Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:3793

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
27-08-2014
Datum publicatie
05-09-2014
Zaaknummer
C-16-334122 - HA ZA 12-1316
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geschil over afwikkeling uitkoop aandeelhouder in vennootschappen op het gebied van projectontwikkeling. Uitleg begrip vervangende schadevergoeding. Tussenvonnis uitlating over deskundigenbericht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/334122 / HA ZA 12-1316

Vonnis van 27 augustus 2014

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres sub 1] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres sub 2] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres sub 3] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

advocaat mr. M.H.J. Langerak te Utrecht,

tegen

1 [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 2] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats],

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 4] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 5] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 6] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 7] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 8] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

9. de commanditaire vennootschap

[gedaagde sub 9] C.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

10. de commanditaire vennootschap

[gedaagde sub 10] C.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie

advocaat mr. J.W. de Groot te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiseressen c.s.] en [gedaagden c.s.] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 8 januari 2014

  • -

    de brief van 2 mei 2014 van mr. de Groot met daarbij de producties 19 en 20

  • -

    de brief van 5 mei 2014 van mr. Langerak met daarbij productie 42

  • -

    de brief van 15 mei 2014 van mr. Langerak met daarbij productie 43

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 20 mei 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De heer [A] (hierna te noemen: [A]) is bestuurder en enig aandeelhouder van respectievelijk [eiseres sub 1] B.V. (hierna te noemen: [eiseres sub 1]), [eiseres sub 2] B.V. (hierna te noemen [eiseres sub 2]) en [eiseres sub 3] B.V. (hierna te noemen: [eiseres sub 3]). [A] was door middel van deze vennootschappen actief in de projectontwikkeling.

2.2.

De heer [gedaagde sub 1] (hierna te noemen: [gedaagde sub 1]) is bestuurder en enig aandeelhouder van [gedaagde sub 2] B.V. (hierna te noemen: [gedaagde sub 2]). De heer [B] (hierna te noemen: [B]) is indirect bestuurder en enig aandeelhouder van [gedaagde sub 4] B.V. (hierna te noemen: [gedaagde sub 4]).

2.3.

[eiseres sub 3], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 4] waren ieder voor een derde deel aandeelhouder van [gedaagde sub 5] B.V. (hierna te noemen [gedaagde sub 5]). De activiteiten van [gedaagde sub 5] bestonden hoofdzakelijk uit projectontwikkeling, het aanhouden van grondposities en aanverwante werkzaamheden. [eiseres sub 1] en [gedaagde sub 2] waren bestuurder van [gedaagde sub 5].

2.4.

[gedaagde sub 5] hield zich, via haar dochtermaatschappij [gedaagde sub 6] B.V. (hierna te noemen: DDD), bezig met de ontwikkeling van het [gedaagde sub 6] project.

2.5.

[eiseres sub 2], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 4] zijn ieder voor een derde deel aandeelhouder van [gedaagde sub 7] B.V. (hierna te noemen: [gedaagde sub 7]). [gedaagde sub 1] is enig bestuurder van [gedaagde sub 7]. De activiteiten van [gedaagde sub 7] bestaan eveneens hoofdzakelijk uit projectontwikkeling. [gedaagde sub 7] ontwikkelt appartementen in het [project] (hierna te nomen: [project]) via haar dochtermaatschappij [gedaagde sub 8] B.V. (hierna te noemen: [gedaagde sub 8]) in [gedaagde sub 9] C.V. [gedaagde sub 9] C.V. is eigenaar van de grond te Breukelen waarop deze appartementen inmiddels zijn gerealiseerd.

2.6.

[gedaagde sub 10] C.V. heeft een lening aan [gedaagde sub 9] C.V. verstrekt voor een bedrag van

€ 4,5 miljoen. [A] is één van de drie vennoten van [gedaagde sub 10] C.V. De drie vennoten [A], [B] en [gedaagde sub 1] participeerden ieder voor een gelijk deel in het vermogen van [gedaagde sub 10] C.V. en daarmee in de vordering van [gedaagde sub 10] C.V. op [gedaagde sub 9] C.V.

2.7.

Medio 2009 zijn er geschillen ontstaan tussen [A] enerzijds en [gedaagde sub 1] en [B] anderzijds. Een notaris heeft op 8 november 2010 een concept “Overeenkomst tot ontvlechting samenwerking Versie III” (hierna te noemen: de Ontvlechtingsovereenkomst) opgesteld.

2.8.

In de Ontvlechtingsovereenkomst is, onder meer, het volgende vastgelegd:

  • -

    [eiseres sub 2] verkoopt en levert haar aandelen in [gedaagde sub 5] aan [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 2] tegen een verkoopprijs van € 375.000,--, welke koopprijs wordt verrekend met de rekening-courant vordering van [gedaagde sub 5] op [A];

  • -

    [eiseres sub 2] verkoopt en levert haar aandelen in [gedaagde sub 7] aan [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 2] tegen een verkoopprijs van € 300.000,--;

  • -

    [A] heeft een vordering op [gedaagde sub 10] C.V. van € 1.500.000,--;

  • -

    aan een aantal appartementsrechten in het [project] (genaamd: [naam]), waartoe in ieder geval één ligplaats voor een boot behoort, is een waarde toegekend van € 3.792.250,-- Deze appartementsrechten zullen door [gedaagde sub 9] C.V. worden overgedragen aan [eiseres sub 2];

  • -

    betaling van de koopprijs door [eiseres sub 2] zal plaatsvinden door inbetalinggeving van de verkoopprijs van de aandelen [gedaagde sub 7] en door inbetalinggeving van de vordering van [A] op [gedaagde sub 10] C.V. Dit resulteert in een totaalbedrag van € 1.800.000,--. Het resterende deel ad. € 1.992.250,-- blijven [eiseressen c.s.] schuldig aan [gedaagde sub 9] C.V.;

  • -

    ten behoeve van de aflossing van het bovengenoemde resterende deel kan [eiseres sub 2] een renteloze lening afsluiten met [gedaagde sub 9] C.V., met als zekerheid een eerste recht van hypotheek op de te leveren appartementsrechten. Indien [A] van deze mogelijkheid geen gebruik maakt en bij levering de koopprijs aflost, heeft hij recht op een rentekorting van

€ 382.512,--.

2.9.

Artikel 5 van de Ontvlechtingsovereenkomst is getiteld “Algemene bepalingen”. Artikel 5.3. luidt als volgt:

“Partijen verbinden zich in het kader van de uitwerking en realisering van het vorenstaande al datgene te doen en te laten wat daartoe nodig, nuttig of wenselijk mocht blijken. “

2.10.

Op 24 december 2010 zijn de in het [project] te realiseren appartementsrechten, waaronder de aan [eiseressen c.s.] te leveren appartementsrechten, met een hypotheekrecht ten behoeve van Friesland Groningen Hypotheek Bank (FGH Bank) bezwaard. [eiseressen c.s.] zijn daarvan niet tevoren op de hoogte gesteld.

2.11.

Op 27 september 2011 is tussen partijen vonnis gewezen in een kort geding procedure bij de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam. [eiseressen c.s.] hadden in eerste instantie nakoming van de Ontvlechtingsovereenkomst gevorderd, op straffe van een dwangsom. Door de Voorzieningenrechter is - in verband met de hiervoor vermelde hypotheekverlening aan FGH Bank en de weigering van laatstgenoemde om dit hypotheekrecht prijs te gegeven - aan [eiseressen c.s.] in overweging gegeven om een uittreedvergoeding in contanten te vorderen in plaats van de overeengekomen levering van de appartementsrechten. [eiseressen c.s.] hebben hun subsidiaire vordering dienovereenkomstig gewijzigd en daarop is vonnis gewezen. De Voorzieningenrechter heeft partijen - kortgezegd - veroordeeld om mee te werken aan uitvoering van de Ontvlechtingsovereenkomst, met betaling door [gedaagden c.s.] aan [eiseres sub 2] van een bedrag van € 1.393.650,--. Op 1 november 2011 hebben partijen uitvoering gegeven aan dit vonnis.

2.12.

Beide partijen zijn in hoger beroep gegaan van de beslissing van de Voorzieningenrechter bij het Gerechtshof te Amsterdam, hetgeen geleid heeft tot het arrest in kort geding van 8 mei 2012. Daarin is het vonnis van de Voorzieningenrechter in zoverre vernietigd dat de betaling van [gedaagden c.s.] aan [eiseres sub 2] is gemaximeerd tot een bedrag van € 940.000,--, met daarbij de verplichting voor [eiseressen c.s.] om elk bedrag dat door [gedaagden c.s.] daarboven is betaald, terug te betalen. [eiseressen c.s.] hebben hieraan uitvoering gegeven.

2.13.

Naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van [eiseressen c.s.] heeft de Rechtbank Midden-Nederland bij beschikking van 31 januari 2013 een voorlopig deskundigenbericht gelast waarbij drie deskundigen zijn benoemd die - kortgezegd – verzocht worden antwoord te geven op de vraag hoe de hoogte van de uittreedvergoeding dient te worden berekend en of daarbij kan worden uitgegaan van de juistheid van meerdere daartoe in opdracht van partijen uitgebrachte rapportages.

2.14.

Bij vonnis van 27 maart 2013 heeft de Rechtbank Midden-Nederland [gedaagde sub 5] veroordeeld tot betaling van een ‘succesfee’ aan [eiseres sub 3] ter hoogte van € 402.220,--. Bij vonnis van 16 oktober 2013 is [gedaagde sub 5] op verzoek van [eiseres sub 3] door dezelfde Rechtbank in staat van faillissement verklaard.

3 De vordering in conventie

3.1.

[eiseressen c.s.] vorderen - samengevat - na eiswijziging bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. hoofdelijke veroordeling van [gedaagden c.s.], tot betaling van een bedrag van € 2.182.512,--, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met rente;

  2. veroordeling van [gedaagde sub 5] tot betaling van de managementfee aan [eiseres sub 3] over de maanden januari 2011 tot en met oktober 2011;-

  3. veroordeling van [gedaagde sub 2] tot betaling van al hetgeen [eiseres sub 3] te vorderen heeft van [gedaagde sub 5] uit hoofde van het vonnis van de Rechtbank Midden-Nederland van 27 maart 2013 voor zover deze vordering het bedrag van € 610.838,-- niet overstijgt;

  4. veroordeling van Voerman tot schadevergoeding ter hoogte van al hetgeen [eiseres sub 3] niet voldoet ter zake het onder 3 gevorderde;

  5. hoofdelijke veroordeling van [gedaagden c.s.] in de proceskosten inclusief de beslagkosten en de nakosten.

3.2.

Aan de onderscheiden vorderingen leggen [eiseressen c.s.] het volgende ten grondslag:

3.2.1.

[gedaagden c.s.] zijn toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van de Ontvlechtingsovereenkomst. Zij hebben de te leveren appartementsrechten verhypothekeerd aan de FGH Bank. Bovendien hebben zij niet voldaan aan de verplichting om al het nodige te doen om nakoming van de gemaakte afspraken mogelijk te maken. Ten slotte zijn zij voorbijgegaan aan de verplichting voortvloeiend uit artikel 6:2 lid 1 BW om zich jegens elkaar te gedragen naar de eisen van redelijkheid en billijkheid. [gedaagden c.s.] hadden namelijk moeten vermijden dat zij de Ontvlechtingsovereenkomst niet meer konden nakomen. Hierdoor is vervangende schadevergoeding verschuldigd, te begroten op het bedrag dat in de Ontvlechtingsovereenkomst aan de gemiste prestatie dient te worden toegekend. Deze waarde dient te worden bepaald op € 1.800.000,--, zijnde het bedrag waar [eiseressen c.s.] recht op had, welk bedrag is vastgelegd als resultaat van de onderhandelingen tussen partijen over de ontvlechting. Ook hebben [eiseressen c.s.] recht op de aanvullende rentevergoeding

ad. € 382.512,--. Op dit laatste bedrag kunnen [eiseressen c.s.] aanspraak maken, omdat [eiseres sub 2] – indien er levering van de appartementsrechten had plaatsgevonden – de overwaarde ad. € 1.992.250,-- zelf zou hebben gefinancierd, waardoor [eiseres sub 2] deze rentekorting ook zou hebben ontvangen.

3.2.2.

De vordering met betrekking tot de managementfee die [eiseres sub 3] van [gedaagde sub 5] te vorderen zou hebben, zijn in verband met het faillissement van [gedaagde sub 5] ter verificatie ingediend bij de curator.

3.2.3.

