Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:4118

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-09-2014
Datum publicatie
02-10-2014
Zaaknummer
C-16-344332 - HA ZA 13-370
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil over betalingen aan oud-werknemer. Aanpassing tantièmes, verrekening, ontstaan van rekening-courant. Geen ongerechtvaardigde verrijking of onrechtmatig handelen t.a.v. van eerste werkgever. Ongerechtvaardigde verrijking t.a.v. tweede werkgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/344332 / HA ZA 13-370

Vonnis van 17 september 2014

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EXPORT PROMOTION B.V.,

gevestigd te Bilthoven,

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats]

eisers,

advocaat: mr. R.S. Schouten te Zeist,

tegen

1 [gedaagde sub 1],

2. [gedaagde sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 3] B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat: mr. L.A. van Kooten-Hendriks te Amsterdam.

Eisers zullen hierna gezamenlijk Export Promotion c.s. genoemd worden en afzonderlijk Export Promotion en [eiser sub 2]. Gedaagden zullen gezamenlijk [gedaagden] genoemd worden en afzonderlijk respectievelijk [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2]en [gedaagde sub 3].

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 20 november 2013;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 12 maart 2014;

  • -

    de akte uitlating producties van 2 april 2014 van de zijde van [gedaagden];

  • -

    de akte wijziging eis en overlegging berekening van 14 mei 2014 van de zijde van Export Promotion c.s.;

  • -

    de ter griffie gedeponeerde akte van 14 mei 2014 van de zijde van Export Promotion c.s.;

  • -

    de antwoordakte houdende bezwaar tegen de wijziging van eis van 11 juni 2014 van de zijde van [gedaagden]

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Export Promotion maakt deel uit van een concern dat is gestart door de heer[A] (hierna:[A]), die zich (later) richtte op de financiële kan van de onderneming. Derbri B.V. (hierna: Derbri) is een zustervennootschap van Export Promotion.

2.2.

De heer [eiser sub 2](eiser sub 2, hierna: [eiser sub 2].) is een zoon van[A] die zich vanaf medio jaren negentig van de vorige eeuw richt op de commerciële ontwikkeling van de onderneming het concern waarvan Export Promotion en Derbri deel uitmaken.

2.3.

[gedaagde sub 1] was vanaf 1 januari 1991 tot en met 31 december 2006 als werknemer in dienst bij Export Promotion. Export Promotion en [gedaagde sub 1] zijn in de arbeidsovereenkomst overeengekomen dat [gedaagde sub 1] jaarlijks recht had op een gratificatie van fl. 13.000,00 die afhankelijk was van het over enig jaar behaalde resultaat en nader vast te stellen tussen Export Promotion en [gedaagde sub 1]. Op grond van een omstreeks 1997 gesloten nadere overeenkomst tussen Export Promotion en [gedaagde sub 1], had [gedaagde sub 1] recht op een jaarlijkse tantième van 3,125% over de winst voor belastingen die Derbri behaalde.

2.4.

Op 9 juni 2005 heeft Derbri per bank een bedrag van € 18.000,00 betaald aan [gedaagde sub 3]. Derbri heeft op 22 december 2006 per bank een bedrag van € 80.000,00 aan [gedaagde sub 3] betaald.

2.5.

Met ingang van 1 januari 2007 is [gedaagde sub 1] in dienst getreden bij Derbri als financieel directeur. Op grond van zijn arbeidsovereenkomst met Derbri had [gedaagde sub 1] recht op een jaarlijkse tantième van 3,125% over de winst voor belastingen die Derbri behaalde.

2.6.

Derbri heeft [gedaagde sub 1] op 11 november 2010 op staande voet ontslagen.

2.7.

Derbri is bij vonnis van de (toenmalige) rechtbank Arnhem op 23 december 2010 in staat van faillissement verklaard.

2.8.

Bij verstekvonnis in kort geding van 25 februari 2011 is Derbri – samengevat – veroordeeld om achterstallig loon aan [gedaagde sub 1] te betalen vanaf 1 december 2010 en door te gaan met betaling van loon tot aan het moment waarop de dienstbetrekking rechtsgeldig zou worden beëindigd. In het vonnis is overwogen dat van de nietigheid van het ontslag op staande voet dient te worden uitgegaan omdat geen verweer is gevoerd tegen de stelling van [gedaagde sub 1] dat niet aan de vereisten voor ontslag op staande voet is voldaan.

2.9.

De curator in het faillissement van Derbri heeft de arbeidsovereenkomst tussen Derbri en [gedaagde sub 1] opgezegd.

2.10.

Op 9 maart 2012 heeft[A] een verklaring onder belofte afgelegd ten overstaan van notaris Van den Berg te De Bilt. De inhoud van deze verklaring luidt als volgt:

“Ik verklaar dat ik, noch in mijn hoedanigheid van bevoegd bestuurder (directeur), noch in mijn hoedanigheid van aandeelhouder van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid: Export Promotion B.V. statutair gevestigd te Bilthoven (gemeente De Bilt), (…) alsmede van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid: Derbri B.V. statutair gevestigd te Culemborg, (…)

noch in enige andere hoedanigheid, nimmer toestemming heb gegeven aan: de heer [gedaagde sub 1], (…) om één of meer rekening courant verhoudingen aan te gaan met voornoemde besloten vennootschappen.”

2.11.

[A] is op 30 juni 2012 overleden.

2.12.

De ontvanger van de belastingdienst heeft [eiser sub 2]. als (indirect) bestuurder van Derbri aansprakelijk gesteld voor belastingschulden van Derbri. [eiser sub 2]. heeft omstreeks 29 april 2014 een minnelijke regeling getroffen met de ontvanger en is met hem overeengekomen dat hij een bedrag van € 6.731,00 aan de ontvanger zal betalen.

3 Het geschil

3.1.

Na wijziging van eis vordert Export Promotion c.s. bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde sub 3] te veroordelen tot betaling van de hoofdsom van € 98.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der diefstal/verduistering, althans vanaf de dag der dagvaarding in onderhavige zaak;

II. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de hoofdsom van € 241.160,37, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der diefstal/verduistering, althans vanaf de dag der dagvaarding in onderhavige zaak over € 190.082,57 en over € 51.077,69 vanaf de dag der dagvaarding;

III. voor recht te verklaren dat [gedaagde sub 1] jegens [eiser sub 2]. aansprakelijk is tot schadevergoeding betreffende alle loonbelasting en/of omzetbelasting over de periode 1 december 2009 tot en met augustus 2010 van Derbri, vermeerderd met boeten, renten en kosten, die de heer [eiser sub 2]op grond van onherroepelijk, veroordelend vonnis, dan wel op grond van een uit proceseconomische overwegingen bereikte schikking, aan de fiscus zal dienen te vergoeden, met veroordeling van [gedaagde sub 1] aan [eiser sub 2]. een bedrag te betalen van € 6.731,00, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 29 april 2014;

IV. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de kosten buiten rechte, wegens tenminste 200 bestede uren door [eiser sub 2]. die niet aan de onderneming van Export Promotion besteed zijn kunnen worden, neerkomend op € 20.000,00, dan wel, subsidiair, een forfaitaire buitengerechtelijke kostenvergoeding ad € 3.71589, dan wel tot een in goede justitie te bepalen bedrag;

V. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de kosten van deze procedure.

Vorderingen van Export Promotion

3.2.

Bij dagvaarding heeft Export Promotion haar vorderingen gegrond op onrechtmatig handelen van [gedaagden], bestaande uit diefstal/verduistering van aan Export Promotion toebehorende gelden. Met zijn handelen heeft [gedaagde sub 1] volgens Export Promotion ten gunste van zichzelf, zijn echtgenote en [gedaagde sub 3], het vermogen van Export Promotion verminderd. [gedaagde sub 1] heeft zich door Derbri een groot aantal bedragen laten uitbetalen. Derbri had voortdurend een schuld aan Export Promotion. Doordat [gedaagde sub 1] de betalingen van Derbri aan hemzelf en aan [gedaagde sub 3] in debet heeft geboekt in de rekening-courant van Debri met Export Promotion, werd de schuld van Derbri aan Export Promotion verlaagd, waardoor de betalingen ten laste van Export Promotion zijn gekomen. [gedaagde sub 2]heeft van deze betalingen geprofiteerd aangezien zij in gemeenschap van goederen is gehuwd met [gedaagde sub 1]. Het moet haar, gezien het salaris van [gedaagde sub 1], duidelijk zijn geweest dat de onderhavige gelden niet door [gedaagde sub 1] zijn verdiend, aldus Export Promotion.

3.3.

Bij akte wijziging van eis en overlegging berekening heeft Export Promotion, in aanvulling op het bij dagvaarding gestelde onrechtmatige handelen, bovendien gesteld dat Export Promotion is verarmd door de handelwijze van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3], terwijl [gedaagde sub 3] ongerechtvaardigd is verrijkt. [gedaagden] dient de dientengevolge geleden schade te vergoeden, aldus Export Promotion.

Vordering van [eiser sub 2].

3.4.

[eiser sub 2]. stelt dat [gedaagde sub 1] onrechtmatig jegens heeft gehandeld door te zwijgen over de omstandigheid dat Derbri sinds april 2010 geen loonbelasting meer had afgedragen en over door de belastingdeurwaarder betekende exploiten. Als gevolg van dit zwijgen is niet tijdig melding van betalingsonmacht gedaan aan de belastingdienst, waarop [eiser sub 2]. door de ontvanger aansprakelijk is gesteld op grond van artikel 36 Invorderingswet 1990. Doordat [gedaagde sub 1] opzettelijk zweeg heeft [eiser sub 2]. niet zorg kunnen dragen voor tijdige voldoening van belastingverplichtingen, aldus [eiser sub 2]. [gedaagde sub 1] is volgens [eiser sub 2]. aansprakelijk voor de dientengevolge geleden schade.

3.5.

[gedaagden] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Export Promotion c.s. in haar vorderingen, althans tot afwijzing daarvan.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Vorderingen van Export Promotion

4.1.

De kern van het geschil dat Export Promotion en [gedaagden] verdeeld houdt, wordt gevormd door het antwoord op de vraag of [gedaagden] op onrechtmatige wijze gelden heeft onttrokken aan Export Promotion en of [gedaagden] (daardoor) ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van Export Promotion.

4.2.

Naar de rechtbank de stellingen van Export Promotion en door haar als producties 33 en 34 overgelegde berekeningen begrijpt, is het door haar van [gedaagde sub 1] gevorderde bedrag van € 241.160,37 opgebouwd uit twee onderdelen. Deze onderdelen betreffen een bedrag van € 190.082,57 aan volgens Export Promotion onrechtmatig onttrokken gelden en een bedrag van € 51.077,69 aan teveel door Export Promotion betaalde loonheffing omdat [gedaagde sub 1] meer tantièmes heeft doen uitkeren dan waarop hij volgens Export Promotion recht had. Dit bedrag van € 190.082,57 is, zo maakt de rechtbank op uit de als producties 33 en 34 door Export Promotion overgelegde berekeningen omdat een toelichting van Export Promotion ontbreekt, kennelijk samengesteld uit betalingen ter hoogte van € 16.917,50, € 39.592,72, € 39.000,00, € 46.319,00, € 109.508,43 (zijnde € 127.508,43 minus een betaling aan [gedaagde sub 3] van € 18.000,00), € 62.707,50 (zijnde € 142.707,50 minus een betaling aan [gedaagde sub 3] van € 80.000,00), € 26.450,00 en € 5.000,00 (in totaal € 345.495,15) in de jaren 2001 tot en met 2008 door Derbri aan [gedaagde sub 1], verminderd met een bedrag van € 155.412,48 aan tantièmes waarop [gedaagde sub 1] volgens Export Promotion na vooruitbetaling van € 10.273,61, nog recht had.

4.3.

De vorderingen van Export Promotion ten aanzien van [gedaagde sub 3] betreffen twee betalingen van respectievelijk € 18.000,00 en € 80.000,00.

Bezwaar [gedaagde sub 1] tegen de wijziging van eis

4.4.

Het bezwaar van [gedaagden] tegen de wijziging van de (grondslag van de) vorderingen van Export Promotion c.s. onder I en II, wordt verworpen. Op grond van artikel 130 Rv is het toegestaan de eis of de gronden daarvan te veranderen of te vermeerderen tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet. Van strijd met een goede procesorde is geen sprake omdat [gedaagden] de gelegenheid heeft gekregen op de stellingen van Export Promotion met betrekking tot ongerechtvaardigde verrijking te reageren en hij ook van deze gelegenheid gebruik heeft gemaakt.

Samenloop onrechtmatige daad en ongerechtvaardigde verrijking

4.5.

Vooropgesteld wordt dat Export Promotion haar vorderingen zowel op ongerechtvaardigde verrijking als onrechtmatige daad kan gronden. Als aan de vereisten voor aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad is voldaan en tevens een ongerechtvaardigde verrijking in de zin van artikel 6:212 BW aanwezig is, vloeit de verplichting tot schadevergoeding zowel uit de ene als uit de andere rechtsgrond voort (PG Boek 6, p. 830-833). Daarbij geldt dat voor beide rechtsgronden door de wet in belangrijke mate verschillende eisen worden gesteld, zodat vaststelling van aansprakelijkheid aan de hand van één rechtsgrond niet zonder meer aansprakelijkheid meebrengt op de andere rechtsgrond. Er moeten zodanige feiten en omstandigheden worden gesteld dat aan de voorwaarden voor beide grondslagen is voldaan. Voor aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad geldt het verrijkingsvereiste niet. Andersom gelden voor de verrijkingsvordering niet de vereisten van onrechtmatigheid en toerekenbaarheid.

4.6.

Omdat Export Promotion (ook) stelt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] ongerechtvaardigd zijn verrijkt en zij zich op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde feiten en omstandigheden beroept, dient zij te stellen en te bewijzen dat aan de vereisten van artikel 6:212 BW is voldaan, zodat zij ook zal moeten stellen en zo nodig bewijzen dat en tot welk bedrag zij schade heeft geleden (vgl. Hoge Raad 26 januari 2001, NJ 2002, 118). Verder dient tussen de gestelde verrijking van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] enerzijds en de door Export Promotion gestelde schade anderzijds een zeker verband te bestaan. Indien de verrijking het gevolg is van een rechtshandeling, is geen sprake van ongerechtvaardigdheid (PG Boek 6, p. 831).

Vorderingen Export Promotion jegens [gedaagde sub 1]

Toetsingskader vorderingen jegens [gedaagde sub 1]

4.7.

Waar Export Promotion haar vorderingen jegens [gedaagde sub 1] grondt op de stelling dat deze laatste onrechtmatig heeft gehandeld in de periode 2001 tot aan zijn ontslag in 2010, dient de rechtbank artikel 7:661 BW zo nodig ambtshalve toe te passen. Export Promotion ageert immers op basis van een onrechtmatige daad begaan door haar werknemer [gedaagde sub 1] bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Eerst indien sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer, is hij jegens de werkgever aansprakelijk voor de door hem toegebrachte schade. De bepaling impliceert een beperking van de aansprakelijkheid van de werknemer voor schade die hij, kort gezegd, binnen de uitoefening van zijn werkzaamheden, heeft toegebracht. De reikwijdte van die bepaling is evenwel niet beperkt tot vorderingen die zijn gebaseerd op een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van een verbintenis die voor de werknemer voortvloeit uit zijn arbeidsovereenkomst. De bepaling zal evenzeer toepassing kunnen en moeten vinden indien, onafhankelijk van een dergelijke toerekenbare tekortkoming, sprake is van een onrechtmatige daad die is begaan bij de uitvoering door de werknemer van de arbeidsovereenkomst. Hetzelfde moet worden aangenomen in het daarvan te onderscheiden geval dat de aan de werknemer verweten onrechtmatige daad in zodanig verband staat met die taakvervulling of uitvoering, dat de strekking van artikel 7:661 BW zich tegen een verdergaande aansprakelijkheid verzet (vgl. HR 2 maart 2007, NJ 2007, 240).

4.8.

Voormelde opzet of bewuste roekeloosheid mag niet voorshands worden aangenomen dan op goede, in de motivering tot uiting gebrachte gronden (Hoge Raad 9 januari 1998, NJ 1998, 440). Indien evenwel komt vast te staan dat [gedaagde sub 1] gedurende de jaren 2001 tot en met 2010 gelden heeft onttrokken aan Export Promotion, al dan niet door boeking in rekening-courant tussen Export Promotion en Derbri, en hij Export Promotion omtrent deze onttrekkingen moedwillig om de tuin heeft willen leiden, is sprake geweest van opzet als bedoeld in artikel 7:661 BW en is [gedaagde sub 1] aansprakelijk jegens zijn voormalig werkgever Export Promotion.

Rekening-courantverhouding tussen Export Promotion en [gedaagde sub 1]

4.9.

Een rekening-courantovereenkomst behoeft niet, zoals Export Promotion c.s. stelt, schriftelijk te worden aangegaan en goedkeuring van de bestuurder(s) of de algemene vergadering van aandeelhouders van een vennootschap is niet zonder meer vereist voor de totstandkoming ervan. Een rekening-courantovereenkomst kan door stilzwijgende wilsovereenstemming tot stand komen, waarna het bestaan van een rekening-courantverhouding kan worden afgeleid uit gedragingen van partijen (vgl. Hoge Raad 18 februari 1932, NJ 1932, 488; Wallage/Vromen). De vraag of een rekening-courantovereenkomst tot stand is gekomen dient beantwoord te worden op grond van een feitelijke beoordeling van de omstandigheden.

4.10.

Omdat [gedaagde sub 1] geen aandeelhouder of bestuurder was van Export Promotion of Derbri, was geen toestemming vereist vanwege een mogelijk tegenstrijdig belang, zoals Export Promotion in dit verband stelt. Uit het mogelijkerwijs ontbreken van toestemming van de bestuurder(s) of de algemene vergadering van aandeelhouders van Export Promotion en Derbri – hierover twisten partijen – kan daarom niet worden afgeleid dat geen overeenkomst met betrekking tot een rekening-courant tot stand is gekomen.

Vorderingen met betrekking tot en met het jaar 2005

4.11.

