Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:3826

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-09-2014
Datum publicatie
03-09-2014
Zaaknummer
3195923
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst directeur woningbouwvereniging. Gemeenten zeggen de samenwerking met de woningbouwvereniging op vanwege de persoon van de directeur. Na de aankondiging schorsing in afwachting van een ontslagbesluit legt de directeur zijn functie als bestuurder neer. De ontstane situatie is aan beide partijen te wijten geweest. Geen toepassing van de kantonrechtersformule omdat dit zou leiden tot een bedrag dat ver uitstijgt boven de in de WNT en WWZ genoemde bedragen. Ontbindingsvergoeding: geen inkomensachteruitgang gedurende 24 maanden, waarbij rekening wordt gehouden met de naar verwachting te ontvangen WW uitkering en waarbij in mindering wordt gebracht het loon dat na het neerleggen van de functie en de ontbindingsdatum (ongeveer) is doorbetaald: € 180.000,-- bruto.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 685
Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector
Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector 2.10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2014/232 met annotatie van mr. M.W. Koole
GZR-Updates.nl 2014-0523
AR-Updates.nl 2014-0759
AR 2014/638
RAR 2014/164
JAR 2014/232 met annotatie van mr. M.W. Koole

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 3195923 UE VERZ 14-407 PK/1097

Beschikking van 1 september 2014

inzake

de stichting

[verzoekster] ,

gevestigd te [gemeente],

verder ook te noemen [verzoekster],

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. A.J.D. Bekius,

tegen:

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [verweerder],

verwerende partij,

gemachtigde: mr.drs. S.A. Kampijon.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift van [verzoekster] van 27 juni 2014

  • -

    het verweerschrift van [verweerder] van 31 juli 2014

  • -

    de nagezonden productie 12 van [verzoekster]

  • -

    de nagezonden productie 21 van [verweerder]

  • -

    de pleitaantekeningen van mr. Bekius

  • -

    de pleitaantekeningen van mr.drs. Kampijon

  • -

    de mondelinge behandeling van 7 augustus 2014.

1.2.

Hierna is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verzoekster] is werkzaam op het terrein van de volkshuisvesting in de gemeente Ommen, Dalfsen, Hardenberg, Enschede, Zwolle, Raalte, De Wolden, Lelystad, Elburg en Terschelling. Het aantal woongelegenheden bedraagt ruim 6200. Het woningbezit bevindt zich grotendeels in het Vechtdal (Ommen, Dalfsen, Hardenberg, Zwolle en Raalte), ruim 3400 woningen. [verzoekster] heeft 3 vestigingen: Ommen, Terschelling en Enschede.

[verzoekster] heeft 48 werknemers.

2.2.

[verweerder] is op 1 mei 1993 in dienst getreden bij de rechtsvoorgangster van [verzoekster]. Op 1 januari 1996 is hij benoemd als statutair directeur. Het salaris bedraagt thans € 12.072, bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantiebijslag en overige emolumenten.

2.3.

Per 30 juni 2012 is de RvC van [verzoekster] afgetreden na een door Nyenrode uitgebracht rapport. De RvC heeft per 13 februari 2012 J. [A] als interim‑voorzitter van de RvC benoemd. [A] heeft vervolgens een nieuwe RvC samengesteld en is sindsdien daarvan de voorzitter.

2.4.

Ter uitvoering van haar taken heeft [verzoekster] diverse privaatrechtelijke overeenkomsten met eerdergenoemde gemeenten gesloten.

2.5.

Bij brief van 19 februari 2014 heeft de gemeente [gemeente] [verzoekster] (ter attentie van [verweerder]) bericht dat [verzoekster] heeft afgezien van de overeenkomst een aantal woningen te bouwen, dat de "Prestatie-overeenkomst wonen [gemeente] 2010-2013" is geëxpireerd, en dat gelet op de gang van zaken de gemeente geen behoefte heeft aan voortzetting van deze overeenkomst. Voor zover nodig wordt deze overeenkomst door de gemeente opgezegd tegen 1 april 2014.

2.6.

Op 26 februari 2014 is er een overlegvergadering geweest tussen de RvC en onder anderen [verweerder].

2.7.

Bij brief van 24 maart 2014 heeft het college van B&W van de gemeente [gemeente] aan de RvC van [verzoekster] (ter attentie van [A]) onder meer geschreven:

"Bereidheid tot samenwerking, een goede communicatie en wederzijds vertrouwen zijn belangrijke randvoorwaarden voor de invulling van een succesvol partnerschap. Helaas moeten we constateren dat we deze eigenschappen niet terug zien in het persoonlijk handelen van de bestuurder ([verweerder], kantonrechter).

