Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:4056

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-07-2014
Datum publicatie
16-09-2014
Zaaknummer
C-16-367488 - KG ZA 14-268
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Aandeelhoudersgeschil. Uitstoting overige aandeelhouders (2:336 BW), gedwongen overdracht aandelen (2:343 BW). Onderbouwing waarde aandelen ontbreekt Geen benoeming deskundige in KG. Vennootschappelijk belang eist geen voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RO 2015/6
JONDR 2015/50

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/367488 / KG ZA 14-268

Vonnis in kort geding van 23 juli 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] B.V.,

gevestigd te [plaats],

eiseres,

advocaat: mr. A. de Buck te Enschede,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 1] B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te [plaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 2] B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te [plaats],

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CREDIT INVEST B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Zwolle,

gedaagden,

advocaat: mr. S.M. Marges te Utrecht.

Eiseres zal hierna [eiseres] worden genoemd. Gedaagden zullen gezamenlijk [gedaagden] genoemd worden en afzonderlijk respectievelijk [gedaagde 1], [gedaagde 2] en Credit Invest.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties 1 tot en met 16;

  • -

    de op voorhand toegezonden producties 17 tot en met 19 van de zijde van [eiseres];

  • -

    de op voorhand toegezonden producties 1 tot en met 22 van de zijde van [gedaagden];

  • -

    de mondelinge behandeling;

  • -

    de pleitnota van [eiseres];

  • -

    de pleitnota van [gedaagden]

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 17 december 2012 hebben – voor zover relevant - [eiseres], [gedaagde 1], [gedaagde 2] en Credit Invest een participatieovereenkomst gesloten. De inhoud van deze overeenkomst luidt – voor zover van belang – als volgt:

“(…)

3 UITGIFTE VAN AANDELEN

(…)

3.2

De Vennootschap zal aan [gedaagde 2] Participaties tegen nominale waarde uitgeven één cumulatief preferent aandeel (hierna: “Cumpref”). De nominale waarde van de Cumpref zal gelijk zijn aan de nominale waarde van één Gewoon Aandeel.

(…)

4 CUMPREF [gedaagde 2] PARTICIPATIES

4.1

Aan de Cumpref is het recht verbonden om de eerste € 60.000,- van het door de vennootschap uit te keren dividend per jaar te ontvangen.

(…)

MANAGEMENTVERGOEDING

9.1

[gedaagde 1] en [eiseres] ontvangen voor hun werkzaamheden als bestuurder van de Vennootschap een managementvergoeding (hierna: de “Managementvergoeding”). De hoogte van de Managementvergoeding wordt vastgesteld door de AVA met in achtneming van het bepaalde in Artikel 7.2 sub k. Bij aanvang van deze Overeenkomst en zolang de AVA niet anders heeft besloten zal de Managementvergoeding van [gedaagde 1] en [eiseres] tezamen niet meer bedragen dan dat bedrag dat voor Managementvergoeding in de prognose (hierna: de “Prognose”) die als bijlage 2 is aangehecht is geprognosticeerd doch nimmer meer dan € 20.000,- per maand.

9.2

Vanaf het jaar 2015 zal aan [gedaagde 1] en [eiseres] in aanvulling op de Managementvergoeding genoemd in Artikel 9.1 jaarlijks een bonus worden toegekend van maximaal € 60.000,- totaal (€ 30.000,- ieder).

(…)

13 AANVULLENDE AANBIEDINGSPLICHT: CHANGE OF CONTROL EN MANAGEMENT

13.1

Bestuurder en enig aandeelhouder van [gedaagde 1] is de heer [B]. Bestuurder en enig aandeelhouder van [eiseres] is mevrouw [A]. Zowel [eiseres] als [gedaagde 1] verbindt zich hierbij om in aanvulling op de in de Statuten opgenomen aanbiedingsregeling alle door haar gehouden Aandelen aan te bieden (zonder dat dit aanbod kan worden ingetrokken), ingeval één of meer van de navolgende omstandigheden zich ten aanzien van haar voordoet:

(…)

h. Indien de heer [B] respectievelijk mevrouw [A] gedurende een periode van tenminste zes maanden niet meer dan 32 uur per week werkzaamheden ten behoeve van de Groep (dit zijn Credit Invest en al haar dochtermaatschappijen en groepsmaatschappijen; voorzieningenrechter) verricht of zich omstandigheden voordoen waardoor in redelijkheid moet worden aangenomen dat zij gedurende een periode van meer dan drie maanden niet meer dan 32 duur per week werkzaamheden ten behoeve van de Groep verricht;

i. Indien [eiseres] respectievelijk [gedaagde 1] ook na een redelijke termijn te zijn gesteld om de tekortkoming te herstellen, tekort blijft schieten in de nakoming van een verbintenis die uit hoofde van deze Overeenkomst op haar rust.

(…)

14 BAD LEAVER

14.1.

Zowel [gedaagde 1] als [eiseres] verplicht zich de door haar gehouden Aandelen aan te bieden als Bad Leaver ingeval zij de Aandelen moet aanbieden uit hoofde van artikel 13.1 onder i en, indien deze situatie zich voordoet binnen vijf jaar na het aangaan van deze Overeenkomst, onderdeel h.

14.2

Het als Bad Leaver moeten aanbieden van de Aandelen heeft als consequentie dat indien de overige Aandeelhouders de Aandelen van de Bad Leaver wensen over te nemen zij dit mogen doen voor een prijs die gelijk is aan de prijs die volgt uit een waardering conform Artikel 14.3 of, indien deze lager is, de waarde van de Aandelen in het economisch verkeer vastgesteld conform de daarvoor geldende regeling in de Statuten.

14.3

De prijs per aandeel in een Bad Leaver situatie wordt berekend als volgt:

4 X [gemiddelde bruto winst van de Groep in de laatste 3 boekjaren voorafgaand aan het ontstaan van de aanbiedingsplicht – het bedrag dat over het laatste boekjaar voorafgaand aan de aanbiedingsplicht aan dividend verschuldigd is geworden op de Cumpref uit hoofde van Artikel 4.1] / het totaal aantal geplaatste Aandelen.

(…)

18.1

[gedaagde 2] is op basis van de voorwaarden zoals opgenomen in deze Overeenkomst bereid om in de Prognose opgenomen financieringsbehoefte (hierna: de “Financieringsbehoefte”) van de Vennootschap te voorzien.

(…)

25 GEHEIMHOUDING

25.1.

Partijen verbinden zich om tijdens en na de duur van deze Overeenkomst op geen enkele wijze direct of indirect informatie betreffende de Groep of de Aandeelhouders aan derden te verstrekken. Partijen staan er voor in dat hun aandeelhouders, bestuurders, vertegenwoordigers, werknemers, adviseurs en gelieerde (rechts)personen overeenkomstig handelen. Dit Artikel is niet van toepassing op informatie, die algemeen bekend of toegankelijk is of die een Partij op grond van wet- of regelgeving dan wel op grond van een uitspraak van een rechterlijke instantie dient te verstrekken.

(…)”

2.2.

[eiseres] heeft een e-mailbericht van 4 januari 2014 overgelegd waarin door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] over en weer – voor zover van belang – het volgende is geschreven:

[gedaagde 2] aan [gedaagde 1]:

“(…)

Ik stel voor dat jij richting haar ook aangeeft dat EUR 7.500 per maand met z’n 2-en nu eenmaal gewoon reëel/fair is en gewoon EUR 3,750 p.p. laat uitkeren. Als ze ziet dat jij het daar ook mee eens bent, wordt haar positie NOG zwakker en heeft ze door dat er in de toekomst helemaal niets meet “te halen” is. Vermoed dat ze dan echt wel snel eieren voor haargeld zal kiezen, want daar kon ze gewoon ook niet van leven en i.c.m. haar strikte concurrentiebeding heeft ze dan ook een enorm probleem.

(...)

Denk trouwens dat het beter is dat ik jullie zometeen per mail vraag om prognose 2014 toch maar te maken, gebaseerd op max. EUR 7.500 per maand managementfee van jullie beiden. Dan kun jij vervolgens dat concept z.s.m. aanleveren. Vervolgens zijn er 2 opties: 1) [A] gaat daar niet mee akkoord en ik keur de prognose dan af. Dan mag er NIETS worden uitgekeerd aan jullie (tijdelijk; als je wilt kan ik dan bijv. ter overbrugging misschien wel iets met jou regelen?)en heeft [A] direct echt een heel groot probleem. Of optie 2): [A] gaat onder protest akkoord omdat ze ziet dat het 2 tegen 1 is en heeft dan vervolgens alsnog een probleem omdat ze niet van EUR 3.750 p.m. kan leven,

(...)

Het verlagen van de managementfee zal, als zij niet ergens anders geld op de kop kan tikken, als een goed pressiemiddel werken.

(…)”

[gedaagde 1] aan [gedaagde 2]:

“Ik vind dit een goed voorstel als jij akkoord kon gaan met het volgende; Je zult mij dan over de periode waarin zij nog aan boord is, op de één of andere manier dienen “aan te vullen” tot € 7.500,- want € 7500 is voor mij ook al te weinig. Het zou als volgt kunnen; ik stuur jou iedere maand op de 25ste een factuur van € 3.750,- die je direct betaald. Jij stuurt één aan MBI met een uiterste betaaldatum op bijv 30/6??

(...)

Als zij weg is wordt mijn managementfee met terugwerkende kracht aangevuld tot € 7500 over de maanden waar dit niet het geval is geweest en betaal ik daarmee in 1x jouw facturen.

(...)

Overigens zal [A] wel begrijpen dat wij dan op dit punt onder één hoedje werken. Maar zolang zij geen bron heeft die haar aanvult is dat niet zo interessant en zal de druk alleen maar toenemen.

(…)”

2.3.

Bij e-mailbericht van eveneens 4 januari 2014 schreef [gedaagde 2] in reactie op het onder 2.2. gedeeltelijk geciteerde bericht – onder meer – het volgende:

“(…)

M.b.t. managementfee: [A] mag ABSOLUUT niet de indruk hebben dat wij op welke manier dan ook onder 1 hoedje spelen. In het kader van het proces (zie al mijn mails) mag [A] dus beslist NIET kunnen roepen dat jij en ik haar “eruit” willen hebben. Nee sterker nog: met [A]’s reactie en mijn feedback daarop wil ik juist staven dat zij er voor KIEST om weg te willen, omdat ze noch jou noch mij enig ander voorstel doet. Hoe kunnen we dus vermijden dat [A] hier ooit lucht van krijgt en waarom/hoe denk jij eigenlijk dat [A] hier lucht van kan krijgen?
(…)”

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en op alle dagen en uren:

Primair:

[gedaagde 2] en [gedaagde 1] te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van het in deze te

wijzen vonnis over te gaan tot overdracht aan [eiseres] van de door hen gehouden aandelen in

Credit Invest, vrij van enig beperkt en/of ander recht, tegen betaling door [eiseres] van een koopsom van € 1,00 en onder gehoudenheid van [eiseres] om indien een deskundige nadien

een waarde van de aandelen taxeert die hoger ligt dan nihil, binnen dertig dagen na

ontvangst van dit deskundigenbericht deze getaxeerde waarde als koopsom voor de

aandelen aan [gedaagde 2] en [gedaagde 1] te voldoen en [gedaagde 2] en [gedaagde 1] te veroordelen mee te

werken aan het passeren van de voor de overdracht vereiste notariële akte, alsmede te

bepalen dat indien [gedaagde 2] en [gedaagde 1] niet aan deze veroordeling voldoen dit vonnis in de

plaats zal treden van de benodigde verklaringen van [gedaagde 2] en [gedaagde 1] en dat notaris M. van Rozen van KienhuisHoving NV. te Enschede zal zijn gemachtigd alle ter zake van de

eigendomsoverdracht vereiste formaliteiten te vervullen.

Subsidiair:

  1. Credit Invest te veroordelen aan [eiseres] tegen deugdelijk bewijs van kwijting te betalen het ter zake van achterstallige managementfee van EUR 15,000,00 en bonusbetalingen van € 60.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van deze dagvaarding tot aan die der algehele voldoening;

  2. te bepalen dat [eiseres] niet gebonden zal zijn aan het non-concurrentiebeding zoals vermeld in artikel 11 van de Participatieovereenkomst;

  3. [gedaagde 2] en [gedaagde 1] te veroordelen om de aandelen van [eiseres] in Credit Invest, welke [eiseres] bereid is te leveren, over te nemen tegen deugdelijke betaling aan [eiseres] van de door de deskundige(n) te bepalen koopprijs en mee te werken aan het passeren van de daartoe vereiste notariële akte, een en ander binnen zeven dagen nadat de koopprijs is vastgesteld, op straffe van een dwangsom van €10.000,00 per persoon per dag dat [gedaagde 2] dan wel [gedaagde 1] dit gebod overtreedt, tot een maximum van € 250.000,00 per persoon aan te verbeuren dwangsommen.

Dit alles, zowel primair als subsidiair, met veroordeling van [gedaagden] in de kosten van de procedure, die van de deskundigen daaronder begrepen.

3.2.

[gedaagden] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, voor zover [eiseres] daarin ontvankelijk is, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De primaire vordering van [eiseres] tot overdracht van aandelen door [gedaagde 2] en [gedaagde 1] aan [eiseres] is gegrond op artikel 13.1 aanhef en onder i van de hiervoor onder 2.1. gedeeltelijk geciteerde participatieovereenkomst en tevens op artikel 2:336 BW. De subsidiaire vordering is, waar het de overdracht van aandelen door [eiseres] aan [gedaagde 2] en [gedaagde 1] betreft, gegrond op artikel 2:343 BW.

4.2.

In beginsel is ten aanzien van vorderingen op grond van artikel 2:336 en 2:343 BW op de voet van artikel 2:336 lid 3 BW, al dan niet in samenhang met artikel 2:343 lid 2 BW, uitsluitend de rechtbank van de woonplaats van Credit Invest bevoegd kennis te nemen van de vorderingen van [eiseres]. Omdat partijen in artikel 28.10 van de participatieovereenkomst contractueel een afwijking op dit artikellid zijn overeengekomen, is de voorzieningenrechter in deze rechtbank bevoegd.

4.3.

Partijen zijn het er vanwege de financiële situatie van Credit Invest vanaf ongeveer augustus 2013 over eens dat zij niet verder kunnen op de ingeslagen weg. In dat verband is de vraag gerezen of [eiseres] de door haar gehouden aandelen zou overdragen aan ([gedaagde 2] en) [gedaagde 1] of dat [gedaagde 1] de door hem gehouden aandelen aan [eiseres] (en [gedaagde 2]) zou overdragen. Ook hebben partijen gezamenlijk onderzocht of verkoop van aandelen aan een derde mogelijk was. Het onderhandelingstraject heeft er gaandeweg toe geleid dat de verhoudingen tussen partijen verslechterden. Zij zijn het erover eens dat de huidige situatie niet kan voortduren, maar verschillen van mening over de wijze waarop de samenwerking als aandeelhouders in Credit Invest dient te worden beëindigd.

Participatieovereenkomst

4.4.

[eiseres] vordert in dit kort geding allereerst nakoming van artikel 13.1 aanhef en onder i van de participatieovereenkomst. Aan deze vordering legt [eiseres] – samengevat – ten grondslag dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] blijvend tekort schieten in de nakoming van de participatieovereenkomst door, in strijd met het geheimhoudingsbeding in artikel 25 van de participatieovereenkomst, bedrijfsgevoelige informatie te verstrekken aan een derde. Deze derde is de heer [C] van [naam] B.V. (hierna: [C]) met wie [gedaagde 2] en [gedaagde 1] overleg voerden. Doel van het overleg van [gedaagde 2] en [gedaagde 1] met [C] was deze laatste – al dan niet door middel van een aan hem gelieerde vennootschap – in Credit Invest te laten participeren als aandeelhouder. De bedoeling daarbij was dat [C] de aandelen die [eiseres] houdt in Credit Invest op den duur over zou nemen. [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hebben op dit punt volgens [eiseres] onder één hoedje gespeeld om [eiseres] buitenspel te zetten en hebben daarmee in strijd met artikel 2:8 BW gehandeld. [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hebben volgens [eiseres] mogelijk grote schade veroorzaakt bij [eiseres] en Credit Invest, althans dreigen zij deze schade te veroorzaken.

4.5.

[gedaagden] betwist niet dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] overleg hebben gevoerd met [C] en dat zij hem in dat kader bedrijfsgevoelige informatie hebben verstrekt. Zij merken in dit kader op dat geheimhouding verzekerd is doordat zij [C], bij aanvang van het gevoerde overleg, een geheimhoudingsverklaring hebben laten ondertekenen. [gedaagden] erkent dat de wijze waarop [gedaagde 2] en [gedaagde 1] overleg voerden met [C] niet een schoonheidsprijs verdient omdat [eiseres] bewust buiten dit overleg werd gehouden, maar dit vormt volgens [gedaagden] geen reden tot uitstoting.

4.6.

Zoals [gedaagden] onweersproken heeft aangevoerd en ook uit de participatieovereenkomst blijkt, is het in artikel 13.1 aanhef en onder i van de participatieovereenkomst bepaalde niet van toepassing op [gedaagde 2]. De op dit artikel gegronde vordering jegens [gedaagde 2] komt daarom niet voor toewijzing in aanmerking.

4.7.

Ten aanzien van hetgeen [eiseres] [gedaagde 1] in dit kader verwijt wordt het volgende overwogen. De vraag of hij als ‘bad leaver’ in de zin van artikel 14 van de participatieovereenkomst kan worden beschouwd, behoeft geen beantwoording omdat de waarde van de aandelen in dat geval niet, zoals [eiseres] stelt, bepaald kan worden op € 1,00. De prijs van de 9.000 aandelen die [gedaagde 1] houdt dient in die situatie te worden bepaald aan de hand van hetgeen is bepaald in artikel 14.3 van de participatieovereenkomst. In het bestek van dit kort geding zijn door [eiseres] geen stukken overgelegd waaruit de brutowinst van de groep van de laatste drie jaren blijkt, is de hoogte van het dividend op het cumulatief preferente aandeel niet gesteld en onderbouwd (maar is wel gebleken dat daarover discussie bestaat tussen [gedaagde 2] en [eiseres]) en ontbreekt een berekening van de prijs per aandeel die volgt uit de in genoemd artikel 14.3 opgenomen waardebepalingsmethode. Het gaat het bestek van dit kort geding te buiten om de bepaling van de waarde te laten verrichten door deskundigen, zoals in de vordering van [eiseres] besloten ligt. Van [gedaagde 1] kan bovendien niet gevergd worden dat hij zijn aandelen overdraagt tegen een zeer geringe vergoeding van € 1,00. Omdat [eiseres] ter terechtzitting bovendien te kennen heeft gegeven dat zij mogelijkerwijs niet over de financiële middelen beschikt om de eventueel door deskundigen vast te stellen waarde te vergoeden van de door [gedaagde 1] en eventueel ook [gedaagde 2] over te dragen aandelen, is voor toewijzing van de vorderingen op deze grondslag geen plaats.

Uitstootregeling artikel 2:336 BW

4.8.

Naar de voorzieningenrechter de stellingen van partijen begrijpt en uit de overgelegde conceptjaarrekening opmaakt, zijn door Credit Invest 26.999 gewone aandelen en 1 cumulatief preferent aandeel uitgegeven met elk een nominale waarde van € 1,00 en bedraagt het geplaatst kapitaal van de vennootschap daarmee € 27.000,00. [eiseres], [gedaagde 2] en [gedaagde 1] houden ieder 9.000 aandelen in Credit Invest. [gedaagde 2] houdt 8.999 gewone aandelen en daarnaast een cumulatief preferent aandeel waaraan het recht is verbonden tot de eerste € 60.000,00 van de jaarlijks door Credit Invest gerealiseerde winst. Omdat [eiseres] ten minste een derde van het geplaatste kapitaal verschaft, en aan het vereiste van artikel 2:337 BW dat de statuten van Credit Invest en de participatieovereenkomst geen regeling bevatten voor de oplossing van geschillen tussen de aandeelhouders is voldaan, kan zij worden ontvangen in haar op artikel 2:336 BW gegronde vorderingen.

4.9.

Vooropgesteld wordt dat op grond van artikel 2:336 BW de uitstoting van [gedaagde 2] en [gedaagde 1] slechts mogelijk is in verband met gedragingen die door hen in hoedanigheid van aandeelhouder zijn verricht en niet voor het niet-nakomen van verplichtingen als bestuurder van de vennootschap of in een andere hoedanigheid. Verder is in dit kader niet van belang of [gedaagde 2] en [gedaagde 1] het belang van [eiseres] als aandeelhouder hebben geschaad, het belang van de vennootschap is richtsnoer van de toetsing van het handelen van [gedaagde 2] en [gedaagde 1]. Alleen indien zij het belang van de vennootschap schaden of hebben geschaad, is plaats voor toewijzing van de op artikel 2:336 BW gestoelde vorderingen van [eiseres].

4.10.

De door [eiseres] verlangde uitstoting van [gedaagde 2] en [gedaagde 1] als aandeelhouders zal niet worden toegewezen. Dit omdat [eiseres] wenst dat de voorzieningenrechter tevens bepaalt dat aan [gedaagde 2] en [gedaagde 1] in het kader van deze uitstoting een zeer geringe tegenprestatie van € 1,00 behoeft te worden voldaan voor de overdracht van de aandelen. Deze door [eiseres] gestelde waarde is op geen enkele wijze onderbouwd en bovendien door [gedaagden] weersproken. Voorts gaat [eiseres] geheel voorbij aan het wettelijk systeem waarbij, indien de vordering tot uitstoting van een aandeelhouder wordt toegewezen, ingevolge artikel 2:339 e.v. BW door de rechter een deskundige moet worden benoemd die de waarde van de aandelen vaststelt die door de uitstoting eisende aandeelhouders moet worden betaald. Benoeming van een deskundige kan op grond van artikel 2:339 lid 3 BW alleen achterwege blijven indien de rechter de prijs van de aandelen zonder meer kan vaststellen omdat daarover overeenstemming bestaat tussen partijen of als de statuten of een overeenkomst een duidelijke maatstaf bevatten voor de bepaling ervan. Omdat over de waarde van de aandelen geen overeenstemming tussen partijen bestaat en een – al dan niet op de statuten of artikel 14 van de participatieovereenkomst gebaseerde – berekening ontbreekt waaruit volgt dat de waarde van de aandelen, ook die van het cumulatief preferente aandeel, op € 1,00 moet worden vastgesteld, kan benoeming van een deskundige niet achterwege blijven. Binnen het bestek van dit kort geding, waarin op korte termijn een uitspraak moet worden gedaan, is er geen ruimte voor een dergelijk deskundigenonderzoek. Bovendien verhoudt de stelling van [eiseres] dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] een bodemprocedure aanhangig dienen te maken indien zij een andere waardebepaling van de aandelen wensen of noodzakelijk achten, zich niet met het uitgangspunt zoals dit in artikel 2:339 BW is bepaald.

4.11.

Dat de aandelen nauwelijks of geen waarde hebben is door haar [eiseres] wel gesteld, maar niet onderbouwd en ook niet op andere wijze aannemelijk gemaakt. Dit klemt omdat, zoals [gedaagden] aanvoert, het cumulatief preferente aandeel jaarlijks recht geeft op € 60.000,00 en aangenomen moet worden dat in ieder geval dit aandeel een hogere waarde vertegenwoordigt dan [eiseres] stelt. Tegen deze achtergrond en omdat een voldoende financiële onderbouwing van de waarde van de aandelen en een deskundigenonderzoek daaromtrent ontbreken, zal de vordering van [eiseres] op dit punt worden afgewezen.

4.12.

Gelet op het voorgaande zal de eveneens primair door [eiseres] gevorderde veroordeling tot medewerking worden afgewezen. De kennelijk op artikel 3:300 BW gegronde vordering om te bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van de benodigde verklaringen van [gedaagde 2] en [gedaagde 1] en machtiging aan de notaris om voor overdracht vereiste formaliteiten te vervullen, delen dit lot omdat de gevorderde overdracht eveneens zal worden afgewezen.

Gedwongen overdracht artikel 2:343 BW

4.13.

Artikel 2:343 BW strekt er onder meer toe een uitweg te bieden in geval van geschillen tussen aandeelhouders die de samenwerking in een besloten vennootschap ernstig bemoeilijken. In dat verband is voorzien in een regeling van gedwongen overname van aandelen van een aandeelhouder die door gedragingen van een of meer van zijn medeaandeelhouders zodanig in zijn rechten of belangen wordt geschaad dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd. Artikel 2:343 BW regelt in een dergelijk geval de mogelijkheid tot uittreding door een rechterlijk bevel uit te lokken tot overneming van de aandelen van een aandeelhouder, die aldus in een onhoudbare positie is komen te verkeren en die zijn aandelen niet op normale wijze kan verkopen. Aan deze medeaandeelhouders kan onder de in art. 2:343 BW aangeduide omstandigheden worden bevolen de aandelen van de ‘benard’ geraakte aandeelhouder over te nemen. Dit bevel kan worden gegeven indien het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van de ‘benard’ geraakte aandeelhouder kan worden gevergd. Anders dan bij het hiervoor behandelde artikel 2:336 BW, behoeven de gedragingen die [gedaagde 2] en [gedaagde 1] worden verweten geen gedragingen te betreffen in hun hoedanigheid van aandeelhouder (vgl. Ok. 22 november 1992, NJ 1993, 411; Van Eyk/Nootebos).

4.14.

In welke hoedanigheid [gedaagde 2] en [gedaagde 1] zich hebben gedragen en de wijze waarop dit is gebeurd, alsook het antwoord op de vraag of zij de samenwerking in Credit Invest daarmee ernstig bemoeilijken, behoeft geen beoordeling. Dit is ook het geval waar het de volgens [eiseres] benarde situatie betreft die meebrengt dat haar aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van haar kan worden gevergd. Zoals hiervoor is overwogen ontbreekt een onderbouwing van de waarde van de over te dragen aandelen en is voor benoeming van een deskundige geen plaats in kort geding. Benoeming van een deskundige is op grond van artikel 2:343 lid 2 voorgeschreven op de wijze als bepaald in artikel 2:339 BW, zodat dit niet op de door [eiseres] voorgestane wijze – na uitspraak in dit kort geding – kan geschieden. De voorzieningenrechter is evenmin in staat zelf de waarde van de aandelen bepalen omdat [eiseres] daartoe onvoldoende, met bescheiden onderbouwde, feiten heeft gesteld en overeenstemming tussen partijen ontbreekt.

Spoedeisend belang en vennootschappelijk belang

4.15.

Ten aanzien van zowel de primaire als de subsidiaire vordering tot overdracht van aandelen, wordt voorts overwogen dat niet gebleken is van een voor toewijzing van de gevraagde voorzieningen vereist spoedeisend belang. Ter terechtzitting hebben partijen te kennen gegeven dat de vennootschap behoorlijk functioneert, zij het dat de samenwerking tussen de aandeelhouders moeizaam verloopt bij het uitvoeren van de dagelijkse werkzaamheden omdat er spanningen en discussies zijn. Dit brengt mee dat niet aannemelijk is dat het belang van de vennootschap vergt dat, al dan niet met terzijdestelling van de wettelijke bepalingen omtrent de benoeming van een deskundige, een voorziening wordt getroffen omdat de uitkomst van een eventuele bodemprocedure niet kan worden afgewacht.

Dwangsom

4.16.

Omdat de op overdracht van de aandelen gerichte subsidiaire vordering van [eiseres] wordt afgewezen, deelt de door [eiseres] in dit verband gevorderde dwangsom dit lot.

Managementfee

4.17.

Tot 31 december 2013 ontving elke bestuurder een maandelijkse managementvergoeding van € 7.500,00. Ter terechtzitting is door partijen naar voren gebracht dat bij het opstellen van prognoses over omzetten en kosten voor 2014 uitgegaan is van het bestuurderschap van één persoon. Omdat zowel [eiseres] als [gedaagde 1] bestuurder is van Credit Invest, diende de geprognosticeerde managementvergoeding voor de bestuurder van € 7.500,00 per maand gedeeld te worden over twee personen. [eiseres] heeft met verlaging van de managementvergoeding tot € 3.750,00 met ingang van 1 januari 2014 ingestemd. Zij heeft echter de vernietiging van haar toestemming ingeroepen bij e-mailbericht van 24 april 2014. Zij stelt dat de verlaging van de managementvergoeding onder valse voorwendselen heeft plaatsgevonden. Het vooropgezette doel van [gedaagde 2] en [gedaagde 1] was om [eiseres] te benadelen. [eiseres] stelt dat uit de door haar overgelegde, hiervoor onder 2.2. en 2.3. deels geciteerde, e-mailberichten blijkt dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] haar door verlaging van de managementvergoeding wilden “uithongeren” met als doel haar te vermurwen haar aandelen voor een bodemprijs aan [gedaagde 2] en [gedaagde 1] over te dragen.

4.18.

[gedaagden] betwist dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hebben aangestuurd op verlaging van de managementvergoeding om [eiseres] “uit te hongeren” en weerspreken dat er onjuiste inlichtingen zijn gedaan in de zin van artikel 6:228 lid 1 onder a BW, die hebben geleid tot de afspraak en het besluit om de managementvergoeding te verlagen. Omdat ook geen mededelingsplicht is geschonden, staan de afspraken en het besluit om de managementvergoeding te verlagen vanwege de financiële situatie van Credit Invest en zijn deze volgens [gedaagden] onaantastbaar.

4.19.

Het verweer van [gedaagden] beperkt zich op dit punt tot een blote betwisting van de door [eiseres] met verwijzing naar e-mailcorrespondentie onderbouwde stellingen. Bezien in het licht van deze correspondentie, waarin [gedaagde 2] en [gedaagde 1] over en weer schrijven dat zij de managementvergoeding die aan [eiseres] wordt toegekend, wilden verlagen als pressiemiddel om [eiseres] ertoe te bewegen haar aandelen over te dragen en Credit Invest te verlaten, zijn de stellingen van [gedaagden] onhoudbaar. Dat er mogelijkerwijs gesproken is over verlaging van de managementvergoeding omdat de financiële situatie hierom vroeg, laat onverlet dat een dergelijke verlaging niet is doorgevoerd voordat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] correspondeerden op de onder 2.2. en 2.3. aangehaalde wijze en dat [gedaagde 1] er – ondanks de volgens hem zorgelijke financiële situatie van Credit Invest – op aandrong met terugwerkende kracht gecompenseerd te worden in het geval zijn managementvergoeding eveneens verlaagd zou worden. Dit verhoudt zich niet met zijn eigen stellingen op dit punt. Niet weersproken is dat [eiseres] vanaf 1 januari 2014 maandelijks een managementvergoeding heeft ontvangen van € 3.750,00. Gelet op het voorgaande is voldoende aannemelijk dat [eiseres] in een bodemprocedure succesvol aanspraak kan maken op het deel van de managementvergoeding waarvan zij onder invloed van dwaling, afstand heeft gedaan. De gevorderde (aanvullende) managementvergoeding voor de maanden januari 2014 tot en met april 2014 ter hoogte van € 3.750,00, zal worden toegewezen. De wettelijke rente over het totaal van dit bedrag ter hoogte van € 15.000,00, zal worden toegewezen als gevorderd.

Bonus

4.20.

De door [eiseres] gevorderde bonus ter hoogte van € 60.000,00 en de over dit bedrag gevorderde wettelijke rente zullen worden afgewezen. [gedaagden] voert met juistheid aan dat [eiseres] op grond van artikel 9 van de participatieovereenkomst eerst in 2015 aanspraak kan maken op een bonus en alleen indien de liquiditeitspositie van de groep waartoe Credit Invest behoort, dit toelaat. Nog daargelaten dat uit de stellingen van [eiseres] niet valt op te maken waarom zij meent genoemde bonus mis te lopen, is dit deel van haar vordering onvoldoende aannemelijk om te worden toegewezen. De bonus is immers afhankelijk van de resultaten van de groep en de liquiditeitspositie die daaruit voortvloeit en is bovendien eerst in 2015 door de vennootschap verschuldigd als de liquiditeitspositie dit toelaat. Bij het voorgaande komt dat [eiseres] geen spoedeisend belang bij toewijzing heeft gesteld, zodat niet valt in te zien dat de uitkomst van een eventuele bodemprocedure niet kan worden afgewacht.

Concurrentiebeding

4.21.

Omdat de subsidiaire vordering tot overdracht van aandelen door [eiseres] aan [gedaagde 2] en [gedaagde 1] zal worden afgewezen en [eiseres] haar vordering ten aanzien van het non-concurrentiebeding als vermeld in artikel 11 van de participatieovereenkomst niet heeft onderbouwd, zal dit deel van de vordering worden afgewezen. Gesteld noch gebleken is dat [eiseres] (ook) belang heeft bij toewijzing van dit deel van haar vordering in het geval haar subsidiaire vorderingen voor het overige worden afgewezen.

Overige

4.22.

Omdat het overgrote deel van haar vorderingen zal worden afgewezen, zal [eiseres] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden] worden begroot op:

- griffierecht € 608,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.424,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt Credit Invest B.V. om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 15.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 25 april 2014 tot de dag der algehele voldoening,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op € 1.424,00,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C. Hagedoorn en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2014.1

1 type: CTH/4065 coll: SH/4214