Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:4134

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-09-2014
Datum publicatie
12-09-2014
Zaaknummer
UTR 14/5509
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening in bezwaar. Verzoeker heeft verzocht om openbaarmaking van de Miljoenennota op grond van de Wob. Dit verzoek wordt afgewezen.

De rechter heeft begrip voor de ontwikkeling dat er meer druk komt te liggen op de openbaarheid van stukken zoals de Miljoenennota, maar het gaat te ver om in deze specifieke zaak op de discussie in de politiek vooruit te lopen. Vooral nu de stukken binnen enkele dagen sowieso openbaar zijn. De manier waarop in de Wet op de Raad van State en de Comptabiliteitswet openbaarmaking van o.a. de Miljoenennota is geregeld, gaat voor op de Wob en die openbaarmakingsregeling leidt tot openbaarmaking op de derde dinsdag van september.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 14/5509

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 september 2014 in de zaak tussen

RTL Nieuws, als onderdeel van RTL Nederland B.V, te Hilversum, verzoekster

(gemachtigden: mr. C.A. Alberdingk Thijm en R.J.E. Vleugels),

en

de Minister van Financiën, verweerder

(gemachtigde: mr. E.C. Pietermaat).

Procesverloop

Bij besluit van 5 september 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van verzoekster om openbaarmaking van (delen) van de Miljoenennota 2015 afgewezen.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2014. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden en [A]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. dr. G.A.C.M. van Ballegooij en drs. [X].

Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Overwegingen

1.

De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering.

2.

Het karakter van een voorlopige voorziening in het bestuursrecht is, zoals het woord al aanduidt, dat het moet gaan om een tussenmaatregel, dus met een voorlopig karakter, in afwachting van de bodembeslissing, dat wil zeggen de beslissing op bezwaar of de uitspraak op het beroep. Wat verzoekster in deze zaak vraagt, is naar haar aard een definitieve voorziening, want het gaat om openbaarmaking en die kan niet worden teruggedraaid, althans de feitelijke openbaarheid kan niet ongedaan worden gemaakt.

3.

Aan de andere kant bestaat hier niet het risico dat bij dit type zaken vaak voorkomt, te weten het risico dat via een voorlopige voorziening openbaar gemaakt zou worden, wat later in de bodembeslissing anders uitpakt, in die zin dat achteraf geoordeeld wordt dat de stukken niet openbaar gemaakt hoeven te worden. Dat risico doet zich hier niet voor, want zeker is dat deze stukken wel openbaar gemaakt worden, uiterlijk op 16 september 2014. Waar verweerder zegt dat in een situatie als deze (een verzoek om voorlopige voorziening die strekt tot openbaarmaking) vanwege de onherroepelijke gevolgen alleen indien er een onmiskenbaar onrechtmatig besluit is genomen zou kunnen worden overgegaan tot een voorlopige voorziening, hoort die gedachtegang thuis bij de situatie waarin achteraf zou kunnen blijken dat openbaarmaking achterwege mag blijven, wat zich hier dus niet kan voordoen.

4.

De zekerheid dat de Miljoenennota op korte termijn openbaar wordt, beïnvloedt echter ook de mate van spoedeisend belang van verzoekster bij de gevraagde voorlopige voorziening: op 12 september 2014 kunnen alle fracties onder embargo beschikken over de tekst en op dinsdag 16 september 2014 wordt de Miljoenennota 2015 openbaar.

5.

Over het belang bij openbaarmaking nu in plaats van moeten afwachten tot dinsdag 16 september 2014 heeft verzoekster met name gewezen op twee bijzondere omstandigheden, namelijk:

(a) dat nu de regeringsfracties en de zogenoemde bevriende fracties wel en de overige Kamerfracties niet over de Miljoenennota dan wel belangrijke delen van daarin opgenomen informatie beschikken en
(b) dat de media en de bevolking niet in staat zijn op dit moment de juistheid te toetsen van de geruchten, berichten, etcetera op basis van vermoedelijk gelekte delen uit de Prinsjesdagstukken.
Het eerste punt hiervan is vooral staatsrechtelijk en politiek van belang. De voorzieningenrechter ziet in het kader van een zaak over openbaarmaking geen rol voor zich weggelegd om dat belang hier te laten meewegen. Bovendien is dit probleem de dag na deze uitspraak opgelost.
Het tweede punt hiervan heeft wel een relatie met de openbaarheidsbelangen en de bijzondere rol van de media. Verzoekster wijst erop dat diegenen die nu al over deze informatie beschikken, in staat zijn de nieuwsvorming politiek in te kleuren, te “framen”, wat kan worden weggenomen als iedereen zekerheid heeft over wat er in de Miljoenennota staat. Aan dit belang komt gewicht toe, ook in het licht van de door verzoekster bepleite democratische bestuursvorming, maar aan de andere kant worden de stukken binnen enige dagen sowieso openbaar. In deze tijd, waarin vergaring en verspreiding van informatie via media buitengewoon snel gaat, is een termijn van vier dagen behoorlijk lang te noemen, maar in het licht van de ingrijpendheid van de gevraagde voorlopige voorziening, kan het toch zo zijn dat van de media moet worden gevergd die termijn af te wachten. De voorzieningenrechter heeft er begrip voor dat in deze context vanuit de media, in dit geval in het bijzonder vanuit verzoekster, druk ontstaat om te komen tot een andere manier van omgaan met openbaarmaking van deze materie. Aan de andere kant gaat het de voorzieningenrechter te ver om in deze ene specifieke zaak vooruit te lopen op de discussie in de politiek. Juist de veelheid van belangen en standpunten in de beide Kamers van de Staten-Generaal maakt dat de politiek toch het aangewezen forum is om hierin een eventuele verandering te brengen. Zoals verweerder ter zitting terecht heeft opgemerkt is ook niet zeker dat alle Kamerfracties, zowel in de Eerste als in de Tweede Kamer, op dit punt verandering van de huidige gang van zaken voorstaan.