Uit de door [gedaagden] als productie 4 overgelegde kolommenbalans 2005 van Export Promotion, waarvan de echtheid niet door Export Promotion wordt betwist, blijkt dat in de openingsbalans van 2005 een schuld in rekening-courant van Export Promotion aan [gedaagde sub 1] is opgenomen van € 19.425,74 en op de eindbalans een schuld in rekening-courant van [gedaagde sub 1] aan Export Promotion van € 37.095,00. Dit laatste bedrag sluit aan bij het als productie 2 door [gedaagde sub 1] overgelegde overzicht van het verloop van het saldo van een volgens hem tussen hem enerzijds en Export Promotion anderzijds bestaande rekening-courantverhouding. In dit overzicht zijn diverse betalingen opgenomen die door Derbri zijn verricht en die ten laste van [gedaagde sub 1] zijn opgenomen en daarnaast (onder meer) een betaling van [gedaagde sub 1] van € 10.000,00 aan Export Promotion en een boeking van € 95.426,15 aan tantième waarop [gedaagde sub 1] recht had in 2005.

4.12.

Genoemde schuld van [gedaagde sub 1] aan Export Promotion van € 37.095,00 is, zoals [gedaagden] onweersproken aanvoert, opgenomen in de eveneens door hem overgelegde jaarrekening van Export Promotion van 2005. Het bedrag van € 37.095,00 en de tevens in de kolommenbalans 2005 (productie 4) opgenomen schuld van [eiser sub 2]. aan Export Promotion in rekening-courant van € 17.546,00, staan samen (op pagina 9) in de jaarrekening 2005 vermeld voor een totaalbedrag van € 54.641,00 bij de uitwerking van de vorderingen uit rekeningen-courant die Export Promotion had. Bezien in dit licht is de stelling van Export Promotion dat er nooit een rekening-courantverhouding heeft bestaan tussen haar en [gedaagde sub 1] dan ook niet houdbaar. Op grond van de feitelijke gang van zaken, de vastlegging van de rekening-courant tussen Export Promotion en [gedaagde sub 1] in de kolommenbalans 2005 en de balans 2005 zoals deze in het handelsregister is gedeponeerd moet worden vastgesteld dat de door [gedaagde sub 1] gestelde rekening-courantverhouding heeft bestaan. Hieraan doet de hiervoor onder 2.10. geciteerde verklaring van[A] ten overstaan van de notaris niet af.

4.13.

Aan de stelling van Export Promotion c.s. dat het als productie 2 door [gedaagden] overgelegde overzicht onjuist is omdat de vermelde begin- en eindstand van het overzicht afwijken van de “achteraf door De Ruiter ontdekte werkelijkheid”, kan worden voorbijgegaan. De stelling is niet onderbouwd en kan ook overigens geen stand houden omdat Export Promotion niet weerspreekt dat productie 2 een opstelling van de rekening-courant betreft die aan het eind van het jaar 2005 door Export Promotion is opgemaakt, waarbij het saldo aan [gedaagde sub 1] is medegedeeld. Door het (kennelijk) uitblijven van protest van de zijde van [gedaagde sub 1], hierover is niets gesteld of gebleken, heeft het saldo op grond van artikel 6:140 lid 3 BW als tussen partijen vastgesteld te gelden. Op deze vaststelling zijn de bepalingen van titel 15 van Boek 7 BW van overeenkomstige toepassing (PG Boek 6, p. 521), zodat hierop niet zonder meer kan worden teruggekomen. Gesteld noch gebleken is dat Export Promotion de vaststelling van de rekening-courant over 2005 op enigerlei wijze heeft aangetast, zodat van de juistheid ervan dient te worden uitgegaan. Dit brengt mee dat de vorderingen van Export Promotion die betrekking hebben op de jaren 2001 tot en met 2005 dienen te worden afgewezen. Er is immers een grondslag voor de betalingen, al dan niet via Derbri, aan [gedaagde sub 1], zodat geen sprake is van ongerechtvaardigde verrijking of van onrechtmatige onttrekkingen.

4.14.

Omdat Export Promotion in deze procedure geen nakoming van de verbintenissen uit de vastgestelde rekening-courantverhouding vordert – deze verhouding wordt immers door haar betwist – maar schadevergoeding vanwege vermeend onrechtmatig handelen dan wel ongerechtvaardigde verrijking, kunnen haar vorderingen ten aanzien van de jaren tot en met 2005 niet worden toegewezen.

Vorderingen met betrekking tot het jaar 2006 (€ 62.707,50)

4.15.

Hiervoor is vastgesteld dat tussen Export Promotion en [gedaagde sub 1] een rekening-courantverhouding bestond tot en met (in ieder geval) 2005. Daarmee is de stelling van Export Promotion dat er nooit een rekening-courantverhouding tussen haar en [gedaagde sub 1] heeft bestaan onhoudbaar. Zoals hiervoor reeds aan de orde is geweest, kan het bestaan van een rekening-courantverhouding worden afgeleid uit gedragingen van partijen. Beoordeeld dient te worden of de door partijen beschreven gedragingen voldoende zijn om vast te kunnen stellen of er tussen Export Promotion en [gedaagde sub 1] ook in 2006 een rekening-courantverhouding bestond.

4.16.

De rechtbank begrijpt de stellingen van Export Promotion aldus dat zij bedoeld heeft te stellen dat [gedaagde sub 1] zich in 2006 een bedrag van € 62.707,50 (€ 142.707,50 minus een lening aan [gedaagde sub 3] van € 80.000,00), op onrechtmatig wijze heeft toegeëigend en dit bedrag ten onrechte in rekening-courant tussen Export Promotion en Derbri heeft laten boeken, althans dat [gedaagde sub 1] ongerechtvaardigd is verrijkt tot dit bedrag van € 62.707,50. De genoemde bedragen blijken volgens Export Promotion uit de door haar als producties 33 en 34 overgelegde berekeningen. [gedaagde sub 1] betwist deze stellingen.

4.17.

Vast staat dat de betalingen die door Derbri aan [gedaagde sub 1] werden gedaan zijn geadministreerd in de boekhouding van Derbri en dat die betalingen voorts (allemaal) zijn geboekt in rekening-courant tussen Derbri en Export Promotion. Daarmee en omdat Export Promotion de beschikking had over alle bankafschriften van de bankrekeningen van Derbri, waren alle betalingen kenbaar voor Export Promotion. Vast staat dat [gedaagde sub 1] alle bankafschriften van Derbri periodiek aan[A] verstrekte en dat deze laatste deze bankafschriften controleerde. Export Promotion heeft in dit verband onvoldoende aannemelijk weten te maken dat [gedaagde sub 1], zoals zij stelt, alle bankafschriften waarin betalingen aan [gedaagde sub 1] zijn vermeld heeft achtergehouden, althans niet aan de bestuurders van Export Promotion heeft getoond. Zij volstaat met de stelling dat dit het geval was, hetgeen [gedaagde sub 1] betwist. De bankafschriften bevonden zich bovendien in haar administratie, zodat daarvan kennis kon worden genomen ook in het geval [gedaagde sub 1] deze niet (alle) aan Export Promotion of haar bestuurders zou hebben getoond. Temeer kon Export Promotion kennis nemen van de betalingen aan [gedaagde sub 1] omdat medewerkers van Export Promotion de bewuste betalingen verrichtten en deze administreerden in de boekhoudingen van Export Promotion en Derbri. Het feit dat [gedaagde sub 1] hiertoe opdracht gaf doet aan de kenbaarheid voor Export Promotion niet af. Verder is van belang dat Export Promotion geen reden heeft gegeven voor het niet-uitbetalen van tantièmes aan [gedaagde sub 1] in de jaren 2001 tot en met 2006. Dit is van belang omdat volgens [gedaagde sub 1] geen daadwerkelijke betaling plaatsvond omdat de tantièmes in zijn rekening-courant met Export Promotion werden geboekt en zijn verrekend met de aan hem door Derbri gedane betalingen. Dat deze boekingen hebben plaatsgevonden wordt door Export Promotion weliswaar betwist, maar zij heeft geen stukken – bijvoorbeeld haar jaarrekeningen of andere stukken uit haar boekhouding – overgelegd waaruit een en ander blijkt. Dit klemt omdat niet ook niet aannemelijk is dat de accountant van Derbri alle betalingen aan [gedaagde sub 1] over het hoofd heeft gezien en gesteld noch gebleken is dat de accountant van Export Promotion en Derbri, die hun jaarrekeningen heeft opgesteld aan de hand van hun boekhoudingen, vraagtekens heeft geplaatst bij betalingen door Derbri aan [gedaagde sub 1] en de boeking daarvan in rekening-courant tussen Derbri en Export Promotion noch dat de accountant deze betalingen – al dan niet in rekening-courant – niet heeft kunnen verwerken in de jaarrekeningen van Export Promotion. Uit de overgelegde jaarrekeningen van Derbri valt, zonder ontbrekende toelichting van Export Promotion op dit punt, niet op te maken dat betalingen aan [gedaagde sub 1] niet zijn verwerkt in deze jaarrekeningen.

4.18.

Uitgaande van de rekening-courantverhouding tot en met 2005 en gelet op de hiervoor beschreven jarenlange gang van zaken, heeft Export Promotion in deze procedure onvoldoende aannemelijk weten te maken dat er geen rekening-courantverhouding bestond tussen haar en [gedaagde sub 1] in de jaren tot en met 2006. Een concrete onderbouwing van het tegendeel van de zijde van Export Promotion ontbreekt. Omdat Export Promotion haar stellingen op dit punt onvoldoende van feiten en omstandigheden heeft voorzien en daarmee niet aan de op haar rustende stelplicht heeft voldaan, zal zij niet worden toegelaten tot het leveren van bewijs. Daarmee is vast komen te staan dat er tussen Export Promotion en [gedaagde sub 1] (ook) een rekening-courantverhouding bestond in 2006 en daarmee een rechtsgrond voor de betalingen aan [gedaagde sub 1] bestond. Van opzet of bewuste roekeloosheid van [gedaagde sub 1] kan daarom niet worden gesproken. Reeds hierom, en omdat hetgeen hiervoor onder 4.15. is overwogen ook hier geldt, strandt de vordering van Export Promotion ten aanzien van het jaar 2006.

4.19.

Bij het voorgaande komt dat niet van de juistheid van de door Export Promotion overgelegde berekeningen in producties 33 en 34 kan worden uitgegaan. De volgens de berekening van Export Promotion zowel bruto als netto aan [gedaagde sub 1] verschuldigde tantièmes in de jaren 2003 tot en met 2006 – zoals deze in haar productie 34 zijn vermeld – corresponderen niet met de bruto en netto tantièmes zoals deze uit de door haar eveneens overgelegde loonstrookjes over de jaren 2001 tot en met 2007 en de berekening van [gedaagde sub 1] blijken. Uit de door Export Promotion overgelegde loonstrookjes blijkt dat Export Promotion tantièmes heeft vastgesteld ten behoeve van [gedaagde sub 1] over de jaren 2001 tot en met 2006. In die jaren had [gedaagde sub 1] volgens de loonstrookjes recht op (netto) tantièmes van respectievelijk € 21.781,45, € 33.896,16, € 44.711,52, € 28.560,24, € 31.120,80 en € 45.804,55, in totaal € 205.874,72. Het staat Export Promotion niet zonder meer vrij op de hoogte en verschuldigdheid van deze vastgestelde tantièmes terug te komen. Zonder nadere onderbouwing, die Export Promotion niet heeft gegeven, valt niet in te zien op grond waarvan Export Promotion gerechtigd is jaren na de vaststelling ervan terug te komen op de juistheid van de door haarzelf vastgestelde tantièmes. Daarom moet worden uitgegaan van de juistheid van de vastgestelde tantièmes over de jaren 2001 tot en met 2006 zoals deze blijken uit de door haar overgelegde loonstrookjes zoals hiervoor vermeld.

4.20.

Evenmin kan van de juistheid van de berekeningen van Export Promotion worden uitgegaan omdat niet vaststaat dat tantièmes over de jaren 2000 tot en met 2006 door Export Promotion daadwerkelijk aan [gedaagde sub 1] zijn betaald. Dit wordt door [gedaagde sub 1] betwist door aan te voeren dat de door Export Promotion verschuldigde tantièmes over de jaren 2000 tot en met 2006, enkele voorschotten zoals deze blijken uit productie 35 van Export Promotion daargelaten, nimmer aan hem zijn betaald, ook niet per bank of per kas. De tantièmes zijn volgens hem geboekt in zijn rekening-courant met Export Promotion, die door Export Promotion wordt betwist. Export Promotion heeft in reactie op deze stelling van [gedaagde sub 1] niet concreet gesteld dat zij de over de jaren 2000 tot en met 2006 verschuldigde tantièmes aan [gedaagde sub 1] heeft betaald, op welke data eventuele betalingen hebben plaatsgevonden noch heeft zij betalingsbewijzen overgelegd waaruit een en ander blijkt. De invloed van deze tantièmes en het al dan niet betaald zijn ervan doet zich voelen in de gehele door Export Promotion overgelegde berekeningen van producties 33 en 34. Omdat Export Promotion geen bewijsaanbod heeft gedaan en zij haar stellingen onvoldoende heeft onderbouwd, wordt aan bewijslevering op dit punt niet toegekomen.

4.21.

Het op dit punt gevorderde bedrag van € 62.707,50 (€ 142.707,50 minus € 80.000,00) zal op grond van hetgeen hiervoor is overwogen worden afgewezen. De in dit verband gevorderde wettelijke rente zal ook worden afgewezen omdat een grondslag voor toewijzing ervan ontbreekt.

Vorderingen van Export Promotion ten aanzien van het jaren 2007 en 2008

4.22.

In de jaren 2007 en 2008 is door Derbi in totaal € 31.450,00 (€ 26.450,00 plus € 5.000,00) aan [gedaagde sub 1] betaald. Volgens Export Promotion is [gedaagde sub 1] ongerechtvaardigd verrijkt tot een bedrag van € 31.450,00, althans heeft [gedaagde sub 1] onrechtmatig jegens haar gehandeld door deze bedragen in rekening-courant te boeken tussen Derbri en Export Promotion. [gedaagde sub 1] was op dat moment niet langer in dienst van Export Promotion, maar van Derbri en (zeker op dat moment) ontbrak een rekening-courantverhouding tussen [gedaagde sub 1] en Export Promotion.

4.23.

[gedaagde sub 1] heeft in deze procedure geen feiten of omstandigheden gesteld die zijn betwisting van ongerechtvaardigde verrijking of onrechtmatig handelen op dit punt onderbouwen. Hij volstaat met de stelling dat hij vanaf zijn indiensttreding bij Derbri een rekening-courantverhouding had met Derbri. Zelfs indien van deze rekening-courantverhouding wordt uitgegaan, valt zonder onderbouwing, die niet door [gedaagde sub 1] is gegeven, niet in te zien dat betalingen door Derbri aan [gedaagde sub 1] in 2007 en 2008 ten behoeve van Export Promotion zijn verricht, zodat niet valt in te zien dat deze betalingen in rekening-courant tussen Derbri en Export Promotion dienden te worden opgenomen ter vermindering van de schuld van Derbri aan Export Promotion.

4.24.

[gedaagde sub 1] heeft, terwijl dit wel op zijn weg lag, geen redelijke grond voor de betalingen in 2007 en 2008 gesteld. [gedaagde sub 1] heeft het ertoe geleid dat de betalingen die Derbri aan hem verrichtte, door middel van boeking in rekening-courant tussen Derbri en Export Promotion ten laste van het vermogen van Export Promotion werden gebracht, waardoor Export Promotion is verarmd, terwijl [gedaagde sub 1] is verrijkt. Dat betaling verliep via Derbri maakt dit niet anders. De verarming van Derbri werd immers ten laste gebracht van Export Promotion door boeking in rekening-courant zonder dat hier een redelijke grond voor is gebleken. Omdat tussen de verrijking van [gedaagde sub 1] enerzijds en de verarming van Export Promotion anderzijds voldoende verband bestaat, is in dit geval sprake van ongerechtvaardigde verrijking in de zin van artikel 6:212 BW. Voor vaststelling van de door Export Promotion gestelde diefstal of verduistering geeft hetgeen zij heeft aangevoerd onvoldoende aanknopingspunten. Deze stelling wordt daarom verworpen.

4.25.

De vordering tot vergoeding van schade uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking verjaart op grond van artikel 3:310 BW door verloop van vijf jaren nadat de benadeelde met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon bekend was. Het gaat hierbij om subjectieve bekendheid, waarbij als uitgangspunt geldt dat de termijn van vijf jaren begint te lopen op de dag waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van deze schade in te stellen (Hoge Raad 31 oktober 2003, NJ 2006, 112). Omdat op grond van de door [gedaagden] gestelde feiten niet kan worden vastgesteld dat Export Promotion langer dan vijf jaren voorafgaand aan deze procedure bekend is geworden met de [gedaagde sub 1] als aansprakelijke persoon voor de door Export Promotion als gevolg van ongerechtvaardigde verrijking geleden schade ten aanzien van de jaren 2007 en 2008, wordt het beroep op verjaring van [gedaagde sub 1] verworpen.

4.26.

Omdat artikel 6:135 aanhef en onder b BW aan verrekening door [gedaagde sub 1] in de weg staat, zal de vordering tot schadevergoeding van Export Promotion tot een bedrag van € 31.450,00 worden toegewezen. De wettelijke rente over dit bedrag zal, omdat niet is komen vast te staan dat sprake is van diefstal of verduistering, worden toegewezen vanaf de datum der dagvaarding zoals subsidiair door Export Promotion is gevorderd.

Vordering ter hoogte van € 51.077,69 ten aanzien van loonheffing over tantièmes

4.27.

Export Promotion vordert een bedrag van € 51.077,69 aan volgens haar teveel betaalde loonheffing. Onder verwijzing naar een door haarzelf opgestelde berekening stelt Export Promotion dat [gedaagde sub 1] over de jaren 2001 tot en met 2007 bruto een bedrag van € 98.226,33 teveel aan tantièmes heeft ontvangen. Over dit brutobedrag heeft Export Promotion naar eigen zeggen loonheffing afgedragen, welke loonheffing neerkomt op een bedrag van € 51.077,69 indien wordt uitgegaan van een 52% loonheffing.

4.28.

De rechtbank is van oordeel dat het deel van de vordering van Export Promotion dat betrekking heeft op vermeend teveel betaalde loonheffing dient te worden afgewezen. Enige grondslag voor dit deel van haar vordering heeft Export Promotion niet gesteld en evenmin blijkt deze – ook met ambtshalve aanvulling van rechtsgronden – uit de feiten en omstandigheden die zij wel heeft gesteld. Bovendien staat het Export Promotion, zoals hiervoor reeds is overwogen, niet vrij op de hoogte en verschuldigdheid van deze vastgestelde tantièmes terug te komen, zodat van teveel afgedragen loonheffing geen sprake kan zijn, Export Promotion geen schade heeft geleden en dit deel van de vordering, alsook de daarover gevorderde wettelijke rente, daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt.

4.29.

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat er geen goede gronden zijn om voorshands opzet of bewuste roekeloosheid van [gedaagde sub 1] aan te nemen die zijn aansprakelijkheid meebrengen jegens Export Promotion. Ook hierom stranden de vorderingen van Export Promotion jegens [gedaagde sub 1].

Overige stellingen ten aanzien van [gedaagde sub 1]

Voorraadwaardering

4.30.

Hetgeen Export Promotion c.s. heeft aangevoerd over beweerdelijk onjuiste waardering van de voorraden van Derbri en daardoor mogelijkerwijs geleden schade kan buiten beschouwing blijven. Derbri is immers geen partij in deze procedure. Omdat Export Promotion c.s. geen concreet op de beweerdelijke tekortkoming van [gedaagde sub 1] en daaruit voortvloeiende schade toegespitste vordering heeft ingesteld, behoeft hetgeen zij op dit punt heeft aangevoerd geen beoordeling.

Euler Hermes

4.31.

De rechtbank heeft op grond van de door Export Promotion overgelegde stukken en berekeningen geen vordering van Export Promotion kunnen ontwaren waar het haar verwijten aan het adres van [gedaagde sub 1] betreffen die zien op de gang van zaken rond kredietverzekeraar Euler Hermes. Hetgeen Export Promotion in dit verband heeft gesteld behoeft daarom geen beoordeling.

Vorderingen van Export Promotion ten aanzien van [gedaagde sub 3]

Vordering ter hoogte van € 18.000,00

4.32.

Waar Export Promotion zowel onrechtmatig handelen als ongerechtvaardigde verrijking van [gedaagde sub 3] aan haar vordering tot betaling van € 18.000,00 ten grondslag legt, wordt het volgende overwogen.

4.33.

Volgens [gedaagde sub 1] is dit bedrag aan hem door Export Promotion ter beschikking gesteld teneinde de aandelen [gedaagde sub 3] vol te storten, waarbij het bedrag van € 18.000,00 door Export Promotion in haar rekening-courant met [gedaagde sub 1] is opgenomen. Ter onderbouwing verwijst [gedaagde sub 1] naar zijn productie 2. Uit dit hiervoor reeds aangehaalde overzicht blijkt dat de vordering van Export Promotion op [gedaagde sub 1] die betrekking heeft op de betaling van € 18.000,00 op 9 juni 2005 in rekening-courant is geboekt ten laste van [gedaagde sub 1]. Op 1 juli 2005, zo blijkt verder uit het rekening-courantoverzicht, is een bedrag van € 95.426,15 in rekening-courant geboekt ten gunste van [gedaagde sub 1]. Door deze boeking is een schuld van [gedaagde sub 1] aan Export Promotion van € 75.582,69, waarin genoemd bedrag van € 18.000,00 was vervat, veranderd in een vordering van [gedaagde sub 1] op Export Promotion van € 19.843,46. Daarmee is de vordering van Export Promotion ten aanzien van het door haar aan [gedaagde sub 3] betaalde en ten laste van [gedaagde sub 1] in rekening-courant geboekte bedrag van € 18.000,00 door verrekening teniet gegaan. Omdat de vordering van Export Promotion op dit punt is voldaan en daarom geen sprake is van schade, dient dit deel van de vordering te worden afgewezen. Dit lot wordt gedeeld door de op dit punt gevorderde wettelijke rente.

Vordering ter hoogte van € 80.000,00

4.34.

In reactie op het verweer van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] dat het bedrag van € 80.000,00 een lening betrof van Derbri aan [gedaagde sub 1] om de overname van aandelen in de vennootschap Tilvetex mogelijk te maken, heeft Export Promotion haar stellingen nader onderbouwd. Weliswaar betwist Export Promotion dat Derbri ooit een overeenkomst van geldlening heeft gesloten met [gedaagde sub 3] en dat [gedaagde sub 1] of [gedaagde sub 3] een overeenkomst van geldlening hebben gesloten met de middellijk bestuurder van Export Promotion, [eiser sub 2]., maar dit sluit geenszins uit dat Derbri – welke vennootschap geen partij is in deze procedure – een overeenkomst van geldlening heeft gesloten met [gedaagde sub 1], zoals deze laatste in zijn verweer stelt, waarna het geleende bedrag is betaald aan [gedaagde sub 3]. Bezien in dit licht heeft Export Promotion onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat sprake is van onrechtmatig handelen of ongerechtvaardigde verrijking van [gedaagde sub 3] en van schade aan de zijde van Export Promotion die daarvan het gevolg is. Reeds hierom dient ook dit deel van de vorderingen en de daarover gevorderde wettelijke rente, te worden afgewezen. Voor zover er al sprake zou zijn van onrechtmatig handelen, hetgeen niet blijkt, dient de vordering ook te worden afgewezen omdat Export Promotion in reactie op het verweer van [gedaagde sub 1] dat de boeking van € 80.000,00 in rekening-courant tussen Derbri en Export Promotion berust op een administratieve fout, onvoldoende nader heeft onderbouwd dat sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid als gevolg waarvan [gedaagde sub 1], met inachtneming van artikel 7:661 BW, aansprakelijk is. Ook hierom komt dit deel van de vordering, alsmede de daarover gevorderde wettelijke rente, niet voor toewijzing in aanmerking.

Vordering van [eiser sub 2]. jegens [gedaagde sub 1]

4.35.