[eiseres sub 3] heeft na het veroordelend vonnis van 27 maart 2013 diverse executoriale beslagen gelegd onder (onder meer) [gedaagde sub 2]. [gedaagde sub 2] heeft (ondanks het bepaalde in artikel 477 Rv) verzuimd om het door haar aan [gedaagde sub 5] verschuldigde aan de deurwaarder af te dragen, ondanks diverse sommaties. [eiseres sub 3] vordert dan ook op de voet van voormeld artikel betaling door [gedaagde sub 2] van al hetgeen [gedaagde sub 5] aan haar is verschuldigd.

3.2.4.

Nu [gedaagde sub 2] een vordering heeft op haar bestuurder [gedaagde sub 1] van € 389.678,--, heeft zij haar verplichting om deze te incasseren teneinde aan haar afdrachtsverplichting jegens [eiseres sub 3] te voldoen, verzaakt. Bovendien voldoet [gedaagde sub 1] niet aan zijn verplichting om de rekening-courant schuld af te lossen aan [gedaagde sub 2]. Hierdoor frustreert [gedaagde sub 1] in privé en in zijn hoedanigheid van bestuurder de verhaalsmogelijkheden van [eiseres sub 3] en tracht hij de verhaalsmogelijkheden van [eiseres sub 3] te frustreren door een onroerende zaak van [gedaagde sub 5] te vervreemden en op die manier aan het verhaal op het vermogen van [gedaagde sub 5] te onttrekken. Dit is onrechtmatig jegens [eiseres sub 3]. [eiseres sub 3] is namelijk als schuldeiser van [gedaagde sub 5] benadeeld en [gedaagde sub 1] valt hiervan een persoonlijk ernstig verwijt te maken, aldus [eiseressen c.s.]

3.3.

[gedaagden c.s.] voeren gemotiveerd verweer tegen de vorderingen van [eiseressen c.s.] met als conclusie dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, primair de vorderingen van [eiseressen c.s.] zal afwijzen, met hoofdelijke veroordeling van [eiseressen c.s.] in de proceskosten en subsidiair de procedure zal aanhouden totdat partijen zich hebben kunnen uitlaten over het deskundigenbericht inzake de hoogte van de uittreedvergoeding.

4 De vordering in reconventie

4.1.

[gedaagden c.s.] vorderen - samengevat - na eiswijziging, dat de Rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de Ontvlechtingsovereenkomst bindend verklaart en daarbij [eiseressen c.s.] te veroordelen om het bedrag van € 940.000,-- met rente terug te betalen, alsmede [eiseressen c.s.] te veroordelen tot medewerking aan hun onderhandelingsplicht tot uitvoering van de Ontvlechtingsovereenkomst met inachtneming van de huidige situatie;

  2. indien uit het deskundigenrapport volgt dat de aan [eiseressen c.s.] toekomende uittreedvergoeding minder is dan € 940.000,--, [eiseressen c.s.] hoofdelijk, danwel [eiseres sub 2], worden veroordeeld tot terugbetaling van het verschil tussen € 940.000,-- en het door de deskundige vastgestelde bedrag met rente;

  3. [eiseressen c.s.] hoofdelijk, althans [eiseres sub 2] te veroordelen tot betaling aan [gedaagde sub 9] C.V. van een bedrag van € 12.801,63 met rente;

  4. [eiseres sub 2] te veroordelen tot betaling aan [gedaagde sub 5] van een bedrag van € 6.000,-- met rente;

  5. [eiseressen c.s.] hoofdelijk, althans [eiseres sub 2], te veroordelen tot betaling aan [gedaagde sub 9] C.V. van een bedrag van € 59.308,33 met rente;

  6. [eiseres sub 3] te veroordelen tot betaling aan [gedaagde sub 5] van een bedrag van € 29.787,66 met rente;

  7. [eiseressen c.s.] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van de procedure.

4.2.

Aan de onderscheiden vorderingen leggen [gedaagden c.s.] het volgende ten grondslag:

4.2.1.

Gezien de ontwikkelingen van de afgelopen jaren is de Ontvlechtingsovereenkomst bindend. [gedaagden c.s.] vorderen dan een verklaring voor recht ter zake. Voorts betekent dit dat er op partijen een verplichting rust tot dooronderhandelen betreffende de uitvoering van de Ontvlechtingsovereenkomst, zulks op grond van artikel 6:2 lid 1 BW. De vijf appartementen kunnen alsnog worden geleverd en [eiseressen c.s.] zullen externe financiering moeten vinden. Ook betekent deze verplichting dat de betaalde € 940.000,-- dient te worden terugbetaald, nu er in dat geval geen sprake meer is van het recht op een uittreedvergoeding.

4.2.2.

[gedaagden c.s.] verzoeken de rechtbank een deskundigenbericht te gelasten ter beantwoording van de vraag welk bedrag aan uittreedvergoeding moet worden betaald. Voor zover reeds meer is voldaan, dient het meerdere te worden terugbetaald.

4.2.3.

Het Gerechtshof Amsterdam heeft het vonnis van de Voorzieningenrechter vernietigd voor zover [gedaagden c.s.] zijn veroordeeld tot betaling van een hoger bedrag dan

€ 940.000,-- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 januari 2011. Het Gerechtshof heeft daarnaast [eiseressen c.s.] veroordeeld tot terugbetaling van het verschil tussen € 1.393.650,-- en € 940.000,-- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 november 2011 tot en met de dag van algehele voldoening. [eiseressen c.s.] hebben op 14 mei 2012 voldaan. [gedaagden c.s.] missen daarmee echter de terugbetaling van de wettelijke rente van 4 januari 2011 tot 1 november 2011, hetgeen een bedrag is van € 12.801,63. [gedaagden c.s.] vorderen dit bedrag op grond van onverschuldigde betaling ex artikel 6:203 lid 2 BW terug.

4.2.4.

[gedaagde sub 5] was aandeelhouder van het toenmalige [eiseres sub 3] B.V. Besloten is om in het kader van een herschikking van de vennootschappen in de groep de naam van [eiseres sub 3] B.V. te veranderen in [gedaagde sub 7] en de vennootschap te ‘verhangen’, waardoor in het vervolg onder meer [eiseres sub 2] als aandeelhouder zou optreden. Hiervoor was een koopprijs afgesproken van € 6.000,--. Deze zou mogelijk later worden verrekend met een vordering van [eiseres sub 2] op [gedaagde sub 5]. In verband met het uittreden van [eiseres sub 2] is dit echter niet geschied en thans vordert [gedaagde sub 5] deze koopprijs alsnog.

4.2.5.

