Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:3637

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
08-05-2014
Datum publicatie
22-08-2014
Zaaknummer
C/16/365425 / KL ZA 14-96
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot verwijdering van onrechtmatige content website.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Lelystad

zaaknummer / rolnummer: C/16/365425 / KL ZA 14-96

Vonnis in kort geding van 8 mei 2014

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats ], Texas (Verenigde Staten van Amerika),

eiser,

advocaat mr. J.J. van der Goen te Soest,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 1] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] en kantoorhoudende te [woonplaats ],

gedaagde,

niet verschenen,

2 [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats ],

gedaagde,

advocaat mr. P.G.W. van Wees te Arnhem.

Partijen zullen hierna [eiser], [gedaagde 1] en [gedaagde sub 2] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 9 april 2014 met producties;

  • -

    de producties van [gedaagde sub 2] van 16 april 2014;

  • -

    de mondelinge behandeling op 17 april 2014;

  • -

    het tijdens de behandeling tegen de niet verschenen [gedaagde 1] verleende verstek;

  • -

    de pleitnota van [gedaagde sub 2].

1.2.

Vervolgens is vonnis bepaald op 1 mei 2014, waarna de vonnisdatum nader is bepaald op 8 mei 2014.

2 De feiten

2.1.

Op 18 februari 2000 is de 17-jarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige]) uit [woonplaats ] (Friesland) dood aangetroffen in een sloot bij [woonplaats ].

2.2.

[eiser] is de oom van [minderjarige] en de halfbroer van de moeder van [minderjarige].

2.3.

Het Openbaar Ministerie (OM) heeft onderzoek verricht naar het overlijden van [minderjarige] en geconcludeerd dat van een misdrijf niet is gebleken. Ook een nader verkennend onderzoek in 2010 door het OM verricht, heeft geen aanwijzingen opgeleverd dat er sprake is van een misdrijf.

2.4.

[eiser] is in de beide justitiële onderzoeken gehoord als getuige, maar niet aangemerkt als dader.

2.5.

De moeder van [minderjarige] heeft een website gehad (www.[naam].nl) waarmee zij aandacht vroeg voor de dood van [minderjarige]. Op de website werd onder meer het volgende vermeld:

Het hoe en waarom van zijn verdwijning en dood is nog immer een raadsel, omdat er destijds geen onderzoek naar gedaan is. Een doofpotaffaire zogezegd.

In sept. 2009 kwam er dan tóch, na aandringen van vele kanten, een onderzoek op gang naar de dood van [minderjarige] en een jaar later óók naar de meest voor de hand liggende verdachte, mijn (half)broer Dr. [eiser] wegens zijn boosaardige acties en zijn rol in de zaak.

[Vanwege zijn positie en betrekkingen met politie/justitie werd hem eerder steeds de hand boven het hoofd gehouden en gingen de dossiers over zijn jarenlange terreur jegens mijn gezin de plank op als zijnde ‘niet relevant’]”

2.6.

Op verzoek van [eiser] heeft de moeder van [minderjarige] (medio 2013) de website offline gehaald.

2.7.

In december 2013 heeft [eiser] geconstateerd dat op de website www.[naam] opnieuw aandacht werd besteed aan de dood van [minderjarige]. Op 3 januari 2014 werd op de website (hierna: de Website) onder meer vermeld:

“Tevens laat [A]. weten dat het eenvoudiger voor de halfbroer (die “multimiljonair geworden zou zijn in de booming oil in Texas”) zou zijn geweest om een goede advocaat tegen zijn neefje in stelling te brengen dan de jongen te doden, aangezien “juridische procedures tot het dagelijkse leven behoren” van de halfbroer (punt46)

Desalniettemin weet [A] dan ook nog te melden dat de halfbroer altijd een “goede relatie” zou hebben gehad met neefje [minderjarige] en niets “zou hebben geweten van de aanstaande procedure tegen hem” (die hem toch per aangetekend stuk was aangezegd). (punt 40 en 41)

Toch oppert [A] (gekscherend?) dat de halfbroer misschien uit angst voor deze procedure zijn neefje [minderjarige] gedood zou kunnen hebben. (punt 42)

De bron van de indianenverhalen van [A]

Opvallend is dat zijn lasterlijke verhalen tot in de details kopieën zijn van de verhalen van de halfbroer van moeder. [A] verwijst dan ook veelvuldig naar de door hem met naam en toenaam genoemde halfbroer als bron van alle informatie.

Deze man heeft gedurende vele jaren het gezin van moeder [B] belaagd en belasterd. Hij verspreidde verhalen over psychiatrische aandoeningen, kindermishandeling en verwaarlozing op scholen van [minderjarige] en in de sociale omgeving van moeder en zoon. Daarbij deed hij zich zelfs voor als voogd van [minderjarige]. Ook deed hij valse meldingen bij de Raad voor de Kinderbescherming en bij politie en justitie.

Hij zorgde ervoor dat moeder en zoon verstoten werden uit de familie en op allerlei wijzen benadeeld werden en in een sociaal isolement gedreven werden. Moeder en zoon hebben hier emotioneel, maatschappelijk en financieel aantoonbaar zeer onder geleden.

Hij bedreigde [minderjarige] toen hem duidelijk werd dat [minderjarige] hem voor de rechter zou slepen zodra hij 18 jaar geworden zou zijn. De rechtszaak ging niet door omdat [minderjarige] kort daarna is ontvoerd en omgekomen.

Na de door van [minderjarige] is de man doorgegaan met zijn lastercampagne, die er geheel op gericht was de geloofwaardigheid van moeder te ondermijnen en [minderjarige] weg te zetten als het gedoodverfde slachtoffer van een “falende opvoeding van een psychiatrische moeder”.

Hij benaderde heimelijk na (en voor!) de dood van [minderjarige] politie en justitie met verhalen dat het te verwachten was dat het slecht zou aflopen met [minderjarige] aangezien “de moeder haar kind de dood in dreef”.

Hij publiceerde in kranten en richtte een 5-tal websites op waarbij hij als domeinnaam de naam van [minderjarige] misbruikte. Zo heeft hij voortdurend aan de weg getimmerd om de pogingen van moeder om de toedracht van de dood van haar zoon te achterhalen op een perverse manier tegen te werken.

Zelfs de media trachtte hij (tevergeefs) de mond te snoeien m.b.t. berichtgeving over de zaak [minderjarige].

Ook belaagde hij de moeder op een sadistische wijze op haar eigen website onder allerlei aliassen, zonder te beseffen dat hij middels zijn IP geenszins anoniem was.”

2.8.

Op de Website stond op 3 januari 2014 onder meer een op 1 januari 2014 door [naam] geplaatste reactie:

WAAROM looft de broer – die multimiljonair is – eigenlijk niet een beloning uit voor de “Gouden Tip”!!??!!

Hij beweert toch dat hij het zo goed voor had met dat joch – waarom doet hij dan niets – dat zou hem tevens van alle verdenkingen (kunnen) zuiveren??

Wel steekt hij steeds enorm veel tijd en energie in om iedereen (incl. politie en justitie) er van te overtuigen dat een onderzoek naar de dood van zijn neefje hélemaal niet nodig is…

Hmmm vreemd…”

2.9.

[gedaagde 1] is de hosting provider van de Website.

2.10.

[gedaagde sub 2] is de beheerder van de Website.

2.11.

[eiser] heeft [gedaagde 1] en [gedaagde sub 2] diverse malen aangeschreven met het verzoek ‘de onrechtmatige content’ van de Website te verwijderen alsmede tot het verstrekken van IP-adressen van de diverse posters op de Website.

2.12.

In de e-mail van 14 februari 2014 van [gedaagde 1] aan mr. Kruijtzer, kantoorgenoot van mr. Van der Goen, wordt onder meer meegedeeld:

“Wij zijn niet de beheerder of eigenaar van deze website. Uw klacht is hierna doorgestuurd. Wij halen alleen websites offline als hier een gerechtelijk bevel voor is of dat de website tegen onze algemene voorwaarden is. Ook het verstrekken van klantgegevens gaat helaas niet zonder gerechtelijk bevel.”

2.13.

In de e-mail van 28 maart 2014 van [gedaagde sub 2] aan mrs. Kruijtzer en Van der Goen, wordt onder meer meegedeeld:

“Ik begrijp hier he-le-maal niks van.

Er worden helemaal geen namen genoemd die betrekking hebben op uw cliënt.

Ik behandel op mijn website uitlatingen die door [A] (het vriendje van uw cliënt) online werden gezet.

Uw cliënt herkent zich hierin? Wonderlijk.

Datzelfde vriendje ([A]) schreef u ook al aan met de vraag of u iets tegen de moeder van [minderjarige] zou kunnen ondernemen.

Vreemd he? De wereld op zijn kop?

De bewuste citaten die u in uw schrijven meestuurde werden reeds opgeschoond en bijgewerkt VOORDAT ik de eerste keer (begin februari) door [gedaagde 1] op de hoogte werd gesteld van uw schrijven aan hen.

U stuurt mij nu bijna exact hetzelfde stuk met dezelfde citaten welke opgemaakt werden door een gerechtsdeurwaarder die u reeds aan [gedaagde 1] verstuurde.

Ik zie dus niet waar ik hier nu dan fout zou zitten?”

en:

“Voor de goede orde het overdragen van de digitale gegevens van mijn bezoekers en posters kan slechts na aanleiding van een gerechtelijk bevel.”

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat en zoals de rechtbank de vorderingen begrijpt – dat bij vonnis, uitvoerbaar bij vonnis:

  1. [gedaagde sub 2] wordt bevolen binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de op de internet website www.[naam] gepubliceerde uitingen die [eiser] betreffen alsmede de reacties daarop te verwijderen en verwijderd te houden;

  2. [gedaagde sub 2] wordt verboden zich via het internet of enig ander openbaar medium over [eiser] uit te laten, althans zich uit te laten op een wijze zoals in het lichaam van de dagvaarding omschreven;

  3. [gedaagde sub 2] wordt bevolen om binnen 2 x 24 uur na betekening van dit vonnis aan de raadsman van [eiser] schriftelijk opgave te doen van de namen, de woon-/vestigingsadressen en de IP-adressen van de (rechts)personen van wie de onrechtmatige uitspraken gepubliceerd op de internet website www.[naam] afkomstig zijn;

  4. [gedaagde 1], indien en voor zover mocht blijken dat [gedaagde sub 2] niet de beheerder is van de internet website www.[naam], te bevelen om binnen 2 x 24 uur na betekening van dit vonnis aan de raadsman van [eiser] schriftelijk opgave te doen van de namen, de woon-/vestigingsadressen en de IP-adressen van de (rechts)personen in wiens opdracht [gedaagde 1] toegang tot voormelde website verleent;

  5. [gedaagde 1] wordt bevolen om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis het verlenen van toegang tot het internet aan de internet website www.[naam] te staken en gestaakt te houden;

  6. [gedaagde 1] wordt bevolen om op het eerste verzoek van [eiser], indien mocht blijken dat [gedaagde sub 2] of de onder 4. Genoemde (rechts)persoon via een (andere) website aanwezig op een server bij en/of van [gedaagde 1], althans een server binnen de invloedssfeer van [gedaagde 1], opnieuw de internet website www.[naam], althans een met deze website vergelijkbare website met daarop vergelijkbare uitingen die [eiser] betreffen zoals in het lichaam van de dagvaarding omschreven op het internet plaatst, de toegang tot het internet van de nieuwe website te staken en gestaakt te houden;

  7. voormelde bevelen en verboden elke op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,-- per dag of gedeelte van de dag dat [gedaagde 1] respectievelijk [gedaagde sub 2] daar niet aan voldoet;

  8. [gedaagde 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk te veroordelen om binnen 2 x 24 uur na betekening van dit vonnis bij wege van voorschot te betalen een bedrag van € 10.000,--;

  9. [gedaagde 1] en [gedaagde sub 2] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2.

[eiser] heeft ter onderbouwing van zijn vorderingen gesteld dat op de Website zeer beledigende, smadelijke, lasterlijke en derhalve schadelijke informatie over [eiser] wordt gepubliceerd zonder enige feitelijke onderbouwing of grondslag. [eiser] stelt dat hij op de Website ten onrechte wordt beschuldigd van betrokkenheid bij de dood van [minderjarige], dat hij zijn positie en betrekkingen met politie en justitie zou hebben gebruikt om strafrechtelijke vervolging te voorkomen alsmede dat hij de moeder van [minderjarige] zou hebben belaagd en belasterd. [eiser] stelt dat op grond van het voorgaande sprake is van een onrechtmatige inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer en aantasting van zijn eer en goede naam. [eiser] houdt [gedaagde 1] als hosting provider en [gedaagde sub 2] als beheerder van de Website daar aansprakelijk voor en stelt dat hij recht op en spoedeisend belang heeft bij toewijzing van het gevorderde.

3.3.

[gedaagde sub 2], anders dan de niet-verschenen [gedaagde 1], voert verweer en heeft daartoe het volgende gesteld. [gedaagde sub 2] heeft tussen 3 januari 2014 en 6 januari 2014 de gehele inhoud van de Website op zodanige wijze aangepast dat ook bij de stukken over [minderjarige] geen verwijzingen meer te vinden zijn naar [eiser]. De verwijzingen als broer, stiefbroer en familielid zijn allen vervangen door SVTET (stalker van [B] en [minderjarige]) of door CO. [eiser] heeft dan ook geen spoedeisend belang meer bij zijn vorderingen, nu hij van onjuiste gegevens uitgaat. Voorts is de gehele topic over [minderjarige] op 10 april 2014 voorlopig offline gehaald.

Betwist wordt dat [eiser] op de Website wordt/werd aangeduid als moordenaar van [minderjarige] dan wel dat hij betrokken zou zijn geweest bij de dood van [minderjarige] en dat [eiser] de zaak in de doofpot heeft gestopt. De publicaties zijn dan ook niet onrechtmatig jegens [eiser], zodat reeds om deze grond er geen verplichting bestaat tot afgifte IP adressen en NAW‑gegevens.

[gedaagde sub 2] stelt voorts dat de berichtgeving over [minderjarige] een publieke taak dient en dat dit prevaleert boven het persoonlijk belang van [eiser].

Voorts acht [gedaagde sub 2] van belang dat [eiser] in het verleden zelf ook vele berichten geplaatst heeft op onbeveiligde websites en dat deze documenten nog steeds vindbaar zijn. [eiser] neemt nog steeds actief deel aan het publieke debat, zij het in een beveiligde omgeving en via zijn nauwe banden met andere posters zoals [A], [naam] en [naam]. [gedaagde sub 2] concludeert dan ook tot afwijzing van de vorderingen.

3.4.

Op de stellingen van [eiser] en [gedaagde sub 2] wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang vloeit uit de aard van de vordering voort. De door [gedaagde sub 2] gestelde omstandigheid dat hij in januari 2014 zijn website zou hebben aangepast maakt niet dat [eiser] geen spoedeisend belang meer zou hebben.

4.2.

In deze zaak gaat het om een botsing van twee fundamentele rechten, namelijk aan de zijde van [eiser] diens recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer en aan de zijde van [gedaagde sub 2] het recht op vrijheid van meningsuiting.

4.3.

Toewijzing van het gevorderde verbod op de Website van [gedaagde sub 2] levert een beperking op van het in artikel 7 Grondwet (hierna: Gw) en artikel 10 lid 1 EVRM neergelegde recht van [gedaagde sub 2] op vrijheid van meningsuiting. Een dergelijk recht kan slechts worden beperkt indien dit bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen (artikel 10 lid 2 EVRM). Van een beperking die bij de wet is voorzien is sprake wanneer de Website van [gedaagde sub 2] een zodanige inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van [eiser] dat die als onrechtmatig kan worden aangemerkt in de zin van artikel 6:162 BW. Voor het antwoord op de vraag welk recht - het recht op vrije meningsuiting of het recht op privacy - in dat geval zwaarder weegt, moeten de wederzijdse belangen worden afgewogen. Welk van deze belangen, die in beginsel gelijkwaardig zijn, de doorslag behoort te geven hangt af van de concrete omstandigheden van het geval.

4.4.

Het belang van [gedaagde sub 2] is dat hij met zijn Website aandacht wil vragen voor allerhande zaken die naar zijn mening van maatschappelijk belang zijn en die nog onopgehelderd zijn dan wel dat er vraagtekens geplaatst kunnen worden bij ‘het officiële verhaal’. Eén van de zaken waar [gedaagde sub 2] aandacht voor vraagt is het overlijden van [minderjarige] in februari 2000.

4.5.

Het belang van [eiser] is erin gelegen dat hij door de berichtgeving op de Website niet lichtvaardig wordt blootgesteld aan verdachtmakingen als ware hij betrokken bij de dood van [minderjarige], dat hij zijn positie en betrekkingen met politie en justitie zou hebben gebruikt om strafrechtelijke vervolging te voorkomen alsmede dat hij de moeder van [minderjarige] zou hebben belaagd en belasterd.

4.6.

Anders dan [gedaagde sub 2] stelt is de voorzieningenrechter van oordeel dat in de door [eiser] aangehaalde artikelen op zijn Website over [minderjarige] wel de suggestie wordt gewekt dat [eiser] als verdachte van betrokkenheid bij de dood van [minderjarige] kan worden aangemerkt en dat [eiser] grote moeite zou doen om de zaak in de doofpot te stoppen en de moeder van [minderjarige] op een ‘perverse’ manier zou tegenwerken en op ‘sadistische wijze’ belaagt (zie 2.7. en 2.8). Voorts is bij de beoordeling van belang dat tot twee keer toe justitieel onderzoek is gedaan naar de dood van [minderjarige] en dat [eiser], die als getuige is gehoord, geen enkele keer als verdachte is aangemerkt. Onder deze omstandigheid heeft [eiser] er recht op en belang bij dat hij gevrijwaard wordt van verdachtmaking dat hij toch als verdachte betrokken is bij de dood van [minderjarige]. Hetzelfde geldt voor de gestelde maar op geen enkele wijze onderbouwde bewering dat [eiser], als mogelijke dader, zijn positie en betrekkingen met politie en justitie zou hebben gebruikt om strafrechtelijke vervolging te voorkomen. Ook het op de Website gestelde over het tegenwerken van de moeder van [minderjarige] is eveneens onrechtmatig jegens [eiser] te achten. De omstandigheid dat uit diverse van de door partijen overgelegde producties blijkt dat reeds in 1996 de verstandhouding tussen [eiser] en de moeder van [minderjarige] zeer problematische was en nog steeds is, maakt dit niet anders en geeft [gedaagde sub 2] ook geen vrijbrief [eiser] er publiekelijk van te beschuldigen de moeder van [minderjarige] op een perverse manier tegen te werken.

4.7.

De door [gedaagde sub 2] gestelde omstandigheid dat de verwijzingen naar [eiser] (als broer, stiefbroer en familielid) op de Website zou zijn verwijderd en vervangen door SVTET (stalker van [B] en [minderjarige]) of CO maakt dit niet anders. Hetzelfde geldt voor de ter zitting gestelde omstandigheid dat de topic over [minderjarige] op de Website tijdelijk offline is gehaald. Deze (ter zitting gestelde en niet aangetoonde) gewijzigde situatie verzet zich niet tegen toewijzing van de vorderingen in na te melden zin, nu de doorgevoerde wijzigingen – voor zover daarmee al de onrechtmatigheid zou zijn opgeheven - zo weer terug te draaien zijn.

4.8.

De door [gedaagde sub 2] gestelde omstandigheid dat [eiser] in het verleden heeft deelgenomen aan het publieke debat en thans op een afgeschermde website informatie heeft staan over [minderjarige] en zijn moeder, maakt evenmin dat de vordering niet toewijsbaar zou zijn. Ook onder deze omstandigheid mag [eiser] verlangen verschoond te blijven van de onder 4.6 genoemde verdachtmaking en beschuldigingen.

4.9.

Gelet op ontoelaatbaar geachte uitingen over [eiser] op de Website, de onderlinge samenhang tussen de uitingen en het totaalbeeld dat door de diverse uitingen op de Website over [eiser] wordt gecreëerd, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de content van de website over de dood van [minderjarige] -voor zover de uitingen [eiser] betreffen - verwijderd dient te worden, dan wel verwijderd dient te blijven. Daarbij gaat het ook om verwijzingen als SVTET of CO. Onvoldoende is gebleken dat de lezer met deze vermeldingen, voor zover ook daadwerkelijk reeds gebruikt, niet kan begrijpen dat naar [eiser] wordt verwezen. Het onder 3.1 onder a. en b. gevorderde is dan ook in na te melden zin toewijsbaar.

4.10.

Het onder 3.1 onder c. gevorderde komt reeds niet voor toewijzing in aanmerking, nu [eiser] niet heeft gesteld welke uitlating(en) van een (anonieme) derde op de Website hij onrechtmatig acht. De door [eiser] genoemde gewraakte uitingen (zie 2.7. en 2.8) zijn immers allen afkomstig van [gedaagde sub 2] als beheerder van de website.

4.11.

Het onder 3.1 onder d. gevraagde bevel komt niet voor toewijzing in aanmerking op grond dat er geen reden is om [gedaagde sub 2] niet als beheerder van de Website aan te merken. Ter zitting zijn beide partijen er immers onverkort van uitgegaan dat [gedaagde sub 2] de beheerder is.

4.12.

Het onder 3.1 onder e. gevraagde bevel dat [gedaagde 1] de toegang tot het internet aan de Website moet staken is niet toewijsbaar, nu [gedaagde sub 2] onweersproken heeft gesteld dat de Website negen maintopics heeft (met vele subtopics) en dat slechts één van deze maintopics over [minderjarige] gaat. Toewijzing van het gevorderde zou betekenen dat ook de overige acht maintopics niet meer toegankelijk zou zijn. Dit is, zeker gelet op de toewijsbaarheid van het onder 3.1 onder a. en b. gevorderde, een te zwaar middel.

4.13.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding [gedaagde 1] reeds nu te bevelen om op het eerste verzoek van [eiser] enig andere onder haar invloedssfeer vallende (bestaande dan wel nieuwe) websites - zoals onder 3.1. onder f is gevorderd - de toegang tot het internet te onthouden.

4.14.

Voor toewijzing van de onder 3.1. onder h. gevorderde schadevergoeding is in dit kort geding evenmin plaats. De vraag over de toewijsbaarheid van de door [eiser] gestelde en door [gedaagde sub 2] betwiste materiële en immateriële schade dient in de bodemprocedure te worden beslist. Van een voldoende spoedeisend belang van [eiser] om op de van de bodemrechter te verwachten oordeel daarover vooruit te lopen ontbreekt.

4.15.

De onder 3.1. onder g. gevorderde dwangsom zal in na te melden zin jegens [gedaagde sub 2] worden toegewezen.

4.16.

Gelet op het voorgaande zijn alle vorderingen ingesteld tegen [gedaagde 1] niet toewijsbaar. Dit betekent dat [eiser] als de in de procedure tegen [gedaagde 1] in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten zal worden veroordeeld. Deze kosten zullen echter worden begroot op nihil, nu [gedaagde 1] niet is verschenen.

4.17.

[gedaagde sub 2] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld in de procedure [eiser] tegen [gedaagde sub 2]. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 95,77

- griffierecht 868,00

- salaris advocaat 904,00

Totaal € 1.867,77

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

met betrekking tot [gedaagde 1]

5.1.

wijst het gevorderde af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde 1] tot op heden begroot op nihil,

met betrekking tot [gedaagde sub 2]

5.3.

beveelt [gedaagde sub 2] om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de complete content van de Website over [minderjarige] te verwijderen en verwijderd te houden, voor zover de content direct dan wel indirect verwijst naar [eiser], daaronder mede begrepen SVTET en CO,

5.4.

verbiedt [gedaagde sub 2] zich via het internet of enig ander openbaar medium direct dan wel indirect over [eiser] uit te laten, op een wijze zoals onder 4.6 is weergegeven,

5.5.

veroordeelt [gedaagde sub 2] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 5000,-- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan het hiervoor genoemde bevel en/of verbod houdt,

5.6.

bepaalt dat uit hoofde van dit vonnis niet meer dwangsommen worden verbeurd dan tot een bedrag van € 150.000,--,

5.7.

veroordeelt [gedaagde sub 2] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.867,77,

5.8.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.9.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. The-Kouwenhoven en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2014.1

1 type: ST(Mcoll: