Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:4058

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-09-2014
Datum publicatie
10-09-2014
Zaaknummer
3275975 LV EXPL 14-74
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

kort geding gevorderde ontruiming en ontbinding huurovereenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling civiel recht

kantonrechter

zitting houdend te Lelystad

Zaak- en rolnummer: 3275975 LV EXPL 14-74

Datum vonnis: 10 september 2014

Vonnis in kort geding in de zaak van

[eiser],
wonende te [woonplaats],
eiser in het verzet,
gemachtigde mr. H. Hulshof,

tegen

de vereniging

MERCATUS,
gevestigd te Emmeloord,
gedaagde in het verzet,
gemachtigde mr. Y. van der Horst.

Partijen zullen hierna [eiser] en Mercatus genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

  • -

    de oorspronkelijke dagvaarding van 1 juli 2014;

  • -

    het door deze rechtbank op 16 juli 2014 tussen Mercatus en [eiser] bij verstek gewezen vonnis in kort geding onder zaaknummer / rolnummer 3164490 LV EXPL 14-59;

- de verzetdagvaarding van 31 juli 2014, met producties;

- de brief van mr. Hulshof van 5 augustus 2014 met aanvullende producties;

- de pleitaantekeningen van mr. Hulshof;

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 september 2014 te Lelystad. [eiser] is verschenen bijgestaan door mr. Hulshof. Mercatus is verschenen bij mevrouw [A] (medewerker leefbaarheid bij Mercatus), bijgestaan door mr. Van der Horst.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken, alsmede op grond van de in zoverre niet weersproken inhoud van de overgelegde producties, staat in dit geding het navolgende vast:

  1. [eiser] huurt met ingang van 28 oktober 2010 samen met zijn echtgenote [hierna te noemen: “[B]”] van Mercatus de woning aan [adres] te [woonplaats].

  2. [eiser] en [B] zijn vluchtelingen met een oorlogsverleden.

  3. Minimaal negen verschillende omwonenden hebben, in ieder geval, op 24 januari 2014, 13 december 2012, 21 september 2013, 10 november 2013, 2 december 2013, 11 december 2013, 12 december 2013, 18 december 2013, 2 februari 2014, 6 juni 2014, 24 juni 2014 en 27 juni 2014 melding gemaakt van door [B] (en [eiser]) veroorzaakte overlast in de periode van 21 januari 2011 tot en met 3 juni 2014.

  4. Op 22 januari 2011 heeft de politie een proces-verbaal opgemaakt van de aangifte van [C], een buurman van [eiser] en [B], van vernieling van een ruit van zijn woning door [B].

  5. Op 5 april 2011 heeft de politie een proces-verbaal opgemaakt van de aangifte van [C] van het over de schutting in zijn tuin gooien van een rieten tuinstoel en een baksteen door [B].

  6. Op 30 mei 2014 heeft de politie een proces-verbaal opgemaakt van de aangifte van [C] van vernieling van een partytent in zijn tuin door [B].

  7. Bij rapport van 24 juni 2014 heeft de politie een overzicht opgesteld van meldingen van omwonenden over overlast door [B] (en [eiser]) over de periode van 22 januari 2011 tot en met 14 juni 2014.

  8. Bij brieven van 13 april 2011, 15 februari 2011, 15 juni 2011, 8 oktober 2013, 12 februari 2014 en 17 maart 2014 heeft Mercatus [B] en [eiser] aangesproken op de overlastklachten van omwonenden en hebben zij rechtsmaatregelen aangekondigd.

  9. Mercatus heeft [B] en [eiser] in contact gebracht met een buurtwerker, maar [B] heeft verdere hulpverlening niet willen aanvaarden.

  10. De kinderen van [eiser] en [B] zijn uit huis geplaatst.

3 Het geschil

3.1.

Mercatus heeft in de oorspronkelijke dagvaarding – samengevat – gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

- [eiser] en [B] hoofdelijk te veroordelen de woning te ontruimen en schoon en leeg op te leveren, en

subsidiair:

  • -

    te bevelen dat [eiser] en [B] zich dienen te gedragen naar alle voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens de GGD, zoals als de GGD of een door GGD aan te wijzen instelling dat nodig acht, op straffe van hoofdelijke veroordeling van [eiser] en [B] om de woning te ontruimen en te verlaten indien zij zich niet aan deze veroordeling voldoen, met machtiging van Mercatus om de ontruiming zonodig zelf te doen bewerkstelligen,

  • -

    alsmede te bevelen dat [eiser], [B] en/of derden die zich in of om de woning begeven, geen geluid mogen veroorzaken met een geluidswaarde van 55 decibel en/of hoger tussen 07.00 uur en 19.00 uur, en van 45 decibel en/of hoger tussen 19.00 uur en 07.00 uur, op straffe van hoofdelijke veroordeling van [eiser] en [B] om de woning te ontruimen en te verlaten indien zij zich niet aan deze veroordeling voldoen,

  • -

    [eiser] en [B] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van de meting (apparatuur en manuren),

primair en subsidiair:

- [eiser] en [B] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2.

Mercatus heeft aan haar oorspronkelijke vordering ten grondslag gelegd dat [eiser] en [B] overlast veroorzaken aan omwonenden die bestaat uit (onder meer) schreeuwen binnen en buitenshuis, het maken van echtelijke ruzies, het draaien van harde muziek, het luid aanzetten van de televisie, het bonken op de muren van de huurwoning, het gooien van allerlei voorwerpen in de tuin van omwonenden en het vernielen van eigendommen van omwonenden.

3.3.

Bij verstekvonnis van 16 juli 2014 (3164490 LV EXPL 14-59) is de vordering van Mercatus, toegewezen en zijn [eiser] en [B] veroordeeld in de proceskosten.

3.4.

[eiser] heeft gevorderd dat hij, uitvoerbaar bij voorraad, zal worden ontheven van de veroordeling, tegen hem uitgesproken bij vonnis van 16 juli 2014 (3164490 LV EXPL 14-59) door deze rechtbank, sector kanton, tussen Mercatus als eiser en [eiser] en [B] als gedaagden gewezen met veroordeling van [eiser] en [B] in de kosten van deze procedure.

3.5.

[eiser] heeft het verzet tegen voornoemd verstekvonnis gegrond op de volgende stellingen. [B] heeft een geestelijke stoornis overgehouden aan haar oorlogsverleden. Daardoor wordt haar gedrag beïnvloed. De door Mercatus gestelde overlast wordt niet door [eiser], maar door (de geestelijke stoornis van) [B] veroorzaakt. [eiser] heeft zich ingezet om de door [B] veroorzaakte overlast te voorkomen, maar hij heeft daarop geen invloed. Dat kan [eiser] niet worden aangerekend. [eiser] is niet tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen voortvloeiende uit de huurovereenkomst. [eiser] en [B] zijn zelfstandige huurders, zodat eventuele tekortkomingen per huurder afzonderlijk dienen te worden beoordeeld. Ook als [eiser] verantwoordelijk kan worden geacht voor de tekortkomingen van [B], dan rechtvaardigt dit nog niet de ontbinding van de huurovereenkomst, zodoende evenmin de in kort geding toegewezen ontruiming, nu de overlast wordt veroorzaakt als gevolg van de psychische nood van [B].

3.6.

Partijen hebben hun standpunten ter zitting nader toegelicht. Voor zover van belang, zal in het navolgende daarop worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Van belang is allereerst dat de in dit kort geding gevorderde ontruiming, in afwachting van de uitkomst van de nog aanhangig te maken bodemprocedure met betrekking tot ontbinding van de huurovereenkomst, bij toewijzing zeer ingrijpende en vrijwel niet terug te draaien gevolgen zal hebben voor [eiser]. Om tot toewijzing van de onderhavige vordering te kunnen komen, dient er dan ook een grote mate van zekerheid te bestaan dat de bodemrechter de huurovereenkomst zal ontbinden en ontruiming zal bevelen.

4.2.

Er dient in deze zaak voorshands uitgegaan te worden van één door [eiser] en [B] als contractuele medehuurders met Mercatus gesloten huurovereenkomst, waaruit voor [eiser] en [B] hoofdelijke aansprakelijkheid voortvloeit, en niet van een aparte, door [eiser] met Mercatus gesloten huurovereenkomst waarnaast eenzelfde overeenkomst van [B] met Mercatus zou staan. In zoverre kan het verweer van [eiser], dat niet hij maar [B] is tekortgeschoten en dat hem dat niet kan worden aangerekend, ook als de juistheid hiervan wordt aangenomen, in dit kort geding niet slagen. Derhalve staat de omstandigheid dat het in dit geval niet om gedragingen van [eiser] zelf gaat, zoals [eiser] heeft opgeworpen, en dat hij zich heeft ingespannen om de gedragingen van [B] te voorkomen, doch dat hij daarop geen invloed heeft, er voorshands niet aan in de weg dat ook hij wordt aangesproken wegens een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst. Hoofdelijke aansprakelijkheid als hier aan de orde strekt zich in beginsel uit tot alle verplichtingen uit de huurovereenkomst en ziet dus ook op de onderhavige situatie; bij niet-nakoming, die in dit kort geding op zichzelf niet is betwist, is aldus niet relevant wie van beide huurders tekortschiet. Het verweer van [eiser], dat er slechts grond is om de ontruiming jegens [B] toe te wijzen, faalt derhalve.

4.3.

Het verweer van [eiser] slaagt evenmin, voor zover hij heeft opgeworpen dat de tekortkomingen van [B] – voor het geval die rechtens hebben te gelden als een gebeurtenis die (krachtens zijn hoofdelijke verbondenheid of krachtens 7:219 BW) aan [eiser] als huurder is toe te rekenen en daarmee in beginsel een grond vormt voor ontbinding van de huurovereenkomst – gezien hun bijzondere aard, de ontbinding van de door [eiser] met Mercatus gesloten huurovereenkomst met haar gevolgen voor [eiser] niet rechtvaardigt. Volgens [eiser] is het gedrag van [B] namelijk het gevolg van een psychische stoornis. Het verweer ziet er echter aan voorbij dat de rechter in een geding als het onderhavige niet alleen heeft rekening te houden met de belangen van de huurder die, zoals [B], lijdt aan een geestelijke stoornis, maar ook met het belang van de omwonenden om gevrijwaard te blijven van overlast als waarvan sprake is in deze zaak. Het is voorts vaste jurisprudentie dat een huurder die overlast pleegt als gevolg van een geestelijke stoornis, wanprestatie pleegt en dat op die grond de huurovereenkomst in beginsel kan worden ontbonden (zie: HR 19 mei 1995, NJ 1995, 532). De kantonrechter acht het daarom, mede gelet op het gegeven dat de door Mercatus gestelde ernst en omvang van de overlast door [eiser] niet wordt betwist, waarschijnlijk dat een bodemrechter de belangen van de omwonenden die de overlast ervaren, zwaarder zal laten wegen dan het woonbelang van [eiser] en [B].

4.4.

[eiser] heeft voorts nog opgeworpen dat als hij de woning moet verlaten, daarvan het gevolg zal zijn dat hij de zorg over zijn kinderen, die uit huis zijn geplaatst, niet (terug) toegewezen zal krijgen. [eiser] heeft ter zitting de hoop uitgesproken dat als hij in de woning mag blijven wonen, en [B] zal worden opgenomen in een gespecialiseerde zorginstelling, Jeugdzorg zal toestaan dat de kinderen weer bij hem komen wonen. Ook deze omstandigheid moet volgens [eiser] leiden tot de conclusie dat de ontbinding (en de daaraan gekoppelde ontruiming) van de huurovereenkomst niet gerechtvaardigd is. Ook dit verweer baat [eiser] niet. De kantonrechter stelt daarbij voorop dat de hoop van [eiser] dat hij de zorg van zijn kinderen krijgt toegewezen als [B] de woning verlaat, onvoldoende is onderbouwd. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat in dit kort geding onduidelijk is gebleven op welke gronden Jeugdzorg tot uithuisplaatsing van de kinderen is overgegaan en daarmee of die gronden uitsluitend zijn gelegen aan de zijde van [B]. Verder is op basis van de in deze procedure gestelde feiten en omstandigheden, onvoldoende aannemelijk geworden dat, als [B] de woning verlaat, zij op korte termijn structurele hulpverlening zal aanvaarden en zal meewerken aan een opname in een gespecialiseerde instelling. De kantonrechter acht integendeel de kans groot dat [B], in het geval van een uitsluitend jegens haar uitgesproken ontruiming, onderdak zal (blijven) zoeken bij haar echtgenoot, zodat aan de overlastsituatie geen einde zal komen. Tenslotte geldt dat het belang van [eiser] dat hij de zorg over zijn kinderen hoopt terug te krijgen, ook niet afdoet aan de ernst van de reeds plaatsgevonden overlast.

4.5.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het, hoe betreurenswaardig deze situatie voor [eiser] en [B] ook is, gelet op de hiervoor overwogen omstandigheden van dit geval en op basis van hetgeen in deze zitting naar voren is gebracht, voorshands waarschijnlijk wordt geacht dat een bodemrechter tot ontbinding van de huurovereenkomst over zal gaan. De primair gevorderde ontruiming is dan ook toewijsbaar en de subsidiaire vorderingen behoeven geen behandeling. Dit betekent dat het bij verstek gewezen vonnis van 16 juli 2014 (3164490 LV EXPL 14-59) in stand blijft.

4.6.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in het verzet. De kantonrechter overweegt dat deze zaak kan worden aangemerkt als een voortgezette behandeling van het oorspronkelijk door Mercatus aanhangig gemaakte kort geding. In het bij verstek gewezen vonnis van 16 juli 2014 (3164490 LV EXPL 14-59) is aan Mercatus reeds een vergoeding toegekend van € 400,-- aan salaris gemachtigde. De kantonrechter acht het daarom redelijk om in deze verzetprocedure het salaris gemachtigde aan de zijde van Mercatus in lijn met de aanbevelingen van het LOVCK, te begroten op de helft van het per 15 juli 2014 geldende tarief van € 400,--, aldus op € 200,--.

5 De beslissing in kort geding

De kantonrechter

- bekrachtigt het verstekvonnis van 16 juli 2014 (3164490 LV EXPL 14-59) ;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure, aan de zijde van Mercatus tot op heden begroot op € 200,-- aan salaris gemachtigde;

Dit vonnis is gewezen door mr. O.E. Mulder en in het openbaar uitgesproken op 10 september 2014.