Na het wijzen van het vonnis van de Voorzieningenrechter van 27 september 2011 hebben [eiseressen c.s.] aangestuurd op executie van het vonnis. Dit ondanks waarschuwingen van de zijde van [gedaagden c.s.] om in afwachting van een in te stellen hoger beroep niet tot executie over te gaan. Voorts hebben [gedaagden c.s.] [eiseressen c.s.] erop gewezen dat het voldoen aan de eisen van [eiseressen c.s.] tot hoge financieringskosten zou leiden. Toen [eiseressen c.s.] de executie toch dreigden door te zetten hebben [gedaagden c.s.] zich noodgedwongen gewend tot de FGH Bank, die voor financieringen boven € 1.000.000,-- hoge kosten in rekening brengt. Aan [eiseressen c.s.] is nog aangeboden om deze kosten te voorkomen door betaling van het bedrag van € 940.000,--. [eiseressen c.s.] hebben dit aanbod afgewezen. Nu het Gerechtshof Amsterdam het bedrag van € 940.000,-- uiteindelijk heeft toegewezen, is vast komen te staan dat [eiseressen c.s.] ten onrechte aanspraak hebben gemaakt op het verschil tussen € 1.393.650,-- en € 940.000,-- Dit heeft extra kosten met zich gebracht tot een totaalbedrag van € 59.308,33. [gedaagden c.s.] vorderen dit bedrag.

4.2.6.

Voorafgaand aan de procedure heeft [eiseres sub 3] diverse beslagen onder [gedaagde sub 5] gelegd. Blijkens een vonnis van de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Utrecht van 23 november 2012 levert het leggen van deze beslagen misbruik van recht op. Daardoor is het leggen van beslagen door [gedaagde sub 5] is derhalve onrechtmatig geweest. [gedaagde sub 5] heeft hierdoor schade geleden ter hoogte van de gemaakte advocaatkosten van € 29.878,66, aldus [gedaagden c.s.].

4.2.7.

[eiseressen c.s.] voeren gemotiveerd verweer tegen de vorderingen van [gedaagden c.s.] met als conclusie dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagden c.s.] niet-ontvankelijk zal verklaren, dan wel hun vorderingen zal afwijzen, met hoofdelijke veroordeling van [gedaagden c.s.] in de proceskosten.

4.3.

Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling

in conventie en reconventie

5.1.

In verband met de samenhang tussen een deel van de vorderingen in conventie en in reconventie zal de rechtbank de vorderingen gezamenlijk behandelen.

Gevolgen faillissement [gedaagde sub 5]

5.2.

[gedaagde sub 5] is – zoals weergegeven in rechtsoverweging 2.13 – op 16 oktober 2013 in

staat van faillissement verklaard.

5.3.

Op de vordering in conventie genoemd in rechtsoverweging 3.1 onder 2 is artikel 29 Fw. van toepassing, omdat het een verbintenis uit de boedel betreft. Het geding ten aanzien van deze vordering is dientengevolge van rechtswege geschorst.

5.4.

Voor de vorderingen in reconventie genoemd in rechtsoverweging 4.1 onder 4 en 6 heeft te gelden dat [gedaagde sub 5] als eisende partij is aan te merken. Artikel 27 Fw. is van toepassing. Aangezien [eiseressen c.s.] als gedaagde in reconventie niet om schorsing van de procedure heeft verzocht en de curator van [gedaagde sub 5] evenmin uit eigener beweging de procedure heeft overgenomen, loopt de procedure voor wat betreft deze vorderingen door (zie onder meer Rechtbank Zwolle-Lelystad 8 februari 2005, LJN AS9413). De rechtbank zal op deze vorderingen onder rechtsoverwegingen 5.31 tot en met 5.34 nader beslissen.

Ontvlechtingsovereenkomst bindend en verplichting tot dooronderhandelen

5.5.

Beide partijen hebben zich inmiddels op het standpunt gesteld dat de inhoud van de Ontvlechtingsovereenkomst bindend is, met dien verstande dat [eiseressen c.s.] menen dat het deel van de Ontvlechtingsovereenkomst dat nog niet is nagekomen is omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding. [gedaagden c.s.] hebben in reconventie een verklaring voor recht gevorderd dat de Ontvlechtingsovereenkomst bindend is. [eiseressen c.s.] hebben hiertegen aangevoerd dat het [gedaagden c.s.] aan belang ontbreekt in de zin van artikel 3:303 BW met niet-ontvankelijkheid tot gevolg, omdat [eiseressen c.s.] zich niet verzetten tegen het bindend karakter van de Ontvlechtingsovereenkomst.

5.6.

In het algemeen heeft te gelden dat de rechter terughoudend dient te zijn met het afwijzen van een vordering in verband met het ontbreken van voldoende belang. In tegenstelling tot wat [eiseressen c.s.] hebben aangevoerd is er wel degelijk voldoende belang om de gevraagde verklaring voor recht toe te wijzen. Er is tussen partijen al veelvuldig en langdurig geprocedeerd over de vraag of de Ontvlechtingsovereenkomst bindend is, waarbij [gedaagden c.s.] ook nog van standpunt zijn gewisseld. Bovendien is het voor de diverse te beslechten geschilpunten tussen partijen ook essentieel of van de verbindendheid van de Ontvlechtingsovereenkomst kan worden uitgedaan. Ten slotte hebben partijen – hoewel deels afgedwongen middels procedures – voor een groot deel al uitvoering gegeven aan de Ontvlechtingsovereenkomst, zodat het ook op die grond in de rede ligt om de verklaring voor recht toe te wijzen, hetgeen ook zal gebeuren.

5.7.

[gedaagden c.s.] koppelen aan de verklaring voor recht een vordering die ertoe strekt dat [eiseressen c.s.] worden gedwongen om door te onderhandelen teneinde te komen tot levering van vijf appartementen, waarvoor [eiseressen c.s.] dan ook externe financiering zouden moeten verkrijgen. [eiseressen c.s.] hebben hiertegen aangevoerd dat van een verplichting tot dooronderhandelen geen sprake meer kan zijn, nu de Ontvlechtingsovereenkomst in punt 29 van de conclusie van repliek in conventie op grond van artikel 6:87 BW voor wat betreft de koop en de levering van de appartementen inmiddels is omgezet in een vordering strekkende tot vervangende schadevergoeding. Zuivering van het verzuim in de zin van artikel 6:86 BW is na deze omzettingsverklaring niet meer mogelijk, aldus [eiseressen c.s.]