We constateren dat door de bestuurder regelmatig op de persoon gespeeld wordt. Enkele voorbeelden hiervan zijn dat onze bestuurders in het openbaar geschoffeerd worden. Ook wordt de integriteit van onze ambtelijke medewerkers met enige regelmaat ter discussie gesteld.

Daarnaast worden bij zakelijke geschillen verbanden gelegd met de investeringsbereidheid van [verzoekster] in onze gemeente. Een voorbeeld hiervan is de brief van 27 september 2013 waarin de relatie wordt gelegd tussen exclusiviteitafspraken en het aanhouden van investeringsbeslissingen van [verzoekster]. In onze ogen is er sprake van een vorm van chantage waarbij ons het mes op de keel wordt gezet om te komen tot een voor [verzoekster] positief besluit. Deze manier van zaken doen strookt niet met de wijze waarop wij invulling geven aan partnerschap.

Ook constateren wij dat de bestuurder zich onvoldoende kan en wil verplaatsen in belangen en ideeën van andere partijen. De bestuurder staat niet open voor argumenten van anderen omdat hij van zijn eigen gelijk is overtuigd. Dit betekent dat bestuurders een eigen koers bepaalt en er vaak sprake is van eenzijdig handelen van de Woningstichting [verzoekster] waardoor het voor ons moeilijk is te komen tot afspraken.

Een ander voorbeeld waarbij de bestuurder geen invulling geeft aan succesvol partnerschap is de introductie van het distributiemodel. [verzoekster] onttrekt zich aan de discussie over de transitie van het sociaal domein, de voorstellen voor een nieuwe aanpak en voert haar eigen koers. Het nieuwe woning verdeelsysteem van [verzoekster] wordt vervolgens globaal aan de gemeente toegelicht waarna wij uit de krant moeten vernemen dat het model is ingevoerd en hoe het plan concreet in elkaar steekt. Vervolgens worden wij als gemeente door diverse instanties en particulieren aangesproken op dit nieuwe beleid van [verzoekster] met het verzoek hier iets aan te doen.

Van een open samenwerking, een goede communicatie en wederzijds vertrouwen in elkaar is momenteel geen sprake. Deze randvoorwaarden zijn voor ons van groot belang in ons partnerschap met Woningstichting [verzoekster] en de opmaat om te komen tot nieuwe prestatie afspraken. Wij betreuren de ontstane situatie maar zijn tot de conclusie gekomen dat met het aanblijven van de huidige bestuurder als directeur van [verzoekster] wij grote vraagtekens plaatsen of wij in staat zullen zijn om nieuwe afspraken met elkaar te maken".

2.8.

Bij brief van 27 maart 2014 heeft het college van B & W van de gemeente [gemeente] onder meer aan de RvC van [verzoekster] (ter attentie van [A]) geschreven:

"Op 25 februari 2014 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen u en onze burgemeester de heer [B]. Bij dit gesprek waren ook de burgemeesters [C] en [D] van de gemeente [gemeente] respectievelijk [gemeente] aanwezig. Tijdens dit gesprek is de relatie tussen de drie gemeenten en de directeur-bestuurder van Woningstichting [verzoekster] (…) besproken. Mede op uw verzoek lichten wij in deze brief onze relatie met de directeur-bestuurder toe alsmede onze conclusie dat de gemeente [gemeente] niet meer kan werken met de huidige directeur-bestuurder".

Verder wordt in deze brief gesignaleerd dat de samenwerking tussen de gemeente en [verzoekster] onwerkbaar is geworden omdat door de opstelling van [verweerder] overleggen alleen nog maar tussen hem en het bestuur van de gemeente konden plaatsvinden, hetgeen voor een organisatie als die van de gemeente [gemeente] op de lange duur onwerkbaar is omdat het ambtelijk apparaat de voorbereidings- en adviseringsfunctie niet kan invullen.

Voorts vermeldt deze brief:

" Behandeling van personen

Bij de totstandkoming van projecten worden personen, zowel ambtelijk als bestuurlijk, bij herhaling geschoffeerd en bestempeld als incompetent. In de communicatie richt de directeur-bestuurder zich erg op de persoon, hierbij de kennis en kunde evenals de integriteit van deze persoon in twijfel trekkend. In eerdere fases werd, om het ongenoegen van de directeur-bestuurder tegemoet te komen én de voortgang van de projecten te waarborgen, de ambtelijke vertegenwoordiging gewisseld, maar wij konden hier niet in mee blijven buigen daar mensen werden beschadigd.

De wijze waarop mensen tegemoet worden getreden, wordt als intimiderend ervaren en hiermee wordt naar onze mening tevens een angstcultuur gecreëerd.

Naar ons idee geldt dit overigens niet alleen voor onze organisatie, maar zien we dit ook terug in het gedrag van medewerkers van [verzoekster]. Voorbeelden die onze opvatting mede schragen:

- medewerkers durven geen verantwoorde tijd te nemen, voordat terugkoppeling met de directeur-bestuurder heeft plaatsgevonden (over welk onderwerp dan ook);

- het feit dat de directeur-bestuurder aanwezig was bij alle ambtelijk vooroverleg; maar ook

- het feit dat niemand binnen [verzoekster], bij afwezigheid van de directeur-bestuurder, ons het telefoonnummer van uw Raad van Commissarissen durfde te geven".

Voorts kwalificeert de gemeente de manier van onderhandelen van [verweerder] als chanteren, en zeker niet als samenwerken. Bij verschil van inzicht worden personen geschoffeerd dan wel weggehoond. [verweerder] hecht enkel waarde aan zijn eigen ideeën en staat niet open voor argumenten van anderen. Fouten worden steeds bij de gemeente neergelegd, ondanks zijn eigen betrokkenheid bij de voorbereiding. Het distributiemodel is gewijzigd zonder overleg. De conclusie van de gemeente is dat partijen uiteindelijk altijd nader tot elkaar zijn gekomen, maar vrijwel altijd met concessies van de kant van de gemeente. Er is daarom geen basis meer om uitvoering te geven aan het partnerschap met [verzoekster]. Dit wijt de gemeente vrijwel geheel aan de houding het gedrag van [verweerder]. Er is geen vertrouwen meer in herstel van deze relatie. Aan de RvC wordt verzocht het volkshuisvestingbelang te dienen en in dat kader besluiten te nemen die nodig zijn. Wat de gemeente betreft hoeft de samenwerking met [verzoekster] niet ter discussie te staan, maar samenwerking met [verweerder] is door zijn eigen opstelling en gedrag een onbegaanbare weg geworden.

2.9.

Op 27 of 28 maart 2014 heeft [A] [verweerder] een schriftelijke agenda overhandigd ten behoeve van een vergadering van de RvC op 4 april 2014.

Die agenda vermeldde onder meer:

"1 SCHORSING TER VOORBEREIDING VAN HET VOORGENOMEN BESLUIT TER BEEINDIGING VAN DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN MET DIRECTEUR-BESTUURDER, DE HEER [verweerder]

TOELICHTING

DE RAAD VAN COMMISSARISSEN HEEFT GEEN VERTROUWEN MEER IN DE DIRECTEUR-BESTUURDER.

REDENEN HIERVOOR ZIJN DE BRIEVEN VAN DE GEMEENTES [gemeente] EN [gemeente] EN DE MONDELINGE MEDEDELING VAN DE BURGEMEESTER VAN DE GEMEENTE [gemeente] DAT ZIJ DE SAMENWERKING MET DE WONINGCORPORATIE [verzoekster] WILLEN STOPPEN, OM REDEN DAT ZIJ NIET MEER WILLEN SAMENWERKEN MET DE DIRECTEUR-BESTUURDER, DE HEER [verweerder]. DEZE 3 GEMEENTES LIGGEN IN HET KERNGEBIED VAN [verzoekster] EN ZIJN ONONTBEERLIJK VOOR DE TOEKOMST VAN DE CORPORATIE;

EN HET PERSONEELSBELEID VAN DE DIRECTEUR-BESTUURDER IS VAN DIEN AARD DAT ER EEN GROOT AANTAL ONTSLAGEN ZIJN GEVALLEN DE LAATSTE TWEE JAAR, WAARVAN DE WERKING EEN BELASTING IS VOOR ALLE MEDEWERKERS;

DE VORIGE ONDERNEMINGSRAAD IS ZWAAR ONDER DRUK GEZET NA EEN GESPREK MET DE RAAD VAN COMMISSARISSEN VOORAL OMDAT ZIJ MEDEDELING HADDEN GEDAAN VAN HET NIET ANONIEM ZIJN VAN HET MEDEWERKERS TEVREDENHEIDSONDERZOEK, WAARVAN DEGENE DIE EEN LAAG CIJFER HAD GEGEVEN TEKST EN UITLEG MOEST KOMEN GEVEN AAN DE DIRECTEUR-BESTUURDER EN OVERGEPLAATST WERD.

DIE ONDERNEMINGSRAAD IS OPGESTAPT EN DE DIRECTEUR-BESTUURDER HEEFT EEN NIEUWE ONDERNEMINGSRAAD BENOEMD.

KORTOM DE RAAD VAN COMMISSARISSEN HEEFT GEEN VERTROUWEN MEER IN DE DIRECTEUR-BESTUURDER EN WIL HEM SCHORSEN IN AFWACHTING VAN DE UITVOERING VAN HET VOORGENOMEN BESLUIT DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN TE BEËINDIGEN.

MR [A]-VOORZITTER

N.B. DE HEER [verweerder] IS VOOR DEZE VERGADERING UITGENODIGD OM ZIJN MENING OVER DE VOORGENOMEN SCHORSING TE GEVEN".

2.10.

Op 1 april 2014 ontving [verweerder] per e-mail afschrift van bovengenoemde brieven van de gemeenten.

2.11.

Op 2 april 2014 om 8:15 uur heeft [verweerder] telefonisch aan [A] meegedeeld dat hij zijn functie als bestuurder van [verzoekster] neerlegt. Vervolgens hebben [A] en [verweerder] diezelfde dag een gesprek gehad. [A] heeft [verweerder] daarbij een vertrekaanbod gedaan. Dit aanbod is vervolgens onderwerp van nadere onderhandelingen geweest tussen de advocaten van beide partijen. Er is geen overeenstemming bereikt.

2.12.

Op 4 april 2014 heeft [verweerder] een persbericht over zijn vertrek doen uitgaan. Hierover was overleg geweest met [A].

Dit persbericht luidde als volgt:

"De Raad van Commissarissen en het bestuur van woningstichting [verzoekster] in [gemeente] zijn gezamenlijk tot de conclusie gekomen dat het bedrijf toe is aan een nieuwe vorm van leiderschap. Om die reden is in goed overleg besloten dat de bestuurder zijn carrière elders zal voortzetten en is besloten een interim bestuurder aan te stellen per 7 april aanstaande. De heer [E] is bereid gevonden die taak op zich te nemen. De heer [E] heeft een ruime ervaring in de volkshuisvesting".

2.13.

[verweerder] heeft sindsdien geen werkzaamheden meer voor [verzoekster] verricht. Zijn loon wordt doorbetaald.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

[verzoekster] verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] op de kortst mogelijke termijn te ontbinden wegens verandering in de omstandigheden, onder toekenning van een vergoeding aan [verweerder] die niet hoger is dan € 75.000,-- bruto, kosten rechtens.

3.2.

Samengevat voert [verzoekster] hiertoe het volgende aan.

Zij heeft het vertrouwen in [verweerder] als directeur-bestuurder verloren. De gemeenten [gemeente], [gemeente] en [gemeente] hebben onlangs de samenwerking met [verzoekster] beëindigd vanwege redenen gelegen in zijn persoon. Verder heeft [verweerder] ten onrechte de brief van 19 februari 2014 van het college van B & W van de gemeente [gemeente], waarin de samenwerking wordt opgezegd, niet uit eigen beweging aan de RvC overhandigd.

Op 25 februari 2014 heeft op verzoek van de burgemeesters van [gemeente], [gemeente] en [gemeente] een gesprek plaatsgevonden met [A]. Daarin is meegedeeld dat geen van de gemeenten nog heil ziet in samenwerking met [verzoekster], en wel op grond van het gedrag van [verweerder]. [verzoekster] verwijst daartoe naar de in het voorgaande geciteerde brieven. Het stopzetten van de samenwerking levert enorme schadeposten voor [verzoekster] op, want [verzoekster] bezit grondposities in deze gemeenten en deze kunnen nu niet meer ontwikkeld worden.

3.3.

Daarnaast is gebleken dat [verweerder] een angstcultuur heeft gecreëerd onder het personeel van [verzoekster].

Er is sprake geweest van een buitenproportioneel hoog personeelsverloop (van de 48 werknemers zijn in een paar jaar 30 personeelsleden vertrokken). De opvolger van [verweerder], de interim-bestuurder [E], ontdekte dat [verweerder] in het verleden overtrokken had gereageerd in personeelsaangelegenheden: hij zou een inhouding op het salaris van een medewerker hebben gedaan in verband met een deuk in een dienstauto, hij heeft een medewerkster van fraude met reiskostendeclaraties beticht en haar vervolgens overgeplaatst, een andere medewerkster is eerst in het zonnetje gezet in verband met haar jubileum, en vervolgens wegens disfunctioneren overgeplaatst, een medewerkster die na haar zwangerschap parttime wilde gaan werken werd voor het gehele publiek voor gek gezet door middel van opmerkingen over haar "solidariteit", bij een plenair overleg moesten de medewerkers een kleurplaat inleveren: "zolang ze maar netjes binnen de lijntjes kleurden was er niets aan de hand", en een andere medewerkster moest stoppen met de opleiding waarvoor zij eerst toestemming had gekregen.

3.4.

Voorts heeft een OR‑lid [A] benaderd over de manier waarop [verweerder] met hem was omgegaan. Hij werd beticht van fraude met reiskostendeclaraties, terwijl zijn leidinggevende akkoord was gegaan met zijn manier van declareren. Vervolgens heeft hij geen eindejaarsbonus ontvangen, zijn studiefaciliteiten werden stilgelegd en hij moest zich terugtrekken als voorzitter van de OR. Hij moest een e-mail sturen naar het personeel dat hij zijn functie vanwege fraude neerlegde. [verweerder] heeft hem vervolgens gedwongen te vertrekken.

