Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:4021

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
09-09-2014
Datum publicatie
07-10-2014
Zaaknummer
AWB - 13 _ 4348
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser stelt dat verweerder ten onrechte marktvergunning van [A] heeft overgeschreven op naam van derde-partij.

De rechter verklaart het beroep van eiseres 1 ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 13/4348

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 september 2014 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiseres 2] V.O.F., te [woonplaats], eisers

(gemachtigde: mr. S. Grasboer),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bunschoten, verweerder

(gemachtigden: J. van Twillert en J. de Graaf).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij], te [woonplaats], (gemachtigde: R. van de Groep).

Procesverloop

Bij besluit van 21 maart 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten dat de marktvergunning van [A] voor de zaterdagmarkt overgeschreven wordt op naam van zijn medewerker [derde-partij].

Bij besluit van 15 juli 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

[A] had een standplaats op de Spakenburgse zaterdagmarkt in de branche brood en banket. Per brief van 14 november 2012 heeft hij verweerder gemeld per die datum zijn bedrijfsactiviteiten te willen staken en heeft hij verzocht zijn standplaatsvergunning over te schrijven naar [derde-partij]. Hierna heeft de onder procesverloop genoemde besluitvorming plaatsgevonden.

[eiser 1] staat op de eerste plaats op de wachtlijst van belangstellenden voor een standplaatsvergunning op de zaterdagmarkt.

2.

De rechtbank beoordeelt allereerst ambtshalve de ontvankelijkheid van het beroep. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt. Het bezwaarschrift van 28 maart 2013 tegen het primaire besluit is ingediend door [eiser 1]. De rechtbank is daarom van oordeel dat uitsluitend het beroep voor zover ingediend door [eiser 1] (hierna: eiser) ontvankelijk is. De rechtbank zal het beroep voor zover ingediend namens [eiseres 2] V.O.F. om deze reden niet-ontvankelijk verklaren.

3.

Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte de marktvergunning van [A] heeft overgeschreven op naam van [derde-partij]. [derde-partij] voldeed op het moment van de aanvraag niet aan de vereisten om een standplaats te krijgen. Hij stond op dat moment niet ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel (het handelsregister). Verweerder heeft [derde-partij] geen hersteltermijn kunnen bieden voor het aanvullen van gegevens en het voldoen aan de vereisten voor overschrijving. Het gaat hier namelijk om een schaarse vergunningverlening waarbij een ex-tunc toetsing moet worden toegepast. Op het moment van de aanvraag moest [derde-partij] dus aan de vereisten uit de Marktverordening gemeente Bunschoten 2009 (de Marktverordening) voldoen. Bovendien had verweerder de aanvraag van [A] buiten behandeling moeten stellen toen [derde-partij] niet binnen de geboden hersteltermijn de ontbrekende gegevens aanleverde.

Eiser voert verder aan dat op grond van artikel 1:3, derde lid, van de Awb de belanghebbende de aanvraag moet indienen. In dit geval heeft [A] de aanvraag gedaan. [derde-partij] heeft pas later het verzoek mede ondertekend. Indien er wel van uit wordt gegaan dat [A] de aanvraag heeft kunnen indienen, dan had de overschrijving moeten worden geweigerd omdat [A] op het moment van de aanvraag niet voldeed aan de in artikel 6 van de de Marktverordening. [A] was op dat moment immers niet meer ingeschreven in het handelsregister.

Ook is niet aangetoond dat [derde-partij], zoals vereist op grond van artikel 5 van het Marktreglement gemeente Bunschoten 2009 (het Marktreglement), langer dan drie jaar in loondienst is geweest van het marktbedrijf van [A].

Omdat eiser het hoogst op de wachtlijst staat, had de vrijgekomen plaats van de bakker op de zaterdagmarkt aan hem toegewezen moeten worden. Nu dit niet is gebeurd heeft eiser schade geleden doordat hij niet per 3 december 2012 op de vrijgekomen marktplaats zijn producten heeft kunnen verkopen.

4.

Artikel 5 van het Marktreglement luidt als volgt:

1.

In geval van overlijden, of blijvende arbeidsongeschiktheid van de vergunninghouder, of ingeval van bedrijfsbeëindiging kan de vaste standplaatsvergunning worden overgeschreven op de volgende natuurlijke personen:

(…)

e. een medewerker

2.

Overschrijving van de vergunning, zoals bedoeld in het eerste lid op een kind of een medewerk(st)er van de vergunninghouder is uitsluitend mogelijk indien hij ten minste drie jaar in loondienst van het marktbedrijf van de vergunninghouder heeft gewerkt of gedurende eenzelfde periode als mede-eigenaar in dit bedrijf heeft gefunctioneerd.

(…)

Artikel 6 van de Marktverordening luidt als volgt:

1.

Voor toewijzing van een standplaats komt uitsluitend in aanmerking een handelingsbekwaam natuurlijk persoon die de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt en een aanvraag voor een vergunning heeft ingediend bij het college.

2.

De aanvrager toont aan dat hij persoonlijk voldoet aan alle publiekrechtelijk verplichtingen op het gebied van bedrijfsuitoefening en bedrijfsorganisatie.

5.

De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 7:11, eerste lid, van de Awb op grondslag van het bezwaar een volledige heroverweging van het primaire besluit plaatsvindt. De heroverweging moet in beginsel geschieden met inachtneming van alle feiten en omstandigheden zoals die zijn op het tijdstip van de heroverweging. Op de regel dat ex nunc moet worden besloten bestaan uitzonderingen. De uitzonderingen laten zich verklaren uit de aard van de primaire beslissing.

Naar het oordeel van de rechtbank bestaat in dit geval geen aanleiding om uit te gaan van een uitzonderingssituatie. De rechtbank volgt eiser niet in het standpunt dat in dit geval sprake is van een schaarse vergunningverlening, waarbij herstel van gebreken na de aanvraag niet aangewezen is. De vergunning van [A] is immers, zoals verweerder heeft gemotiveerd, niet beschikbaar gekomen maar overgeschreven. In deze situatie is geen sprake van meerdere aanvragers die allen aan dezelfde vereisten moeten voldoen op hetzelfde tijdstip. Verweerder heeft dan ook terecht een ex nunc toetsing toegepast in bezwaar. Het staat verweerder daarom in dit geval vrij om ontbrekende gegevens die nog na de aanvraag zijn overgelegd mee te wegen in de besluitvorming. Nog daargelaten de vraag of een handtekening van [derde-partij] bij de aanvraag noodzakelijk was voor de overschrijving, heeft verweerder deze, alsmede de gegevens betreffende de inschrijving in het handelsregister, daarom op een later tijdstip alsnog mogen opvragen.

Verweerder heeft eiser op grond van artikel 4:5 van de Awb een hersteltermijn geboden om alsnog te voldoen aan de vereisten voor overschrijving. Verweerder heeft toegelicht dat de aanvankelijk geboden hersteltermijn te kort bleek te zijn. [derde-partij] moest zich inschrijven in het handelsregister en zich daarnaast aanmelden bij het Hoofdbedrijfschap Detailhandel. Omdat dit de nodige tijd kost, is besloten hem een extra termijn te bieden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op deze toelichting, in redelijkheid heeft kunnen besluiten om eiser een ruimere herstelperiode te bieden en de aanvraag niet buiten behandeling te stellen. Niet in geschil is dat [derde-partij] ten tijde van het nemen van het primaire besluit, alsook ten tijde van het bestreden besluit, ingeschreven stond in het handelsregister. Daarmee heeft hij voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 6 van de Marktverordening.

De rechtbank volgt eiser niet in het standpunt dat [A] ten tijde van zijn aanvraag tot overschrijving heeft moeten voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de Marktverordening. Uit de toelichting van verweerder, alsook uit de artikelsgewijze toelichting behorende bij de Marktverordening, blijkt dat met artikel 6 van de Marktverordening is beoogd te bereiken dat alleen betrouwbare kooplui een standplaats krijgen. De vereisten zijn daarom alleen van belang om in aanmerking te komen voor een vergunning, maar zijn geen grond voor intrekking van een verleende vergunning. Nu [A] heeft verzocht om de standplaats over te schrijven op [derde-partij], heeft verweerder mogen oordelen dat van belang is dat [derde-partij], en dus niet [A], voldoet aan de vereisten van artikel 6 van de Marktverordening. Deze grond slaagt daarom niet.

6.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat [derde-partij] gedurende drie jaren voorafgaande aan de aanvraag tot overschrijving werkzaam is geweest voor het marktbedrijf van [A]. Verweerder heeft daartoe verwezen naar een loonstrook van [derde-partij] van 3 november 2012, en naar de verklaring van de marktmeester die hem de afgelopen drie jaren in de kraam van [A] op de markt heeft zien staan. In hetgeen eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om het standpunt van verweerder in twijfel te trekken. Deze grond van eiser slaagt dan ook niet.

7.

Nu is voldaan aan de vereisten van zowel artikel 5 van het Marktreglement als aan artikel 6 van de Marktverordening, is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft besloten de standplaatsvergunning over te schrijven van [A] op [derde-partij]. Omdat de standplaatsvergunning is overgeschreven, is er geen plek vrijgekomen waarvoor de wachtlijst diende te worden geraadpleegd. Het beroep van eiser slaagt dan ook niet. Er bestaat daarom geen aanleiding voor het toekennen van een schadevergoeding. Ook voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    Verklaart het beroep van [eiseres 2] V.O.F. niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep van [eiser 1] ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.J. Sprakel, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

9 september 2014.

(De griffier is niet in de gelegenheid

deze uitspraak mede te ondertekenen)

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.