6.

De voorzieningenrechter heeft tot dit punt van de uitspraak nog geen aandacht besteed aan de vraag of op dit verzoek om openbaarmaking de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) van toepassing is of dat de openbaarmaking uitputtend wordt geregeld in artikel 26 van de Wet op de Raad van State (Wet RvS) en artikel 13 van de Comptabiliteitswet of een combinatie daarvan. Dit is vanzelfsprekend wel van groot belang voor de uiteindelijke beslissing op bezwaar.

7.

Artikel 26 van de Wet RvS gaat voor op de Wob. De voorzieningenrechter verwijst naar de uitspraken van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State van 18 juli 1983 (AB 1983/527), 1 november 1983 (AB 1984/257) en 3 januari 1984 (AB 1984/258). Er is geen aanleiding om te oordelen dat artikel 26 van de Wet RvS anders moet worden beoordeeld wat dit karakter betreft dan artikel 25a van de Wet RvS (oud) waar die drie uitspraken over gingen. Wel is het zo dat artikel 26 van de Wet RvS ziet op zowel het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State als op de, kort gezegd, onderliggende stukken en dat dat in het huidige artikel duidelijker is geformuleerd dan in het oude artikel 25a van de Wet RvS. Afzonderlijke toepassing van de Wob zou afbreuk doen aan de goede werking van de materiële bepaling van deze bijzondere wet, de Wet RvS: openbaarmaking aan een ieder op grond van de Wob zou dan vooraf kunnen gaan aan openbaarmaking conform de uitdrukkelijke keuze van de wetgever daarvoor een termijn op te nemen in artikel 26 van de Wet RvS. Dat in artikel 26, vierde lid, van de Wet RvS wordt verwezen naar artikel 10 van de Wob is al een indicatie dat het een uitputtend kader is waarop de Wob ook geen aanvullende werking kan hebben. Artikel 26 van de Wet RvS gaat ook over de Miljoenennota en niet alleen over wetten en verdragen. Dat naar de huidige stand van zaken de Afdeling advisering van de Raad van State al advies heeft uitgebracht naar de voorzieningenrechter ter zitting heeft begrepen in de ochtend van 11 september 2014 betekent niet dat de beschermende werking en bedoeling van artikel 26 van de Wet RvS daarmee is uitgewerkt, met name omdat ook de ontvangende partij van het advies (de verschillende ministeries) in het licht van artikel 26, derde lid, van de Wet RvS nog enige tijd wordt gegund te overwegen hoe hierop te beslissen voordat een brede discussie hierover ontstaat; naar de voorzieningenrechter begrijpt duurt die afronding van de besluitvorming in dit geval tot en met maandag 15 september 2014.

8.

Dat er in een ander wetgevingstraject (de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015) en bij de Macro Economische Verkenning in 2013 mogelijkerwijs andere keuzes zijn gemaakt, maakt nog niet dat juridisch afdwingbaar is dat dat dan ook moet bij de Miljoenennota.

9.

Artikel 13 van de Comptabiliteitswet bepaalt eenduidig de datum van aanbieding van de Miljoenennota aan de Staten-Generaal op de derde dinsdag van september. De door verzoekster voorgestane duiding dat je een onderscheid kunt maken tussen “aanbieden” en “openbaar maken” acht de voorzieningenrechter te geconstrueerd van karakter om daarin mee te gaan. Dat de fracties een deel van de Prinsjesdagstukken op vrijdag 12 september 2014 onder embargo krijgen, doet hieraan geen afbreuk, omdat dat evident geen openbaarmaking is.

10.

Over het beroep op artikel 10 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt de voorzieningenrechter dat in deze zaak geen omstandigheden zijn aangetroffen die overeenstemmen met de omstandigheden die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in strijd met artikel 10 van het EVRM heeft geoordeeld. Terecht zegt verweerder hier dat de stukken over enige dagen wel openbaar worden, zodat van algehele weigering stukken te geven geen sprake is. De weigering is dus slechts temporeel van aard.

11.

Naar voorlopig oordeel is daarom niet te verwachten dat in de beslissing op bezwaar of in een uiteindelijke beroepszaak op basis van beoordeling van het wettelijke kader moet worden geconcludeerd dat openbaarmaking wel aangewezen was.

12.

Het primaire verzoek strekt tot algehele openbaarmaking van de Miljoenennota zoals ingediend bij de Afdeling advisering van de Raad van State. Dat deel van het verzoek is hierboven beoordeeld. Gelet op de inhoud van dit oordeel geldt dit ook voor het subsidiaire verzoek om verweerder de opdracht te geven op korte termijn een nieuw besluit te nemen en voor het meer subsidiaire verzoek om partiële openbaarmaking.

13.

Het verzoek om voorlopige voorziening wordt dus afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A. Verburg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 september 2014.


De voorzieningenrechter is verhinderd

het proces-verbaal van mondelinge

uitspraak te ondertekenen.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.