Verder heeft deze medewerker verklaard dat [verweerder] een onderzoek heeft laten instellen naar een medewerker die een laag cijfer (5) had gegeven bij de invulling van een anoniem medewerkerstevredenheidsonderzoek.

3.5.

Verder heeft [verweerder] het voorstel gedaan om een commissie van uittreding in te stellen. Deze commissie zou moeten beoordelen of een werknemer terecht zou worden ontslagen of niet.

3.6.

Naar aanleiding van alle gebeurtenissen tussen [verweerder] en OR zijn twee andere OR‑leden opgestapt.

3.7.

De dominante manier van leidinggeven door [verweerder] blijkt ook uit het visitatierapport met betrekking tot de periode 2009-2012 dat een extern bureau heeft opgesteld. Dit rapport vermeldt onder meer:

"De visitatiecommissie heeft in het gesprek met de raad van commissarissen geconstateerd dat de dominantie van de bestuurder, ook in de RvC-vergaderingen, waarneembaar is en in zekere mate, wellicht onbedoeld, intimiderende werking heeft.

(…)

De visitatiecommissie beoordeelt dit meetpunt met een 5,5".

3.8.

[verweerder] voert verweer. Voor zover nodig zal de kantonrechter daarop in het navolgende ingaan.

4 De beoordeling

4.1.

[verzoekster] stelt dat partijen zijn overeengekomen het geschil op de voet van artikel 96 Rv aan de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland voor te leggen. [verweerder] heeft gesteld dat partijen dit zijn overeengekomen op grond van artikel 108 lid 2 Rv. De kantonrechter leidt hieruit af dat partijen alleen een overeenkomst hebben gesloten met betrekking tot de relatieve bevoegdheid van de kantonrechter in de rechtbank Midden‑Nederland, en dat zij voor het overige de zaak behandeld willen zien als een procedure op grond van artikel 7:685 BW. De kantonrechter zal daarnaar handelen en de zaak beslissen in de vorm van een beschikking.

4.2.

De kantonrechter heeft zich ervan vergewist of een opzegverbod van toepassing is, hetgeen niet het geval is.

4.3.

[verweerder] heeft tegen het verzoek aangevoerd dat hij sinds ruim 21 jaar bij [verzoekster] werkzaam is. Hij functioneerde goed, zo goed zelfs dat [verzoekster] één van de meest succesvolle woningcorporaties van Nederland is. Hij heeft in die periode geen enkele negatieve beoordeling gehad van de verschillende RvC's. De vermogenstoename van het eigen vermogen van [verzoekster] in deze periode bedraagt ruim € 167.000.000. De toename van het woningbezit ligt op ruim 5000. Het aantal personeelsleden is gestegen van 9 naar 48. Het aantal gemeenten waarin [verzoekster] actief is gestegen van 1 naar 10. Daarnaast is [verzoekster] een belangrijke huisvester van bijzondere doelgroepen als ouderen, gehandicapten en personen die zorg en begeleiding behoeven. Nimmer heeft [verzoekster] operationeel verlies gedraaid, nimmer is een project van [verzoekster] ontspoord. Er zijn 5 fusies/overnames succesvol afgerond.

[verweerder] is verantwoordelijk geweest voor baanbrekende initiatieven in de volkshuisvesting, zoals: keuzevrijheid voor huurder, V-meters, E-meters, oprichting van een franchise‑woningmakelaardij [naam], [naam]. [verweerder] heeft [verzoekster] nationaal op de kaart gezet en is daardoor in 2009 nationaal onderscheiden als "trendsetter" in de vastgoedwereld.

4.4.

Afgezien van bovengenoemde strubbelingen in de samenwerking met de gemeenten heeft [verzoekster] deze door [verweerder] gestelde verdiensten niet weersproken. De kantonrechter zal daarom van de juistheid van die verdiensten uitgaan.

4.5.

