Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:3657

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
26-08-2014
Datum publicatie
08-09-2014
Zaaknummer
C-16-348199 - FL RK 13-1588
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afstammingszaak, erkenning van minderjarigen in Suriname, erkenning in Nederland, openbare orde, geregistreerd partnerschap

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2014-0261

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling familierecht

Locatie Lelystad

zaaknummer: C/16/348199 / FL RK 13-1588

datum: 26 augustus 2014

beschikking van de enkelvoudige familiekamer

inzake

[verzoeker 1],

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. B.M. van Ham-Oude Elferink,

hierna als de man aangeduid,

verzoeker,

en

[verzoeker 2],

wonende te distrikt [woonplaats] in Suriname,

hierna als de vrouw aangeduid,

en

mr. [verzoeker 3],

advocaat te [woonplaats],

in de hoedanigheid van en hierna aangeduid als de bijzondere curator,

belanghebbenden.

Het procesverloop

De man heeft op 9 juli 2013 onder bovenvermeld zaaknummer een verzoekschrift ingediend betreffende de erkenning van de hierna te melden minderjarige.

Bij beschikking van 25 februari 2014 van deze rechtbank is mr. [verzoeker 3], advocaat te [woonplaats] tot bijzondere curator benoemd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

  • -

    een brief van 17 april 2014 van de bijzondere curator;

  • -

    een brief van 24 april 2014 namens de man;

  • -

    een door mr. B.M. van Ham-Oude Elferink gecertificeerde referteverklaring van 16 juli 2014 van de vrouw en

  • -

    een F9-formulier van 14 augustus 2014 namens de man met bijlage.

Er heeft geen behandeling ter zitting plaatsgevonden.

Vaststaande feiten

De man en de vrouw hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

De minderjarige kinderen van de man en de vrouw zijn:

1.

[kind 1], geboren op [2006] in de gemeente Distrikt [geboorteplaats] te Suriname;

2.

[kind 2], geboren op [2007] in de gemeente Distrikt [geboorteplaats] te Suriname.

De man is op 15 september 2009 in Nederland een geregistreerd partnerschap aangegaan met [naam] (hierna als [naam] aangeduid).

De minderjarigen zijn op 14 augustus 2012 door de man in het distrikt [geboorteplaats] te Suriname met toestemming van de vrouw als zijn natuurlijke kinderen erkend.

Bij beschikking van 19 september 2012 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken van het Koninkrijk der Nederlanden besloten de aanvraag van de vrouw voor Nederlandse paspoorten voor de minderjarigen niet in behandeling te nemen. Als reden hiervoor is vermeld dat de erkenningen van de minderjarigen door de man in Suriname niet kunnen leiden tot verkrijging van de Nederlandse nationaliteit aangezien deze erkenningen in strijd zijn met de Nederlandse openbare orde als bedoeld in artikel 10:100, eerste lid, sub c van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), waardoor aan de minderjarigen geen Nederlandse paspoorten kunnen worden verstrekt. De strijd met de Nederlandse openbare orde bestaat volgens de Minister uit de omstandigheden dat de man een geregistreerd partnerschap is aangegaan met [naam], dit geregistreerd partnerschap nog steeds voortduurt en de man zonder toestemming - vooraf of achteraf - van de Nederlandse rechter, de minderjarigen heeft erkend.

Beoordeling van de zaak

De man heeft de rechtbank primair verzocht:

- vast te stellen dat het geregistreerd partnerschap tussen de man en [naam] geen beletsel is voor de erkenning van de minderjarigen door de man op 14 augustus 2012 en derhalve dat deze erkenning rechtsgeldig is, dan wel te verklaren voor recht dat het geregistreerd partnerschap geen beletsel is voor de erkenning,

en subsidiair:

- te verklaren voor recht dat (voldoende aannemelijk is dat) tussen de man en de vrouw een band heeft bestaan die in voldoende mate met een huwelijk op één lijn valt te stellen en/of dat tussen de man en de minderjarigen een nauwe persoonlijke betrekking bestaat, op grond waarvan de man beide minderjarigen kan erkennen.

De man heeft als belang bij zijn verzoek gesteld dat hij wenst dat de minderjarigen, nadat zij een Nederlands paspoort hebben verkregen, in Nederland kunnen komen wonen waar de man de dagelijkse zorg voor hen op zich zal nemen. De man acht het in het belang van de minderjarigen dat zij in Nederland opgevoed worden en naar school gaan.

De bijzondere curator heeft geadviseerd het primaire verzoek van de man toe te wijzen, dan wel het subsidiaire verzoek van de man toe te wijzen.

Uit de referteverklaring van de vrouw blijkt dat zij hetgeen is gesteld in het verzoekschrift onderschrijft en dat zij zich niet verzet tegen de door de man verzochte beslissingen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op grond van artikel 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is de Nederlandse rechter bevoegd nu de man als zijnde de verzoeker in Nederland zijn woonplaats heeft.

Gelet op de feiten en de stellingen van de man begrijpt de rechtbank dat de man wil bereiken dat de erkenning van de minderjarigen door de man in Suriname in Nederland wordt erkend.

Op grond van artikel 10:101 juncto artikel 10:100 BW worden in het buitenland tot stand gekomen rechtsfeiten of rechtshandelingen waarbij familierechtelijke betrekkingen uit hoofde van afstamming zijn vastgesteld of gewijzigd, welke zijn neergelegd in een door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften opgemaakte akte, in Nederland van rechtswege erkend, tenzij:

  1. aan die rechtsfeiten of rechtshandelingen kennelijk geen behoorlijk onderzoek of behoorlijke rechtspleging is voorafgegaan, of

  2. de erkenning van die rechtsfeiten of rechtshandelingen kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde.

Ingevolge het tweede lid van artikel 10:101 BW doet voormelde onder ii vermelde weigeringsgrond zich met betrekking tot de erkenning in elk geval voor

  1. indien deze is verricht door een Nederlander die naar Nederlands recht niet bevoegd zou zijn het kind te erkennen;

  2. indien, wat de toestemming van de moeder of het kind betreft, niet is voldaan aan de vereisten van het recht dat ingevolge artikel 95, vierde lid, van boek 10 BW toepasselijk is, of

  3. indien de akte kennelijk op een schijnhandeling betrekking heeft.

Door de man is een akte, opgemaakt op 14 augustus 2012 door de ambtenaar van de burgerlijke stand van het distrikt [geboorteplaats], betreffende de erkenning van de minderjarigen door de man, overgelegd. In deze akte is vermeld dat de man heeft verklaard de minderjarigen te erkennen als zijn natuurlijke kinderen en dat de vrouw aan de ambtenaar van de burgerlijke stand heeft verklaard haar toestemming te geven voor de erkenning van de minderjarigen door de man. Uitgangspunt in het Internationaal Privaatrecht is dat de Nederlandse ambtenaar vertrouwen toont in de registratie die in het buitenland is gedaan. Niet gebleken is van omstandigheden op grond waarvan getwijfeld dient te worden aan de erkenningsakte. Het hiervoor onder i gestelde is niet aan de orde.

Wat betreft de vraag of erkenning in Nederland van de erkenning van de minderjarigen door de man in Suriname onverenigbaar is met de openbare orde overweegt de rechtbank als volgt.

In artikel 1: 204, eerste lid, BW staat vermeld in welke gevallen een erkenning nietig is.

De rechtbank is van oordeel dat sub e van voormeld artikel, waaruit volgt dat een erkenning in beginsel nietig is indien deze is gedaan door een op het tijdstip van de erkenning met een andere vrouw gehuwde man, niet van toepassing is in gevallen waarin de man ten tijde van de erkenning een geregistreerd partnerschap heeft met een andere vrouw. In het artikel staat slechts vermeld dat een erkenning nietig is, indien de man op het tijdstip van de erkenning gehuwd is met een andere vrouw. Over een geregistreerd partnerschap wordt niet gesproken. De wetgever heeft ook aan een huwelijk bewust andere gevolgen voor familierechtelijke betrekkingen met kinderen verbonden, dan aan een geregistreerd partnerschap. Dit blijkt onder andere uit het feit dat de elfde titel van het eerste boek van het Burgerlijk Wetboek over de afstamming niet is gewijzigd bij de invoering van het geregistreerd partnerschap en ook uit de omstandigheid dat deze titel in artikel 1:80b BW niet van overeenkomstig toepassing is verklaard op een geregistreerd partnerschap. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat artikel 1:204, eerste lid, sub e BW in dit geval niet naar analogie dient te worden toegepast (zie ook: Hof Amsterdam ECLI:NL:GHAMS:2008:BG2522). De rechtbank is dan ook van oordeel dat het geregistreerde partnerschap van de man niet aan de erkenning in Nederland van de erkenning van de minderjarigen door de man in Suriname in de weg staat.

De rechtbank is verder niet gebleken dat voor het overige niet is voldaan aan de vereisten voor de erkenning in Nederland van de erkenning van de minderjarigen door de man in Suriname of dat sprake is van één of meerdere weigeringsgronden.

Het primaire verzoek van de man houdt in dat wordt verzocht vast te stellen dat de erkenning in Suriname rechtsgeldig is. Dit verzoek kan niet worden toegewezen nu het niet aan de Nederlandse rechter is te beoordelen of een in Suriname opgemaakte akte rechtsgeldig is. Het gaat immers om de erkenning van die akte in Nederland. Ter zake van het subsidiaire verzoek is de rechtbank, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat de verzochte verklaring voor recht niet nodig is om het doel van de man te bereiken.

Alvorens tot afwijzing van het verzoek van de man over te kunnen gaan, dient de rechtbank de man in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. Om proceseconomische redenen zal de rechtbank de man eerst, alvorens eventueel een zitting zal worden gepland, in de gelegenheid stellen zich schriftelijk uit te laten over het bovenstaande. Hierbij wordt opgemerkt dat, mocht de man zijn verzoek wijzigen, de vrouw in de gelegenheid dient te worden gesteld om hierop te reageren tenzij opnieuw een referteverklaring zal worden overgelegd.

Beslissing

De rechtbank:

houdt de beslissing op het verzoek van de man aan,

stelt de man in de gelegenheid zich tot uiterlijk vier weken na de datum van deze beschikking schriftelijk uit te laten over hetgeen hiervoor is vermeld.

Aldus gegeven door mr. H.C. Hoogeveen, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.K. Franken, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 augustus 2014.