5.8.

De vordering tot dooronderhandelen zal worden afgewezen. Zoals uit rechtsoverweging 5.12 volgt hebben [eiseressen c.s.] de Ontvlechtingsovereenkomst op grond van artikel 6:87 BW terecht omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding, waarmee de Ontvlechtingsovereenkomst voor het deel dat nog niet is nagekomen teniet is gegaan. Nakoming is derhalve niet meer mogelijk, waardoor een verplichting tot dooronderhandelen volledig zinledig zou zijn. Ook los van het voorgaande zou een verplichting tot dooronderhandelen leiden tot een ‘mission impossible’ nu door tijdsverloop nakoming van één van de verbintenissen uit de Ontvlechtingsovereenkomst (het leveren van vijf appartementen in ‘[naam]’) niet meer mogelijk is. [gedaagden c.s.] hebben zelf immers ter comparitie verklaard dat van deze vijf appartementen er inmiddels drie zijn verkocht aan derden. Het zoeken naar ‘equivalenten’ om alsnog tot uitvoering van de Ontvlechtingsovereenkomst te komen, zoals [gedaagden c.s.] ter comparitie hebben opgemerkt baten hen niet, omdat het resultaat van de te voeren onderhandelingen in strijd met de geest van de oorspronkelijke Ontvlechtingsovereenkomst is.

5.9.

Het voorgaande brengt met zich mee dat ook de vordering tot terugbetaling van € 940.000,-- in het kader van de reconventionele vordering onder 1 zal worden afgewezen. Dat laat onverlet dat in verband met de reconventionele vordering onder 2 nog moet worden beoordeeld of [eiseressen c.s.] (een deel van) het ontvangen bedrag moeten terugbetalen (zie hiervoor rechtsoverweging 5.15. e.v.).

Toerekenbare tekortkoming

5.10.

Om te kunnen beoordelen of er sprake is van recht op schadevergoeding dient eerst te worden vastgesteld of [gedaagden c.s.] toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van de verplichtingen voortvloeiend uit de Ontvlechtingsovereenkomst. [eiseressen c.s.] heeft gesteld dat dit het geval is, nu [gedaagde sub 1] zonder overleg met [eiseressen c.s.] zijn overgegaan tot het verhypothekeren van de te realiseren appartementsrechten. Gezien de norm van artikel 6:2 lid 1 BW hadden [gedaagden c.s.] zich hiervan moeten onthouden. Dit is aan [gedaagden c.s.] toe te rekenen. Bovendien rustte op grond van artikel 5 lid 3 van de Ontvlechtingsovereenkomst op alle gedaagden in conventie de verplichtingen om al het nodige te doen teneinde tot uitvoering van de afspraken te komen. [gedaagden c.s.] hebben dat echter niet gedaan en zelfs actief toegelaten dat de te realiseren appartementsrechten werden verhypothekeerd, aldus nog steeds [eiseressen c.s.]

5.11.

[gedaagden c.s.] hebben betwist dat er sprake is van een toerekenbare tekortkoming. Zij hebben hiertoe aangevoerd dat ten tijde van de onderhandelingen met [eiseressen c.s.] over de uittreding, het [project] en andere projecten, waarmee het concern zich bezighield, in slecht weer verkeerden, waardoor zij zich genoodzaakt zagen om andere vormen van financiering te onderzoeken. Zij zijn daarin geslaagd door inschakeling van de FGH Bank. Dat [eiseressen c.s.] hier niet bij betrokken zijn komt, omdat [gedaagde sub 1] zelfstandig bevoegd was om [gedaagde sub 7] en [gedaagde sub 9] C.V. te vertegenwoordigen en doordat de nood hoog was. Bovendien zouden de al stroef lopende onderhandelingen met [eiseressen c.s.] nog gecompliceerder worden en mogelijk tot afstel van de financiering leiden. Ten slotte was er slechts een conceptovereenkomst met [eiseressen c.s.] Als er al sprake is van een toerekenbare tekortkoming heeft dit slechts te gelden voor [gedaagde sub 9] C.V., omdat conform de overeenkomst op deze entiteit de verplichting rustte om tot levering over te gaan. Artikel 5 lid3 van de Ontvlechtingsovereenkomst is een standaardbepaling en als zodanig aan te merken als een boilerplate-clausule, die volgens HR 5 april 2013, NJ 2013, 214 beperkt moet worden uitgelegd, aldus [gedaagden c.s.].

5.12.

Deze stellingen kunnen [gedaagden c.s.] niet baten. Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van een toerekenbare tekortkoming zijdens [gedaagden c.s.] in de nakoming van de Ontvlechtingsovereenkomst. Onbetwist is dat [gedaagden c.s.] [eiseressen c.s.] er niet van op de hoogte hadden gesteld dat de te realiseren appartementsrechten verhypothekeerd zouden worden. Dat de projecten van het concern kennelijk in zwaar weer verkeerden, waardoor er een noodzakelijkheid tot herfinanciering bestond, maakt dat niet anders. Dit dient voor rekening en risico te blijven van [gedaagden c.s.], zeker nu zij er voor gekozen hebben om [eiseressen c.s.] niet op de hoogte te stellen van de besprekingen met de FGH Bank, zodat in gezamenlijk overleg tot een oplossing had kunnen worden gekomen.

Dat het betrekken van [eiseressen c.s.] bij de financiering tot nog moeilijker onderhandelingen tussen partijen zou leiden, is onvoldoende onderbouwd en niet relevant. De toerekenbare tekortkoming is ook aan [gedaagden c.s.] toe te rekenen en niet alleen aan [gedaagde sub 9] C.V. Het is onmiskenbaar dat de Ontvlechtingsovereenkomst verplichtingen meebracht voor alle bij de overeenkomst betrokken partijen. Het verweer dat een toerekenbare tekortkoming slechts is toe te rekenen aan één van die partijen, om de enkele reden dat die eigenaar is van de te leveren appartementsrechten, wordt, in het licht van de totale overeenkomst, dan ook niet gevolgd. Daar komt nog bij dat het blijkens de stellingen van [gedaagden c.s.] Voerman was die de onderhandelingen met FGH Bank voerde ten behoeve van alle gedaagde partijen. Het laat zich ook tegen die achtergrond slecht denken dat alleen [gedaagde sub 9] C.V. toerekenbaar tekort is geschoten. Artikel 5.3 van de Ontvlechtingsovereenkomst (zie rechtsoverweging 2.9.) bevestigt de wederzijdse rechten en verplichtingen van alle partijen. Er komt, in weerwil van hetgeen [gedaagden c.s.] hierover aanvoeren, wel degelijk zelfstandige betekenis aan dit artikel toe. Toegespitst op de situatie rondom het met hypotheek bezwaren van de appartementsrechten, oordeelt de rechtbank dat hiermee sprake is van een schending van de verplichting van partijen om in het kader van de realisering van de Ontvlechtingsovereenkomst al datgene te laten wat daartoe nuttig is. Dat de Hoge Raad in zijn arrest van 5 april 2013, NJ 2013, 214 aan een dergelijke bepaling (voor zover artikel 5.3 al als een boilerplate- of entire agreement clause kan worden gecategoriseerd) weinig waarde toekent, zoals [gedaagden c.s.] ingang willen doen vinden, berust op een onjuiste lezing van dit arrest, nu de Hoge Raad nadrukkelijk ook de mogelijkheid openhoudt om de bepaling anders te lezen namelijk tegen de achtergrond van de overeenkomst als geheel.

Positie [B]

5.13.

[gedaagden c.s.] hebben aangevoerd dat de vorderingen van [eiseressen c.s.] ten aanzien van [B] dienen te worden afgewezen. Hij is geen partij bij de Ontvlechtingsovereenkomst en wordt enkel als indirect vertegenwoordiger van [gedaagde sub 4] genoemd. Bovendien is hij niet betrokken geweest bij de onderhandelingen. Uit de Ontvlechtingsovereenkomst vloeien ook geen rechten voort voor [B].

5.14.

Met recht voeren [eiseressen c.s.] aan dat [B] wel degelijk partij bij de overeenkomst is. Onder de ‘ondergetekenden’ staat [B] op dezelfde wijze genoemd als andere partijen. Van enig kenbaar onderscheid is geen sprake. De stelling van [gedaagden c.s.] ter comparitie dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen een ‘ondergetekende’ en een ‘partij’ dient zonder nadere toelichting, die ontbreekt, te worden verworpen. Ook [A] en [gedaagde sub 1] zijn onbetwist in privé als partij bij de overeenkomst betrokken en hadden in de participatie dezelfde positie als [B]. Derhalve is er geen aanleiding om bij een eventuele toewijzing van één of meerdere vorderingen van [eiseressen c.s.] deze vorderingen ten aanzien van [B] af te wijzen.

De uittreedvergoeding

5.15.

De vordering in conventie genoemd onder rechtsoverweging 3.1 onder 1 en de vorderingen in reconventie genoemd onder rechtsoverweging 4.1 onder 2, 3 en 5 hebben allemaal betrekking op het voornaamste geschilpunt tussen partijen: de hoogte van de door [gedaagden c.s.] aan [eiseressen c.s.] te betalen vervangende schadevergoeding. [eiseressen c.s.] stellen dat deze dient te worden vastgesteld op € 2.182.152, zijnde de optelsom van het bedrag van € 1.800.000,--, dat als resultante van de onderhandelingen tussen partijen wordt ‘meegegeven’ in de te leveren appartementen, en de rentekorting van € 382.512,--. Deze vervangende schadevergoeding heeft een abstract karakter, waarbij er geen rekening kan worden gehouden met omstandigheden achteraf. Er kan derhalve ook geen netto contante waarde berekening worden toegepast of rekening worden gehouden met de daadwerkelijke opbrengst achteraf. Uitgegaan moet worden van de waarde op de geplande datum van de levering: 4 januari 2011. Dit alles volgt uit HR 26 april 2002, NJ 2004, 210 ([naam]/[naam]) en de nodige literatuur waaronder de noot van Hijma in de NJ bij het arrest, aldus nog steeds [eiseressen c.s.].

5.16.

[gedaagden c.s.] bestrijden deze uitleg van het begrip vervangende schadevergoeding. Uit [naam]/[naam] volgt niet dat er geen netto contante waarde berekening mag worden toegepast. De te bepalen schadevergoeding mag niet los worden gezien van de Ontvlechtingsovereenkomst als geheel en de onderlinge verhoudingen tussen partijen. Zo kan het risico-element dat in de Ontvlechtingsovereenkomst verdisconteerd zit niet buiten beschouwing worden gelaten.

5.17.

In het arrest [naam]/[naam] oordeelt de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.4.2 dat vervangende schadevergoeding moet worden begroot op basis van de vermogensvermindering die ten tijde van de niet-nakoming door de tot de prestatie gerechtigde is geleden, ten opzichte van de situatie waarin hij zou zijn geraakt bij behoorlijke nakoming van de verbintenis. Deze uitleg sluit, ander dan [eiseressen c.s.] ingang willen doen vinden, niet uit dat er achteraf geen berekening van de (netto contante) waarde van de vijf appartementen ten tijde van de beoogde overdracht kan worden gemaakt. Met een dergelijke berekening kunnen risico’s, zoals die zich destijds voordeden of voorzienbaar waren, worden verdisconteerd. Bij behoorlijke nakoming van de verbintenis immers zou [eiseressen c.s.] de overeengekomen, op dat moment nog te realiseren, appartementsrechten geleverd hebben gekregen en vanaf dat moment ook het risico van waardevermindering ervan hebben gelopen. Zeker het feit dat de appartementsrechten nog gebouwd moesten worden, hield een fors risico in, hetgeen [A] als ervaren projectontwikkelaar wist dan wel moest weten.

5.18.

Weliswaar wordt er in [naam]/[naam] door de Hoge Raad nog overwogen dat er voor de berekening van de vervangende schadevergoeding geen betekenis toekomt aan de uiteindelijk gerealiseerde koopprijs, dit staat echter niet in de weg aan het meenemen van bijvoorbeeld een netto contante waarde berekening van deze schade. Bij een netto contante waarde berekening wordt (juist) geen rekening gehouden met daadwerkelijk gerealiseerde koopprijzen, maar met de verwachte koopprijs op het moment dat er diende te worden nagekomen. Aldus is er geen discrepantie met hetgeen de Hoge Raad in [naam]/[naam] heeft overwogen.

5.19.

Een en ander leidt tot de conclusie dat de vordering van [eiseressen c.s.] tot bepaling van de uittreedvergoeding op een bedrag van € 2.182.512,-- zal worden afgewezen. [eiseressen c.s.] is uitgegaan van een bedrag van € 1.800.000,-- wat, gezien het voorgaande, een onjuist uitgangspunt is voor de te bepalen vervangende schadevergoeding. Ook op de rentekorting van € 382.512,-- hebben [eiseressen c.s.] geen recht, nu hierop op basis van de Ontvlechtingsovereenkomst slechts aanspraak zou kunnen worden gedaan indien [eiseressen c.s.] – kort gezegd – zij de te realiseren appartementsrechten zelf zouden financieren. Uiteindelijk zijn partijen niet zover gekomen en niet is gebleken – zoals [eiseressen c.s.] aanvoeren – dat deze rentekorting op de in de Ontvlechtingsovereenkomst overeengekomen wijze wel door [eiseressen c.s.] zou zijn verkregen.

5.20.

Over de hoogte van deze schadevergoeding hebben partijen diverse rapportages doen opstellen. [eiseressen c.s.] beroepen zich op een rapportage opgesteld door Fakton (hierna te noemen: het rapport Fakton). In dit rapport wordt geconcludeerd dat [eiseressen c.s.] op basis van de Ontvlechtingsovereenkomst recht hebben op een uittreedvergoeding van € 2.182.152,--. Indien er wel met een contante waarde rekening dient te worden gehouden komt Fakton uit op een bedrag van € 1.992.000,--, waarbij rekening is gehouden met een disconteringsvoet van 3,7%.

5.21.

[gedaagden c.s.] beroepen zich op een rapport, opgesteld door DTZ Zadelhoff (hierna te noemen: het rapport Zadelhoff). Blijkens dit rapport is de contante waarde van de vordering die [eiseressen c.s.] op [gedaagden c.s.] hebben € 2.940.000,--. Bij de berekening van deze waarde is een disconteringsvoet gehanteerd van 9%. In dit percentage is zowel meegenomen het uitgangspunt dat [eiseressen c.s.] rente kunnen genereren met de te ontvangen vergoeding, alsmede is daarin verdisconteerd dat [eiseressen c.s.] na ontvangst van het bedrag niet langer het verkooprisico lopen voor de appartementen. Nu van de € 2.940.000,-- een bedrag van € 2.000.000,-- in betaling zou worden gegeven op de in de Ontvlechtingsovereenkomst weergegeven wijze resteert er voor [eiseressen c.s.] een vergoeding van € 940.000,--. Een ander in opdracht van [gedaagden c.s.] opgesteld rapport, van de hand door BrightOrangeTalanton Corporate Finance (hierna te noemen: het rapport Talanton), bevestigt hetgeen in het rapport Zadelhoff is weergegeven, aldus [gedaagden c.s.]

5.22.

De rechtbank is voornemens om de uitkomst van het rapport Zadelhoff te volgen. Daarin is immers rekening gehouden met de uitgangspunten van de Ontvlechtingsovereenkomst op de wijze zoals hiervoor is overwogen. Bovendien is er geen sprake van strijdigheid met het begrip vervangende schadevergoeding. Ook hiervoor wordt verwezen naar hetgeen eerder is overwogen.

5.23.

De rechtbank acht het voorts nodig een deskundigenbericht in te winnen. Voordat daartoe wordt overgegaan, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de wenselijkheid van een deskundigenbericht, over het aantal en het specialisme van de te benoemen deskundige(n) en over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen. Indien partijen zich wensen uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige(n), dienen zij daarbij aan te geven over welke deskundige(n) zij het eens zijn, dan wel tegen wie zij gemotiveerd bezwaar hebben. De rechtbank zal de zaak hiertoe naar de rol verwijzen.

5.24.

De rechtbank is voornemens de te benoemen deskundige(n) de navolgende vragen voor te leggen:

  1. DTZ Zadelhoff bepaalt in haar de onderhandse verkoopwaarde van de vijf appartementsrechten met peildatum 3 januari 2011 op € 3.750.000,--. Kunt u zich vinden in deze waardering en – zo nee – wat moet deze waarde dan zijn? Hoe komt u tot deze laatste waardebepaling?

  2. Wat is een redelijke aanname ten aanzien van de periode die nodig is om alle te realiseren appartementsrechten te verkopen?

  3. Wat zijn redelijke aannames voor de rente c.q. disconteringsvoet die in een contante waarde berekening zou moeten worden aangehouden en kunt u deze gevonden waardes doorrekenen aan de hand van de waarde die door u onder 1 is bepaald?

  4. Kunt u de conclusie van het rapport van DTZ Zadelhoff voor het overige onderschrijven? Waarom wel/niet?

  5. Kunt u de conclusie van het rapport van BrightOrangeTalanton ten aanzien van de economische waarde van de rentekorting onderschrijven? Waarom wel/niet?

  6. Kunt u de conclusie van het rapport van Fakton onderschrijven? Waarom wel/niet?

  7. Heeft u nog overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang zouden kunnen zijn?

5.25.

De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt van de wet, dat het voorschot op de kosten van de deskundigen in beginsel door de eisende partij moet worden gedeponeerd. Dit voorschot zal daarom door [eiseressen c.s.] moeten worden betaald.

5.26.

Uit het antwoord op vraag 2 zal een bedrag volgen, op basis waarvan de uittreedvergoeding kan worden berekend. Deze uittreedvergoeding wordt verkregen door van het bedrag, dat uit het antwoord op vraag 2 volgt, af te trekken een bedrag van € 1.992.250,--. Dit is het bedrag dat [eiseressen c.s.] blijkens de Ontvlechtingsovereenkomst schuldig blijft aan [gedaagden c.s.], nadat van de door partijen vastgestelde waarde van de te realiseren appartementsrechten ad. € 3.792.250,-- de vordering op [gedaagde sub 10] C.V. ad. € 1.500.000,-- en de koopprijs van de aandelen [gedaagde sub 7] ad. € 300.000,-- worden afgetrokken.

5.27.

Het voorgaande heeft tot gevolg dat op de vorderingen in conventie genoemd in rechtsoverweging 3.1 onder 1 en 5, alsmede de vorderingen in reconventie genoemd in rechtsoverweging 4.1 onder 2, 3, 5 en 7 later zal worden beslist.

Betaling door [gedaagde sub 2]/[gedaagde sub 1] vonnis 27 maart 2013

5.28.

Uit het vonnis van 27 maart 2013 van de Rechtbank Midden-Nederland volgt dat [gedaagde sub 5] aan [eiseres sub 3] een bedrag dient te voldoen. Daartoe heeft [eiseres sub 3] executoriaal beslag gelegd onder (onder meer) [gedaagde sub 2]. Kortweg vorderen [eiseressen c.s.] betaling van [gedaagde sub 2] uit hoofde van het niet voldoen aan hetgeen in artikel 477 lid 1 Rv. is bepaald. Daarin is vastgelegd dat de derde-beslagene (in casu: [gedaagde sub 2]) hetgeen zij van de beslagdebiteur (in casu: [eiseres sub 3]) ontvangt aan de deurwaarder dient af te geven. De daartoe strekkende vordering van [eiseressen c.s.] (weergegeven in rechtsoverweging 3.1 onder 3) strekt echter tot betaling van het bedrag aan [eiseres sub 3] en niet aan de deurwaarder. Ter comparitie hebben [eiseressen c.s.] ook verklaard dat in de vordering afgifte aan de deurwaarder had moeten staan. Nu de eis van [eiseressen c.s.] niet dienovereenkomstig is gewijzigd dient deze vordering van [eiseressen c.s.] te worden afgewezen. Voorts is onvoldoende gesteld om de vordering op een andere rechtsgrond toe te wijzen.

5.29.

[eiseressen c.s.] stellen voorts dat [eiseres sub 3] is benadeeld als schuldeiser van [gedaagde sub 5], omdat [gedaagde sub 1] actief bewerkstelligt dat [gedaagde sub 2] haar vordering op hemzelf niet incasseert en omdat hij actief vermogensbestanddelen aan [gedaagde sub 5] heeft onttrokken. Daarvan valt [gedaagde sub 1] een persoonlijk, ernstig verwijt te maken en handelt hij onrechtmatig, omdat hij aldus zijn privébelangen laat prevaleren boven die van de schuldeisers van [gedaagde sub 5] en [gedaagde sub 2]. Daardoor dient [gedaagde sub 1] aan [eiseres sub 3] datgene te voldoen, hetgeen [gedaagde sub 5] aan [eiseres sub 3] verschuldigd is uit hoofde van het vonnis van de rechtbank van 27 maart 2013 voor zover [gedaagde sub 2] niet aan [eiseres sub 3] voldoet.

5.30.

[gedaagden c.s.] voeren tegen deze vordering onder meer aan dat [eiseressen c.s.] onvoldoende hebben gesteld om van onrechtmatig handelen zijdens [gedaagde sub 1] te kunnen spreken. Dit hebben [gedaagden c.s.] met recht aangevoerd. Met name is gesteld noch gebleken dat er sprake is van een persoonlijk, ernstig verwijt aan het adres van [gedaagde sub 1] jegens [eiseres sub 3] als schuldeiser van [gedaagde sub 5]. Alle verwijten die [eiseressen c.s.] [gedaagde sub 1] maken zien toe op mogelijk onrechtmatig handelen van [gedaagde sub 1] jegens de gezamenlijke schuldeisers van [gedaagde sub 5]. Nu [gedaagde sub 5] is gefailleerd ligt het op de weg van de curator om namens deze gezamenlijke schuldeisers te ageren. Deze vordering van [eiseressen c.s.] zal dan ook worden afgewezen.

Koopprijs aandelen [gedaagde sub 7] ad. € 6.000,--

5.31.

[gedaagden c.s.] stellen dat [eiseres sub 2] de koopprijs ad. € 6.000,-- van de verkoop van de aandelen [gedaagde sub 7] door [gedaagde sub 5] niet heeft voldaan. Zij vorderen betaling van dit bedrag. De koopprijs vloeit voort uit de notariële akte d.d. 4 juni 2010. [eiseressen c.s.] stellen daartegenover dat [eiseres sub 2] vermoedt dat zij reeds heeft voldaan middels verrekening van de koopprijs in de rekening-courantverhouding tussen [gedaagde sub 5] en [eiseres sub 2]. [gedaagden c.s.] op hun beurt betwisten deze verrekening en voeren aan dat op [eiseressen c.s.] de bewijslast rust van dit bevrijdende verweer. [eiseressen c.s.] stellen hier weer tegenover dat [gedaagde sub 5] alsdan haar administratie zal moeten openleggen om te kunnen bepalen in hoeverre er daadwerkelijk verrekend is. Ten slotte wijzen zij erop dat in artikel 2.2 is bepaald dat de wijze van betaling nader tussen [gedaagde sub 5] en [eiseres sub 2] zal worden overeengekomen. Daarover, aldus [eiseressen c.s.], hebben [gedaagden c.s.] onvoldoende gesteld.

5.32.

Hetgeen [eiseressen c.s.] aanvoert omtrent het niet-voldoen aan de stelplicht door [gedaagden c.s.] voor wat betreft de wijze van betalen treft doel. In de notariële akte hebben [gedaagde sub 5] en [eiseres sub 2] immers afgesproken dat de wijze van betaling nader zal worden overeengekomen. Derhalve voldoen [gedaagden c.s.] niet aan hun stelplicht door niet aan te voeren wát partijen dan zijn overeenkomen omtrent de wijze van betalen. De vordering zal dan ook worden afgewezen.

Vergoeding schade beslaglegging

5.33.

[gedaagden c.s.] vorderen dat [eiseres sub 3] zal worden veroordeeld om aan [gedaagde sub 5] te voldoen een bedrag van € 29.787,66 aan schadevergoeding in verband met advocaatkosten die [gedaagde sub 5] heeft moeten maken in verband met misbruik van recht zijdens [eiseres sub 3], bestaande uit het leggen van onterechte beslagen.

5.34.

[eiseressen c.s.] verweren zich onder meer door aan te voeren te stellen dat kosten van juridische bijstand geacht worden te zijn geïncorporeerd in de proceskostenveroordeling. Dit is met recht door [eiseressen c.s.] aangevoerd. Deze kosten worden forfaitair berekend op basis van de artikelen 237 tot en 239 Rv. Dat is, blijkens de proceskostenveroordeling, ook geschied in het vonnis van de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Utrecht d.d. 23 november 2012. Deze vordering zal derhalve worden afgewezen.

6 De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

6.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 24 september 2014 voor het nemen van een akte door beide partijen waarin zij zich uitlaten over de aangekondigde deskundigenrapportage.

6.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.S. Elkhuizen-Koopmans, mr. A.M. Loots en mr. K.G. van de Streek en in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2014.1

1 type: KvdS/4607coll: