Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:3785

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
26-08-2014
Datum publicatie
01-09-2014
Zaaknummer
UTR 14/1145
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Boete van € 950,35 vanwege schending inlichtingenplicht tijdens Wwb-uitkering in periode 1 maart 2013 tot en met 31 juli 2013. Verweerder heeft de boetehoogte, gebaseerd op artikel 18a, eerste lid, van de Wwb, gesteld op de hoogte van het benadelingsbedrag. Boetebesluit socialezekerheidswetten voor Wwb-zaken, vermoedelijk door een wetstechnische fout, niet per 1 januari 2013 maar pas per 1 juli 2014 in werking getreden.

Evenredigheid: omdat in deze zaak de Wwb zoals gewijzigd met de Wet aanscherping wel, maar het Boetebesluit niet van toepassing is en dus de hoogte van de bestuurlijke boete wel bij wettelijk voorschrift is gemaximeerd, maar niet is vastgesteld op een gefixeerd bedrag, wordt het kader voor de toets aan het evenredigheidsbeginsel gevormd door artikel 5:46, tweede lid, van de Awb. Relevante factoren zijn de aard en de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid, de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd en de omstandigheden ten tijde van de boeteoplegging. Het bestuursorgaan en in volgende instantie de rechter moeten op deze wijze een omvattende evenredigheidsbeoordeling maken, waarbij zij de relevante feiten en omstandigheden passen binnen dit kader van factoren en ook het gelijkheidsbeginsel en een consistente boeteoplegging bewaken. De rechtbank acht in deze zaak een boete van € 300,- evenredig.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 18a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/312 met annotatie van H.W.M. Nacinovic en C.W.C.A. Bruggeman
JG 2014/74 met annotatie van mw. mr. dr. C. Raat
AB 2015/9

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 14/1145

uitspraak van de meervoudige kamer van 26 augustus 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. drs. G.P. de Vries),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder

(gemachtigde: J.C. de Roos).

Procesverloop

Bij besluit van 10 oktober 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een bestuurlijke boete van € 950,35 opgelegd.

Bij besluit van 22 januari 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Het onderzoek is ter zitting geschorst. De rechtbank heeft verweerder opgedragen om de uitnodigingsbrief voor de hoorzitting, informatie waaruit blijkt wanneer deze is verzonden en het voornemen tot het opleggen van een bestuurlijke boete over te leggen. Verweerder heeft daarop gereageerd, waarop eiser zijn reactie heeft gegeven. Nadat partijen de rechtbank toestemming hebben verleend om zonder een nadere zitting uitspraak te doen, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.

In de hier relevante periode heeft de volgende besluitvorming van verweerder plaatsgevonden.

1.1

Bij besluit van 24 september 2013 heeft verweerder eisers recht op bijstand herzien over de periode van 1 maart 2013 tot en met 31 juli 2013 en daarbij een bedrag van € 950,35 van eiser teruggevorderd. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden door niet te melden dat hij in de periode van 1 maart 2013 tot en met 31 juli 2013 inkomsten uit arbeid heeft ontvangen. Eiser heeft tegen het besluit van 24 september 2013 geen rechtsmiddel aangewend. Dit besluit staat dan ook in rechte vast.

2.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden in de genoemde periode door inkomsten uit arbeid bij drie verschillende werkgevers niet op te geven. Verweerder heeft de boetehoogte gesteld op de hoogte van het benadelingsbedrag. De boete is gebaseerd op artikel 18a, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (Wwb)

3.1

Eiser voert aan dat de boete hem ten onrechte is opgelegd. Hij worstelde in de hier relevante periode met verslavingsproblematiek en wenste ondanks zijn problemen in de maatschappij te blijven functioneren. Hij ging steeds weer aan het werk, maar hield dit telkens slechts enkele dagen vol. Uiteindelijk werd eiser op 29 juli 2013 opgenomen in een verslavingskliniek. Eiser legt in dit verband een bevestiging van Amethist Verslavingszorg Flevoland over, waarin staat dat eiser in de periode van 29 juli 2013 tot en met 2 augustus 2013 werd behandeld op de afdeling Detox en dat hij in de van periode van 23 september 2013 tot en met 12 november 2013 werd behandeld bij de dagbehandeling. Eisers ernstige verslavingsproblematiek maakte deze opname noodzakelijk. Dat eiser in deze psychisch zeer zware periode is vergeten zijn verdiensten uit enkele pogingen tot hervatting in het arbeidsproces op te geven, staat niet in verhouding tot deze boete. Daarbij stelt hij in het verleden zijn inkomsten wel altijd te hebben gemeld. Eiser wijst er verder op dat het voor hem zeer belastend is dat hij, na deze zware periode, heeft te kampen met hoge schulden. Verder heeft eiser er ter zitting op gewezen dat hij zijn leven weer op de rails probeert te krijgen, dat hij clean is, dat hij bij zijn ouders woont en dat hij af en toe werkzaamheden verricht als figurant. Eiser voert aan dat de boete onevenredig hoog is, dan wel dat er vanwege zijn persoonlijke omstandigheden dringende redenen als bedoeld in artikel 18a, zevende lid, aanhef en onder b, van de Wwb zijn die maken dat verweerder had moeten afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete. Eiser heeft ter zitting het beroep op artikel 18a, vierde lid, van de Wwb laten vallen.

3.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat, nu vaststaat dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden, hij op grond van de wet- en regelgeving verplicht is om aan eiser een bestuurlijke boete op te leggen ter hoogte van het benadelingsbedrag, zo heeft hij ter zitting toegelicht. Verder heeft verweerder ter zitting desgevraagd verklaard in de door eiser naar voren gebrachte omstandigheden geen aanleiding te zien om de boete te verlagen als bedoeld in artikel 18a, zevende lid, aanhef en onder a, van de Wwb. Voor de beoordeling of aanleiding bestaat om tot matiging van de boete over te gaan, hanteert verweerder een document van Stimulansz waarin een aantal criteria is opgenomen. Ter zitting heeft verweerder er uitdrukkelijk op gewezen dat dit geen beleidsregel is, maar dat dit document slechts binnen de verantwoordelijke afdeling van de gemeente als “handigheidje” wordt gehanteerd. Deze criteria komen overigens overeen met de criteria zoals opgenomen in artikel 2a, tweede lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten (Boetebesluit).

3.3

Gelet op artikel 8:69, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet de bestuursrechter, binnen de omvang van het geding zoals dat wordt afgebakend met toepassing van artikel 8:69, eerste lid, van die wet, ook indien geen beroepsgronden zijn aangevoerd over de toepasselijke wet- en regelgeving, zich afvragen welke wet- en regelgeving in het voorliggende geval van toepassing is. Daarom overweegt de rechtbank het volgende.

3.4

Met de inwerkingtreding van de Wet van 4 oktober 2012 tot wijziging van de wetgeving op het beleidsterrein van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het kader van de harmonisatie en aanscherping van de sanctiemogelijkheden ter versterking van de naleving en handhaving en bestrijding van misbruik en fraude, in de Kamerstukken verkort aangeduid als de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving (Wet aanscherping, Stb. 2012, 462) per 1 januari 2013 is artikel 18a van de Wwb in werking getreden. Op grond van het eerste lid van dit artikel, voor zover van belang, legt het college een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wwb. In artikel 18a, zevende lid, aanhef en onder a, van de Wwb is bepaald dat het college de bestuurlijke boete kan verlagen indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid. In artikel 18a, zevende lid, aanhef en onder b, van de Wwb is bepaald dat het college kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. In artikel 18a, negende lid, van de Wwb is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete.

3.5

Met het Besluit van 13 oktober 2012, houdende wijziging van een aantal algemene maatregelen van bestuur in verband met de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving (Besluit aanscherping, Stb. 2012, 484) is voor een aantal formeelwettelijke boeteregelingen in het kader van de Wet aanscherping het Boetebesluit per 1 januari 2013 gewijzigd. In de considerans en in artikel 1, aanhef en onder k, van het Boetebesluit wordt de Wwb genoemd. In artikel 2, eerste lid, van het Boetebesluit is bepaald dat de bestuurlijke boete wordt vastgesteld op de hoogte van het benadelingsbedrag. Met deze wijziging van het Boetebesluit lijkt de regelgever op het eerste gezicht geregeld te hebben ook op grond van artikel 18a, negende lid, van de Wwb bepalingen over de hoogte van de boetes op grond van de Wwb te hebben vastgelegd. Dat is echter, door vermoedelijk een wetstechnische fout, niet per 1 januari 2013 maar pas per 1 juli 2014 gebeurd. Artikel 6b, met als opschrift "Grondslag", van het Boetebesluit verankert dat het Boetebesluit niet alleen voor allerhande boetes waarop dat besluit ook al voordien van toepassing was, maar ook voor de boetes op grond van onder meer de Wwb bepalingen geeft over de hoogte van die boetes. Dat artikel 6b bepaalt namelijk dat het Boetebesluit mede is gebaseerd op onder meer artikel 18a, negende lid, van de Wwb. Met de Wet aanscherping werd immers, anders dan bij vele andere wetten op het SZW-terrein, in de Wwb een nieuwe boete geïntroduceerd en daarom behoefde dat ook een aparte grondslag in het Boetebesluit. Het genoemde artikel 6b is op zijn beurt opgenomen in artikel III, onderdeel F, van het Besluit aanscherping. In het Besluit van 24 oktober 2012 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van het Besluit aanscherping (Stb. 2012, 531) is bepaald dat de artikelen van het Besluit aanscherping in werking treden op 1 januari 2013 met uitzondering van artikel III, onderdelen D, E en F. Artikel X, tweede lid, van het Besluit aanscherping bepaalt dat "artikel III, onderdelen D, E en F met betrekking tot artikel 6a" in werking treedt op de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst en terugwerkt tot en met 1 januari 2011. Het tekstgedeelte "F met betrekking tot artikel 6a" kan niet anders worden gelezen dan dat het wel betrekking heeft op artikel 6a en dus niet op artikel 6b. De regelgever heeft zich dit naar het zich laat aanzien ook gerealiseerd door in artikel 13, getiteld "Wijziging van het Boetebesluit socialezekerheidswetten", onderdeel C, van het Besluit van 1 maart 2014 houdende voorschriften ter uitvoering van de Remigratiewet en tot wijziging van enige andere algemene maatregelen van bestuur (Remigratiebesluit, Stb. 2014, 99) alsnog artikel 6b aan het Boetebesluit toe te voegen (en daar niet te volstaan met de enkele toevoeging van de boetebepaling in de Remigratiewet). Het Remigratiebesluit en daarmee dus ook artikel 6b van het Boetebesluit is gelet op artikel 18 van het Remigratiebesluit tegelijkertijd in werking getreden met de Wet van 10 juli 2013 tot wijziging van de Remigratiewet (Heroverweging Remigratiewet) en die datum is in het inwerkingtredingsbesluit (Stb. 2014, 156) bepaald op 1 juli 2014.

3.6

Hoewel uit de toelichtingen bij de Wet aanscherping en aanverwante regelgeving op zichzelf valt af te leiden dat het steeds de bedoeling was het Boetebesluit vanaf de inwerkingtreding van de Wet aanscherping mede van toepassing te verklaren op de Wwb, is zeker in boetezaken voor een terzijdeschuiven van de duidelijke tekst van algemeen verbindende voorschriften ten gunste van een uit die toelichtingen blijkende bedoeling geen plaats. In een boetezaak, zoals nu aan de orde, verzet in het bijzonder het zogeheten lex-certabeginsel zich tegen zo'n extensieve lezing op grond van een bedoelde werking van regelgeving. Omdat het genoemde artikel 6b ten tijde van de overtredingsperiode nog niet in werking was getreden, is het Boetebesluit in deze zaak niet van toepassing.

3.7

De rechtbank stelt voorop dat gelet op artikel 18a, eerste lid, van de Wwb, waarin de bestuurlijke boete is bepaald op ten hoogste het benadelingsbedrag, de wetgever in zoverre de afweging heeft gemaakt dat een boete van maximaal het benadelingsbedrag binnen de evenredigheidsgrenzen blijft.

3.8

De rechtbank merkt op dat de invoering van de Wet aanscherping per 1 januari 2013, mede in het licht bezien van het voorheen in de Wwb ontbrekende bestuurlijke-boeteregime, leidt tot een situatie waarin bestuursorganen enorm zware boetes kunnen (en na 1 juli 2014 ook moeten) opleggen die zeer ingrijpen in de financiële situatie van privépersonen die zich doorgaans in een uitkeringssituatie bevinden. De kennelijk bij de wetgever levende gedachte dat zo'n boetehoogte leidt tot meer normconform gedrag, acht de rechtbank niet bepaald zeker. Gelet op de verhouding tussen de wetgevende, rechtsprekende en uitvoerende macht kan de rechtbank er niet aan voorbij gaan dat de wetgever uitdrukkelijk voor deze boetesystematiek, in deze zaak dus specifiek het boetemaximum, heeft gekozen. Zoals ook in artikel 11 van de Wet algemene bepalingen is geformuleerd, mag de rechter de innerlijke waarde of billijkheid van wetgeving niet beoordelen. Dit artikel staat binnen het systeem van het nationale recht er dan ook aan in de weg dat de rechtbank de Wet aanscherping om die reden buiten toepassing zou laten.

3.9

Omdat in deze zaak de Wwb zoals gewijzigd met de Wet aanscherping wel, maar het Boetebesluit niet van toepassing is en dus de hoogte van de bestuurlijke boete wel bij wettelijk voorschrift is gemaximeerd, maar niet is vastgesteld op een gefixeerd bedrag, wordt het kader voor de toets aan het evenredigheidsbeginsel gevormd door artikel 5:46, tweede lid, van de Awb. Volgens dit artikellid stemt het bestuursorgaan de bestuurlijke boete af op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Het bestuursorgaan houdt daarbij op grond van de tweede volzin van dat artikellid zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.

3.10

De rechtbank overweegt dat de volgende factoren met name relevant zijn voor het bepalen van de evenredigheid van een niet bij wettelijk voorschrift vastgestelde bestuurlijke boete:

1.

de aard en de ernst van de overtreding:

Gelet op de toepasselijkheid van artikel 5:46, tweede lid en niet het derde lid, moet het bestuursorgaan en in volgende instantie de rechter dit zelf beoordelen. Daarbij moet hij wel rekening houden met de keuze voor en motivering van de boetemaxima op 100 procent van het benadelingsbedrag door de wetgever. Die keuze en motivering zeggen immers in beginsel al veel over de aard en ernst van de overtreding in de visie van de wetgever, want daar wordt gesproken over een boete die in beginsel even hoog is als het ten onrechte genoten voordeel, de solidariteit in de sociale zekerheid en de noodzaak dat betrokkenen hun verplichtingen serieus nemen. De rechtbank verwijst naar paragraaf 1.2 en 2.1.2 in de memorie van toelichting (Kamerstukken II, 2011/12, 33 207, nr. 3, p. 3-8).

2.

de mate van verwijtbaarheid:

Hierover is in artikel 18a, zevende lid, aanhef en onder a, van de Wwb bepaald dat het college de boete kan verlagen indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid, maar gelet op de in dit opzicht dwingendere bepaling in artikel 5:46, tweede lid, van de Awb, moet het bestuursorgaan en in volgende instantie de rechter de hoogte van de boete afstemmen op de mate van verwijtbaarheid. Ook hier geldt dat de visie van de wetgever een rol speelt. Deze wijst in ieder geval op omstandigheden van sociale, psychische of medische aard en onvoorziene of ongewenste omstandigheden waardoor de overtreder feitelijk niet in staat was zijn verplichtingen na te komen. De rechtbank verwijst naar paragraaf 2.1.5 van de al genoemde memorie van toelichting.

3.

de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd:

Bij deze categorie kan het gaan om de persoonlijke of relationele omstandigheden van de overtreder voor zover die omstandigheden niet de verwijtbaarheid betreffen, maar wel van belang zijn voor de evenredigheid van de boete.

4.

de omstandigheden ten tijde van de boeteoplegging:

Hoewel dergelijke omstandigheden niet zijn genoemd in artikel 5:46, tweede lid, van de Awb, behoort de evenredigheidsbeoordeling zich ook hierover uit te strekken. De rechtbank verwijst naar de memorie van toelichting waarbij dit artikel is ingevoerd (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 141-142). In de artikelsgewijze toelichting bij dit artikellid is vermeld: "Bij de beoordeling van de evenredigheid van de in concreto op te leggen of opgelegde boete moeten bestuur en rechter zo nodig rekening houden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. In voorkomende gevallen kan daarbij, in lijn met artikel 24 WvSr, ook de draagkracht van de overtreder een rol spelen. Dit betekent niet, dat het bestuursorgaan steeds een onderzoek naar deze draagkracht moet instellen. In de meeste gevallen zal het bestuursorgaan er van mogen uitgaan dat de draagkracht geen beletsel vormt voor het opleggen van een boete. Maar zeker bij hogere boeten zal het bestuursorgaan zich er van moeten vergewissen dat de boete, mede gelet op de draagkracht van de overtreder, geen onevenredige gevolgen heeft. Wat een hoge boete is, zal daarbij mede van de context afhangen. Het ligt voor de hand dat de draagkracht bijvoorbeeld bij boeten op het gebied van de sociale zekerheid eerder en vaker een rol zal spelen dan op veel andere terreinen." Meer specifiek wordt in de hierboven genoemde memorie van toelichting op de Wet aanscherping de gevolgen van de boeteoplegging voor kinderen of andere gezinsleden van de beboete persoon genoemd als voorbeeld waarmee rekening moet worden gehouden (p. 12, bij de bespreking van de hardheidsclausule).

3.11

Het bestuursorgaan en in volgende instantie de rechter moeten op deze wijze een omvattende evenredigheidsbeoordeling maken, waarbij zij de relevante feiten en omstandigheden passen binnen dit kader van factoren en ook het gelijkheidsbeginsel en een consistente boeteoplegging bewaken.

3.12

Op verweerder rust bij een boeteoplegging de verantwoordelijkheid om informatie te vergaren, zoals neergelegd in artikel 3:2 van de Awb, maar als het gaat om persoonlijke omstandigheden reikt die verantwoordelijkheid niet verder dan dat verweerder eiser in de gelegenheid stelt om zijn persoonlijke omstandigheden naar voren te brengen, zo veel mogelijk voorzien van bewijs. Gelet op het na de zitting door verweerder overgelegde voornemen met bijbehorend antwoordformulier, heeft verweerder aan deze zogeheten begeleidingsplicht voldaan. In zijn reactie op de na de zitting overgelegde stukken gaat eiser niet op dit onderwerp in.

3.13

Met toepassing van het hiervoor beschreven beoordelingskader oordeelt de rechtbank als volgt over de evenredigheid van de aan eiser opgelegde boete. De Wwb fungeert als een vangnet binnen het stelsel van de sociale zekerheid en bijstand wordt betaald van gemeenschapsgeld. Zoals ook in de memorie van toelichting bij de Wet aanscherping valt te lezen, behoort de sociale zekerheid tot de essentiële verworvenheden van de Nederlandse samenleving. Werkende burgers moeten er op kunnen vertrouwen dat alleen die mensen die er recht op hebben een uitkering ontvangen. Omdat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden door bepaalde inkomsten uit arbeid niet aan verweerder op te geven, is daarmee in het licht van het voorgaande sprake van een ernstige overtreding. Over de mate van verwijtbaarheid overweegt de rechtbank als volgt. Niet in geschil is dat eiser te goeder trouw is geweest, in die zin dat niet is gebleken dat eiser opzettelijk informatie heeft achterhouden. Verweerder heeft ter zitting ook bevestigd dat hij geen aanleiding heeft aan te nemen dat eiser opzettelijk een en ander niet heeft doorgegeven. Eiser kampte met verslavingsproblemen, als gevolg waarvan hij enige tijd is opgenomen in een verslavingskliniek. In de periode van 29 juli 2013 tot en met 2 augustus 2013 is eiser behandeld op de afdeling Detox en in de periode van 23 september 2013 tot en met 12 november 2013 is eiser behandeld bij de dagbehandeling. In wat eiser aanvoert en aan medische informatie verstrekt, ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om te concluderen dat eiser geheel niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn nalaten. Hij zat al, met een onderbreking, sinds begin 2011 in de bijstand, hij kende de spelregels en kon in ieder geval zo nu en dan korte tijd werken. Onder die omstandigheden is niet aannemelijk dat hij geheel niet in staat was de noodzakelijke inlichtingen te verstrekken. Zijn toenmalige levensomstandigheden, zijn verslavingsproblematiek, de bijbehorende moeilijkheden te passen in "het ordelijke leven" en zijn opname in de kliniek, leiden naar het oordeel van de rechtbank wel tot verminderde verwijtbaarheid. De rechtbank is in deze zaak niet gebleken van relevante omstandigheden ten tijde van de overtreding. Wat de omstandigheden ten tijde van de boeteoplegging betreft, overweegt de rechtbank dat het niet voldoende is om alleen te stellen dat er geldschulden zijn; als er hoge schulden zouden blijken, zou dat kunnen helpen aannemelijk te maken dat die schulden tezamen met deze boete eiser zouden verhinderen zijn leven weer op de rails te krijgen. Eiser heeft deze gestelde schulden echter niet onderbouwd. Wel komt uit eisers verhaal overtuigend naar voren dat hij probeert zijn leven op de rails te krijgen en aan de slag te gaan. Verder heeft hij geen noemenswaardige inkomsten, ook geen bijstand, en woont hij bij zijn ouders. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van dringende redenen op grond waarvan verweerder in het (specifieke materieelrechtelijke) kader van artikel 18a, zevende lid, aanhef en onder b, van de Wwb had moeten afzien van het opleggen van de bestuurlijke boete. Wel is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het kader van de vereiste evenredigheidsbeoordeling geen rekening heeft gehouden met de verwijtbaarheid en de omstandigheden ten tijde van de boeteoplegging. Het bestreden besluit is daarom in strijd met artikel 5:46, tweede lid, van de Awb en artikel 18a, zevende lid, aanhef en onder a, van de Wwb. De beroepsgrond slaagt.

4.1

Eiser voert ten slotte aan dat hij niet tijdig in de gelegenheid is gesteld om in bezwaar te worden gehoord. De uitnodigingsbrief heeft hij pas ontvangen na de datum waarop de hoorzitting zou plaatsvinden, aldus eiser.

4.2

De rechtbank stelt vast dat verweerder na de schorsing van het onderzoek ter zitting wel de uitnodigingsbrief voor de hoorzitting heeft overgelegd, met daarop een (getypte) verzenddatum 21 november 2013, maar geen verzendadministratie. Verweerder heeft laten weten geen verzendadministratie te voeren. Verweerder is er ook niet in geslaagd de daadwerkelijke verzending van de uitnodigingsbrief op andere wijze aannemelijk te maken. Dit betekent dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij eiser (tijdig) in de gelegenheid heeft gesteld in bezwaar te worden gehoord. Op dit punt heeft eiser in zijn reactie op de na de zitting overgelegde stukken geen nieuw standpunt ingenomen. De beroepsgrond slaagt wegens strijd met artikel 7:2, eerste en tweede lid, van de Awb.

5.

Gelet op wat hiervoor onder 3.13 en 4.2 is overwogen, is het beroep gegrond en vernietigt de rechtbank het bestreden besluit. Normaal gesproken maakt de constatering dat betrokkene niet in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord in bezwaar dat het lastiger is voor de bestuursrechter om definitief in de zaak te beslissen. Gelet op de bedoeling van de wetgever met artikel 8:72a van de Awb, te weten dat de bestuursrechter bij een onjuist gebleken boetehoogte zelf de juiste hoogte bepaalt én gelet op de omstandigheid dat beide partijen ter zitting uitgebreid hun visie op de omstandigheden van het geval hebben kunnen geven, acht de rechtbank het uit een oogpunt van proceseconomie verantwoord de zaak niet terug te sturen, maar zelf in de zaak te voorzien. Alles wat hiervoor is overwogen in aanmerking nemend en met inachtneming van de ten tijde van de overtreding geldende wet- en regelgeving, stelt de rechtbank de boete vast op € 300,-. De rechtbank acht deze boete in dit geval, mede gelet op het wettelijke maximum in artikel 18a, eerste lid, van de Wwb, fors, maar evenredig.

6.

Hoewel dat ongebruikelijk is, wijst de rechtbank eiser gelet op de omstandigheden van het geval op de mogelijkheid van incidenteel hoger beroep, zoals geregeld in artikel 8:110 en verder van de Awb. Het kan namelijk zo zijn dat de uitkomst van deze zaak in eerste aanleg bij eiser er toe leidt dat hij kan leven met het boetebedrag zoals de rechtbank dat hiervoor heeft bepaald, maar dat tegelijkertijd verweerder er voor kiest hoger beroep in te stellen. Indien in dat geval de hogerberoepsrechter er geheel anders over zou denken dan de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld, zou eiser met lege handen staan, omdat in dat geval verweerder de omvang van het geding in hoger beroep bepaalt. Incidenteel hoger beroep is dan het instrument voor eiser om ook zijn eigen argumenten in hoger beroep beoordeeld te krijgen. Daarnaast kan vanzelfsprekend ook eiser zelf hoger beroep instellen tegen deze uitspraak.

7.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 45,- vergoedt.

8.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1). Eiser heeft verder gevraagd om vergoeding van de gemaakte reiskosten ter hoogte van € 14,10. In artikel 1, aanhef en onder c, van het Bpb staat dat de reiskosten van een partij in de procedure kunnen worden vergoed. Deze kosten worden berekend naar het tarief van het openbaar vervoer, tweede klasse. Gelet hierop komt het verzochte bedrag van € 14,10 voor toewijzing in aanmerking. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 988,10. Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit, legt aan eiser een boete op van € 300,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 988,10.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Stapels-Wolfrat, voorzitter, en mr. D.A. Verburg en mr. S. Lanshage, leden, in aanwezigheid van mr. W.F.C. Vogel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2014.

De griffier is verhinderd

deze uitspraak te ondertekenen.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.