De vordering van [eiser sub 2]. zal worden afgewezen. Door [eiser sub 2]. zijn geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat [gedaagde sub 1] opzettelijk betalingsproblemen van Derbri verzwegen heeft tegenover [eiser sub 2]. als bestuurder van Derbri, zoals [eiser sub 2]. stelt. Dit is van belang omdat [gedaagde sub 1] ten tijde van het hem verweten handelen als werknemer van Derbri optrad en, indien veronderstellenderwijs van onrechtmatig handelen van [gedaagde sub 1] wordt uitgegaan, deze vennootschap in beginsel aansprakelijk is voor dit handelen op grond van artikel 7:661 BW. Bovendien kan op grond van hetgeen [eiser sub 2]. in deze procedure heeft gesteld geen causaal verband worden vastgesteld tussen de door hem als schade betitelde betaling aan de belastingdienst en het [gedaagde sub 1] verweten handelen. Op [eiser sub 2]. als bestuurder rustte, zoals [gedaagde sub 1] onweersproken aanvoert, zelfstandig de verantwoordelijkheid voor het doen van een tijdige melding van betalingsonmacht van Derbri aan de belastingdienst, zodat de gevolgen van niet-tijdige melding – ook indien van de juistheid van de stelling van [eiser sub 2]. wordt uitgegaan dat [gedaagde sub 1] hem niet op de hoogte hield van betalingsachterstanden ten aanzien van de belastingdienst – niet zonder meer aan [gedaagde sub 1] kunnen worden toegerekend. [gedaagden] heeft er ook op gewezen dat de ontvanger van de belastingdienst [eiser sub 2]. aansprakelijk heeft gesteld (mede) vanwege het onttrekken van diverse grote bedragen aan Derbri voorafgaand aan het faillissement van deze laatste, zodat het op de weg van [eiser sub 2]. lag het causaal verband tussen de door hem gestelde schade en het handelen van [gedaagde sub 1] nader te onderbouwen. Dit heeft hij niet gedaan, zodat zijn vordering vanwege het ontbreken van voldoende onderbouwing niet voor toewijzing in aanmerking komt. Voor een andersluidend oordeel heeft Export Promotion, ook na verweer van [gedaagde sub 1] dat van (opzettelijke) verwijtbare gedragingen geen sprake is, onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld. Voorgaande brengt mee dat de in dit verband ook gevorderde wettelijke rente zal worden afgewezen en de gevorderde verklaring voor recht niet zal worden gegeven.

Vorderingen van Export Promotion jegens [gedaagde sub 1]-Vrolijk

4.36.

De vorderingen jegens [gedaagde sub 2]zullen worden afgewezen. Verjaring van de vorderingen voor de jaren tot en met 2005 brengt mee dat deze ook niet jegens [gedaagde sub 2]kunnen worden toegewezen. Voor toewijzing van de vordering voor het jaar 2006 (€ 62.707,50) is evenmin plaats omdat hiervoor is vastgesteld dat sprake was van een rekening-courantverhouding tussen Export Promotion en [gedaagde sub 1], de echtgenoot van [gedaagde sub 1]-Vrolijk, en de vordering van Export Promotion daarom op dit punt zal worden afgewezen.

4.37.

Ten aanzien van aansprakelijkheid van [gedaagde sub 2]voor de vorderingen die betrekking hebben op de jaren 2007 en 2008 (€ 26.450,00 plus € 5.000,00), zoals deze jegens [gedaagde sub 1] zullen worden toegewezen, heeft Export Promotion niets gesteld. De stellingen die zij betrokken heeft ter onderbouwing van het door haar gestelde onrechtmatige handelen van [gedaagde sub 2]hebben alle betrekking op betalingen die plaatsvonden in de jaren tot en met 2006 aan [gedaagde sub 1] die, zoals hiervoor is overwogen, zijn verjaard dan wel gerechtvaardigd waren. Voor (afzonderlijke) aansprakelijkheid van [gedaagde sub 2]met betrekking tot de betalingen in 2007 en 2008 aan [gedaagde sub 1] heeft Export Promotion onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld.

4.38.

Bovendien brengt, anders dan Export Promotion c.s. lijkt te veronderstellen, de enkele omstandigheid dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]in gemeenschap van goederen zijn gehuwd niet mee dat de [gedaagde sub 2](hoofdelijk) aansprakelijk is voor de aan Export Promotion toe te wijzen schadevergoeding. Artikel 1:94 lid 3 BW bepaalt enkel dat de gemeenschap, wat haar lasten betreft, alle schulden van ieder der echtgenoten omvat. Artikel 1:96 lid 1 BW bepaalt vervolgens dat voor een schuld van een echtgenoot, die in de gemeenschap is gevallen, zowel de goederen van de gemeenschap als de eigen goederen kunnen worden uitgewonnen. Dit artikel regelt slechts de verhaalbaarheid van een dergelijke schuld, niet de aansprakelijkheid. Dat [gedaagde sub 2]mogelijkerwijs geprofiteerd heeft van betalingen die aan [gedaagde sub 1] zijn verricht brengt daarom, anders dan Export Promotion bepleit, niet zonder meer mee dat zij onrechtmatig jegens Export Promotion heeft gehandeld.

Diversen

Buitengerechtelijke kosten

4.39.

Het door Export Promotion c.s. primair gevorderde bedrag van € 20.000,00 en subsidiair € 3.715,89, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag, zal eveneens worden afgewezen. Het primair gevorderde bedrag, dat ziet op door [eiser sub 2]. aan voorbereiding van deze procedure bestede tijd, is op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt, zodat dit als onvoldoende onderbouwd zal worden afgewezen. Hetgeen Export Promotion c.s. op dit punt subsidiair vordert zal eveneens worden afgewezen. Gesteld noch gebleken is dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. Bovendien is het besluit waarop Export Promotion c.s. dit deel van haar vordering grondt, niet van toepassing op vorderingen uit onrechtmatige daad of ongerechtvaardigde verrijking.

Proceskosten

4.40.

Omdat het overgrote deel van haar vorderingen zal worden afgewezen, heeft Export Promotion c.s. te gelden als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij. Zij zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten begroot de rechtbank aan de zijde van [gedaagden] op € 11.455,00, bestaande uit € 3.715,00 aan griffierecht en € 7.740,00 (3,0 punten × tarief € 2.580,00) aan salaris advocaat. De wettelijke rente over de proceskosten zal, als niet weersproken, worden toegewezen als gevorderd.

4.41.

De nakosten en de wettelijke rente daarover, waarvan [gedaagden] betaling vordert, zullen op de in het dictum weergegeven wijze worden begroot.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagde sub 1] om aan Export Promotion te betalen een bedrag van € 31.450,00 (eenendertigduizend vierhonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 7 mei 2013 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt Export Promotion c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op € 11.455,00,

5.3.

veroordeelt Export Promotion c.s., onder de voorwaarde dat zij niet binnen veertien dagen na aanschrijving door [gedaagden] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

  • -

    € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving,

  • -

    te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de exploitkosten van betekening van het vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de dag van volledige betaling,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.J. van den Boom, bijgestaan door mr. C.T. Hemmink als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2014.1

1 type: CTH/4065coll: JvdB/4223