Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:389

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
15-01-2014
Datum publicatie
05-02-2014
Zaaknummer
C-16-340498 - HA ZA 13-204
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Buurweg; erfdienstbaarheid door extinctieve verjaring; openbare weg; redelijkheid en billijkheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/340498 / HA ZA 13-204

Vonnis van 15 januari 2014

in de zaak van

1 [eiser sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiseres sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. de stichting

STICHTING MONUMENTEN LLOYDS,

gevestigd te Amsterdam,

eisers in conventie,

verweerders in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. Ch.Y.M. Moons te Amsterdam,

tegen

1 [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden in conventie,

eisers in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. D. van der Wal te Amsterdam.

Eisers in conventie/verweerders in voorwaardelijke reconventie zullen hierna gezamenlijk[eisers] c.s. en ieder afzonderlijk [eiser sub 1], [eiseres sub 2] en de Stichting genoemd worden. Gedaagden in conventie/eisers in voorwaardelijke reconventie zullen gezamenlijk [gedaagden] c.s. genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 5 juni 2013

  • -

    de conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie met productie 7

  • -

    de akte met producties 8 tot en met 11 van [eiser sub 1] c.s.

  • -

    de akte met producties 12 tot en met 14 van [eiser sub 1] c.s.

  • -

    de akte met producties 17 tot en met 19 van [gedaagden] c.s.

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 23 september 2013.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

In 1958 heeft (de rechtsvoorganger van) Stichting Portaal, sociaal verhuurder, verder te noemen: Portaal, woningen gebouwd aan het Van Tuyllplantsoen in Oud Zuilen. Bij de bouw heeft zij van het hoekperceel [adres 1] een strook grond afgescheiden van de tuin en daarop een voetpad aangelegd, richting de achterzijde van de woningen met de nummers [nummer 1], [nummer 2], [nummer 3]en [nummer 4]

2.2.

[gedaagden] c.s. zijn sinds 26 mei 2010 eigenaren van het perceel aan het [adres 1] te [woonplaats]. Bij de verkoop door Portaal van het perceel aan

[gedaagden] c.s. is een erfdienstbaarheid van voetpad gevestigd ten laste van het perceel [adres 1] (het dienende erf) en ten gunste van de percelen aan het [adres 2], [adres 3] en [adres 4](het heersende erf). In de akte van levering wordt de erfdienstbaarheid als volgt omschreven:

“de erfdienstbaarheid van voetpad om vanaf het heersend erf de openbare weg en vanaf deze openbare weg het heersende erf te kunnen bereiken, over het reeds aanwezige voetpad, hierna te noemen: het voetpad, gelegen ten zuid en zuid-oosten van het dienende erf. Het voetpad, dat niet zonder schriftelijke toestemming van zowel de eigenaar van het heersende erf als de eigenaar van het dienende erf zal mogen worden verlegd, zal uitsluitend mogen worden gebruikt om te voet daarover te gaan, met kinderwagens, kruiwagens en aan de hand geleide rijwielen en andere tweewielige verkeersmiddelen; het is verboden om op het pad fietsen of andere obstakels te laten staan.”

2.3.

[gedaagden] c.s. hebben het voetpad dat door Portaal afgescheiden was van de tuin bij hun (omheinde) tuin getrokken en afgesloten met poorten. Aan de bewoners van [adres 2], [adres 3] en [adres 4] hebben zij een sleutel van de poorten verstrekt.

2.4.

De Stichting is sinds 10 januari 2006 eigenaar van het perceel [adres 5] te [woonplaats]. [eiseres sub 2] is sinds 8 juli 2003 (mede) eigenaar van het perceel [adres 6] te [woonplaats]. [eiser sub 1] is sinds 31 maart 2005 (mede) eigenaar van het perceel [adres 7] te [woonplaats]. De Dorpsstraat en het Van Tuyllplantsoen kruisen elkaar.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser sub 1] c.s. vorderen – samengevat – [gedaagden] c.s. te veroordelen:

- primair om de twee op het pad geplaatste poorten binnen veertien dagen na het te wijzen vonnis te verwijderen en verwijderd te houden en het pad voor een ieder, althans voor [eiser sub 1] c.s., toegankelijk te maken en te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van

€ 2.500,00 per dag;

- subsidiair om binnen veertien dagen na het te wijzen vonnis [eiser sub 1] c.s. ieder een kopie van de sleutel(s) van de twee op het pad geplaatste poorten te verschaffen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,00 per dag;

- om de proceskosten te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover ingaande veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis.

3.2.

[eiser sub 1] c.s. leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat (1) het voetpad een buurweg is, (2) zij door verjaring een recht van erfdienstbaarheid hebben verkregen met betrekking tot het voetpad, (3) het voetpad een openbare weg is in de zin van de Wegenwet en (4) de afsluiting door [gedaagden] c.s. van het voetpad naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

3.3.

[gedaagden] c.s. voeren verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, nader ingegaan.

in voorwaardelijke reconventie

3.5.

[gedaagden] c.s. vorderen – voor het geval dat de vorderingen in conventie geheel of gedeeltelijk worden toegewezen – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, opheft de erfdienstbaarheid die rust op het perceel aan het [adres 1],[woonplaats], ten behoeve van de percelen aan de [adres 5], [adres 6] en [adres 7] te [woonplaats], met veroordeling van [eiser sub 1] c.s. in de proceskosten.

3.6.

[eiser sub 1] c.s. voeren verweer.

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

Buurweg

4.1.

[eiser sub 1] c.s. stellen zich op het standpunt dat de omwonenden aan de Dorpsstraat het voetpad sinds 1958 met toestemming van de eigenaar gemeenschappelijk hebben gebruikt, tot het moment dat [gedaagden] c.s. het pad in 2010 hebben afgesloten door er poorten te plaatsen. Volgens [eiser sub 1] c.s. betekent dit dat tot 2010 ongestoord bezit van buurweg is uitgeoefend, hetgeen het voor tegenbewijs vatbare vermoeden oplevert dat van een (bestemming tot) buurweg sprake is. [eiser sub 1] c.s. hebben ter onderbouwing van hun standpunt schriftelijke verklaringen overgelegd van de voormalig huurster van [adres 1], de bewoner van [adres 8] (sinds 1991), de bewoner van [adres 9](sinds 1984), de bewoners van [adres 10] (sinds 1976) en de vorige eigenaar van [adres 7]. Deze personen verklaren dat ‘de bewoners van [adres 5],[adres 6] en [adres 7]’, ‘alle bewoners’ respectievelijk ‘bewoners van de Dorpsstraat’ van het voetpad gebruik mochten maken (producties 5 en 8 t/m 10 van [eiser sub 1] c.s.).

Daarnaast voeren [eiser sub 1] c.s. aan dat de zowel de oude als de nieuwe, door hen zelf geplaatste schuren op de onderhavige percelen aan de Dorpsstraat een opening hebben/hadden naar het pad aan de achterzijde van de percelen, dat uitkomt op het voetpad aan het Van Tuyllplantsoen. De percelen aan [adres 6] en [adres 7] hebben daarnaast vanuit hun achtertuin een pad dat loopt op het erf van nummer [adres 7] en waarop een recht van erfdienstbaarheid is gevestigd ten behoeve van nummer [adres 6]. Dit pad komt uit op een poort aan de voorzijde tussen de nummers [adres 7] en [adres 11]. [eiser sub 1] c.s. stellen echter dat de stoep aan de voorzijde van de woningen aan de [adres 6] en[adres 7] smal is. Zowel via hun voordeur als bij gebruikmaking van de beschikbare uitweg vanuit de tuin naar de poort aan de voorzijde, tussen de huisnummers [adres 7] en [adres 11], kom je vrijwel direct uit op de weg. Volgens [eiser sub 1] c.s. ligt het daarom ook uit oogpunt van veiligheid voor de hand om van die uitweg aan de voorzijde geen gebruik te maken, maar met fietsen of containers achterlangs te gaan. Voornoemde omstandigheden duiden volgens [eiser sub 1] c.s. dan ook op een langdurig gebruik van het voetpad door de bewoners aan de Dorpsstraat.

4.2.

[gedaagden] c.s. voeren als verweer aan dat het af en toe gebruiken van het pad door omwonenden, zonder dat de eigenaar dit gebruik belet, onvoldoende is om het bestaan van een (rechtsvermoeden van) buurweg aan te nemen. Zij stellen dat Portaal het voetpad nooit uitdrukkelijk of stilzwijgend als buurweg heeft bestemd. Dat de oude schuren op de onderhavige percelen aan de Dorpsstraat ook al een opening hadden naar het pad gelegen aan de achterzijde van de percelen, wordt door [gedaagden] c.s. betwist.

4.3.

Naar het vóór 1992 geldende recht kon op de voet van artikel 719 BW (oud) een buurweg ontstaan. Op grond van het overgangsrecht (artikel 160 Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek) dienen de rechten, bevoegdheden en verplichtingen met betrekking tot een buurweg onder het huidige recht gerespecteerd te worden indien komt vast te staan dat de betreffende weg vóór 1992 als buurweg kon worden aangemerkt.

4.4.

Voor het ontstaan van een buurweg is voldoende dat het gaat om een strook grond die ook uiterlijk zich als weg, strekkende ten behoeve van de nabijgelegen percelen, voordoet, die gedurende lange tijd tot een zodanig gemeenschappelijk gebruik van weg heeft gestrekt dat op grond van de gedragingen van de eigenaar van de buurweg of de gezamenlijke buren onder wie de eigenaar geconcludeerd kan worden tot een uitdrukkelijke of stilzwijgende wilsverklaring van die eigenaar. In een dergelijk geval is er sprake van een stilzwijgende bestemming van de weg tot buurweg waardoor de gebruikers zich kunnen beroepen op het bezit van het recht van buurweg, hetgeen een vermoeden van recht kan opleveren (Gerechtshof Leeuwarden, 10 april 2012, LJN: BW4210).

4.5.

Van een buurweg in de zin van artikel 719 BW (oud) moet worden onderscheiden een uitweg als bedoeld in artikel 715 BW (oud) of een noodweg in de zin van artikel

5:57 BW. Voornoemde uitweg of noodweg dient ertoe een perceel dat ingesloten ligt toegang te geven tot de openbare weg en dit recht tot uitweg vervalt van rechtswege zodra van ingeslotenheid niet langer sprake is. Een weg kan echter kwalificeren als buurweg zonder dat van ingeslotenheid sprake is. Het verweer van [gedaagden] c.s. dat in het onderhavige geval geen sprake kan zijn van een buurweg reeds omdat [eiser sub 1] c.s. ook andere uitwegen op de openbare weg hebben, gaat daarom niet op.

4.6.

De rechtbank overweegt dat, nu [eiser sub 1] c.s. hun percelen eerst na 1992 hebben verkregen, beoordeeld moet worden of de rechtsvoorgangers van [eiser sub 1] c.s. en Portaal, althans de huurders aan het [adres 1], [adres 2], [adres 3] en [adres 4], vóór 1992 recht van bezit hebben uitgeoefend met betrekking tot het onderhavige voetpad. Het gebruik van [eiser sub 1] c.s. is in dit kader dus niet relevant. Ook als juist is dat het voetpad een buurweg is dan geldt dat tot het gebruik daarvan niet per definitie alle omwonenden zijn gerechtigd, maar alleen die (rechtsopvolgers van) buren ten behoeve van wie de eigenaar van de weg deze als buurweg heeft bestemd (Hoge Raad 3 februari 2012, LJN: BU6496, conclusie mr. E.B. Rank-Berenschot).

4.7.

Vast staat dat Portaal het voetpad in of omstreeks 1958 heeft aangelegd, tegelijkertijd met de bouw van de woningen aan het Van Tuyllplantsoen. Portaal, die op dat moment eigenaar was van zowel perceel [adres 1] als de percelen [adres 2], [adres 3], en [adres 4], heeft bij de bouw van de woningen een kleine strook afgescheiden en afgescheiden gehouden van de tuin, behorend bij de woning op perceel [adres 1]. Op die strook is een voetpad aangelegd van drie stoeptegels breed dat, tot aan de verkoop van het perceel aan [gedaagden] c.s., vlak langs de schutting aan de zijkant van perceel [adres 1] naar achteren liep en vervolgens de hoek om richting de achterzijde van de percelen nummers [adres 2], [adres 3] en [adres 4]. Dit voetpad vormde dan ook een zogenaamd “achterommetje” ten behoeve van de huurders van Portaal, wonende op de huisnummers [adres 1], [adres 2], [adres 3]en [adres 4]. Sinds 1958 en tot aan de verkoop van perceel nummer [adres 1] aan [gedaagden] c.s. was het voetpad niet afgesloten door een toegangshek of -poort.

Op enig moment hebben de eigenaren van de percelen aan de Dorpsstraat een pad gemaakt aan de achterzijde van hun tuinen. Dit pad langs hun achtertuinen hebben [eiser sub 1] c.s. betegeld. Met gebruikmaking van dit pad konden de bewoners van de Dorpsstraat via het onderhavige voetpad langs de tuin van nummer [adres 1] het bos en het Van Tuyllplantsoen bereiken.

4.8.

Uit vorenstaande vaststaande feiten en de door [eiser sub 1] c.s. onder 4.1. aangevoerde feiten en omstandigheden, die door [gedaagden] c.s. deels worden betwist, kan naar het oordeel van de rechtbank niet volgen dat de rechtsvoorgangers van [eiser sub 1] c.s. vóór 1992 feitelijke macht over het voetpad hebben uitgeoefend die past bij het gebruik van die weg als buurweg (Hoge Raad, 15 september 2006, NJ 2006, 502). Aannemelijk is geworden dat de omwonenden in het algemeen – dus niet zozeer de voormalig eigenaren van de percelen van [eiser sub 1] c.s. – vóór 1992, als hen dat uitkwam, gebruik maakten van het voetpad. Dit volgt uit voornoemde schriftelijke verklaringen van (voormalig) buurtbewoners alsook uit het enkele feit dat het voetpad niet afgesloten was en de eigenaren van de percelen aan de Dorpsstraat de mogelijkheid bood om ook via de achterzijde van hun percelen, al dan niet via hun schuren, het bos en het Van Tuyllplantsoen te bereiken. Het ligt voor de hand dat zij, indien dat zo uitkwam, van die mogelijkheid gebruik hebben gemaakt. Dit volgt ook uit de verklaring van [A], de enige rechtsvoorganger van [eiser sub 1] c.s. die over het feitelijk gebruik van het voetpad – weliswaar na 1992 – heeft verklaard. [A] verklaart dat hij veelvuldig gebruik maakte van het voetpad om grotere stukken in de tuin te krijgen en dat zijn kinderen de doorgang gebruikten om naar het plantsoen te gaan. Dat gebruik op zich en het feit dat Portaal de omwonenden dat gebruik niet heeft belet is echter onvoldoende om ten aanzien van (de rechtsvoorgangers van) [eiser sub 1] c.s. een bezit van een recht van buurweg aan te nemen. [eiser sub 1] c.s. hebben geen gedragingen van Portaal gesteld die aannemelijk maken dat Portaal het voetpad vóór 1992, uitdrukkelijk of stilzwijgend, ten behoeve van de (voormalig) eigenaren van [adres 5], [adres 6] en[adres 7] heeft bestemd als buurweg. De schriftelijke verklaring van de voormalig huurster van [adres 1], die daar heeft gewoond van 1958 tot 2009, kan [eiser sub 1] c.s. in dit verband niet baten. Zij verklaart dat het gebruik van het voetpad door de bewoners van [adres 7], [adres 6] en [adres 5] was toegestaan. Niet duidelijk is op wiens toestemming met dat gebruik zij doelt of waaruit zij die toestemming heeft afgeleid. Dit laatste geldt ook voor de verklaringen van de overige bewoners (producties 5 en 8 t/m 10 van [eiser sub 1] c.s.). Zoals hiervoor reeds is overwogen is het enkele feit dat Portaal de omwonenden het gebruik niet heeft belet, onvoldoende om een stilzwijgende bestemming als buurweg aan te nemen. Ook het feit dat de voormalig huurster van [adres 1]gelet op de plaats van de schutting een kleinere tuin had dan [gedaagden] c.s., omdat Portaal met het oog op het voetpad een strook van die tuin heeft afgescheiden en afgescheiden gehouden, is geen gedraging van Portaal die duidt op een bestemming als buurweg. Portaal was tot 2010 immers eigenaar van zowel perceel [adres 1]als de percelen [adres 2], [adres 3] en [adres 4]. Onder die omstandigheden moet ervan worden uitgegaan dat zij het voetpad heeft aangelegd en in stand gehouden alleen ten behoeve van zichzelf, oftewel ten behoeve van haar eigen huurders.

4.9.

Dit alles leidt tot het oordeel dat [eiser sub 1] c.s. onvoldoende feiten en omstandigheden hebben gesteld om een bezit van een recht op buurweg aan te nemen. Daarnaast hebben zij de door hen gestelde toestemming van Portaal met een bestemming als buurweg, mede gelet op de betwisting van [gedaagden] c.s., onvoldoende onderbouwd. Aan het door [eiser sub 1] c.s. in dit kader gedane bewijsaanbod wordt niet toegekomen.

Erfdienstbaarheid door extinctieve verjaring

4.10.

Verkrijging van een erfdienstbaarheid door extinctieve verjaring was onder het oud BW niet mogelijk. In het nieuwe BW kan de bezitter die niet te goeder trouw is op grond van de artikelen 3:105 jo. 3:306 BW na verloop van 20 jaren een recht van erfdienstbaarheid verkrijgen. Ingevolge artikel 93 Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek geldt een uitgestelde werking van een jaar als de termijn van 20 jaar (artikel 3:306 BW) op het tijdstip van inwerkingtreding , te weten 1 januari 1992, reeds is verstreken. Dit betekent dat de extinctieve verjaringstermijn op zijn vroegst op 1 januari 1993 kan zijn voltooid. Het moet dan wel gaan om een voortdurende en zichtbare erfdienstbaarheid.

4.11.

Uit al hetgeen hiervoor onder 4.8. en 4.9. is overwogen volgt reeds dat [eiser sub 1] c.s. onvoldoende feiten en omstandigheden hebben gesteld om te oordelen dat in de periode tot 1 januari 1993 of na 1 januari 1992 (inwerkingtreding nieuw BW) gedurende een periode van (tenminste) 20 jaar sprake was van een voortdurend en zichtbaar bezit van erfdienstbaarheid. [eiser sub 1] c.s. hebben, naast hetgeen hiervoor bij de beoordeling van hun beroep op het bestaan van een buurweg aan de orde is gekomen, ter nadere onderbouwing van de zichtbaarheid van het bezit van erfdienstbaarheid nogmaals benadrukt dat de schuren op de betreffende percelen een uitgang hebben richting het pad achter de percelen, dat leidt naar het onderhavige voetpad. Ook dat achter de percelen liggende pad zelf is volgens hen een zichtbaar bewijs van erfdienstbaarheid. Hetzelfde geldt voor de plaats die de schutting langs het perceel [adres 1]had vóór de verkoop van het perceel aan [gedaagden] c.s. Daarnaast moet het feit dat Portaal tot 2010 geen enkel profijt heeft gehad van het stuk grond waarop het voetpad is gelegen worden aangemerkt als een zwaarwegende omstandigheid van zichtbaar bezit van erfdienstbaarheid. Het afscheiden van het pad laat volgens [eiser sub 1] c.s. zien dat het pad niet voor eigen gebruik was bestemd.

4.12.

De rechtbank overweegt dat, nog afgezien van het feit dat [eiser sub 1] c.s. niet hebben onderbouwd wanneer bedoelde schuren zijn geplaatst, uit de enkele aanwezigheid daarvan niet kan worden geconcludeerd dat het door [eiser sub 1] c.s. gestelde bezit van erfdienstbaarheid voor Portaal zichtbaar is geweest. De openingen van de diverse schuren op de betreffende, omheinde percelen zijn vanaf het voetpad immers niet zichtbaar. [eiser sub 1] c.s. zijn degenen die het pad achter hun percelen, alleen voor het gedeelte dat ligt achter hun tuinen, voor het eerst hebben betegeld. Die tegels sluiten niet direct aan op het voetpad aan het Van Tuyllplantsoen. De enkele aanwezigheid van dit pad is geen omstandigheid waaruit het gestelde, zichtbare bezit van erfdienstbaarheid kan blijken. Anders dan [eiser sub 1] c.s. stellen heeft Portaal vanaf 1958 tot aan de verkoop van perceel [adres 1] profijt gehad van het stuk grond waarop het voetpad is gelegen: zij heeft dit stuk grond immers aangewend geheel ten behoeve van haarzelf, althans van haar huurders aan het [adres 1], [adres 2], [adres 3] en [adres 4]. De oorspronkelijke plaats van de schutting op perceel [adres 1] duidt evenmin op een zichtbaar bezit van erfdienstbaarheid. De rechtbank verwijst naar hetgeen omtrent die schutting eerder is overwogen onder 4.8.

Geconcludeerd wordt dat het beroep van [eiser sub 1] c.s. op een door verjaring verkregen erfdienstbaarheid, niet slaagt.

Openbare weg

4.13.

[eiser sub 1] c.s. stellen voorts dat het voetpad een openbare weg is in de zin van de Wegenwet, omdat het gedurende een periode van tenminste 30 jaar voor een ieder toegankelijk is geweest.

4.14.

De rechtbank is van oordeel dat een voetpad als het onderhavige, een zogenaamd “achterommetje”, dat er alleen toe dient om de bewoners van bepaalde woningen de mogelijkheid te geven hun woningen ook via de achterzijde te bereiken, niet een voor een ieder toegankelijke weg is in de zin van de Wegenwet. Dat enkele bewoners aan de Dorpsstraat het voetpad ook zijn gaan gebruiken als sluiproute, om vanuit hun tuin naar het Van Tuyllplantsoen of het bos en weer terug te gaan, maakt dat niet anders. Het gebruik van een weg door uitsluitend ‘bestemmingsverkeer’ is onvoldoende om de weg als voor een ieder vrij toegankelijk te bestempelen. Terecht beroepen [gedaagden] c.s. zich in dit verband op het arrest van het Gerechtshof Arnhem van 5 juni 2007 (LJN: BA8379). De vorderingen van [eiser sub 1] c.s. zijn ook op deze grond niet toewijsbaar.

Redelijkheid en billijkheid

4.15.

Tot slot leggen [eiser sub 1] c.s. aan hun vorderingen ten grondslag dat het afsluiten door [gedaagden] c.s. van het voetpad naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. [eiser sub 1] c.s. en de overige omwonenden kunnen immers niet langer op een snelle en veilige wijze het bos, het Van Tuyllplantsoen en hun achtertuinen bereiken, hetgeen al sinds de jaren ’50 vast gebruik is. [gedaagden] c.s. hebben daarentegen nauwelijks baat bij de afsluiting, omdat het passeren van derden over het voetpad geen overlast veroorzaakt en in feite onopgemerkt plaatsvindt.

4.16.

De rechtbank overweegt dat eigendom het meest omvattende recht is dat een persoon op een zaak kan hebben. [gedaagden] c.s. zijn eigenaar van de betreffende strook grond, waarop het voetpad is gelegen. In rechte is niet komen vast te staan dat het voetpad een buurweg is en evenmin dat [eiser sub 1] c.s. een erfdienstbaarheid van voetpad toekomt. Het voetpad is daarnaast niet aan te merken als een openbare weg in de zin van de Wegenwet. [gedaagden] c.s. zijn daarom gerechtigd [eiser sub 1] c.s. de toegang tot het voetpad te weigeren. De door [eiser sub 1] c.s. gestelde feiten en omstandigheden kunnen niet tot het oordeel leiden dat de uitoefening door [gedaagden] c.s. van hun eigendomsrecht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Conclusie

4.17.

Uit al hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat zowel de primaire als de subsidiaire vorderingen van [eiser sub 1] c.s. dienen te worden afgewezen.

Proceskosten

4.18.

[eiser sub 1] c.s. zijn in het ongelijk gesteld. Zij worden daarom veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [gedaagden] c.s., tot de datum van dit vonnis begroot op in totaal € 1.178,00, te weten:

  • -

    € 274,00 vastrecht;

  • -

    € 904,00 salaris advocaat (2 punten x het tarief van € 452,00, 1 punt voor de conclusie van antwoord, 1 punt voor de comparitie).

in voorwaardelijke reconventie

4.19.

Nu aan de voorwaarde waaronder de vordering is ingesteld niet is voldaan, komt de rechtbank aan de beoordeling van de vordering niet toe.

5 De beslissing

De rechtbank:

In conventie

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt [eiser sub 1] c.s. tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagden] c.s., tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.178,00;

5.3.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

In voorwaardelijke reconventie

5.4.

verstaat dat aan de voorwaarde waaronder de vordering is ingesteld niet is voldaan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Loots en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2014.1

1 type: AW coll: