Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:394

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-02-2014
Datum publicatie
05-02-2014
Zaaknummer
UTR 13/6202
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Hoofdzaak vergunningverlening voor realisatie parkeerplaats in Rhenen. Rechtbank verklaart beroep ongegrond. Niet gebleken van gebreken aan de vergunningverlening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 13/6202

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 februari 2014 in de zaak tussen

de Stichting Werkgroep Milieubeheer Rhenen, te Rhenen, eiseres

(gemachtigde: mr. A. Derks),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rhenen, verweerder

(gemachtigden: J.M. van Maanen en drs. N. Smits).

Procesverloop

Bij besluit van 30 oktober 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan de gemeente Rhenen een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van de parkeerplaats Palmerswaard op het perceel kadastraal bekend gemeente Rhenen, sectie 1, nummer 945, plaatselijk bekend als hoek Veerweg/Utrechtsestraatweg (Paardenmarkt) in Rhenen.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eveneens heeft eiseres een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2014. Tegelijkertijd is het verzoek om een voorlopige voorziening behandeld, waarbij de voorzitter van de meervoudige kamer als voorzieningenrechter optrad. Op het verzoek is bij uitspraak van heden afzonderlijk beslist (UTR 13/6203).

Ter zitting heeft eiseres zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, voornoemd, [A], vice-voorzitter, en [B], mede bestuurslid van de Stichting. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, voornoemd, vergezeld van [C] en[D], respectievelijk adviseur ruimte en adviseur ecologie bij Grontmij Nederland B.V. [E] is tevens opgetreden als vertegenwoordiger van de gemeente Rhenen als vergunninghouder.

Overwegingen

1.

Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.

De gemeente Rhenen heeft op 1 augustus 2013 een omgevingsvergunning aangevraagd op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) voor het realiseren van de parkeerplaats Palmerswaard op de hoek Veerweg/Utrechtsestraatweg (Paardenmarkt) in Rhenen. Het realiseren van de parkeerplaats is in strijd met het geldende bestemmingsplan “Buitengebied, partiële herziening 1997” en de aangevraagde omgevingsvergunning is om die reden aangemerkt als een verzoek om afwijking van het bestemmingsplan met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3, van de Wabo. Met de aanvraag voor deze omgevingsvergunning wordt vooruitgelopen op de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan “Uiterwaarden bij de stad Rhenen”.

3.

De aanvraag heeft overeenkomstig de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 5 september 2013 tot en met 16 oktober 2013 ter inzage gelegen. Eiseres heeft gedurende deze termijn zienswijzen ingediend.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder met toepassing van artikel 2.1, 2.2., 2.11 en 2.12 van de Wabo aan de gemeente Rhenen een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten (1) het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (2) het uitvoeren van werkzaamheden en (3) uitweg aanleggen of veranderen. Daarbij heeft verweerder besloten de gewijzigde Ruimtelijke onderbouwing van 22 oktober 2013 aan te merken als behorend bij dit besluit en in te stemmen met de daarvan deel uitmakende Nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen.

4.

Niet in geschil is dat de uiterwaarden bij Rhenen, waarin de parkeerplaats Palmerswaard is voorzien, zijn aangewezen als Vogelrichtlijngebied. In verband daarmee is ten behoeve van het realiseren van de parkeervoorziening op 25 juli 2013 een vergunning op grond van artikel 19d, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw) aangevraagd bij het college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht (GS). Op 30 oktober 2013 heeft verweerder het bestreden besluit genomen. Op 26 november 2013 hebben GS de vergunning op grond van artikel 19d van de Nbw aan de gemeente Rhenen verleend.

5.

Eiseres voert in dit beroep als enige grond aan dat de procedure niet juist is doorlopen. Eiseres wijst er daarbij op dat de vergunning vanwege strijd met de Europese richtlijnen en de Nbw niet had mogen worden verleend. De aanleg van en het gebruik als parkeerplaats heeft significant nadelige effecten op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen als speciale beschermingszone. Eiseres stelt in dat verband dat verweerder had moeten wachten met het verlenen van de omgevingsvergunning totdat de Nbw-vergunning van GS onherroepelijk is. Daarvan is nu nog geen sprake, omdat eiseres daartegen beroep heeft ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

6.

Op grond van artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo, voor zover hier relevant, wordt in bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen een omgevingsvergunning niet verleend dan nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft.
Deze bepaling voorziet in de zogeheten ‘aanhaakverplichting’. In deze zaak is daarvan sprake, nu in de Nbw het volgende is bepaald:


Ingevolge artikel 19d, eerste lid, van de Nbw, voor zover hier van belang, is het verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten.

Uit artikel 47, tweede lid, van de Nbw volgt dat de aanhaakverplichting niet van toepassing is op projecten of andere handelingen die zijn toegestaan krachtens een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, of waarvoor een zodanige vergunning is aangevraagd.

7.

De rechtbank stelt vast dat ten tijde van de voorbereiding van het bestreden besluit een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van de Nbw was aangevraagd. Op grond van het bepaalde in artikel 47, tweede lid, van de Nbw was er derhalve geen verklaring van geen bedenkingen van GS vereist en bestond er voor verweerder geen verplichting om, in verband met de belangen zoals beschermd door de Nbw, op grond van artikel 2.27 van de Wabo tot weigering van de omgevingsvergunning over te gaan. Uit dit samenstel van wettelijke bepalingen volgt dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om, indien een aanvraag in het kader van de Nbw is gedaan, de daarbij behorende belangenafweging in die procedure te laten plaatsvinden. De bij een Nbw-vergunningsaanvraag uit te voeren ‘passende beoordeling’ dient, anders dan eiseres betoogt, dan ook ter onderbouwing van de gevraagde vergunning in het kader van de Nbw en is geen vereiste bij de ruimtelijke onderbouwing van de omgevingsvergunning. De beroepsgrond van eiseres slaagt niet.

8.

De rechtbank is ook naar aanleiding van hetgeen eiseres ter zitting heeft gesteld verder niet gebleken van gebreken aan de vergunningverlening. Verweerders keuze om met de verlening van de bestreden omgevingsvergunning vooruit te lopen op de vaststelling van het bestemmingsplan ‘Uiterwaard bij Rhenen’ is juridisch toegestaan. Ook het combineren van rioolvervanging en herinrichting van de binnenstad met het realiseren van een impuls aan de westkant van het centrum behoort tot de bevoegdheden van verweerder en biedt geen aanknopingspunten om te oordelen dat de omgevingsvergunning in redelijkheid niet kon worden verleend.

9.

Het voorgaande betekent dat hetgeen eiseres heeft aangevoerd, niet leidt tot vernietiging van het bestreden besluit. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M.M. van Amstel, voorzitter, en

mr. drs. E.J.W. Verhaagh en mr. drs. S. Lanshage, leden, in aanwezigheid van

mr. M.S.D. de Weerd, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.