[verweerder] stelt dat hij nu rücksichtslos op straat wordt gezet. Dit is gebeurd zonder wederhoor, zonder enige evaluatie van zijn functioneren, zonder enige kans op verbetering, zonder aanbod van enig verbetertraject en zonder enige vorm van coaching of mediation. Politieke afwegingen en een machtsstrijd hebben de RvC geregeerd. Er is zonder meer sprake van slecht werkgeverschap. Dit mag nimmer een reden zijn voor ontslag. Hij verzoekt om die reden primair het ontbindingsverzoek af te wijzen. Desgevraagd heeft hij bevestigd dat in dat geval het niet mogelijk zal zijn te functioneren, indien hij niet tevens opnieuw als bestuurder zal worden benoemd. Hij vertrouwt er echter op dat hij bij afwijzing van het ontbindingsverzoek niettemin opnieuw als bestuurder zal worden benoemd. De samenwerking met de RvC zal in dat geval wel heel erg moeilijk worden, maar hij gaat ervan uit dat zijn aanblijven tot gevolg zou moeten hebben dat de RvC, dan wel zijn voorzitter [A], de eer aan zichzelf houdt. Gezien de wijze waarop de RvC heeft gefunctioneerd en jegens hem heeft geacteerd acht hij dit niet meer dan logisch.

4.6.

De kantonrechter overweegt het volgende.

Vaststaat dat [verweerder] als bestuurder is teruggetreden, en dat hij dit in de openbaarheid heeft gebracht. Hij was op dat moment voorzien van de bijstand van een advocaat (zij het een andere dan zijn huidige advocaat). Nu verder voldoende vaststaat dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst met [verweerder], zonder dat hij weer als bestuurder van [verzoekster] wordt benoemd, geen optie is (geen van partijen heeft een andersluidende standpunt ingenomen), dient het ontbindingsverzoek te worden toegewezen. Hieraan doet niet af dat [A] [verweerder] heeft meegedeeld dat indien hij eerdergenoemd persbericht niet zou laten uitgaan, hij [verweerder] opnieuw voor een vergadering met de RvC zou uitnodigen met als agendapunt de voorgenomen schorsing. Voldoende aannemelijk is dat het aanblijven/een herbenoeming van [verweerder] bij de buitenwacht (waaronder in ieder geval de gemeenten die (impliciet) op zijn vertrek hadden aangedrongen) als onbegrijpelijk zou overkomen.

4.7.

Volgens [verzoekster] is de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT) van toepassing. Om die reden is er volgens haar geen plaats voor toekenning van een ontbindingsvergoeding van meer dan € 75.000,-- bruto. Tegen toekenning van laatstgenoemd bedrag heeft zij geen argumenten ingebracht.

[verweerder] verzoekt echter een ontbindingsvergoeding toe te kennen conform de kantonrechtersformule, waarbij de factor C (waarin de verwijtbaarheid wordt uitgedrukt) gesteld wordt op 1,5, volgens hem neerkomend op een bedrag van ruim € 467.000,-- bruto. Eigenlijk bestaat volgens hem aanspraak op een vergoeding waarbij C = 2, maar gelet op de maatschappelijke opvattingen die op dit moment bestaan over de hoogte van ontslagvergoedingen van topfunctionarissen in de semipublieke sector beperkt hij zijn verzoek tot genoemd bedrag.

4.8.

Partijen zijn het erover eens dat op de arbeidsovereenkomst de WNT van toepassing is. Bij de vaststelling van de ontbindingsvergoeding is de kantonrechter echter op zichzelf niet aan de in de WNT genoemde maxima gebonden (artikel 1.6 lid 2 WNT). Verder stelt de kantonrechter vast dat het salaris van [verweerder] niet meer bedraagt dan de volgens de WNT toegestane maximale bezoldiging.

4.9.

[verzoekster] heeft zich niet verzet tegen toekenning van enige vergoeding. Zij verzoekt slechts een vergoeding van niet meer dan € 75.000,-- bruto toe te kennen. De kantonrechter zal aan [verweerder] daarom een ontbindingsvergoeding toekennen. Hoe hoog of hoe laag deze dient te zijn hangt af van de vraag in wiens risicosfeer de reden van ontbinding is gelegen, en in welke mate welke partij ter zake een verwijt treft.

4.10.

De kantonrechter neemt hiertoe de volgende omstandigheden en overwegingen in aanmerking.

4.11.

Ten nadele van [verzoekster] en ten voordele van [verweerder]:

  1. ondanks de omstandigheid dat er duidelijke aanwijzingen waren dat veel betrokkenen grote moeite hadden met de stijl van optreden van [verweerder] zijn er kennelijk geen tussentijdse functionerings- en/of beoordelingsgesprekken geweest; zeker na het eerdergenoemde rapport van Nyenrode, naar aanleiding waarvan de toenmalige RvC is afgetreden, had dat bepaald voor de hand gelegen; indien die gesprekken zouden zijn gevoerd zou besproken behoren te zijn of een verbetertraject ingezet moest worden, en of [verweerder] zich in de gevarenzone bevond indien zijn stijl niet zou veranderen;

  2. [verzoekster] heeft er geen goede verklaring voor kunnen geven waarom zij in het gesprek van 26 februari 2014 met [verweerder] geen melding heeft gemaakt van de klachten van de gemeenten over [verweerder] die in het gesprek van 25 februari 2014 aan de RvC geuit zijn; in plaats daarvan heeft [verzoekster] gewacht tot de gemeenten hun kritiek op papier hadden gezet;

  3. het had op de weg van [verzoekster] gelegen bij de gemeenten te informeren naar concrete voorbeelden van het door de gemeenten bekritiseerde gedrag van [verweerder]: bijvoorbeeld bij welke gelegenheden zou [verweerder] welke ambtenaren of bestuurders al dan niet in het openbaar hebben geschoffeerd, en op welke manier of in welke bewoordingen is dat gebeurd; in plaats daarvan heeft [verzoekster] al deze verwijten kennelijk voetstoots voor waar aangenomen; ook in deze procedure zijn deze gedragingen niet of nauwelijks concreet toegelicht; hieraan doet niet af of deze verwijten wellicht pasten in het beeld dat [verzoekster] op dat moment had van het gedrag van [verweerder]; [verzoekster] had vervolgens dienen te beoordelen of zij [verweerder] al dan niet tegen de gemeenten in bescherming zou moeten nemen;

  4. in plaats hiervan heeft [verzoekster] kennelijk direct ervoor gekozen [verweerder] in afwachting van ontslag te schorsen; een schorsing had wellicht in de rede gelegen om onderzoek naar de feiten te kunnen doen, maar dat is dus niet gebeurd: de schorsing was de opmaat voor ontslag; naar het oordeel van de kantonrechter is daarom begrijpelijk dat [verweerder] zich genoodzaakt zag zijn functie neer te leggen, teneinde te voorkomen dat hij door de RvC zou worden geschorst (en vervolgens zou worden ontslagen); deze besluiten zouden immers ongetwijfeld in de openbaarheid zijn gekomen en aannemelijk is dat deze zijn reputatie bepaald geen goed zouden hebben gedaan;

  5. het valt [verzoekster] eveneens aan te rekenen dat zij de brieven van de gemeenten en het daarop gebaseerde besluit om hem in afwachting van ontslag te schorsen niet eerst met hem heeft besproken zodat hij zijn visie op de geuite kritiek naar voren zou hebben kunnen brengen.

4.12.

Ten nadele van [verweerder] en ten voordele van [verzoekster]:

  1. het was [verweerder] genoegzaam bekend dat er stevige kritiek was op zijn stijl van leidinggeven en van opereren; hij beroept zich er in dit verband op dat hem een verbetertraject had moeten worden aangeboden, maar van een functionaris op zijn niveau mag toch ook wel enige zelfreflectie worden verwacht, en ook dat hij zonodig zelf iets onderneemt om zijn gedrag aan te passen in plaats van op de oude voet voort te gaan (het heeft er namelijk veel van weg dat dit laatste gebeurd is); ter zitting heeft de kantonrechter hem gevraagd of een aan hem aangeboden verbetertraject (gelet op zijn persoonlijkheid) ook daadwerkelijk verandering in zijn gedrag zou hebben gebracht, maar daarop heeft hij bepaald niet volmondig bevestigend geantwoord;

  2. [verweerder] heeft erkend dat hij de brief van de gemeente [gemeente], waarin de samenwerking met [verzoekster] werd opgezegd, niet uit eigen beweging aan de RvC heeft meegedeeld omdat met deze gemeente nauwelijks zaken werden gedaan; gelet op de aard van deze mededeling had het naar het oordeel van de kantonrechter echter wel degelijk op zijn weg gelegen dit uit eigen beweging te melden;

  3. partijen zijn het erover eens dat [verweerder] veel voor [verzoekster] heeft bereikt bij de ketenpartners; hij had zich echter behoren te realiseren dat een te harde en zakelijke manier van onderhandelen (deze acht de kantonrechter namelijk aannemelijk) op de lange duur tot een breuk zou kunnen leiden, hetgeen niet in het belang van [verzoekster] zou zijn;

  4. met betrekking tot de door [verzoekster] genoemde incidenten met medewerkers:

a. [verweerder] heeft erkend dat hij de medewerker die in een anoniem medewerkerstevredenheidsonderzoek een aantal malen een onvoldoende had gegeven, daarop heeft aangesproken; volgens hem is dit gebeurd nadat de afdeling personeelszaken hem daar diverse malen om gevraagd had; ter zitting heeft hij toegegeven dat hij dit niet had moeten doen; indien de gang van zaken inderdaad zo is geweest als hij stelt, had het naar het oordeel van de kantonrechter op zijn weg gelegen zijn rug recht te houden;

b. [verweerder] heeft niet betwist dat hij een bedrag heeft ingehouden op het salaris van een medewerker naar aanleiding van een deuk in een bedrijfsauto; de kantonrechter acht echter niet aannemelijk dat in die kwestie voldaan was aan de eis van opzet of bewuste roekeloosheid bij die medewerker;

c. [verweerder] heeft evenmin betwist dat hij het tegenover andere medewerkers gehad heeft over de "solidariteit" van een werkneemster, die na haar zwangerschapsverlof parttime wilde gaan werken;

ook overigens acht de kantonrechter op grond van de processtukken voldoende aannemelijk dat [verweerder] er een wel heel stevige stijl van leidinggeven op nahield, hoewel een angstcultuur misschien daarvoor een te sterke kwalificatie is.

4.13.

De conclusie is dat aan beide partijen van het ontstaan van de huidige situatie een verwijt kan worden gemaakt.

[verzoekster] heeft destijds (volgens haar onder het voorbehoud van verenigbaarheid met de WNT) aangeboden een beëindigingsvergoeding te betalen van € 330.000,-- bruto. Nu [verweerder] dit aanbod niet heeft aanvaard, is [verzoekster] niet langer aan dit aanbod gebonden (nog los van eerdergenoemd voorbehoud).

4.14.

Gelet op de lange duur van het dienstverband en het hoge salaris van [verweerder] acht de kantonrechter vaststelling van de toe te kennen vergoeding aan de hand van de kantonrechtersformule in dit geval niet opportuun. Zo zou een vergoeding met C = 1 leiden tot een bedrag van ruim € 300.000,-- bruto. Dit bedrag is vele malen hoger dan het maximum bedrag van artikel 2.10 lid 1 WNT. Het zou tevens neerkomen op ongeveer het dubbele van een jaarinkomen, waarmee het sterk zou uitstijgen boven het bedrag dat na de inwerkingtreding van de Wet werk en zekerheid (naar het zich laat aanzien per 15 juli 2015) in een geval als het onderhavige toegekend zal kunnen worden. Aangenomen mag worden dat deze in de toekomst toepasselijke normering ook weergeeft hetgeen thans maatschappelijk aanvaardbaar wordt geacht.

Voorts neemt de kantonrechter in aanmerking dat de discussie rondom de hoogte van beëindigingsvergoedingen in het algemeen (en die van topfunctionarissen in de (semi)publieke sector in het bijzonder) en de invoering van de WNT en de WWZ niet aan [verweerder] ontgaan zal zijn. Hij heeft er daarom rekening mee kunnen houden (door bijvoorbeeld geld opzij te leggen) dat bij een eventuele beëindiging van het dienstverband de beëindigingsvergoeding lager zou uitvallen dan in de voorgaande periode het geval zou zijn geweest.

4.15.

[verweerder] heeft aangevoerd dat hij verwacht dat hij niet binnen 2 jaar een ander dienstverband zal hebben gevonden, gelet op hetgeen in de sector rondom deze kwestie bekend is geworden. [verzoekster] heeft dit op zichzelf niet betwist. De kantonrechter acht het daarom billijk een vergoeding toe te kennen waarbij [verweerder] geen inkomensachteruitgang zal ondervinden gedurende (ongeveer) 2 jaar. Daarbij zal de kantonrechter wel rekening houden met de (globaal berekende) WW-uitkering, die [verweerder] naar verwachting zal ontvangen. De kantonrechter zal eveneens rekening houden met de omstandigheid dat [verweerder] vanaf begin april 2014 vrijgesteld is van het verrichten van werkzaamheden terwijl zijn loon wordt doorbetaald.

Toegekend zal daarom worden 2 (jaar) x 12 (maanden) x € 12.270 x 1,08 (vakantiebijslag) - 2 (jaar) x 261 (uitkeringsdagen) x € 198,28 (maximumdagloon) x 70% - 5 (maanden) x € 12.270 x 1,08 = (afgerond) € 180.000,-- bruto.

Slotsom

4.16.

De arbeidsovereenkomst tussen partijen zal worden ontbonden per 15 september 2014 onder toekenning van een ontbindingsvergoeding van € 180.000, bruto. Gelet op de aard van de rechtsverhouding tussen partijen zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

5 De beslissing

De kantonrechter:

stelt [verzoekster] in de gelegenheid uiterlijk 10 september 2014 het verzoek in te trekken;

en voor het geval het verzoek niet tijdig wordt ingetrokken:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 15 september 2014;

kent aan [verweerder] ten laste van [verzoekster] een vergoeding toe van € 180.000, bruto en veroordeelt [verzoekster] tot betaling van deze vergoeding aan [verweerder];

compenseert de proceskosten in die zin, dat partijen de eigen kosten dragen;

en voor het geval het verzoek tijdig wordt ingetrokken:

compenseert de proceskosten in die zin, dat partijen de eigen kosten dragen.

Deze beschikking is gegeven door mr. P. Krepel, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 september 2014.