Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:3998

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
09-09-2014
Datum publicatie
10-09-2014
Zaaknummer
UTR 14/4772
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorlopige Voorzieningen. Omgevingsvergunning voor uitbreiden ligboxenstal met binnenplanse vrijstelling. Verweerder dient bij de beslissing op bezwaar aandacht te besteden aan de marginale overschrijding van 20 cm. Daarin vooralsnog geen aanleiding het besluit te schorsen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Lelystad

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 14/4772

uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 september 2014 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker 1] en [verzoeker 2], te [woonplaats], verzoekers

(gemachtigde: G.J. Hingstman),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordoostpolder, verweerder

(gemachtigde: N.E.G.L. Christiaens).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [A], te [woonplaats].

Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2014 heeft verweerder aan de maatschap [B] en [C] een omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden van een ligboxenstal op het perceel [adres], te [woonplaats], kadastraal bekend sectie [kadastraal nummer] (hierna het perceel).

Derde-partij [A] heeft op 25 juli 2014 het bedrijf van de maatschap overgenomen. Als huidige eigenaar is hij daarmee thans de vergunninghouder.

Verzoekers hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 12 augustus 2014 heeft de rechtbank partijen uitgenodigd voor een zitting op

28 augustus 2014. Bij faxbericht van 26 augustus 2014 hebben verzoekers en hun gemachtigde meegedeeld niet ter zitting te zullen verschijnen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2014. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-partij - en thans vergunninghouder - is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. ing. E. Oostra.

Overwegingen

1.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) beroepsprocedure niet.

2.

Op 4 april 2014 heeft de maatschap [B] en [C] een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het uitbreiden van een ligboxenstal op het perceel. Verzoekers wonen op het naastgelegen perceel.

3.

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Landelijk gebied 2004”. De gronden van het perceel zijn aangewezen als “Agrarisch gebied”.

Ingevolge artikel 5, zevende lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften mag de afstand van gebouwen binnen bebouwingsvlakken tot het hart van de erfsloot niet minder bedragen dan twaalf meter.

Ingevolge het tiende lid van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in lid 7 onder a voor het bouwen en/of uitbreiden van bedrijfsgebouwen op het bestaande erf waarbij de afstand van de gebouwen tot het hart van de erfsloot niet minder dan 6 meter mag bedragen, mits:

  • -

    is of wordt voorzien in een goede inpassing van een en ander in het landschap door middel van afschermende erfbeplanting, en

  • -

    het bepaalde in artikel 4 (Beschrijving in Hoofdlijnen) in acht wordt genomen.

4.

Vast staat dat het bouwplan in strijd is met artikel 5, zevende lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, aangezien de uitbreiding plaats vindt dichter dan twaalf meter uit het hart van de erfsloot. Om verwezenlijking van het plan mogelijk te maken heeft verweerder met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a sub 1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in samenhang met artikel 5, tiende lid, van de planvoorschriften voor de activiteiten bouwen (bouwen) en gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan (afwijken van het bestemmingsplan) vergunning verleend. Verweerder heeft daarbij in aanmerking genomen dat het een gerende kavel is en dat de gemiddelde afstand van de ligboxenstal tot het hart van de erfsloot 6,54 meter bedraagt en daarmee voldoet aan de vrijstellingsmogelijkheid.

5.

Verzoekers voeren aan dat onvoldoende gemotiveerd is of voldaan is aan de voorwaarden om te kunnen afwijken. Daarbij vragen zij zich vooral af op welke wijze en vanaf waar is gemeten, aangezien de huidige stal niet evenwijdig met de erfsloot loopt.

5.1

Verweerder heeft in zijn verweerschrift en ter zitting toegelicht dat hier sprake is van een uitzonderlijke situatie waarbij de kavel taps naar de weg toe loopt. Omdat het perceel een gerende kavel is, is om de afstand te bepalen voor de uitbreiding van de ligboxenstal de gemiddelde afstand tot het hart van de erfsloot genomen. Daarbij is de afstand gemeten vanaf de voorkant van de uitbreiding tot de erfsloot en de afstand vanaf de achterkant van de bestaande schuur tot de erfsloot (circa acht meter). Het gemiddelde daarvan is 6,54 meter. Verweerder heeft daarbij meegewogen dat de gedachte achter de afstand van zes meter vanaf de bebouwing tot het hart van de erfsloot is dat er daardoor ruimte is voor een volwaardige singel. Gezien de op de tekening aangegeven beplantingstrook is volgens verweerder voldaan aan de voorwaarde van een goede inpassing in het landschap en aan de streefbeelden van beeldkwaliteit.

5.2

De voorzieningenrechter stelt aan de hand van de ter zitting overgelegde tekening vast dat vanaf het voorste punt van de uitbreiding de afstand 5.80 meter bedraagt tot het hart van de erfsloot. Dit betekent dat op dat punt de afstand 20 centimeter minder bedraagt dan de zes meter waarvoor de vrijstellingsmogelijkheid geldt. Het hanteren van een gemiddelde afstand zoals verweerder heeft gedaan, acht de rechtbank niet juist. Verweerder zal in de beslissing op bezwaar aandacht moeten besteden aan de overschrijding van de minimale afstand van 6 meter met deze 20 centimeter. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter betekent dit echter niet dat het bouwplan in zijn huidige vorm niet kan worden opgericht. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat het hier gaat om een uiterst marginale overschrijding van maximaal 20 centimeter op één uiterste punt van de nieuwbouw, tegen een totale lengte van meer dan 70 meter van de gehele schuur. Tegen de achtergrond van de grootte van deze schuur, valt een verschil van (maximaal) 20 centimeter weg binnen de meetmarges. Ook neemt de overschrijding vanaf dit punt alleen maar af, en na enkele meters bedraagt de afstand alweer de vereiste minimale zes meter om verder op te lopen tot circa 8 meter. Daarbij mag voorts in aanmerking worden genomen dat het doel van de gestelde minimale afstand van zes meter is dat er een ruime beplantingsmogelijkheid is. Niet gebleken is dat die beplantingsmogelijkheid door het kleine strookje van 0 tot maximaal 20 centimeter overschrijding niet goed kan worden uitgevoerd. De beplantingstrook is ingetekend en ter zitting heeft vergunninghouder bevestigd dat daar ook gevolg aan wordt gegeven. Dat betekent dat er visueel geen enkel bezwaar kleeft aan deze overschrijding. Verzoekers –die niet ter zitting zijn verschenen- hebben geen toelichting gegeven waarom deze overschrijding voor hen onaanvaardbaar zou zijn.

Hoewel verweerder als gezegd aan dit punt in de beslissing op bezwaar aandacht zal moeten besteden, ziet de voorzieningenrechter, gelet op het voorgaande, in deze marginale overschrijding geen aanleiding om het besluit te schorsen. De voorzieningenrechter neemt voorts in zijn afweging mee dat ter zitting namens verweerder desgevraagd de bereidheid is uitgesproken om, in het geval verweerder er voor mocht kiezen geen gebruik te maken van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid, verweerder de mogelijkheid heeft om de vergunning te verlenen met een zogeheten buitenplanse afwijkingsmogelijkheid als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3, van de Wabo.

6.

Verzoekers voeren aan dat sprake is van een onzorgvuldige belangenafweging, aangezien hun belangen bij een fatsoenlijk woon- en leefklimaat in het geheel niet zijn afgewogen. De huidige ligboxenstal ligt op 32 meter van hun woning en in de nieuwe situatie zal de afstand 30 meter of minder worden. Gezien onder meer de geluidsoverlast betekent dit volgens verzoekers een vermindering van hun woongenot en een waardedaling van hun woning en hun ernaast gelegen mini-camping.

6.1

Verweerder acht het belang van de vergunninghouder om deze uitbreiding te realiseren groter dan het belang van verzoekers die geconfronteerd worden met een uitbreiding van de stal die, zoals ter zitting is benadrukt, een halve meter dichterbij hun woning komt te liggen.

6.2

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder in redelijkheid de belangen afgewogen en daarbij de belangen van de vergunninghouder en zijn bedrijfsvoering zwaarder mogen wegen. De voorzieningenrechter acht daarbij van belang dat verweerder ook heeft meegewogen dat verzoekers ermee bekend moeten zijn dat zij wonen in een geheel agrarische omgeving waarin de agrarische activiteiten van vergunninghouder zijn toegestaan. Daarbij geldt dat de afstand vanaf de voorzijde van de uitbreiding tot de woning van verzoekers nog om en nabij de 32 meter zal bedragen en derhalve slechts een ruime halve meter minder wordt. Ook is meegewogen dat na realisering van de uitbreiding de hinder voor de omgeving - en dus voor verzoekers - juist zal worden gereduceerd, hetgeen de voorzieningenrechter niet onaannemelijk acht. In dat verband heeft vergunninghouder ter zitting zijn plan toegelicht, waarin de melkmachines in de kelder van de uitbreiding komen te staan, de uitbreiding geïsoleerd is en een schuur en de sleufsilo, die thans op het deel van de gewenste uitbreiding staan, verdwijnen. Gegeven deze omstandigheden en de toezegging dat de strook vanaf de erfsloot dicht beplant wordt, waardoor de visuele waarneming beperkt zal zijn, ziet de voorzieningenrechter geen aanknopingspunten dat verweerders afweging van voornoemde belangen dusdanig onevenwichtig is dat geoordeeld moet worden dat verweerder in redelijkheid niet tot deze weging van belangen heeft kunnen komen. Hierbij merkt de voorzieningenrechter op dat juist aanwezigheid van verzoekers ter zitting zich bij uitstek had geleend om in onderling overleg de bezwaren en belangen openlijk te bespreken.

7.

Tot slot voeren verzoekers aan dat de van toepassing zijnde milieuvoorschriften ten onrechte buiten beschouwing zijn gelaten. Daarbij wijzen zij op de bepalingen van het Activiteitenbesluit milieubeheer, die verweerder ten onrechte niet heeft geraadpleegd voor de vraag of sprake is van een uitbreiding die een revisie van een milieuvergunning vergt.

7.1

Verweerder heeft in zijn verweerschrift en ter zitting toegelicht dat tegelijk met de aanvraag om een omgevingsvergunning een melding is ingediend op grond van het Activiteitenbesluit. Daarmee is volgens verweerder voldaan aan het indieningsvereiste voor de aanvraag om een omgevingsvergunning. De melding is gepubliceerd op 16 april 2014. Verweerder heeft in de melding geen aanleiding gezien om er (vooraf) vanuit te gaan dat de uitbreiding van de ligboxenstal de in het Activiteitenbesluit gestelde normen zou overschrijden.

7.2

Niet in geschil is dat een melding op grond van het Activiteitenbesluit is ingediend en gepubliceerd. Vergunninghouder heeft ter zitting bevestigd dat geen sprake is van een uitbreiding van het aantal dieren. Nu verzoekers het standpunt van verweerder niet hebben weerlegd en hun bezwaargrond niet verder hebben onderbouwd, heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu niet nodig is. Daarbij geldt overigens ook dat vergunninghouder gemotiveerd ter zitting heeft toegelicht dat door de wijze van inrichting van het nieuwe gedeelte en de isolering daarvan en het tevens verplaatsen en verwijderen van thans lawaai makende objecten dit juist zou moeten leiden tot vermindering van geluidsoverlast.

8.

Gelet op al deze omstandigheden – de marginale overschrijding op een klein gedeelte van het perceel en de verbeteringen voor de omgeving vanwege vermindering van geluidsoverlast – ziet de voorzieningenrechter vooralsnog geen grond om aan te nemen dat dit bouwplan uiteindelijk niet gerealiseerd wordt. De voorzieningenrechter wijst dan ook om die reden het verzoek om het besluit te schorsen af.

9.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.S.D. de Weerd, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

9 september 2014.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.