Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:3656

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-08-2014
Datum publicatie
25-08-2014
Zaaknummer
16-703246-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft op twaalfjarige leeftijd een meisje van tien jaar oud verkracht. De verkrachting vond plaats op 28 november 2013 te Nieuwegein, in de wijk waar zowel verdachte als het slachtoffer wonen. Verdachte heeft hierdoor op ernstige wijze de lichamelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer geschonden.

Verdachte is nog zeer jong en heeft een zwaar belast verleden. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een leerstaf van 40 uur en een voorwaardelijke jeugddetentie van drie maanden, met als bijzondere voorwaarden Toezicht en Begeleiding door Bureau Jeugdzorg, een contactverbod met het slachtoffer en een locatieverbod voor speelplaatsen op woensdagen en zondagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

parketnummer: 16/703246-13 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 22 augustus 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [2001] te [geboorteplaats], Somalië

wonende te [woonplaats], [adres]

raadsman mr. J.A.P.F. Hoens, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 26 mei 2014 en 11 augustus 2014, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 28 november 2013 [slachtoffer] heeft verkracht dan wel ontuchtige handelingen met haar heeft gepleegd die mede hebben bestaan uit seksueel binnendringen, terwijl zij toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt;

3 De voorvragen

De raadsman heeft verzocht het openbaar ministerie niet ontvankelijk te verklaren omdat:

  • -

    verdachte op grond van artikel 486 van het Wetboek van Strafvordering niet vervolgd kan worden. Gelet op de bevindingen van de gedragsdeskundigen kan immers gesteld worden dat verdachte jonger is dan 12 jaar;

  • -

    bij het voorbereidende onderzoek de belangen van verdachte door de politie en justitie op grove wijze zijn veronachtzaamd op de navolgende punten:

1. er is op geen enkele wijze serieus onderzoek(op tegenspraak) gedaan naar een mogelijke andere dader. Van begin af aan is alleen verdachte als dader in het procesdossier naar voren gekomen;

2. de door verdachte genoemde getuigen zijn niet direct na het incident gehoord, waardoor het voor verdachte moeilijk tot onmogelijk is geworden een belangrijk onderdeel van zijn verklaring met verklaringen van getuigen te onderbouwen;

3. de verdediging is uitsluitend in kennis gesteld van hetgeen volgens politie en justitie belastend was voor verdachte, ontlastend materiaal werd buiten het dossier gehouden. Tevens werd de verdediging voorafgaand aan het tweede studioverhoor een DNA-rapport onthouden;

4. tijdens het tweede studioverhoor is verdachte geconfronteerd met misleidende interpretatie van NFI-bevindingen en is hij (op misleidende wijze) onder druk gezet;

5. bij het tonen van foto’s aan [slachtoffer] is slechts gebruikt gemaakt van een tweetal foto’s en is geen gebruik gemaakt van een meervoudige fotoconfrontatie;

6. [slachtoffer] is alleen beschermend verhoord en is niet geconfronteerd met tegenstrijdigheden in haar verklaring;

7. de aanvullende vragen van de verdediging betreffende het FPKM-rapport zijn door de officier van justitie niet doorgeleid naar de betreffende deskundige;

8. er is in de onderhavige zaak geen nader onderzoek gedaan naar/op de door [slachtoffer] genoemde plaats delict.

De rechtbank overweegt als volgt:

De leeftijd van verdachte

Het dossier bevat geen aanknopingspunten waaruit zou moeten blijken dat verdachte ten tijde van het delict jonger dan 12 jaar was. Het gegeven dat verdachte achterloopt in zijn (motorische) ontwikkeling en klein van stuk is maakt nog niet dat hij ten tijde van het delict jonger dan 12 jaar was. De psychiater Schiphorst geeft te kennen dat verdachte conform zijn kalenderleeftijd in lichamelijk opzicht in de puberteit begint te komen. Voorts verklaart de oom/vader van verdachte dat verdachte in het voorjaar van 2001 geboren is.

Belangen van verdachte

1. Het uitvoeren van een zogenaamd onderzoek op tegenspraak is geen wettelijk vereiste en betreft een beslissing die in handen is van het Openbaar Ministerie. Of een dergelijk onderzoek geïndiceerd is, is niet ter beslissing aan de rechtbank. Voorts is niet gebleken van een concreet alternatief scenario op basis waarvan een dergelijk onderzoek mogelijk geïndiceerd zou zijn.

2. Verdachte heeft pas op 4 december 2014 twee voornamen en een omschrijving gegeven van de jongens met wie hij voetbalde. Na onderzoek naar de identiteit van de bedoelde jongens zijn eerst hun ouders benaderd en zijn vervolgens de betreffende jongen(s) dan wel hun ouder(s) gehoord. Niet gebleken is dat de politie in deze onjuist dan wel onzorgvuldig te werk is gegaan. Voorts is niet gebleken dat de politie tijdens de verhoren van verdachte, waarbij de raadsman van verdachte steeds aanwezig was, verdachte op misleidende wijze onder druk heeft gezet en/of dat de politie tijdens de verhoren onjuist gehandeld heeft.

3. Het dossier bevat geen enkel aanknopingspunt waaruit volgt dat - langer dan in het belang van het onderzoek gewenst en/of noodzakelijk was - stukken zijn onthouden aan de verdediging, dan wel dat ontlastend materiaal buiten het dossier is gehouden.

4. Verdachte is tijdens zijn verhoor geconfronteerd met een foutieve interpretatie van een onderzoeksresultaat uit het NFI-rapport. Het voorhouden van een dergelijke foutieve interpretatie is weliswaar niet correct, maar betreft daarmee nog geen grove veronachtzaming van de belangen van verdachte. De rechtbank zal hieraan dan ook geen consequentie verbinden, te meer omdat verdachte het feit ontkent.

5. [slachtoffer] heeft, alvorens zij met de foto’s van verdachte en zijn broertje werd geconfronteerd, een uitgebreide en gedetailleerde beschrijving van de (mogelijke) dader, het huis van de (mogelijke) dader en het betreffende gezin gegeven. Dit bleek vervolgens de woning van verdachte en zijn familie te zijn. Gelet op het vorenstaande was er geen aanleiding of noodzaak om over te gaan tot een zogenaamde uitgebreide FOSLO confrontatie.

6. De stelling dat [slachtoffer] niet is geconfronteerd met tegenstrijdigheden in haar verklaring mist elke grond en behoeft reeds daarom geen nadere beschouwing.

7. De officier van justitie heeft op 19 juni 2014 uitgebreid gereageerd op het door de verdediging aan het openbaar ministerie gerichte verzoek. Van de zijde van de verdediging is een reactie daarop verder uitgebleven. Ook ter zitting heeft de verdediging geen concreet onderbouwd verzoek gedaan tot het stellen van nadere/aanvullende vragen aan het FPKM. Dat het openbaar ministerie de vragen, gegeven de inhoud van haar reactie op deze vragen van de verdediging, niet heeft doorgeleid aan het FPKM is alleszins begrijpelijk. Van enige schending van de belangen van verdachte in dezen is dan ook geen sprake.

8. De rechtbank acht dit punt onvoldoende onderbouwd. Het dossier bevat, mede gelet op de bij het schrijven van de officier van justitie d.d. 18 juni 2014 gevoegde mutatie van de politie d.d. 29 november 2013, geen enkel aanknopingspunt waaruit volgt dat een (nader) onderzoek op de plaats delict gewenst, dan wel noodzakelijk is.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat er geen sprake is van een grove veronachtzaming van de belangen van verdachte en verwerpt het verweer van de raadsman.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd en baseert zich daarbij op de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op het ontbreken van voldoende bewijs. De raadsman stelt voorts de betrouwbaarheid van aangeefster ter discussie.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Betrouwbaarheid verklaring [slachtoffer]

De rechtbank heeft op basis van de inhoud van het dossier geen enkele reden om aan de verklaring van [slachtoffer] te twijfelen en acht deze betrouwbaar. De rechtbank zal deze verklaring dan ook bezigen voor het bewijs. [slachtoffer] heeft meerdere verklaringen afgelegd en deze zijn op essentiële punten (zeer) gedetailleerd en consistent. Haar verklaring wordt (op onderdelen) eveneens bevestigd door de – hierna te noemen - overige bewijsmiddelen.

Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende proces-verbaal, nummer PL0981 2013269377, bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering (pagina 1 tot en met 305). Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

[aangeefster], moeder van [slachtoffer] geboren op [2003], heeft verklaard dat zij op 28 november 2013 in Nieuwegein van haar man hoorde dat [slachtoffer] om 16.15 uur thuis was gekomen. Zij kwam zelf om 16.20 uur thuis. Zij vroeg [slachtoffer] wat er gebeurd was. [slachtoffer] zei ”Mama ik heb bloed bij mijn plassertje en in mijn onderbroekje. Het doet zeer.”. Zij zag bloed in de onderbroek van [slachtoffer], bij haar plasser en schaamlippen. [slachtoffer] had modder op beide billen, beide handen en knieën. Zij wilde haar onder de douche zetten. [slachtoffer] zei: “Nee mama, ik moet je wat vertellen. Zijn plasser is in mijn plasser geweest, meerdere keren.” Het was in een speeltuin gebeurd. [slachtoffer] zei: “Hij zei dat hij daar vriendjes en vriendinnetjes had die daar een hut hadden”. Zij wilden daar samen naar toe. Hij had haar broek naar beneden gedaan, zijn eigen rits naar beneden gedaan, toen kwam zijn plasser naar buiten.

Zij had [slachtoffer] nog gevraagd of zij niet weg kon komen of bij iemand aan kon bellen om op het moment dat hij met haar meeliep. Zij gaf aan dat dat niet kon want hij had haar vast. Toen ze naar de hut liepen hebben zij met elkaar opgelopen. Toen het gebeurde had hij haar vast. [slachtoffer] heeft toen gezegd dat ze het niet wilde. Ze kon niet wegkomen omdat de jongen haar vast had.1

Op 28 november 2013 heeft [slachtoffer] een eerste gesprek met [verbalisant], brigadier van politie. Zij hoorde dat [slachtoffer] vertelde dat de jongen een blauwe jas droeg met een witte en een zwarte streep, daaronder een blauw shirt met lange mouwen en een grijze broek. De jongen was een kop groter dan zij, had zwart haar en droeg een bril, maar die bril lag thuis.

De jongen woonde in een huis met een rood dak en rode gordijnen. Zij was bij de jongen thuis geweest. Op de vraag wat er gebeurd was wees [slachtoffer] naar haar vagina en knikte op de vraag of het in de bosjes was gebeurd. Op de vraag of de jongen zijn broek uit had of alleen zijn rits open en zijn plasser er uit, antwoordt [slachtoffer] “alleen zijn rits”. Op de vraag of hij of zijzelf haar broek uit heeft gedaan, antwoordt [slachtoffer] “nee hij”. Op de vraag of hij toen met zijn plasser in haar plasser kwam, knikt [slachtoffer]. Op de vraag een of meerdere keren, antwoordt [slachtoffer] “meer”. Op de vraag of zij had gezegd dat ze het niet wilde, knikt [slachtoffer] en zei dat zij had gezegd: “ik wil niet meer”.

[slachtoffer] vertelde dat de jongen daar niet alleen woonde, hij woonde daar met veel kinderen. Daar woonden ook een vader en een moeder, maar hij, de jongen, was een neef. Toen zij, [slachtoffer] in de woning was, was de moeder er ook. Ze gingen naar buiten en de jongen zei dat hij een plekje had met vrienden en vriendinnetjes, zij was met de jongen meegelopen.

Op de vraag of zij op de grond had gelegen, knikt [slachtoffer] en zei ”Hij heeft me geduwd”.2

[slachtoffer] heeft bij de politie verklaard dat de jongen heel hard zijn plasser tegen haar kont aan deed en er toen een sneetje in haar plasser kwam. Dat was bij de speeltuin. Zij lag op de grond op haar buik. De jongen ging op haar liggen. Hij had haar broek en onderbroek niet helemaal uitgetrokken. Haar broek en onderbroek zaten om haar benen. Ze had gezien dat zijn plasser groot was. Als ze de jongen gaan zoeken moeten ze naar nummer [nummer] gaan.3

Op 29 november 2013 wordt verbalisante [verbalisant] door de moeder van [slachtoffer] gebeld. Zij vertelde dat zij die ochtend op verzoek van [slachtoffer] met haar nogmaals door de straat van de jongen is gereden van de jongen. Op het moment dat zij langs de woning aan de [adres] te [woonplaats] reden gaf [slachtoffer] aan dat zij de vorige dag de verkeerde woning op de [adres] had aangewezen. [slachtoffer] wist nu zeker dat de jongen op nummer [nummer] woonde.4

[getuige], de tante van verdachte, heeft verklaard dat er op donderdag 28 november 2013 rond 16.00 uur een meisje bij hen in de woning aan de [adres] te [woonplaats] kwam. Zij wilde met [A] spelen, maar [A] moest naar zwemmen. [verdachte] ( de rechtbank begrijpt: verdachte) vroeg toen of hij met het meisje mocht spelen. [verdachte] is vervolgens met het meisje naar buiten gegaan. [verdachte] is de enige die thuis een bril draagt.5

Aan [slachtoffer] is een tweetal foto’s getoond, te weten één foto van verdachte [verdachte], geboren [2001] en één foto van [A], geboren [2000], beiden wonende aan de [adres] te [woonplaats]. Tijdens het tonen van de foto’s zei [slachtoffer]: “die had het gedaan” en zij wees daarbij naar de foto van verdachte [verdachte].6

Uit het door de Forensische Polikliniek Kindermishandeling (FPKM) opgemaakte rapport d.d. 13 december 2013 betreffende het lichamelijk onderzoek bij [slachtoffer], volgt dat er bij [slachtoffer] sprake van een weefselscheuring van het maagdenvlies. Voorts was er sprake van actueel bloedverlies. De aanwezigheid van een verse laceratie van het maagdenvlies duidt op het recent plaatsgehad hebben van penetrerend genitaal trauma en is sterk geassocieerd met het plaatsgehad hebben van seksueel misbruik.7

Door de technische recherche zijn bemonsteringen genomen en sporen veiliggesteld afkomstig van de kleding en het lichaam van [slachtoffer].8

Uit het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) d.d. 4 februari 2014 blijkt dat een spoor is aangetroffen aan de buitenzijde van de tailleband aan de rechterzijde van de broek van [slachtoffer] dat na onderzoek matcht met het DNA profiel van [verdachte]. De kans dat voornoemd DNA profiel afkomstig is van een ander dan van verdachte is kleiner dan 1 op 1 miljard.9

Uit het rapport van het door The Maastricht Forensic Institute (TMFI) uitgevoerde (Y chromosomaal) DNA-onderzoek d.d. 6 augustus 2014 blijkt dat het op de:

  • -

    buitenzijde van de rechterzijde van de tailleband van de onderbroek van [slachtoffer];

  • -

    knoop en rits van de broek van [slachtoffer];

  • -

    buitenzijde van de linkerzijde van de tailleband van de broek van [slachtoffer];

  • -

    buitenzijde van de rechterzijde van de tailleband van de broek van [slachtoffer];

  • -

    binnenzijde van de linkerzijde van de tailleband van de broek van [slachtoffer];

  • -

    binnenzijde van de rechterzijde van de tailleband van de broek van [slachtoffer];

aangetroffen Y-chromosomale DNA hoofdprofiel matcht met het DNA profiel van verdachte.10

(bewijs)overwegingen

De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 11 augustus 2014, dat hij en [slachtoffer] ieder na het verlaten van de woning een andere kant zijn opgegaan en dat hij [slachtoffer] niet aangeraakt heeft, acht de rechtbank niet geloofwaardig. Uit de verklaring van [slachtoffer] volgt dat de jongen met wie zij het huis verliet ook de jongen is die haar verkracht heeft. Vast staat dat verdachte samen met [slachtoffer] de woning heeft verlaten en dat het DNA en/of het Y-chromosomale DNA-profiel van verdachte op de onderbroek, op diverse plaatsen aan de binnen- en buitenzijde van de broeksband en de knoop/rits van de broek van [slachtoffer] is aangetroffen. Voor de aanwezigheid van zijn DNA op de broek van [slachtoffer] heeft verdachte geen verklaring kunnen geven. De verklaring van verdachte dat hij met andere jongens gevoetbald zou hebben op het moment dat voornoemd feit plaatsvond vindt geen steun in de door (een van) die genoemde jongen(s) en/of hun ouders afgelegde verklaring(en).

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer], nadat zij de woning van verdachte hadden verlaten, mee heeft genomen naar een speeltuintje en daar [slachtoffer] heeft verkracht.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Primair

op 28 november 2013 te Nieuwegein, door geweld en een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachte, zijn penis met kracht in de vagina van die [slachtoffer] geduwd en/of (in)gebracht en vervolgens heen en weer bewogen

en bestaande dat geweld en die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat hij, verdachte die [slachtoffer] mee heeft genomen naar de speeltuin en/of de bosjes en heeft vastgepakt/vastgegrepen en vervolgens de broek van voornoemde [slachtoffer] naar beneden heeft getrokken en vervolgens zijn penis uit zijn broek heeft gehaald en die [slachtoffer] op haar buik heeft gelegd en op die [slachtoffer] is gaan liggen;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1

De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

primair: verkrachting.

5.2

De strafbaarheid van verdachte

De rechtbank heeft zich over de persoon van verdachte laten voorlichten door

drs. K.G.M. Schiphorst (kinder- en jeugd) psychiater en drs. M. van Heteren, gezondheidszorgpsycholoog, die op respectievelijk 23 februari 2014 en 24 februari 2014 een rapport hebben uitgebracht.

Uit deze rapporten blijkt dat bij verdachte sprake is van een dysthyme stoornis en een leerstoornis. Van Heteren concludeert dat er mogelijk sprake is van een verminderde begaafdheid. Schiphorst concludeert dat verdachte een motorische ontwikkelingsachterstand van de fijne motoriek heeft Cognitief maakt verdachte een laag normaal begaafde indruk en in sociaal-emotioneel opzicht is er sprake van een achterstand.

Deze stoornissen en gebrekkige ontwikkeling waren ook aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde feit.

Of en in welke mate de aanwezige stoornissen en gebrekkige ontwikkeling van invloed waren op verdachtes keuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde kan, nu verdachte hetgeen hem ten laste is gelegd ontkent, geen uitspraak worden gedaan. Derhalve kan eveneens geen advies worden gegeven omtrent de toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

De rechtbank neemt de voormelde conclusies over en maakt deze tot de hare.

Nu uit de rapportages of anderszins niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid geheel uitsluit, is verdachte strafbaar.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen:

- jeugddetentie voor de duur van 5 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met daarbij als bijzondere voorwaarden:

o de maatregel Hulp en Steun, waaraan 3 maanden ITB Criem, ook als dat inhoudt dat verdachte deel zal nemen/ mee zal werken aan een behandeling bij De Waag en Multi Systeem Therapie en/of speltherapie;

o een contact verbod met het slachtoffer [slachtoffer];

o een locatieverbod betreffende het plein gelegen tussen de [straat] en [straat] te [woonplaats], omgeven door de scholen [school] en [school] en de aldaar gelegen voetbalkooi, in de weekenden en op de woensdagen;

- Leerstraf van 20 uur, of zoveel langer indien nodig is, bestaande uit de training Respect Limits Extra Plus.

Daarnaast vordert de officier van justitie dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit, indien de rechtbank tot een strafoplegging komt, een veel lagere straf op te leggen dan die door de officier van justitie is geëist. Voor het overige heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft op zeer jonge leeftijd [slachtoffer], een meisje van tien jaar oud, verkracht. De verkrachting vond plaats in de wijk waar zowel verdachte als [slachtoffer] wonen. Verdachte heeft hierdoor op ernstige wijze de lichamelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer] geschonden. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit schade op zowel korte als langere termijn kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid van het slachtoffer.

Het feit heeft een enorme impact op [slachtoffer] en haar directe omgeving. Haar moeder heeft ter zitting verteld dat [slachtoffer] niet meer buiten durfde te spelen omdat zij bang was verdachte tegen te komen en in de weekenden zo min mogelijk thuis probeerde te zijn en ergens anders wilde logeren. Het gedrag van [slachtoffer] is na 28 november 2013 enorm veranderd; voorheen was zij best zelfstandig, maar nu wil zij altijd weten waar haar ouders zijn. [slachtoffer] krijgt therapie en begint zich na lange tijd thuis en daarbuiten weer redelijk veilig te voelen. Ook slaapt zij weer regelmatig in haar eigen kamer.

De rechtbank heeft kennisgenomen van voornoemde rapporten van drs. K.G.M. Schiphorst (kinder- en jeugd) psychiater en drs. M. van Heteren, gezondheidszorg psycholoog.

Verdachte is afkomstig uit Somalië en is sinds september 2012 in Nederland en spreekt de Nederlandse taal gebrekkig. Zowel lezen, schrijven als het putten uit de actieve woordenschat leveren problemen op. Verdachte krijgt pas sinds hij in Nederland is structureel onderwijs. Verdachte groeide op in een zeer bedreigende omgeving, voortdurend waren er gewapende conflicten. Hij heeft hierbij zeer veel zware verliezen geleden en het heeft hem ontbroken aan continuïteit van stabiele hechtingsfiguren en/of zorg van een volwassene. Zijn moeder is overleden toen hij twee jaar was. Zijn opa kwam in 2004 door geweld om het leven. In 2007 werd het naast hen wonende gezin van een tante uitgemoord. Zijn vader werd ontvoerd en vermoord toen verdachte zeven jaar oud was. In 2009 overleed zijn oma. Hierna vluchtte hij met de overgebleven familie naar Ethiopië. Zijn tante verliet met haar eigen kinderen in 2010 noodgedwongen het gezin en ging naar Nederland. Verdachte bleef met zijn broer en twee nichtjes in Ethiopië achter tot dat zij in september 2012 ook naar Nederland mochten komen. Aangekomen in Nederland overleed zijn nichtje en werd zijn broer aan zijn hart geopereerd. De vele verlieservaringen en de onzekere toekomst hebben bij verdachte sporen nagelaten en een onderliggende posttraumatische stressstoornis (PTSS) kan dan ook niet worden uitgesloten.

Na zijn komst naar Nederland is hij (ondanks alle inspanningen en begeleiding) in sociaal en cognitief opzicht ernstig overvraagd en is hij heel snel vastgelopen.

De deskundigen adviseren aan verdachte een leerstraf seksualiteit op te leggen, waarbij rekening wordt gehouden met o.a. zijn taalbeheersing, cognitieve niveau en culturele achtergrond.

M. van Heteren heeft ter zitting verklaard dat een behandeling, zoals deze bijvoorbeeld door De Waag wordt gegeven en waarbij men verbaal veel onder woorden moet brengen, bij verdachte, gelet op zijn taalproblemen en achterstand, niet mogelijk is. Verdachte is, ook in het Somalisch, verbaal te beperkt om zijn gevoelens, gedachten en dergelijke weer te geven. Verdachte is wat dat betreft voor een behandeling bij Zonnehuizen op zijn plaats. Daar wordt op een heel basaal niveau gewerkt met veel non-verbaal materiaal. De mogelijkheid van EMDR bestaat ook bij Zonnehuizen. Een leerstraf met betrekking tot seksualiteit is, ook gelet op de culturele achtergrond van verdachte, goed. Desgevraagd verklaarde de deskundige dat de ervaring heeft geleerd dat een dergelijke behandeling effect heeft bij zowel bekennende als ontkennende verdachten.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van de door de Raad voor de Kinderbescherming en Bureau Jeugdzorg opgemaakte rapportages. De heer Öksuz, Bureau Jeugdzorg en mw. J. Oosterwaal hebben ter zitting voornoemde rapportages toegelicht.

De heer Öksuz heeft ter zitting verklaard dat verdachte zich goed aan de afspraken houdt. Op de ISK school gaat het goed en sinds de laatste zitting van 26 mei jl, hebben zich geen nieuwe incidenten voorgedaan. Verdachte is inmiddels aangemeld bij de Polikliniek Zonnehuizen in verband met speltherapie.

Mw. J. Oosterwaal heeft ter zitting verklaard dat er met betrekking tot de geadviseerde leerstraf seksualiteit, contact is geweest met Rutgers WPF. Zij hebben aangegeven dat, ook als verdachte ontkent, een dergelijke leerstraf haalbaar is.

De deskundigen hebben geadviseerd aan verdachte een deels voorwaardelijke werkstraf op te leggen, met daarbij de maatregel Hulp en Steun, waarvan 3 maanden ITB-Criem. Daarnaast is geadviseerd verdachte de leerstraf Respect Limits Extra Plus op te leggen.

Mw. K. Vonk, voogd van verdachte namens stichting NIDOS, heeft ter zitting verklaard dat verdachte zijn best doet de gemaakte afspraken na te komen. Er vindt regelmatig overleg plaats met de betrokken partijen, daarnaast krijgt verdachte fysiotherapie, logopedie en speltherapie. Zij sluit zich aan bij het door BJZ en de Raad voor de Kinderbescherming gegeven advies.

De rechtbank acht alles afwegende en gelet op de ernst van het feit en de enorme gevolgen voor het slachtoffer een jeugddetentie van drie maanden passend en geboden. Een (deels) voorwaardelijke werkstraf is geen passend kader.

Verdachte is nog zeer jong en heeft een zwaar belast verleden. Verdachte is nooit eerder veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. De deskundigen maken zich grote zorgen over verdachte en zijn ontwikkeling. Begeleiding en behandeling van verdachte is, mede ter voorkoming van recidive, dan ook noodzakelijk en gewenst. Derhalve zal de rechtbank de jeugddetentie geheel voorwaardelijk opleggen met daarbij toezicht en begeleiding van Bureau Jeugdzorg en de door de deskundigen geadviseerde bijzondere voorwaarden.

Daarnaast zal de rechtbank verdachte gedurende het eerste jaar van de proeftijd een contact- en locatieverbod opleggen, zoals door de officier van justitie is geëist. De rechtbank zal het locatieverbod beperken tot de woensdagen en de zondagen. De rechtbank heeft geconstateerd dat het totale aantal uren van de leerstraf, zoals geadviseerd en geëist, 40 uur bedraagt. De rechtbank zal verdachte derhalve de leerstraf Respect Limits Extra Plus van 40 uur opleggen.

De rechtbank ziet, gelet op het verhandelde ter zitting, geen aanknopingspunten voor het opleggen van MST en/of gedragstherapie bij De Waag.

De rechtbank acht - gelet op artikel 77za Wetboek van Strafrecht – de dadelijke uitvoerbaarheid aangewezen, nu verdachte een misdrijf heeft gepleegd dat gericht is tegen de onaantastbaarheid van een persoon en er bovendien ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 6.381,90, waarvan € 5000,00 ter zake een voorschot op de geleden immateriële schade en € 1.381,90 ter zake van materiële schade.

De materiële schade bestaat uit: € 115,50 ter zake kleding, € 773,05 voor de aanschaf van een laptop en telefoon, € 109,35 ter zake Hepatitis B vaccinaties en € 384,00 ter zake reis- en parkeerkosten.

Mr. R. Seger heeft ter zitting namens de benadeelde partij gesteld dat de kosten betreffende de laptop met 50% gematigd kunnen worden, nu deze deels voor andere doeleinden wordt gebruikt.

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter zitting gevorderd de vordering van de benadeelde partij in haar geheel, met uitzondering van de gevorderde kosten betreffende de laptop, toe te wijzen. De kosten ten aanzien van de laptop dienen, gelet op de namens de benadeelde partij gegeven toelichting ter zitting, gehalveerd te worden.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de opgevoerde kosten ter zake kleding, vaccinatie en parkeer- en reiskosten niet betwist. De verdediging acht de kosten gemaakt voor de aanschaf van de laptop en telefoon en de gevorderde immateriële schade onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij dient derhalve voor deze kosten niet ontvankelijk in haar vordering te worden verklaard.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft geconstateerd dat de berekening van de opgevoerde parkeer- en reiskosten een kennelijke rekenfout bevat, nu het totaal aantal gedeclareerde kilometers (300) is opgeteld bij de gedeclareerde reis- en parkeerkosten: € 84,00 respectievelijk

€ 34,06. De rechtbank stelt het bedrag betreffende de reis- en parkeerkosten derhalve op

€ 118,06.

De gevorderde kosten ter zake kleding (€ 115,50), Hepatitis B vaccinaties (€ 109,35) en de reis- en parkeerkosten (€ 118,06), zijn door de verdediging niet betwist, de rechtbank zal deze bedragen derhalve toewijzen.

Ten aanzien van de kosten betreffende de aanschaf van een telefoon en een laptop is onvoldoende gebleken van een direct causaal verband met het ten laste gelegde feit.

De raadsman heeft een voorschot op de immateriële schade verzocht, nu nog niet duidelijk is of en welke gevolgen het slachtoffer in de toekomst nog zal ondervinden ten gevolge van het ten laste gelegde feit.

De rechtbank heeft bij het bepalen van het voorschot betreffende de geleden immateriële schade gelet op enerzijds de ernst van het feit en de daarmee voor het slachtoffer gepaarde gevolgen en anderzijds op de jonge leeftijd van zowel verdachte als het slachtoffer.

De rechtbank stelt het voorschot van de door [slachtoffer] geleden immateriële schade in redelijkheid vast op € 1.500,00.

Voornoemde kosten zijn een rechtstreeks gevolg van het tenlastegelegde feit. Gezien de leeftijd van verdachte acht de rechtbank Stichting NIDOS, die de voogdij heeft over verdachte, op grond van artikel 6:169 BW aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt zodat de rechtbank de vordering tot een bedrag van € 1.842,91 zal toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 28 november 2013 tot aan de dag der algehele voldoening. Op grond van artikel 361 lid 5 Sv

zal de Stichting NIDOS de betreffende schade moeten vergoeden.

Ten aanzien van het meer gevorderde verklaart de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering, omdat de behandeling van de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Voorts zal NIDOS worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

8 Het beslag

De verdediging heeft verzocht de onder verdachte in beslaggenomen jas en twee paar schoenen aan verdachte terug te geven.

De officier van justitie heeft, met het oog op forensisch onderzoek, gevorderd het beslag op voornoemde goederen te handhaven dit in afwachting van een eindbeslissing, dan wel een eventueel in te stellen hoger beroep in deze zaak.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte nadat dit vonnis onherroepelijk is geworden, aangezien het strafvorderlijk belang zich tegen teruggave op dit moment verzet.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 77a, 77g, 77h, 77i. 77x, 77y, 77z, 77aa, 77za en 242 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

primair: verkrachting.

Strafoplegging

veroordeelt verdachte tot:

- een jeugddetentie van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 jaren de navolgende (bijzondere) voorwaarde(n) niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarden dat veroordeelde:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, tweede lid, Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

- stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:

* zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die in het kader van Toezicht en Begeleiding, waarvan drie maanden ITB Criem, worden gegeven door of namens Bureau Jeugdzorg, ook als dat inhoudt dat veroordeelde:

- deel zal nemen aan de speltherapie bij de Polikliniek Intermetzo Zonnehuizen;

* gedurende het eerste jaar van de proeftijd op geen enkele wijze, zowel direct als indirect, contact zal zoeken en/of opnemen met [slachtoffer];

* zich gedurende het eerste jaar van de proeftijd – of zoveel korter als Bureau Jeugdzorg dat geïndiceerd acht indien de familie [familie] voortijdig verhuist - op woensdagen en zondagen niet zal begeven en/of bevinden in het gebied, omvattende het schoolplein van de [school], gelegen aan de [adres] te [woonplaats], het schoolplein van [school], gelegen aan de [adres] te [woonplaats] en de bij voornoemde scholen gelegen voetbalkooi.

Geeft aan genoemde instelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie.

Dadelijk uitvoerbaar

Beveelt dat de hierboven gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 77aa Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

- een leerstraf, te weten de gedragsinterventie Respect Limits Extra Plus van 40 uren;

- beveelt dat indien verdachte de leerstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 20 dagen;

Benadeelde partij

- veroordeelt de Stichting NIDOS, zijnde de voogd van verdachte, tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer], van € 1.842,91, waarvan € 342,91 ter zake van materiële schade en € 1.500,00 ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 28 november 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt de Stichting NIDOS in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

Beslag

- gelast - nadat dit vonnis onherroepelijk is geworden - de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

- 2 paar schoenen,

- een jas.

Voorlopige hechtenis

Heft het - reeds geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.P.C.M. Waarts, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. Z.J. Oosting en mr. J.M. Bruins, rechters, in tegenwoordigheid van G. van Engelenburg, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 22 augustus 2014.

Mr. Z.J. Oosting is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

Primair

hij op of omstreeks 28 november 2013 te Nieuwegein, althans in het arrondissement

Midden –Nederland door geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die hebben bestaan uit of mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam immers heeft hij, verdachte

zijn penis (met kracht) en/of een stokje, althans een voorwerp in de vagina en/of anus en/of mond van die [slachtoffer] geduwd en/of (in)gebracht en/of (vervolgens) (heen en weer) bewogen

en bestaande dat geweld en/of die andere feitlijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat hij, verdachte die [slachtoffer] mee heeft genomen/getrokken/geduwd naar de speeltuin en/of de bosjes en/of heeft vastgepakt/vastgegrepen en/of (vervolgens) de broek van voornoemde [slachtoffer] naar beneden heeft getrokken en/of gedaan en/of (vervolgens) zijn penis uit zijn broek heeft gehaald en/of die [slachtoffer] op haar buik heeft gelegd en/of op die [slachtoffer] is gaan liggen;

subsidiair

hij op of omstreeks 28 november 2013 te Nieuwegein, althans in het arrondissement

Midden-Nederland met [slachtoffer] (geboren op [2003]), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte zijn, verdachtes, penis en/of een stokje, althans een voorwerp, in de vagina en/of anus en/of mond van voornoemde [slachtoffer] gebracht en/of geduwd en/of (vervolgens) (heen en weer) bewogen;

1 Proces-verbaal van aangifte [aangeefster], pagina 24, 28 t/m 32 en 35.

2 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 november 2013, pagina 14 t/m 17.

3 Studioverhoor [slachtoffer], verhoor 2, pagina 155 t/m 159, 162 en 164.

4 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 november 2013, pagina 18.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige], pagina 83 en 84.

6 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 december 2013, pagina 43; studioverhoor [slachtoffer], verhoor 3, pagina 167.

7 Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een rapport van het FPKM d.d. 13 december 2013, opgemaakt door J.A. Kortmann, forensisch arts, pagina 224.

8 Proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 6 december 2013, pagina 169 t/m 171.

9 Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten: een NFI rapport d.d. 4 februari 2014, opgemaakt door A.J. Slycke., pagina 265 en 266.

10 Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een rapport van het TMFI, d.d. 6 augustus 2014, opgemaakt door P.J. Herbergs, forensisch DNA deskundige.