelijke stoffen hetgeen grote saneringskosten met zich heeft meegebracht. Bovendien betreft het in deze zaak een kwekerij van bijzonder grote omvang en behelst de periode van kweken meer dan zeven jaren. Het kweken van hennep wordt daarnaast vaak omgeven door andere vormen van criminaliteit.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op een de verdachte betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 4 oktober 2013, waaruit blijkt dat verdachte al meerdere malen is veroordeeld voor Opiumwetdelicten en daarvoor ook gevangenisstraffen heeft gekregen.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 3 jaar passend en geboden.

9 Het beslag

Uit de beslaglijst volgt dat op de volgende goederen een beslag rust:

  • -

    3 stuks aggregaat

  • -

    1 stuk vorkheftruck

  • -

    2 stuk ventilator

  • -

    1 stuk tandpasta Aquafresh

  • -

    1 stuk bestek

  • -

    1 stuk lampenkap grijs

  • -

    1 stuk doos

  • -

    1 stuk hygrometer

  • -

    1 stuk fles Nestle

  • -

    1 stuk oranje ‘huishvwp’

9.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie is van mening dat het beslag als volgt zou moeten worden afgehandeld.

  • -

    1 stuk in werking zijnde aggregaat: verbeurd verklaren

  • -

    2 stuks aggregaat: bewaring ten gunste van de rechthebbende

  • -

    1 stuk bestek: teruggave aan de verdachte

  • -

    1 stuk tandpasta: teruggave aan de verdachte

  • -

    Overige materialen: verbeurd verklaren

9.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van het beslag geen verweer gevoerd.

9.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank neemt ten aanzien van het beslag de volgende beslissing.

  • -

    1 stuk in werking zijnde aggregaat: wordt verbeurd verklaard

  • -

    2 stuks aggregaat: bewaring ten gunste van de rechthebbende

  • -

    1 stuk bestek: teruggave aan de verdachte

  • -

    1 stuk tandpasta: teruggave aan de verdachte

  • -

    Overige materialen: wordt verbeurd verklaard

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikelen 33, 33a en 47 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 11 van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

tezamen en in vereniging handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 11 lid 3 van de Opiumwet.

Strafbaarheid

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 jaar.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beslag

Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

  • -

    In werking zijnde aggregaat, 1 stuk (G846674)

  • -

    Vorkheftruck (G846674)

  • -

    Ventilator (G845435)

  • -

    Lampenkap (G845379)

  • -

    Doos (G845468)

  • -

    Ventilator (G845385)

  • -

    Hygrometer (G845430)

  • -

    Fles Nestle (G845432)

  • -

    ‘Huishvwp’ (G845453)

Gelast de bewaring ten gunste van de rechthebbende van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

- Aggregaat 2 stuks (G846674)

Gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

  • -

    Tandpasta Aquafresh (G845462)

  • -

    Bestek (G845465)

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.J.M. Mol, voorzitter,

mrs. E.A. Messer en W. van Gelein Vitringa, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Capitano, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 februari 2014.

Mr. W. van Gelein Vitringa is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 31 december 2005 tot en met 07 maart 2013 te Zeist tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens) opzettelijk in de uitoefening van een beroep of bedrijf heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, en/of (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een ondergrondse ruimte in/op/onder een bosperceel op [perceel]) (telkens) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 2273 hennepplanten en/of een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 3 ahf/ond C Opiumwet

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om proces-verbaal nr. PL0920/2013052271, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Pagina 23 van het proces-verbaal van bevindingen, genoemd onder voetnoot 1.

3 Pagina 37 van het proces-verbaal van aanhouding, genoemd onder voetnoot 1.

4 Pagina 57 van het proces-verbaal van relaas, genoemd onder voetnoot 1.

5 Pagina 24 van het proces-verbaal van bevindingen, genoemd onder voetnoot 1.

6 Pagina 28 van het proces-verbaal van bevindingen, genoemd onder voetnoot 1.

7 Pagina 28 van het proces-verbaal van bevindingen, genoemd onder voetnoot 1.

8 Pagina 29 van het proces-verbaal van bevindingen, genoemd onder voetnoot 1.

9 Pagina 98 van het proces-verbaal van relaas, genoemd onder voetnoot 1.

10 Pagina 98 van het proces-verbaal van relaas, genoemd onder voetnoot 1.

11 Pagina 105 van het proces-verbaal van relaas, genoemd onder voetnoot 1.

12 Verklaring getuige [getuige] ter terechtzitting d.d. 23 januari 2014.

13 Pagina 117 van het proces-verbaal van bevindingen, genoemd onder voetnoot 1.

14 Pagina 898, akte van levering kadaster, proces-verbaal genoemd onder voetnoot 1.

15 Pagina 161van het proces-verbaal van aangifte, genoemd onder voetnoot 1.

16 Pagina 239 en 240 van het proces-verbaal van verhoor verdachte, genoemd onder voetnoot 1.

17 Pagina 53 van het proces-verbaal van verhoor verdachte, genoemd onder voetnoot 1.

18 Pagina 115 van het proces-verbaal van relaas, genoemd onder voetnoot 1.

19 Pagina 116 van het proces-verbaal van relaas, genoemd onder voetnoot 1.

20 Pagina 239 van het proces-verbaal van verhoor verdachte, genoemd onder voetnoot 1.

21 Pagina 120 van het proces-verbaal van bevindingen, genoemd onder voetnoot 1.

22 Pagina 122 van het proces-verbaal van bevindingen, genoemd onder voetnoot 1.

23 Pagina 227 van het proces-verbaal van bevindingen zoekingen genoemd onder voetnoot 1.

24 Pagina 125 van het proces-verbaal van verhoor getuige, genoemd onder voetnoot 1.

25 Pagina 126 van het proces-verbaal van verhoor getuige, genoemd onder voetnoot 1.

26 Pagina 384 van het proces-verbaal van bevindingen, genoemd onder voetnoot 1.

27 Pagina 242 van het proces-verbaal van verhoor verdachte, genoemd onder voetnoot 1.

28 Pagina 228 van het proces-verbaal van bevindingen zoekingen, genoemd onder voetnoot 1.

29 Pagina 228 van het proces-verbaal van bevindingen zoekingen, genoemd onder voetnoot 1.

30 Pagina 305 van het proces-verbaal van bevindingen, genoemd onder voetnoot 1.

31 Pagina 97 van het proces-verbaal van relaas, genoemd onder voetnoot 1 in combinatie met pagina 102 van het proces-verbaal van relaas (met bijlage), genoemd onder voetnoot 1.

32 Pagina 419 van het proces-verbaal van aanvraag machtiging leggen beslag, genoemd onder voetnoot 1.