Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:3899

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29-08-2014
Datum publicatie
10-09-2014
Zaaknummer
AWB - 13 _ 5521
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

: Herziening, intrekking en terugvordering Wwb-uitkering; Vertrouwensbeginsel; Immateriële schadevergoeding; Vernietiging verrekeningsbesluit; Wettelijke rente

Wetsartikelen: art. 54, derde lid, aanhef en onder b, Wwb; art. 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, Awb; art. 6:106 BW; art. 4:125 Awb; art. 4:102 Awb.

Samenvatting:

Geen geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel omdat uit de door eiseres overgelegde telefoonnotities van de telefoongesprekken die zij met medewerkers van de gemeente heeft gevoerd, niet blijkt dat haar toezeggingen zijn gedaan op grond waarvan zij erop mocht vertrouwen dat verweerder niet tot herziening van het recht op bijstand zou overgaan. Ook in hetgeen eiseres overigens heeft aangevoerd ligt geen reden waarom verweerder niet van zijn herzieningsbevoegdheid gebruik zou mogen maken, temeer niet nu met de herziening een met de wet strijdige situatie wordt opgeheven (eiseres ontving vanaf 1 november 2012 ten onrechte toeslagen van 20% (in plaats van 10%). Voorts is het door eiseres aangevoerde financiële belang inmiddels vervallen.

Geestelijk letsel van een benadeelde kan onder omstandigheden worden aangemerkt als een aantasting van zijn persoon, die overeenkomstig artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW, recht geeft op een vergoeding van immateriële schade. Wil geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, recht geven op immateriële schadevergoeding, dan is vereist dat het bestaan van geestelijk letsel in rechte kan worden vastgesteld, wat in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Voorts zal de partij die zich op aantasting van de persoon beroept voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval een psychische beschadiging is ontstaan waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel is of had kunnen zijn vastgesteld.

Gelet op de door eiseres overgelegde brief van de psycholoog waarin deze melding maakt van emotionele en geestelijke schade in verband verweerders handelen, is het aannemelijk dat bij eiseres psychisch onbehagen is ontstaan door de terugvordering van haar bijstandsuitkering. Eiseres is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat zij dientengevolge zodanig heeft geleden dat sprake is van geestelijk letsel dat kan worden beschouwd als een ernstige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer dan wel op andere. De enkele mededeling van de psycholoog, in de door eiseres overgelegde brief, dat eiseres als gevolg van het handelen van verweerder geestelijke schade heeft opgelopen, is onvoldoende geobjectiveerd onderbouwd nu daaruit niet blijkt welk ziektebeeld is ontwikkeld en zelfs niet waaruit die schade bestaat en hoe deze heeft kunnen ontstaan. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 13/5519 en UTR 13/5521

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 augustus 2014 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. P.S. Fluit),

en

Dagelijks Bestuur Werk en Inkomen Lekstroom, verweerder

(gemachtigde: mr. W. Janssen).

Procesverloop

Bij besluit van 10 mei 2013 (het primaire besluit I) heeft verweerder het recht op bijstand van eiseres op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) herzien met ingang van

1 november 2012. Vanaf deze datum heeft eiseres recht op 10% toeslag en een toeslag voormalig alleenstaande ouder ter hoogte van 10%. Tevens heeft verweerder het recht op bijstand van eiseres met ingang van 1 december 2012 ingetrokken.

Bij besluit van 11 september 2013 (het primaire besluit II) heeft verweerder over de periode 1 november 2012 tot en met 31 december 2012 van eiseres € 631,57 aan kosten van bijstand teruggevorderd.

Bij besluit van 30 september 2013 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gericht tegen het primaire besluit I ongegrond verklaard.

Bij besluit van 14 oktober 2013 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gericht tegen het primaire besluit II ongegrond verklaard.

Bij brief van 24 oktober 2013 heeft eiseres tegen beide bestreden besluiten beroep ingesteld.

Bij besluit van 7 mei 2014 heeft verweerder het bezwaar tegen het primaire besluit II alsnog gegrond verklaard en dit besluit herroepen.

Naar aanleiding hiervan heeft eiseres bij brief van 21 mei 2014 een aanvullend beroepschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juni 2014. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Ten aanzien van de herziening en intrekking

1.

De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

Eiseres heeft gedurende periodes vanaf 31 augustus 2011 tot 1 januari 2013 een uitkering ingevolge de Wwb ontvangen. Deze uitkering is vanaf 31 augustus 2011 tot 4 maart 2011 verstrekt naar de norm voor een alleenstaande ouder (21-64 jaar) en gemeentelijke toeslag van 20%. Vanaf 4 november 2011 is de uitkering verstrekt naar de norm voor een alleenstaande (21-64 jaar) en gemeentelijke toeslag van 20%.

2.

In het primaire besluit I, dat is gehandhaafd bij het bestreden besluit I, heeft verweerder het recht op bijstand van eiseres herzien met ingang van 1 november 2012. Daarbij heeft verweerder bepaald dat eiseres vanaf 1 november 2012 recht heeft op 10% toeslag (in plaats van 20%) omdat zij de kosten met haar zoon kan delen nu hij vanaf die datum een hoger inkomen had dan het bedrag genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering. Daarnaast heeft verweerder bepaald dat eiseres vanaf 1 november 2012 recht heeft op een toeslag voormalig alleenstaande ouder ter hoogte van 10% (in plaats van 20%). Tevens heeft verweerder het recht op bijstand van eiseres ingetrokken met ingang van 1 december 2012, omdat eiseres volgens verweerder sinds die datum niet meer in bijstandsbehoeftige omstandigheden verkeert aangezien haar inkomsten hoger zijn dan de voor haar geldende bijstandsnorm.

3.

Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder had moeten afzien van herziening van het recht op bijstand. Daarbij heeft eiseres zich op het standpunt gesteld zij aan haar informatieplicht heeft voldaan en dat er alleen wegens fouten van verweerder aanleiding is voor herziening van de uitkering. Door verweerders handelwijze is eiseres in de financiële problemen geraakt, nu de ontvangen uitkering reeds is uitgegeven. Voorts heeft eiseres aangevoerd, en met uitgewerkte telefoonnotities onderbouwd, dat er door medewerkers van verweerder jegens haar telefonisch toezeggingen zijn gedaan op grond waarvan bij eiseres de verwachting is gewekt dat herziening niet aan de orde zou zijn.

4.

Artikel 54, derde lid, aanhef van onder b, van de Wwb, zoals dat luidde ten tijde van het primaire besluit I, bepaalt dat onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en terzake van weigering van bijstand, het college een dergelijk besluit kan herzien of intrekken indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

5.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres met ingang van

1 november 2012 recht heeft op 10% toeslag en een toeslag voormalig alleenstaande ouder ter hoogte van 10%. De intrekking door verweerder van het recht op bijstand van eiseres met ingang van 1 december 2012 is evenmin in geschil.

6.

De rechtbank overweegt dat een beroep op het vertrouwensbeginsel volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) (bijvoorbeeld de uitspraak van 19 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK4735) alleen kan slagen als van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Naar het oordeel van de rechtbank is aan deze eisen niet voldaan omdat uit de door eiseres overgelegde telefoonnoties van de telefoongesprekken die zij met medewerkers van de gemeente heeft gevoerd, niet blijkt dat haar uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan op grond waarvan zij erop mocht vertrouwen dat verweerder niet tot herziening van het recht op bijstand zou overgaan. Daar komt bij dat eiseres haar beroep op het vertrouwensbeginsel ter zitting niet nader heeft onderbouwd. De rechtbank ziet ook in hetgeen eiseres overigens heeft aangevoerd geen reden waarom verweerder niet van zijn herzieningsbevoegdheid op grond van artikel 54, derde lid, aanhef van onder b, van de Wwb gebruik zou mogen maken, temeer niet nu met de herziening een met de wet strijdige situatie wordt opgeheven die erin bestaat dat eiseres vanaf 1 november 2012 ten onrechte een toeslag van 20% (in plaats van 10%) en een toeslag voormalig alleenstaande ouder ter hoogte van 20% (in plaats van 10%) is verstrekt. Voorts overweegt de rechtbank dat het door eiseres aangevoerde financiële belang slechts is beperkt tot de als gevolg van de intrekking mogelijke terugvordering. Nu verweerder blijkens het besluit van

7 mei 2014 heeft afgezien van de terugvordering, is dat financiële belang inmiddels vervallen. Gelet hierop ziet de rechtbank in de stelling van eiseres dat zij door het herzieningsbesluit in de financiële problemen komt geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid tot herziening van het recht op bijstand heeft kunnen overgaan. De beroepsgronden slagen niet.

7.

Eiseres heeft tot slot verzocht om vergoeding van immateriële schade die het gevolg is van de angst en onzekerheid, de spanning en frustraties ten gevolge van de herzieningsbeslissing. De rechtbank overweegt dat de bestuursrechter op grond van artikel 8:88, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevoegd is op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit. Van een onrechtmatig besluit is, gelet op het voorgaande, naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

8.

Het beroep, voor zover dat betrekking heeft op het bestreden besluit I van 30 september 2013, is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Ten aanzien van de terugvordering

9.

De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

Bij besluit van 11 september 2013 (het primaire besluit II), dat is gehandhaafd bij het bestreden besluit II, heeft verweerder over de periode 1 november 2012 tot en met

31 december 2012 van eiseres € 631,57 aan kosten van bijstand teruggevorderd. Daarbij heeft verweerder als eerste aflossing het vakantiegeld ter hoogte van € 50,13 verrekend dat voor eiseres was gereserveerd waardoor eiseres nog een bedrag van € 581,62 moet terugbetalen.

Op 9 oktober 2013 heeft eiseres een klacht ingediend bij de gemeente Nieuwegein. Deze klacht is op 21 maart 2014 gegrond verklaard voor zover de klacht betrekking heeft op de informatieverstrekking door een medewerker van verweerder aan eiseres in het najaar van 2012. Dit is voor verweerder aanleiding geweest het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit II aan een nader onderzoek te onderwerpen. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder bij besluit van 7 mei 2014 het bezwaar van eiseres alsnog gegrond verklaard en het primaire besluit II herroepen.

10.

De rechtbank moet ambtshalve de vraag beantwoorden of het door eiseres ingestelde beroep tegen het bestreden besluit II met toepassing van artikel 6:19 van de Awb geacht wordt mede te zijn gericht tegen het hangende beroep genomen besluit van 7 mei 2014, waarbij verweerder het bezwaar tegen het primaire besluit II alsnog gegrond heeft verklaard en dit besluit heeft herroepen. De rechtbank beantwoordt die vraag positief en legt daaraan het volgende ten grondslag. Artikel 6:19, eerste lid, van de Awb bepaalt dat het bezwaar of beroep van rechtswege mede betrekking heeft op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. De rechtbank stelt vast dat, hoewel verweerder er van heeft afgezien de kosten van bijstand van eiseres terug te vorderen, eiseres in verband met haar zelfstandige verzoek om toekenning van de wettelijke rente, gelet op artikel 8:91 van de Awb, nog wel belang heeft bij een oordeel van de rechtbank over het besluit van 7 mei 2014, waardoor haar beroep mede geacht wordt tegen dat besluit gericht te zijn.

11.

Nu verweerder bij het besluit van 7 mei 2014 volledig aan eiseres is tegemoetgekomen, wordt het beroep daartegen ongegrond verklaard. Dit betekent eveneens dat het beroep, voor zover dat is gehandhaafd tegen het oorspronkelijke bestreden besluit II van 14 oktober 2013, niet-ontvankelijk is, nu dat besluit is vervangen door het latere besluit van 7 mei 2014. Voorts oordeelt de rechtbank dat, nu verweerder bij zijn besluit van 7 mei 2014 heeft afgezien van terugvordering van de kosten van bijstand, het beroep van verweerder op verrekening van de terugvordering met vakantiegeld, dat hierna onder 14 verder wordt besproken, op een ondeugdelijke grondslag is gedaan. Daarom vernietigt de rechtbank het besluit tot verrekening met toepassing van artikel 4:125 van de Awb.

12.

Aangezien verweerder hangende beroep door middel van het besluit van 7 mei 2014 volledig aan eiseres is tegemoetgekomen, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank vast op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op

€ 974,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1).

13.

Nu verweerder hangende beroep door middel van het besluit van 7 mei 2014 volledig aan eiseres is tegemoetgekomen, ziet de rechtbank eveneens aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:74, tweede lid, van de Awb op te dragen het door eiseres betaalde griffierecht aan haar te vergoeden.

14.

Over het verzoek van eiseres om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente oordeelt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt vast dat verweerder blijkens het primaire besluit II als eerste aflossing het vakantiegeld ter hoogte van € 50,13 heeft gebruikt dat voor eiseres was gereserveerd. Onjuist is dan ook het ter zitting door verweerder ingenomen standpunt dat hij geen betalingen heeft ontvangen van eiseres ter aflossing van het aanvankelijk teruggevorderde bedrag van € 631,57. Dit betekent dat verweerder het vakantiegeld ten bedrage van € 50,13 tot nog toe niet aan eiseres heeft voldaan en dat uitbetaling van dat bedrag aan eiseres nog moet plaatsvinden. Gelet hierop wijst de rechtbank het verzoek van eiseres om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente toe. Ingevolge artikel 4:102, eerste lid, van de Awb is de wettelijke rente gaan lopen op de dag dat verweerder het vakantiegeld ter hoogte van € 50,13 ter aflossing op het teruggevorderde bedrag op de bijstand van eiseres heeft ingehouden. Telkens na afloop van een jaar dienen de bedragen waarover de rente wordt berekend te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente. De wettelijke rente loopt tot de dag van de algehele terugbetaling.

15.1

In haar aanvullende beroepschrift van 21 mei 2014 heeft eiseres voorts verzocht om vergoeding van immateriële schade die het gevolg is van de angst en onzekerheid, de spanning en frustraties ten gevolge van de terugvorderingsbeslissing. Ter zitting heeft eiseres desgevraagd verklaard dat zij niet doelt op schadevergoeding wegens het verstrijken van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), maar dat zij bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding wel aansluiting zoekt bij artikel 6 van het EVRM. Ter onderbouwing van haar vordering heeft eiseres een verklaring overgelegd van haar psycholoog van 23 mei 2014.

15.2

Bij het beantwoorden van de vraag of aanleiding bestaat om immateriële schadevergoeding toe te kennen, dient naar vaste rechtspraak van de CRvB zoveel mogelijk aansluiting te worden gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht (zie onder meer de uitspraak van de CRvB van 13 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN5121). Geestelijk letsel van een benadeelde kan onder omstandigheden worden aangemerkt als een aantasting van zijn persoon, die overeenkomstig artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW), recht geeft op een vergoeding van immateriële schade. Daarvan zal echter niet snel sprake zijn. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 6:106 van het BW moet immers worden afgeleid dat de wetgever hier het oog heeft gehad op ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer of op andere persoonlijkheidsrechten van de betrokkene. In het licht hiervan is voor vergoeding van immateriële schade onvoldoende dat sprake is van een meer of minder sterk psychisch onbehagen en van een zich gekwetst voelen door het onrechtmatig gebleken besluit. Wil geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, recht geven op immateriële schadevergoeding, dan is vereist dat het bestaan van geestelijk letsel in rechte kan worden vastgesteld, wat in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld (zie onder meer het arrest van de Hoge Raad (HR) van 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5356). Voorts zal de partij die zich op aantasting van de persoon beroept voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval een psychische beschadiging is ontstaan waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel is of had kunnen zijn vastgesteld (zie onder meer het arrest van de HR van 9 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4606).

15.3

Gelet op de door eiseres overgelegde brief van de psycholoog waarin deze melding maakt van emotionele en geestelijke schade in verband verweerders handelen, acht de rechtbank het aannemelijk dat bij eiseres psychisch onbehagen is ontstaan door de terugvordering van haar bijstandsuitkering. De rechtbank is evenwel van oordeel dat eiseres er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat zij dientengevolge zodanig heeft geleden dat sprake is van geestelijk letsel dat kan worden beschouwd als een ernstige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer dan wel op andere persoonlijkheidsrechten als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, van het BW. De enkele mededeling van de psycholoog, in de door eiseres overgelegde brief, dat eiseres als gevolg van het handelen van verweerder geestelijke schade heeft opgelopen, is onvoldoende geobjectiveerd onderbouwd nu daaruit niet blijkt welk ziektebeeld is ontwikkeld en zelfs niet waaruit die schade bestaat en hoe deze heeft kunnen ontstaan. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep, voor zover dat betrekking heeft op het bestreden besluit I van 30 september 2013, ongegrond;

- verklaart het beroep, voor zover dat betrekking heeft op het bestreden besluit II van 14 oktober 2013, niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep, voor zover dat betrekking heeft op het bestreden besluit van 7 mei 2014, ongegrond;

- vernietigt het besluit tot verrekening als onder 11 vermeld;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de schade als onder 14 vermeld;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 974,-;

- draagt verweerder op het griffierecht van € 44,- aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Slootweg, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Jak, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.